Artikel 3:20

1. Het bestuursorgaan bevordert dat een aanvrager in kennis wordt gesteld van andere op aanvraag te nemen besluiten waarvan het bestuursorgaan redelijkerwijs kan aannemen dat deze nodig zijn voor de door de aanvrager te verrichten activiteit.
2. Bij de kennisgeving wordt per besluit in ieder geval vermeld:
a. naam en adres van het bestuursorgaan, bevoegd tot het nemen van het besluit;
b. krachtens welk wettelijk voorschrift het besluit wordt genomen.

 

Dit artikel is met ingang van 1 juli 2008 ingevoegd bij wet van 29 mei 2008 Stb. 200 (wetsvoorstel 30 980).

VO [Artikel 3.5.2.1] = VvW, met uitzondering van het tweede lid dat in het VO ontbrak.

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

[30 980, p. 18-21]

Artikel 3:20 (Informatieverschaffing)

Eerste lid
Het eerste lid van dit artikel legt aan bestuursorganen een inspanningsverplichting op om te bewerkstelligen dat de aanvrager van een besluit wordt geïnformeerd over het feit dat er nog andere besluiten moeten worden aangevraagd om de beoogde activiteit te kunnen uitvoeren. Het moet dan, gelet op artikel 3:19, gaan om besluiten die nodig zijn om de activiteit in kwestie te mogen verrichten of om besluiten die strekken tot het vaststellen van een financiële aanspraak met het oog op de activiteit in kwestie. Verwacht mag worden dat de in paragraaf 6 vermelde overheidsloketten aanzienlijk kunnen bijdragen aan het verwerven van inzicht over de vraag voor welke activiteiten welke besluiten als regel benodigd zijn. Het ligt in de rede dat het bestuursorgaan een en ander nagaat bij de behandeling van een (eerste) aanvraag. Om de nodige flexibiliteit te bewerkstelligen is niet exact voorgeschreven op welk moment de informatie moet worden verschaft. Ook als een aanvraag nog onvolledig is, zal onder omstandigheden reeds informatieverschaffing kunnen plaatsvinden, zij het dat het risico bestaat dat het bestuursorgaan dan nog niet een zelfde inzicht in de aard van de te ondernemen activiteit heeft als het geval zou zijn geweest bij een volledig aanvraag. Met het oog op een soepele toepassing en het vermijden van formalisering is evenmin voorgeschreven op welke wijze, schriftelijk of mondeling, de informatie door het bestuur moet worden verschaft. Dat kan onder omstandigheden bijvoorbeeld ook gebeuren door verstrekking van een op de betrokken activiteit toegesneden publieksbrochure, indien die voorhanden is en voldoende volledige informatie bevat.
Als regel zal ook reeds in informeel vooroverleg tussen de aanvrager en het bestuursorgaan aan de orde kunnen komen dat er nog andere besluiten nodig zijn om de activiteit te kunnen verrichten. Verwacht mag dan ook worden dat van deze bepaling een stimulans uitgaat om een zodanig vooroverleg te voeren. Het gaat echter te ver om een wettelijke verplichting op te nemen om altijd vooroverleg te hebben over de besluiten die nodig zijn om een activiteit te kunnen verrichten. Zoals is uiteengezet in het kabinetsstandpunt inzake de eerste evaluatie van de Awb[1] zou een wettelijke regulering van het vooroverleg immers leiden tot onnodige formalisering en onvermijdelijk betekenen dat er een nieuwe fase van informeel vooroverleg ontstaat vóór het wettelijk geregelde vooroverleg.
Als gezegd, heeft dit artikel nadrukkelijk het oogmerk van een inspanningsverplichting. De term «bevorderen» geeft dit ook aan. Aansprakelijkheid voor het niet of onjuist verstrekken van informatie kan op deze grond dan ook niet snel worden aangenomen. Het artikel heeft met andere woorden een serviceverlenend oogmerk. Dit neemt uiteraard niet weg dat bij de behandeling van een (eerste) aanvraag serieus en consequent aandacht moet worden besteed aan de vraag of nog andere besluiten nodig zijn. Het ligt in de rede dat in twijfelgevallen daartoe contact wordt opgenomen met de aanvrager, maar voorgeschreven is dit niet. Aangezien het om een inspanningsverplichting gaat, ligt het niet in de rede dat kosten voor het verstrekken van de informatie in rekening worden gebracht.
De woorden «redelijkerwijs kan aannemen» begrenzen de informatieverplichting in tweeërlei opzicht.
In de eerste plaats kan niet zonder meer van elk bestuursorgaan worden verwacht dat het exact op de hoogte is van alle door de centrale overheid en door decentrale overheden vastgestelde regelgeving die voorziet in op aanvraag te nemen besluiten. Naarmate de betrokken regelgeving beter via algemene bronnen als de genoemde loketten of brochures ontsloten is, of meer betrekking heeft op de werkzaamheden van het betrokken bestuursorgaan zelf, kan eerder worden verondersteld dat het bestuursorgaan van de geldende regelgeving op de hoogte is. Vaak zal sprake zijn van een «hoofdvergunning»: een vergunning die essentieel is om de voorgenomen activiteit te mogen verrichten. Het bestuursorgaan dat die hoofdvergunning afgeeft, zal beter in staat zijn om voorlichting te geven over andere benodigde vergunningen en ontheffingen dan een bestuursorgaan dat – min of meer toevallig – het bevoegde bestuursorgaan is voor een bepaalde deelvergunning voor een klein aspect van de beoogde activiteiten.
In de tweede plaats strekken deze woorden ertoe dat de informatieplicht niet verder reikt dan tot hetgeen redelijkerwijs uit door de aanvrager beschikbaar gestelde informatie (als regel zijn dat de aanvraag en de daarbij verschafte gegevens en bescheiden) kan worden afgeleid.
Er is dus geen sprake van een ongeclausuleerde verplichting om informatie te verschaffen over andere besluiten die moeten worden aangevraagd. Wel mag worden verondersteld dat het bestuursorgaan in staat is om na te gaan of sprake is van een aanvraag voor een besluit waarvoor ingevolge artikel 3:21, eerste lid, onderdeel a (uit hoofde van een wettelijk voorschrift) of b (uit hoofde van een besluit van een bestuursorgaan), coördinatie van besluitvorming verplicht is gesteld. Voorts mag worden aangenomen dat het bestuursorgaan, onafhankelijk van de omstandigheid of coördinatie van besluitvorming verplicht is gesteld, informatie kan verschaffen over andere door het bestuursorgaan zelf op aanvraag nog te nemen besluiten.
Enkele voorbeelden kunnen het bovenstaande verduidelijken. Iemand die voor de vestiging van een horeca-inrichting alleen een drank- en horecawetvergunning aanvraagt bij burgemeester en wethouders, zal door burgemeester en wethouders ook moeten worden geïnformeerd over een benodigde bouwvergunning, een milieuvergunning (of melding) en een eventuele terrasvergunning waarvoor burgemeester en wethouders onderscheidenlijk de burgemeester het bevoegd gezag zijn. Als regel mag worden verondersteld dat burgemeester en wethouders ook redelijkerwijs kunnen aannemen dat er in voorkomende gevallen een provinciale vergunning of ontheffing is vereist voor het maken van een aanlegsteiger in een waterweg die bij de provincie in beheer is. Deze informatie behoeft de gemeente overigens niet zelf in huis te hebben. Het gaat er slechts om dat de informatie de belanghebbende bereikt door tussenkomst van burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders vervullen in dit geval de zgn. één-loketfunctie.
Vanzelfsprekend moet het gaan om informatie die voor de aanvrager relevant is. In het hiervoor genoemde voorbeeld zal duidelijk zijn dat het verschaffen van informatie over de benodigde vergunning of ontheffing voor een aanlegsteiger achterwege kan blijven, indien de betrokken locatie niet aan een provinciale waterweg grenst. Het criterium zal steeds moeten zijn of het op basis van de beschikbare gegevens aannemelijk is dat het voor de belanghebbende relevant is om in kennis gesteld te worden van het benodigde besluit. Het spreekt vanzelf dat dit veelal afhankelijk is van concrete en individuele omstandigheden. Zo kan worden verondersteld dat een restauranthouder die voornemens is tot uitbreiding over te gaan van zijn viersterrenrestaurant, geen behoefte heeft aan informatie over de mogelijkheden inzake de verlening van een speelautomatenvergunning, terwijl deze informatie voor de eigenaar van een snackbar juist zeer relevant kan zijn, omdat de aanwezigheid van een speelautomaat in het algemeen van wezenlijk belang is voor het exploitatieresultaat van een dergelijke onderneming.
De informatieverplichting is uitdrukkelijk beperkt tot op aanvraag te nemen besluiten. Doel van de regeling is immers primair dat een belanghebbende ervan op de hoogte wordt gesteld dat hij nog andere aanvragen moet doen, wil de voorgenomen activiteit daadwerkelijk kunnen plaatsvinden. Daarnaast is het denkbaar dat er nog ambtshalve besluiten moeten worden genomen of dat er wetgeving is die zich verzet tegen de voorgenomen activiteit of deze slechts onder bepaalde voorwaarden mogelijk maakt. Hoewel het uiteraard van belang is dat de aanvrager ook hiervan op de hoogte is, gaat de verplichting niet zover dat de aanvrager ook van ambtshalve te nemen besluiten en geldende wettelijke voorschriften op de hoogte moet worden gebracht. Aangenomen mag worden dat deze onderwerpen in informeel vooroverleg als regel in voldoende mate ter sprake komen. Verder mag ook van een aanvrager worden verwacht dat hij zich verdiept in de geldende wetgeving die van belang is voor de door hem te verrichten activiteit en dat hij zelf de benodigde nadere informatie verwerft en de aanvragen indient. Een verplichting voor het informerend bestuursorgaan om uit eigen beweging de andere eventueel betrokken bestuursorganen te informeren over de gepleegde informatieverstrekking, zoals voorgesteld door het IPO, lijkt ons niet gewenst.
Het in artikel 3:20, eerste lid, gebezigde begrip «aanvraag» is gedefinieerd in artikel 1:3, derde lid, Awb. Hieronder vallen ingevolge vaste jurisprudentie ook meldingen waarop van bestuurszijde moet worden gereageerd met een besluit, zoals die ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Een aan een belastingaanslag voorafgegane aangifte daarentegen is geen aanvraag in de zin van de Awb (art. 8, derde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen; zie ook Kamerstukken II 1990/91, 21 221, nr. 5, blz. 37, vraag 2.25). Dit betekent dat de regels over de informatieverplichting geen betrekking hebben op op aangifte te nemen belastingbesluiten. Wij merken tenslotte op dat de tekst van artikel 3:20, eerste lid, ook de situatie omvat waarin voor de beoogde activiteit nog aanvragen van anderen nodig zijn. Ook dat moet aan de betrokken aanvrager worden medegedeeld.

Tweede lid
Het tweede lid geeft een opsomming van enkele gegevens waarover in ieder geval informatie moet worden gegeven. De opsomming is niet limitatief en staat er dus niet aan in de weg dat ook over andere gegevens informatie wordt verstrekt die op de desbetreffende besluiten betrekking hebben. Voor elk afzonderlijk besluit moeten deze gegevens kenbaar worden gemaakt.
Voor besluiten die zijn opgenomen in het overheidsloket op www.overheid.nl zijn de namen en adressen van de bevoegde instanties en de betrokken wettelijke voorschriften eenvoudig aan die website te ontlenen. Laatstgenoemde gegevens zijn belangrijk, aangezien de belanghebbende op die wijze de weg wordt gewezen naar de exacte voorwaarden voor het nemen van het besluit en andere in verband met dat besluit relevante wettelijke verplichtingen. Het is verder denkbaar dat de voorwaarden om voor clusters van veel voorkomende besluiten in aanmerking te komen, gestandaardiseerd – bijvoorbeeld in brochurevorm – beschikbaar zullen zijn. Hetzelfde geldt voor de adresgegevens van de bevoegde bestuursorganen en de wettelijke voorschriften waarop de besluiten zijn gebaseerd. Het woord «kennisgeving » in dit artikel moet overigens niet aldus worden opgevat dat de informatie altijd schriftelijk moet worden verschaft.

Verslag

[30 980, p. 8]

De leden van de PvdA-fractie merken op, dat nu het voorgestelde artikel 3:20 niet meer is dan een inspanningsverplichting, de aanvrager er op geen enkele wijze op kan vertrouwen, dat hij na het verkrijgen van een besluit niet nog een andere aanvraag moet doen alvorens hij daadwerkelijk kan beginnen met de activiteiten. Hoe kan worden voorkomen, dat aanvragers er wel volledig op vertrouwen dat een bestuursorgaan deze inspanningsverplichting heeft nageleefd? En wat als die verwachting is gewekt? Zou de regering niet willen overwegen om toch alsnog de mogelijkheid in de wet op te nemen, dat een aanvrager desgewenst een garantie kan krijgen van het bestuursorgaan, dat de informatieplicht goed en volledig is nageleefd. Wat kan het bezwaar daartegen zijn? Als het bestuursorgaan al niet weet of er nog andere vergunningen nodig zijn voor het verrichten van die activiteit, hoe zou de aanvrager dat dan wel moeten weten. Op deze wijze zou de inspanningsverplichting door een aanvrager dan desgewenst kunnen worden «omgezet» in een resultaatverplichting. Graag ontvangen deze leden een reactie van de regering.
De leden van de VVD-fractie stellen vast, dat het voorgestelde artikel 3:20 alleen betrekking heeft op «op aanvraag te nemen besluiten» en niet op «ambtshalve te nemen besluiten». Waarom alleen informatieverschaffing over «op aanvraag te nemen besluiten» en niet over «ambtshalve besluiten». De burger kan toch ook belang bij de informatie hebben als het gaat om «ambtshalve besluiten»? De leden van de VVD-fractie krijgen graag een verduidelijking van dit door de regering gemaakte onderscheid.

Nota naar aanleiding van het verslag II

[30 980, p. 9]

Op de vraag van de leden van de PvdA-fractie waarom in de informatieregeling is gekozen voor een inspanningsverplichting, zijn wij hiervoor in paragraaf 1 van deze nota reeds ingegaan. De leden van de VVD-fractie vragen waarom de informatieverplichting geen betrekking heeft op ambtshalve te nemen besluiten. De ratio achter de informatieverplichting is de burger te informeren over bepaalde handelingen die de burger moet verrichten om een bepaalde activiteit te kunnen uitvoeren, te weten het indienen van de benodigde (vergunning)aanvragen. Dat de overheid daarnaast nog eventueel ambtshalve een of meer besluiten moet nemen, is in dat verband van minder belang. Voor die besluiten hoeft de burger zelf niet in actie te komen. Het zou verwarrend zijn om ook deze besluiten, die overigens zeer zelden voorkomen, bij de informatievoorziening te betrekken.

 


[1] Kamerstukken II 1997/98, 25 600 VI, nr. 46.

 

 

 

 

 

Share This