Artikel 1:7

1. Indien door een bestuursorgaan ingevolge enig wettelijk voorschrift advies moet worden gevraagd of extern overleg moet worden gevoerd inzake een besluit alvorens een zodanig besluit kan worden genomen, geldt dat voorschrift niet indien het voorgenomen besluit uitsluitend strekt tot uitvoering van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Europese Commissie.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het horen van de Raad van State. 

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoegd bij wet van 15 december 1993 Stb. 671 (wetsvoorstel 22 690)

[bron: PG Awb II, p. 322-323]

[Eindtekst] Artikel 1:7 [1.2.1]
1. Indien door een bestuursorgaan ingevolge enig wettelijk voorschrift advies moet worden gevraagd of extern overleg moet worden gevoerd inzake een besluit alvorens een zodanig besluit kan worden genomen, geldt dat voorschrift niet indien het voorgenomen besluit uitsluitend strekt tot uitvoering van een bindend besluit van de Raad of de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het horen van de Raad van State.

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

Door het eerste lid vervallen de daar bedoelde, elders gecreëerde advies- en overlegverplichtingen. Bevoegdheden tot het vragen van advies en voeren van overleg worden hierdoor niet aangetast.
Onder het vragen van advies moet in ieder geval worden verstaan het vragen van advies aan adviesorganen in de zin van artikel 9 van de Wet openbaarheid van bestuur (Stb.1991, 703). Echter ook andere organen jegens welke een wettelijke adviesverplichting bestaat worden bestreken door de gehanteerde redactie.
Overlegverplichtingen hebben veelal betrekking op te voeren overleg met andere bestuursorganen of representatieve belangenorganisaties. Een voorbeeld van een dergelijke overlegverplichting kan gevonden worden in artikel 2, zevende lid, van de Prijzenwet (Stb.1965, 646). Het spreekt vanzelf dat interdepartementale afstemming met betrekking tot voorgenomen regelgeving niet tot de overlegverplichtingen in de zin van deze bepaling moet worden gerekend. Nu EG-regelgeving niet altijd is toegesneden op de Nederlandse departementale structuur en bindende EG-besluiten veelal meer dan één departement raken, is vroegtijdig overleg tussen de desbetreffende departementen een van de voorwaarden voor een juiste en tijdige implementatie.
Het tweede lid handhaaft de verplichte advisering door de Raad van State inzake wetsvoorstellen en algemene maatregelen van bestuur. Een beperking van de adviestaak van de Raad van State ligt, gelet op de algemene rol van de Raad in het wetgevingsproces, niet in de rede.

Artikelen 1.2.1 en 1.2.2
Overeenkomstig het begrippenkader van de Awb wordt in de voorge­stelde artikelen 1.2.1 en 1.2.2 gesproken over het ontwerp van een «besluit». Allereerst zal moeten worden gedacht aan ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. Voor zover andere dan wettelijke instrumenten ten behoeve van implementatie van belang mochten zijn, zoals beleidsregels, zij vooropgesteld dat de hoofdeis die het EG-recht aan instrumenten ten behoeve van implemen­tatie stelt is dat zij voldoende waarborgen bevatten voor een daadwerke­lijke en deugdelijke naleving van de EG-regeling in kwestie en dat de openbaarheid deugdelijk verzekerd is, zoals in het advies van de Commissie voor de toetsing van wetgevingsprojecten over implementatie van EG-regelgeving in de nationale rechtsorde wordt opgemerkt (Kamerstukken II 1990/91, 21 109, nr. 33). Wel zij aangetekend dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG in het algemeen tot terughoudendheid noopt bij het gebruik van alternatieve implementatie­technieken.
Het spreekt voor zich dat advies-, overleg- of voorpublicatieverplich­tingen uitsluitend buiten toepassing blijven indien het een besluit betreft dat direct uitvoering geeft aan EG-regelgeving. Vergunningen, onthef­fingen of soortgelijke besluiten, gebaseerd op een implementatiebesluit, behoren daar uiteraard niet toe. Voor dergelijke individuele besluiten gelden de in of bij de wet vastgestelde verplichtingen onverkort.
Wat het begrip «bindend besluit van de Raad of de Commissie van de Europese Gemeenschappen» betreft, zij kortheidshalve verwezen naar hetgeen daarover in paragraaf 4 aan de orde is gekomen.
Hoewel de Awb in het algemeen geen regels geeft over de voorbe­reiding van wetsvoorstellen wordt hierop een uitzondering gemaakt met betrekking tot de onderhavige verplichtingen. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat wat de vereenvoudiging van de uitvoering van EG-regelgeving betreft, het noodzakelijk is amvb’s en wetsvoorstellen op één lijn te stellen. Ook ten aanzien van implementatie bij formele wet dient de mogelijkheid te bestaan advies, overleg en voorpublicatieverplichtingen buiten toepassing te laten.
De term «enig wettelijk voorschrift» in de artikelen 1.2.1 en 1.2.2 houdt rekening met de mogelijkheid dat ook in lagere regelgeving advies-, overleg en voorpublicatieverplichtingen zijn opgenomen.

Voorlopig verslag II

De leden van de CDA-fractie hadden behoefte aan nadere uitleg over het begrip «uitsluitend». Los van de vraag hoe bepaald kan worden of een besluit uitsluitend strekt tot uitvoering van een bindend besluit van Raad of Commissie was het deze leden met name onduidelijk hoe ver de reikwijdte van het begrip is. Uiteraard vallen richtlijnen met nationale beleidsruimte er niet onder maar waarom meldt de memorie van toelichting vervolgens dat «additionele nationale bepalingen» geacht moeten worden onder de term «uitsluitend» te worden begrepen? Gaat het dan om puur technische aangelegenheden? Is het voorts niet raadzaam om ter vermijding van misverstanden de definitie van «besluit» in de zin van de Awb aan te passen aan de definitie «besluit» van de Raad of de Commissie, zo vroegen deze leden.

Memorie van antwoord II

De leden van de CDA-fractie zagen het juist dat additionele nationale bepalingen onder de term «uitsluitend» worden begrepen, en wel voor zover deze bepalingen noodzakelijk zijn voor een juiste implementatie. Dit komt vooral nog wel eens voor bij de implementatie van verorde­ningen, in het bijzonder bij uitvoeringstechnische aangelegenheden, waarbij additionele nationale bepalingen nodig kunnen zijn om een in de verordening voorgeschreven resultaat te behalen.
De Awb beschrijft het begrip «besluit» als een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een (nationale) publiekrechtelijke rechtshandeling. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Awb is reeds vermeld dat het bereik van de Awb (in het bijzonder het begrip «bestuursorgaan») zich niet uitstrekt – en zich moeilijk kan uitstrekken ­tot internationale organen, zoals instellingen van de EG (zie kamer­stukken  II 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 29). Een uitbreiding van het begrip «besluit» in de door de leden van de CDA-fractie voorgestelde zin tot besluiten voortvloeiend uit supranationaal en nationaal recht ligt dan ook niet in de rede.
Waar in het wetsvoorstel wordt gesproken over een «besluit van de Raad of de Commissie van de Europese Gemeenschappen» is dus geen «besluit» in de zin van de Awb bedoeld. Naar ons oordeel levert dit geen misverstanden op, aangezien het hier een vaste terminologie betreft die aansluit op andere wetgeving. Voorbeelden hiervan zijn te vinden op blz. 4 van de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel. Voorts kan gewezen worden op de omschrijving van het begrip implementatie in aanwijzing 328 van de nieuwe Aanwijzingen voor de regelgeving. Ook daar geldt dat de term «besluit» in dat verband een andere betekenis heeft dan «besluit» in de zin van de Awb.

Handelingen II

De heer Linschoten (VVD, p. 345): Voorzitter! In de nota Zicht op wetgeving is al uitgebreid ingegaan op de rol van adviesorganen in het totale wetgevingsproces. De minister weet dat dit thema de VVD-fractie zeer na aan het hart ligt. Daarbij is opgemerkt dat het verplicht inwinnen van advies kan leiden – in veel gevallen gebeurt dat ook – tot vertra­gingen in het wetgevingsproces. Het is zeer de vraag in hoeverre dat een wenselijk gegeven is, zeker als wij er vraagtekens bij moeten zetten of er voldoende winst in termen van zorgvuldigheid tegenover staat als je dat doet. Naar ons oordeel is dat lang niet in alle gevallen zo in Nederland.
Het probleem doet zich bij veel wetgeving voor, dus niet alleen bij het implementeren van Europese regelgeving. Dit wetsontwerp richt zich toch met name op het imple­menteren van die Europese regel­geving. Het voorliggende wetsontwerp strekt er dan ook toe, de wettelijke advies-, overleg- en voorpublikatieverplichtingen buiten werking te stellen als het gaat om Europese regelgeving. In de schrifte­lijke voorbereiding is mijn fractie niet alleen op dat thema ingegaan, maar heeft zij ook aangegeven dat het wat haar betreft om een veel bredere zaak gaat. Die bredere zaak moet in deze Kamer nog nader besproken worden. Bij het rapport “Raad op maat”, naar aanleiding van de commissie-De Jong, zal dat gebeuren. Mij moet van het hart dat wij het eigenlijk jammer vinden dat dit specifieke wetsontwerp moet worden behandeld zonder dat wij het probleem in de breedte, dus in zijn algemeenheid hebben kunnen bespreken in deze Kamer.
Minister Hirsch Ballin (p. 347): In het versnellen van het wetgevingsproces speelt bij de implemen­tatie dit wetsvoorstel een rol, een rol die consistent is met de beleidsvoor­nemens die wij overigens hebben inzake de vergroting van de slagvaar­digheid van de overheid. Daarover is vanuit uw Kamer het rapport “Raad op maat” uitgebracht. Te dien aanzien is een wetsvoorstel van het kabinet voor advies bij de Raad van State. Over de afschaffing van de adviesverplichtingen inzake beleids­voornemens in het algemeen is eerder – het is zoëven ook gememo­reerd – advies gevraagd aan de adviesorganen. Dat klonk natuurlijk allemaal heel merkwaardig, maar je kunt nu eenmaal niet adviesverplichtingen afschaffen zonder ze eerst te hebben nageleefd, vandaar dat wij die weg moesten gaan.
Er is trouwens een verschil in optiek bij dit wetsvoorstel met het wetsvoorstel inzake afschaffing adviesverplichtingen in het algemeen. Dat wetsvoorstel is aan de ene kant ruimer, omdat het niet alleen betrekking heeft op de imple­mentatie van EG-regelgeving. Dit wetsvoorstel is aan de andere kant ruimer, omdat het niet alleen over de adviesverplichtingen gaat maar ook over andere kennisgevingen etcetera die een rol spelen in het implementatieproces. Ik zie dit wetsvoorstel dus ook als een zinvolle bijdrage aan een vergroting van slagvaardigheid van de overheid, zonder dat het mag of moet leiden tot een verlies aan zorgvuldigheid. Daarom is de beperking aangebracht dat het uitsluitend moet strekken tot imple­mentatie tot EG-regelgeving.

Dit artikel is gewijzigd met ingang van 17 mei 1995 bij wet van 26 april 1995 Stb. 250 (wetsvoorstel 23 780).

[bron: PG Awb III, p. 44]

[Eindtekst] Artikel 1:7 [1.2.1]
1. Indien door een bestuursorgaan ingevolge enig wettelijk voorschrift advies moet worden gevraagd of extern overleg moet worden gevoerd inzake een besluit alvorens een zodanig besluit kan worden genomen, geldt dat voorschrift niet indien het voorgenomen besluit uitsluitend strekt tot uitvoering van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het horen van de Raad van State.

Voorstel van wet

In de artikelen 1:7, eerste lid, en 1:8, eerste lid, wordt «een bindend besluit van de Raad of de Commissie van de Europese Gemeenschappen» telkens vervangen door: een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Memorie van toelichting

In artikel 189B van het EG-Verdrag, zoals dat is komen te luiden ingevolge het Verdrag betreffende de Europese Unie, is de zogenoemde codecisie­procedure vastge­legd. Deze procedu­re voorziet in geza­menlijke besluitvorming door de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement op verschillende gebieden. Teneinde de in de artikelen 1:7 en 1:8 Awb neerge­legde vrijstelling van advies en kennisgevingsverplichtingen ook bij de implementatie van deze gezamen­lijke besluiten van toepas­sing te doen zijn, wordt voorgesteld deze artikelen aan te passen. Tevens is hierbij van de gelegenheid gebruik gemaakt om de aanduiding van de Raad in overeen­stem­ming te brengen met zijn besluit van 8 november 1993 (PbEG L 281). Ingevolge dit besluit noemt de Raad zichzelf voortaan «Raad van de Europese Unie» en dient hij ook als zodanig te worden aangeduid in alle besluiten die hij aanneemt.

Verslag II

De leden van de CDA-fractie vragen of het besluit van de Raad van 8 november 1993 (PbEG L 281) wel in overeenstemming is met het EG-Verdrag. Artikel 189B van het EG-Verdrag bij voorbeeld kent de Raad (van de Europese Gemeenschap), niet de Raad van de Europese Unie. Het besluit heeft tot gevolg dat instellingen van de Europese Gemeenschap verschillend worden aangeduid, namelijk de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Nota naar aanleiding van het verslag II

In antwoord op de vraag van de CDA-fractie merken wij op dat de naamgeving van de Europese instellingen is geregeld in het Fusieverdrag van 1965. Dit is bij het Verdrag betreffende de Europese Unie niet gewijzigd, zodat inderdaad verdedigbaar is dat de Raad, in ieder geval in communautair kader, nog steeds «Raad van de Europese Gemeenschappen» heet. De Raad zelf heeft echter een andere opvatting, die de regering ter wille van de eenheid van terminologie meent te moeten respecteren (zie het besluit van de minister-president van 20 juli 1994, Stcrt. 148).

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd bij wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682 (Wet aanpassing bestuursprocesrecht; kamerstukken 32 450).

[Eindtekst] In artikel 1:7, eerste lid, en 1:8, eerste lid, wordt «Commissie van de Europese Gemeenschappen» telkens vervangen door: Europese Commissie.

VO Dit artikel was niet in het consultatievoorstel opgenomen.

Voorstel van wet

In artikel 1:7, eerste lid, en 1:8, eerste lid, wordt “Commissie van de Europese Gemeenschappen” telkens vervangen door: Europese Commissie.

Memorie van toelichting

Het Verdrag van Lissabon heeft de officiële benamingen van de Europese instellingen op enkele punten gewijzigd. Deze wijziging betreft een aanpassing aan de nieuwe terminologie; zij heeft geen inhoudelijke betekenis.

 

 

 

Share This