Artikel 10:16

1. Het bestuursorgaan kan ter zake van de uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheid uitsluitend beleidsregels geven.

2. Degene aan wie de bevoegdheid is gedelegeerd, ver­schaft het bestuursorgaan op diens verzoek inlichtingen over de uitoefe­ning van de bevoegdheid.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1998 ingevoerd bij wet van 20 juni 1996 Stb. 333 (wetsvoorstel 23 700)

[bron: PG Awb III, p. 460-462]

VO = VvW, behoudens lid 1 dat in het VO luidde: Het bestuursorgaan kan ter zake van de uitoefening van de door hem gedelegeerde bevoegdheid geen bijzondere aanwij­zingen geven.

Tekst RvS = VvW, behoudens lid 1 dat in de Tekst RvS luidde: Het bestuursorgaan kan ter zake van de uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheid geen bijzondere aanwij­zingen geven.

Advies RvS

2.15. Naar blijkt uit de toelichting op artikel 1A.1.2.4 regelt het artikel niet alleen een verbod om bijzondere aanwijzingen te geven maar veronderstelt het ook de bevoegdheid om algemene aanwijzingen te verstrekken. Niettemin is het minder juist om aan het slot van die toelichting te spreken van «de algemene aanwijzingsbevoegdheid van het eerste lid». De Raad adviseert op dit punt de toelichting met de tekst van het artikel in overeenstemming te brengen. Tevens ware, in overeenstem­ming met de toelichting op artikel 4.4.1, eerste lid, tot uitdrukking te brengen dat de bewindslieden hier doelen op de krachtens die bepaling aan het bestuursorgaan toekomende bevoegdheid om beleidsregels te geven.

Nader rapport

2.15. In verband met hetgeen de Raad in punt 2.9 heeft opgemerkt is gestreefd naar een verduidelij­king van het soort aanwijzingen dat aan degene die een gedelegeerde of gemandateerde bevoegdheid uitoefent gegeven kan worden. Daarbij is in artikel 1A.1.1.6 het woord aanwijzin­gen vermeden. In lijn hiermee wordt die term ook in dit artikel verme­den. Met de nieuwe formulering, waarbij de term «beleidsregels» wordt gebruikt, komen wij bovendien tegemoet aan de opmerkingen onder punt 2.15 van het advies van de Raad.

VvW = Eindtekst [1A.1.2.4]

Memorie van toelichting

Zelfstandige bevoegdheidsuitoefening door de delegataris zou illusoir worden gemaakt, indien de delegans aan de delegataris instruc­ties zou kunnen geven hoe te beslissen in een concreet geval. Delegatie veronder­stelt dat aan de delegataris een zelfstandig oordeel toekomt ter zake van de beslissing in het concrete geval. Daarom wordt algemeen aangenomen dat de delegans geen bijzondere instructies aan de delegataris mag geven.
Ingevolge artikel 4.4.1 kan het bestuursorgaan, evenals degene aan wie de bevoegdheid is gedelegeerd, beleidsregels vaststellen omtrent de uitoefening van de bevoegdheid. Verwezen wordt naar de toelichting bij dat artikel. In het eerste lid van het onderhavige artikel wordt tot uitdrukk­ing gebracht dat dit ook de enige weg is waarlangs het bestuursorgaan na de overdracht nog instructies kan geven over de uitoefening van de gedelegeer­de bevoegdheid. Ingevolge de definitie van artikel 1:3, vierde lid, gaat het om regels omtrent het afwegen van belangen, het vaststellen van feiten of het uitleggen van wettelijke voorschriften. Voor de volledigheid wijzen wij erop dat in het delegatie-besluit uiteraard ook beperkingen in de overdracht kunnen worden opgenomen, bijvoorbeeld door te bepalen dat zij slechts geldt voor besluiten waarmee een bepaald maxi­mumbedrag is gemoeid. Het gaat dan om een clausulering van de delegatie. Indien het gaat om delegatie van de bevoegdheid regels te stellen, dan lossen de regels zich meestal op in het besluit waarbij de delegatie werd verleend. Desalniette­min is het denkbaar dat nog wel beleidsregels over de uitoefening van de regelgevende bevoegdheid worden gesteld.
De in het tweede lid opgenomen inlichtingenplicht is noodzakelijk zowel in verband met de bevoegdheid beleidsregels te geven als ten behoeve van de bevoegdheid de delegatie te beëindigen van artikel 1A.1.2.6. Door deze bepaling kan het bestuursorgaan ook beter voldoen aan de inlichtingenplicht die het heeft jegens een algemeen vertegenwoordigend lichaam. Zo is het gewenst dat bij voorbeeld het parlement inlichtingen van de minister kan krijgen over de gedelegeerde taakuitoefening, ook al is de minister daarvoor zelf niet meer verantwoor­delijk.

Voorlopig verslag II

7.27 Bepaald wordt dat géén bijzondere aanwijzingen kunnen worden gegeven, zo stellen de leden van de fracties van PvdA, VVD en SGP vast. Uit dit artikel kan dan de bevoegdheid worden afgeleid dat de delegans algemene aanwijzingen kan geven aan de delegataris voor de uitoefening van de over­gedragen bevoegdheid. Het rechtska­rakter daarvan is niet duidelijk. Deze algemene aanwijzingen kunnen niet als beleidsregels worden beschouwd. Kan de regering meer duidelijkheid geven over het rechtskarakter van algemene aanwijzingen bij delegatie? Het scheppen van een wettelijke grondslag hier­voor zou al aan die wens tegemoetkomen.
In dit artikel wordt de bevoegdheid van een bestuursorgaan tot de uitoefening van de gedelegeerde bevoegd­heid algemene in­struc­ties te geven, vastgelegd en wordt ten aan­zien van deze algemene instructies be­paald dat deze als beleidsregels worden aange­merkt. De leden van de D66-fractie zijn positief over deze vaststelling van het rechts­karakter van de algemene aanwijzingen als beleidsregels. Door deze wettelijke regeling wordt meer duidelijkheid geschapen over de bevoegdheidsver­deling tussen bestuursorga­nen bij delegatie en wordt het rechtska­rakter van de algemene instructies duidelijk.
De leden van de GPV-fractie vragen de regering enige beschouwingen te wijden aan het recht­skarakter van algemene aanwij­zingen bij delegatie. Bestaat enige noodzaak hier­voor een wettelijke grondslag te creëren?
7.28 Ingevolge artikel 4.4.1 kan de delegans evenals de delegataris beleidsregels vaststel­len. Dit hangt mede samen met het feit dat de regering de algemene aanwijzingen die de delegans aan de delegataris kan geven, be­schouwt als beleidsregels, zo constateren de leden van de SGP-fractie. Dat heeft tot ge­volg dat twee organen beleidsregels kunnen geven voor dezelfde bevoegdheid. In het algemeen wordt het als onwenselijk be­schouwd dat meer organen regels kunnen stellen terzake van dezelfde bevoegdheid. Deze leden vragen in hoeverre kan worden ge­steld dat het bij delegatie gaat om verschil­lende soorten beleidsregels, in die zin dat de beleidsregels dan wel aanwijzingen die de delegans aan de delegataris geeft, betrekking hebben op het uitoefenen van de bevoegdheid als zodanig en daarmee primair een intern karakter hebben, terwijl de beleidsregels die de delegataris stelt, betrek­king hebben op het uitoefenen van de bevoegdheid in de richting van de burgers en daarmee een extern karak­ter hebben. Deze leden vragen in hoeverre dit onderscheid ook in de regelgeving zou kunnen worden uitgewerkt.

Nota naar aanleiding van het verslag II

7.27 Met de leden van de D66-fractie zijn wij van mening dat de algemene aanwijzin­gen van de delegans aan de delegataris het karakter moeten hebben van beleidsregels. Wij heb­ben dit in artikel 1A.1.2.4, eerste lid, tot uitdrukking gebracht. In dit artikel wordt bepaald dat het bestuursorgaan ter zake van de uitoefening van de gedelegeerde bevoegd­heid beleidsre­gels kan geven. Deze bepaling moet worden beschouwd als de wettelijke grondslag voor de delegans om algemene aanwijzingen te geven. De tekst van artikel 4.4.1, eerste lid, sluit hierop aan.
7.28 In het algemeen zal het zo zijn dat de algemene aanwij­zingen van de dele­gans gericht zullen zijn op de hoofdlijnen, ter­wijl de beleidsregels van de delegataris binnen dat kader een nadere invulling zullen geven. Ook bij algemeen verbin­dende voorschriften is dat een gebruikelijk stramien. Voorts geldt ook hier dat de delegataris slechts beleidsregels kan vaststellen binnen de ruimte die hij voor de delegans heeft verkregen op grond van diens delegatiebesluit en diens beleidsregels.
Het is niet zo dat de beleidsregels van de delegans primair intern zouden zijn, ter­wijl de beleids­regels van de delegataris voor­al een extern accent zouden hebben. Aan beide soorten regels is de delegataris ten opzichte van burgers in gelijke mate gebon­den. Wel zou het zo kunnen zijn dat de beleidsre­gels van de dele­gataris con­creter zijn en om die reden in de praktijk een grote­re rol zullen spelen.

 

 

Share This