Artikel 1:6

De hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van deze wet zijn niet van toepassing op:
a. de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen;
b. de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende maatregelen op grond van de Vreemdelingenwet 2000;
c. de tenuitvoerlegging van andere vrijheidsbenemende maatregelen in een inrichting die in hoofdzaak bestemd is voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen;
d. besluiten en handelingen ter uitvoering van de Wet militair tuchtrecht;
e. besluiten en handelingen ter uitvoering van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 4 juni 1992 Stb. 315 (wetsvoorstel 21 221)

[bron: PG Awb I, p. 161-163]

[Eindtekst] Artikel 1:6 [1.6]
Deze wet is niet van toepassing op:
a. de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen;
b. besluiten en handelingen ter uitvoering van de Wet militair tucht­recht (Stb. 1990, 367).

Voorontwerp

Deze wet is niet van toepassing op de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, noch op de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen.

Tekst RvS = VvW, behoudens onderdeel b, dat in de Tekst RvS luidde:
b. besluiten en handelingen ter uitvoering van de Wet militair strafrecht.

Advies RvS

Bestuursrecht en straf- tucht­recht
Bestuursrecht en strafrecht raken elkaar vooral bij de handhaving. Met name de samenhang en coördinatie tussen het uitoefenen van de tot elk van deze rechtsgebieden behorende dwangmiddelen roept een aantal vragen op. De Raad gaat ervan uit dat die vragen aan de orde zullen komen in de teksten en toelichtingen van het nog te ontwerpen Hoofdstuk 5 Handhaving.
Intussen bevat het onderhavige wetsvoorstel reeds een bepaling die in verband staat met de handhaving. In artikel 1.6, onder a, is bepaald dat deze wet niet van toepassing is op de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuit­voerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Blijkens de toelichting is dit geschied omdat beslissingen in het kader van deze procedures in de regel reeds uitputtend zijn geregeld. De toelichting vermeldt voorts dat het artikel over de bepalingen betref­fende het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften, die vaak in één adem worden genoemd met die betreffende opsporing, om de volgende redenen zwijgt. Voor zover het om inhoudelijke bepalingen gaat, is het de bedoeling die bijeen te brengen in een Algemene wet toezicht en opsporing. Voor de procedurele vereisten waaraan toezichtshandelingen moeten voldoen, is de AWB van toepassing.
Omdat nog geen inzicht bestaat in de structuur en reikwijdte van de te ontwerpen Wet toezicht en opsporing, is het niet mogelijk na te gaan welke aspecten van het toezicht door het onderhavige wetsvoorstel worden bestreken. Het onderscheid tussen inhoudelijke en procedurele bepalingen is zo zonder meer weinig zeggend. De Raad moge er daarom op aandringen ter zake nadere informatie, bij voorkeur aan de hand van voorbeelden, te verstrekken. In het regeringsontwerp is in vergelijking met het voorontwerp artikel 1.6 aangevuld met het voorschrift (onder b) dat de wet niet van toepassing is op besluiten en handelingen ter uitvoering van de Wet militair tucht­recht. De toelichting volstaat met de enkele zin dat het hier gaat om beslissingen die op een lijn zijn te stellen met strafrechtelijke beslis­singen. Men kan zich afvragen of die redengeving niet mede geldt voor besluiten en handelingen van andere colleges die bij of krachtens de wet met tuchtrechtspraak zijn belast. In de toelichting dient op die vraag een antwoord te worden gegeven.

Nader rapport

Bestuursrecht en straf- tuchtrecht
De Awb zal niet van toepassing zijn op de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Voor het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften ligt de zaak iets anders. Sommige van de in dat kader uit te oefenen controlebe­voegdheden komen niet alleen in het strafrecht, maar ook in het bestuurs­recht voor. Een categorale uitzon­dering zou daarom over haar doel heen schieten. De memorie van toelichting is op dit punt aange­scherpt. De ten aanzien van het militaire tuchtrecht gemaakte uitzondering is in de memorie van toelichting uitge­breider gemotiveerd.

Voorstel van wet

Deze wet is niet van toepassing op:
a. de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen;
b. besluiten en handelingen ter uitvoering van de Wet militair tucht­recht (Stb. ).

Memorie van toelichting

De Awb zal niet van toepassing zijn op de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Zou deze uitzondering niet in de wet worden opgenomen, dan zouden ook de typisch in de sfeer van de strafvordering en de executie gelegen besluiten en handelingen van de betrokken bestuursor­ganen (de algemene en bijzondere opsporingsambtenaren, het openbaar ministerie en de Minister van Justitie) onder het bereik van de wet vallen. Gelet op de eigenstandige positie van het (materiële en formele) straf­recht en op het feit dat de strafrechtelijke regelgeving uitputtend is bedoeld, zou dat tot een ongewenste vermenging van rechtssferen leiden.
De Awb zal eveneens niet van toepassing zijn op besluiten en hande­lingen ter uitvoering van de Wet militair tuchtrecht. Het militaire tucht­recht neemt in het geheel van de tuchtrechtelijke regelingen een bijzondere positie in. De tuchtrechtelijke procedure (zeker de waarborgen waarmee deze is omkleed) en de op te leggen tuchtmaatregelen zijn zozeer gelieerd aan en geënt op het (militaire) strafrecht, dat het gewenst is het militaire tuchtrecht voor de toepassing van deze wet op één lijn te stellen met het (militaire) strafrecht.
Dat geldt niet voor de andere tuchtrechtelijke regelingen. In de toelichting op artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van het wetsvoorstel is aangegeven welke de criteria zijn om, voor zover het betrokken college niet reeds uit anderen hoofde buiten de reikwijdte van deze wet valt, te bepalen of een tuchtrechtelijk college wel of niet onder het bereik van de Awb valt.
In het algemeen zullen de organen die in de tuchtrechtelijke procedure zijn belast met het aanbrengen van de zaken bij het tuchtrechtelijk college, wel onder het bereik van de wet vallen. Daarop wordt een uitzondering gemaakt voor de tuchtregelingen ten aanzien van de leden van de rechterlijke macht (in ruime zin) en de leden van de Raad van State. Op die uitzondering is in de toelichting bij artikel 1.1, onderdeel g, reeds ingegaan. Deze uitzondering op het toepassingsbereik is eveneens terug te vinden in artikel 5, onderdeel g, van de Wet Arob. De nu gekozen formulering geeft de kern daarvan echter zuiverder weer.
Er zij op gewezen dat artikel 1.6 zwijgt over de bepalingen die vaak in één adem met die betreffende opsporing worden genoemd, namelijk de bepalingen betreffende het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften. De uitoefening van toezicht en de opsporing van strafbare feiten houden nauw verband met elkaar en liggen voor een belangrijk deel in elkaars verlengde. Controlerende bevoegdheid en opsporingsbe­voegdheid terzake van bijzondere wetten worden vaak door dezelfde ambtenaren uitgeoefend. De in dat kader uit te oefenen controlebe­voegdheden komen echter deels niet alleen in het strafrecht, maar ook in het bestuursrecht voor. Een categorale uitzondering zou daarom over haar doel heen schieten.
Overigens dient in dezen een onderscheid te worden gemaakt tussen de inhoudelijke bepalingen met betrekking tot het toezicht en de opsporing enerzijds en de procedurele bepalingen anderzijds. De inhou­delijke bepalingen, die de bevoegdheden van de met toezicht en opsporing belaste ambtenaren regelen, zijn noch voor het toezicht, noch voor de opsporing in de Awb opgenomen. Deze bepalingen zijn thans te vinden in de bijzondere wetten en, wat de opsporing betreft, in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering. Het is de bedoeling de inhoudelijke bepalingen, dat wil zeggen de bepalingen waarin bevoegdheden ter zake van toezicht en opsporing worden toegekend, bijeen te brengen in een Algemene wet toezicht en opsporing. Deze zal bij voorbeeld bevatten de bevoegdheid van bijzondere opsporingsambtenaren om, voor zover dat binnen het kader van hun taakuitoefening in redelijkheid past, inlichtingen te vragen, bepaalde plaatsen te betreden en voertuigen staande te houden. Met betrekking tot de procedurele bepalingen kan worden opgemerkt dat de procedurele bepalingen inzake opsporing in hoofdzaak zijn neergelegd in het Wetboek van Strafvordering. Zij dienen daarin ook neergelegd te blijven, omdat de opsporing een wezenlijk onderdeel vormt van de straf­rechtelijke procedure. Vandaar dat in artikel 1.6 de opsporing van strafbare feiten is uitgezonderd van de werking van de Awb. De situatie met betrekking tot de procedurevoorschriften ligt echter anders bij het toezicht. Het moge zo zijn dat, gelijk gezegd, toezicht en opsporing voor een belangrijk deel in elkaars verlengde liggen, dit neemt niet weg dat toezicht, anders dan opsporing, een bestuurlijke bezigheid is. Als het er dan ook om gaat, te bepalen aan welke procedurele vereisten toezichts­handelingen moeten voldoen, valt niet in te zien waarom daarvoor niet in beginsel de vereisten uit de Awb kunnen gelden. Daarom is ervoor geopteerd de bepalingen van de Awb van toepassing te doen zijn op handelingen in het kader van het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften.

Derde nota van wijziging

In artikel 1.6 wordt «Wet militair tuchtrecht (Stb. )» vervangen door: Wet militair tuchtrecht (Stb. 1990,367).

Toelichting
Deze wijzigingen strekken tot herstel van misstellingen.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 gewijzigd bij wet van 23 december 1993, Stb. 690 (wetsvoorstel 23 258)

[bron: PG Awb II, p. 320-321]

[Eindtekst] Artikel 1:6 [1.6]
Deze wet is niet van toepassing op:
a. de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuit­voerlegging van strafrechtelijke beslissingen;
b. de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende maatregelen op grond van de Vreemdelingenwet;
c. de tenuitvoerlegging van andere vrijheidsbenemende maatregelen in een inrichting die in hoofdzaak bestemd is voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen;
d. besluiten en handelingen ter uitvoering van de Wet militair tucht­recht.

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

Bij de totstandkoming van de Algemene wet bestuursrecht is steeds uitgangspunt geweest, dat deze wet niet van toepassing behoort te zijn op de opsporing en vervolging van strafbare feiten, noch op de tenuit­voerlegging van strafrechtelijke beslissingen. De reden daarvoor is gelegen in de eigenstandige positie van het materiële en formele straf­recht (het penitentiaire recht daaronder begrepen), alsmede het feit dat de strafrechtelijke regelgeving uitputtend is bedoeld (zie de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Algemene wet bestuursrecht, eerste tranche, kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 43[1]).
Bij het totstandbrengen van de aanpassingswetgeving is gebleken, dat bij de uitwerking van genoemd uitgangspunt in artikel 1:6 onvoldoende onder ogen is gezien, dat in penitentiaire inrichtingen ook personen verblijven die op andere dan strafrechtelijke titel rechtens van hun vrijheid zijn beroofd. Daarbij valt te denken aan in bewaring gestelde vreemdelingen en civielrechtelijk onder toezicht gestelde jeugdigen. De huidige redactie van artikel 1:6 zou er toe leiden, dat de Awb wel van toepassing is op ten aanzien van deze personen genomen besluiten van het hoofd van de inrichting, maar niet op overigens identieke beslis­singen ten aanzien van strafrechtelijk gedetineerden. Dat levert een voor de praktijk onwerkbare situatie op.
Derhalve wordt thans voorgesteld toepasselijkheid van de Awb ook uit te sluiten indien een vrijheidsbenemende maatregel van niet-strafrechte­lijke aard – bijvoorbeeld vreemdelingenbewaring – ten uitvoer wordt gelegd in een inrichting die primair of mede is bestemd voor de tenuit­voerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Het gaat dan om de inrich­tingen bedoeld in de Beginselenwet Gevangeniswezen, de inrichtingen voor justitiële kinderbescherming bedoeld in artikel 65 van de Wet op de jeugdhulpverlening, en in de toekomst de inrichtingen bedoeld in de voor advies aan de Raad van State voorgelegde Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en overige verpleegden strafrechtstoepassing.
Er zij in dit verband overigens op gewezen, dat onder verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Justitie thans wordt gewerkt aan een herziening van de penitentiaire wetgeving, waarbij de regimes voor de verschillende typen penitentiaire inrichtingen zoveel mogelijk op elkaar worden afgestemd. Daarbij wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de Algemene wet bestuursrecht en de daaraan ten grondslag liggende beginselen. Langs die weg wordt toch een zo groot mogelijke eenheid van wetgeving gewaarborgd.
Op grond van de Vreemdelingenwet kunnen verschillende vrijheidsbe­nemende maatregelen worden genomen. Deze maatregelen worden deels ten uitvoer gelegd op plaatsen waar ook strafrechtelijk gedeti­neerden verblijven, deels ook in specifiek voor vreemdelingen bestemde inrichtingen, zoals het Grenshospitium te Amsterdam. Daarin verblijven geen strafrechtelijk gedetineerden, en geldt dus niet het argument, dat toepasselijkheid van de Algemene wet bestuursrecht tot twee regimes binnen één inrichting zou leiden. Niettemin zijn wij van oordeel dat die toepasselijkheid ook hier moet worden uitgesloten. Voor deze ruimten geldt sinds kort het Reglement regime grenslogies, dat inhoudelijk is afgestemd op de penitentiaire wetgeving, om de voor de hand liggende reden dat de situatie van de hier bedoelde vreemdelingen vergelijkbaar is met die van gedetineerden. Zo is het beklagrecht voor vreemdelingen ontleend aan het reeds langer bestaande stelsel uit de Beginselenwet Gevangeniswezen. Toepasselijkheid van de Awb zou in dit geval betekenen, dat de nagestreefde harmonisatie van het bestuursrecht de evenzeer wenselijke harmonisatie van de regelingen voor de verschil­lende typen gesloten inrichtingen zou doorbreken.
Overeenkomstig aanwijzing 86 van de Aanwijzingen voor de regel­geving is de vermelding van het Staatsbladnummer van de Wet militair tuchtrecht geschrapt.

Dit artikel is met ingang van 31 maart 2004 gewijzigd bij wet van 12 mei 1999 Stb. 214 (wetsvoorstel 25 837).

[Eindtekst] Artikel 1:6
In artikel 1:6 wordt «Deze wet is» vervangen door: De hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van deze wet zijn.

Advies RvS

1a. Blijkens artikel I, onderdeel A, in samenhang met de artikelen III en IV, is het de bedoeling dat de regeling voor klachtbehandeling van hoofdstuk I van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen zal gelden ten aanzien van de bestuursorganen waarop de Awb normaliter van toepassing is, maar ook ten aanzien van bestuursorganen die zijn belast met taken op de terreinen genoemd in artikel 1:6 Awb, die thans van toepassing van de Awb zijn uitgesloten. Het gaat in artikel 1:6 Awb onder meer om de opsporing en vervolging van strafbare feiten, de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende maatregelen.
De Raad van State merkt hierover het volgende op. In de memorie van toelichting op de (eerste tranche van de) Awb is ten aanzien van de afbakening van het bestuursrecht en straf(tucht)recht opgemerkt dat de Awb niet van toepassing zal zijn «op de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Zou deze uitzondering niet in de wet worden opgenomen, dan zouden ook de typisch in de sfeer van de strafvordering en de executie gelegen besluiten en handelingen van de betrokken bestuursorganen (de algemene en bijzondere opsporingsambtenaren, het openbaar ministerie en de Minister van Justitie) onder het bereik van de wet vallen. Gelet op de eigenstandige positie van het (materiële en formele) strafrecht en op het feit dat de strafrechtelijke regelgeving uitputtend is bedoeld, zou dat tot een ongewenste vermenging van rechtssferen leiden» (kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 43). Een illustratie van de «eigenstandige» klachten is bijvoorbeeld de in boek 1, titel 1, afdeling 4, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde regeling inzakehet beklag over het niet vervolgen van strafbare feiten. Bij wet van 23 december 1993 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht alsmede nadere aanpassing van een aantal wetten aan de Algemene wet bestuursrecht (Aanpassingswet Awb III) (Stb. 690) zijn naderhand de onderdelen b en c in artikel 1:6 Awb opgenomen.
Gelet op de hiervoor beschreven en recent tot stand gekomen afbakening van de reikwijdte van de Awb is het vanuit het oogpunt van wetssystematiek de vraag of deze begrenzing op het punt van de klachtenregeling doorbroken moet worden. Het college merkt in dit verband verder op dat doorbreking van de afbakening tevens leidt tot praktische complicaties. Zo wordt in de toelichting op artikel 9:1 uiteengezet dat de klager zich, gelet op artikel 2:1 Awb, bij de indiening van zijn klacht kan laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Aangezien hoofdstuk 2 Awb niet geldt voor het terrein van het strafrecht, gaat dit niet zonder meer op voor de klager over een gedraging op strafrechtelijk gebied. Vervolgens kan erop worden gewezen dat indien de reikwijdte van het voorgestelde hoofdstuk 9 Awb wordt beperkt tot het bestuursrecht, de door de Nationale ombudsman in de loop der jaren in diverse rapporten geformuleerde eisen ten aanzien van de wijze waarop een bestuursorgaan met klachten dient om te gaan, en die het uitgangspunt zijn voor de in de Awb op te nemen regeling, onverkort van toepassing blijven. Het valt de Raad overigens op dat de in het wetsvoorstel gemaakte keus in feite niet is gemotiveerd of toegelicht. De artikelsgewijze toelichting op artikel I, onderdeel A, bevat slechts een beknopte beschouwing over het kenbaarheidsvereiste, alsmede een parafrase van het gezamenlijk effect van dit onderdeel en de artikelen III en IV. De Raad meent dat de keus pas kan worden gemaakt nadat duidelijk is geworden wat het belang is van introductie van de voorgestelde regeling voor de betrokken «artikel 1:6-organen» en wat de consequenties zijn voor de daar bestaande wijzen van klachtbehandeling. Hij adviseert daarom een en ander uitdrukkelijk te bezien en aan de hand daarvan te bepalen of de voorgestelde wijziging van artikel 1:6 Awb doorgang moet vinden.

Nader rapport

1a. De Raad van State merkt op dat de in het wetsvoorstel gemaakte keuze om hoofdstuk 9 tevens van toepassing te laten zijn op de terreinen waarop de Awb voor het overige niet van toepassing is, niet is gemotiveerd of toegelicht. Ter aanvulling op de toelichting diene het volgende. Bij de keuze om hoofdstuk 9 tevens van toepassing te laten zijn op de in artikel 1:6 genoemde terreinen is een belangrijke overweging geweest de reeds bestaande bevoegdheid van de Nationale ombudsman om als externe klachtinstantie klachten op die terreinen te onderzoeken. Van een ongewenste vermenging van rechtssferen is op het terrein van het externe klachtonderzoek geen sprake. De eisen die de Nationale ombudsman stelt aan de invulling van het kenbaarheidsvereiste en die in dit voorstel worden gecodificeerd, zijn eveneens van toepassing op het interne onderzoek van gedragingen van – bij voorbeeld – de politie. Er is geen reden om op het punt van klachtbehandeling verschil in rechtsontwikkeling te laten ontstaan tussen terreinen waarop de Awb van toepassing is en de in artikel 1:6 bedoelde terreinen. Een dergelijk verschil zou immers ontstaan, indien thans geldende algemene normen van behoorlijke interne klachtbehandeling voor enkele bestuursorganen niet in de wet worden gecodificeerd. Daardoor kan de vraag rijzen welke normen van toepassing zijn bij klachtbehandeling op de in artikel 1:6 uitgezonderde terreinen. Het is in dit licht, alsmede gelet op het feit dat deze normen ook door de Nationale ombudsman bij de beoordeling van gedragingen van deze bestuursorganen worden gehanteerd, wenselijk om de klachtregeling van de Awb gelijkelijk van toepassing te laten zijn op gedragingen op de terreinen, bedoeld in artikel 1:6.
De Raad wijst op een praktische complicatie die ontstaat doordat de andere hoofdstukken van de Awb niet van toepassing zullen zijn. Naar het oordeel van de regering rijst die vraag wellicht ten aanzien van de algemene normen van hoofdstuk 2. Het door de Raad genoemde voorbeeld van artikel 2:1 wijst daar ook op. De regering meent dat deze problematiek van beperkte betekenis is, nu zoals ook in de memorie van toelichting is uiteengezet, mag worden aangenomen dat de in hoofdstuk 2 gestelde normen analoog kunnen worden toegepast op de behandeling van klachten.

VvW=Eindtekst

Memorie van toelichting

Op verschillende van de activiteiten waarop de Awb ingevolge artikel 1:6 niet van toepassing is, is wel de Wet No van toepassing en derhalve ook het kenbaarheidsvereiste. Teneinde te bereiken dat de interne klachtregeling, als vervanging van het kenbaarheidsvereiste, haar functie als voorportaal voor het onderzoek door de Nationale ombudsman ook op die terreinen zal hebben, wordt voorgesteld artikel 1:6 aan te passen. Door deze wijziging wordt bewerkstelligd dat hoofdstuk 9 onder meer van toepassing zal zijn op de taken van politie, OM en andere personen voor zover belast met opsporingstaken op de terreinen genoemd in artikel 1:6.
Belangrijke overweging hierbij is de reeds bestaande bevoegdheid van de Nationale ombudsman om als externe klachtinstantie klachten op die terreinen te onderzoeken. De eisen die de Nationale ombudsman stelt aan de invulling van het kenbaarheidsvereiste en die in dit voorstel worden gecodificeerd, zijn eveneens van toepassing op het interne onderzoek van gedragingen van – bij voorbeeld – de politie. Er is geen reden om op het punt van klachtbehandeling verschil in rechtsontwikkeling te laten ontstaan tussen terreinen waarop de Awb van toepassing is en de in artikel 1:6 bedoelde terreinen. Een dergelijk verschil zou immers ontstaan, indien thans geldende algemene normen van behoorlijke interne klachtbehandeling voor enkele bestuursorganen niet in de wet worden gecodificeerd. Daardoor kan de vraag rijzen welke normen van toepassing zijn bij klachtbehandeling op de in artikel 1:6 uitgezonderde terreinen. Het is in dit licht, alsmede gelet op het feit dat deze normen ook door de Nationale ombudsman bij de beoordeling van gedragingen van deze bestuursorganen worden gehanteerd, wenselijk om de klachtregeling van de Awb gelijkelijk van toepassing te laten zijn op gedragingen op de terreinen, bedoeld in artikel 1:6.

Dit artikel is met ingang van 1 april 2001 gewijzigd bij wet van 23 november 2000 Stb. 496 (wetsvoorstel 26 975) (alleen eindtekst opgenomen).

[Eindtekst] In artikel 1:6, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht wordt «Vreemdelingenwet» vervangen door: Vreemdelingenwet 2000.

Dit artikel is met ingang van 1 april 2002 gewijzigd bij wet van 12 april 2001 Stb. 194 (wetsvoorstel 26 691) (alleen eindtekst opgenomen).

[Eindtekst] In artikel 1:6 wordt aan het slot van onderdeel d de punt vervangen door een puntkomma en wordt een vijfde onderdeel toegevoegd, luidende:
e. besluiten en handelingen ter uitvoering van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.


[1] Zie PG Awb I, p. 162-163.

Share This