[Artikel 11:1]

Vervallen per 1 januari 2013.

 

*****************************************************************************

Historie

Wettekst tot 1 januari 2013:
1. Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken zenden binnen drie jaren na de inwerkingtreding van deze wet en vervolgens om de vijf jaren aan de Staten-Generaal een verslag over de wijze waarop zij is toegepast.
2.  Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de voorschriften betreffende beroep bij een administratieve rechter.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 4 juni 1992 Stb. 315 (wetsvoorstel 21 221)

[bron: PG Awb I, p. 370-371]

[Eindtekst] Artikel 9:3 [7.2a] Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken zenden binnen drie jaar na het in werking treden van deze wet, en vervolgens telkens om de vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de wijze waarop zij is toegepast.

VO Dit artikel was in het VO niet opgenomen.

VvW Dit artikel was in het VvW niet opgenomen.

Nota van wijziging

Na artikel 7.2 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende als volgt:
Artikel 7.2a
Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken zenden binnen drie jaar na het in werking treden van deze wet, en vervolgens telkens om de vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de wijze waarop zij is toegepast.

Toelichting NvW
Deze toevoeging van een evaluatiebepaling is bepleit in het voorlopig verslag en is in hoofdstuk IX van de memorie van antwoord besproken.

UCV

De heer Van de Camp (CDA, p. 4): Zie UCV bij afdeling 3.2.
De heer Schutte (GPV, p. 30): Betekent dit dat de regering ervan uitgaat, dat de evaluatietermijn en de termijn waarin niet alle regelingen gelden op elkaar afgestemd worden?
Minister Hirsch Ballin (p.30): De heer Schutte draagt nog een argument aan voor 1 juli 1993!
De heer Koetje (CDA, p. . 30): In eerste termijn heb ik, uitgaande van 1 januari 1993, gevraagd of een evaluatie na drie jaar voorafgaat aan het tijdstip van 1 januari 1996. Het is een logische volgorde om eerst de evaluatie te doen en dan tot invoering van de uitzonderingen over te gaan, als daar geen bezwaren tegen zijn. Het lijkt mij goed dat de minister daar volstrekt helder over is. In die zin val ik de heer Schutte bij.
Minister Hirsch Ballin (p. 30): Dat betekent dat wij op dit punt wellicht eerder over een evaluatie moeten beschikken dan over de wet als geheel. Het is niet erg zinvol om op dit moment te concluderen, dat de hele werking van de wet eerder dan na drie jaar geëvalueerd moet worden. Het is zeker van belang, om de redenen die door de heer Koetje naar voren zijn gebracht, om op dit punt een inzicht te hebben, voordat het 1 januari 1996 slaat.
De heer Van de Camp (CDA, p. 30): Maar er moet natuurlijk wel wat te evalueren zijn. U kunt het evaluatiemoment wel naar voren halen. Wij hebben vanochtend al gehoord dat het moeilijk is om de bestuurslasten in te schatten. Als dan de periode van drie jaar wordt verkort, kun je je afvragen wat de waarde van de evaluatie op een gegeven moment is.
Minister Hirsch Ballin (p. 30-31): Wij hebben het nu over een kortere periode. Het gaat nu om een tamelijk eenvoudige vaststelling. Hoe verhoudt het effect van vermindering van de druk op de rechterlijke procedures, dat wij onder andere kennen uit het heroverwegingsrapport, uit ander onderzoek en uit de ervaringen van de Raad van State, waarnaar verwezen wordt in de advisering van de Raad van State over deze voorstellen, zich tot het andere effect, waar de heer Koetje zich bevreesd voor toonde, van een vergrote druk op de betrokken bestuursorganen. Ik denk dat op dat punt de duidelijkheid al snel zal toenemen, sneller dan die drie jaar. Het lijkt mij dus bepaald niet irreëel om ervan uit te gaan dat wij tijdig voor 1 januari 1996, wanneer dat nodig is, tot een nadere afweging kunnen komen. Dat zeg ik ook graag toe.
De heer Koetje (CDA, p. 31): Ik ga ervan uit dat het kabinet vooraf duidelijk aan de Kamer meedeelt wat er zal gebeuren per 1 januari 1996, “go or no go”.
Minister Hirsch Ballin (p. 31): Dat lijkt mij prima. Ik begrijp dat de heer Koetje nu niet een wijziging van de wettelijke bepalingen ter zake voorstelt, maar vraagt om de kans te krijgen voor een nadere beoordeling van dat wat aan de ene kant wenselijk wordt geoordeeld en aan de andere kant riskant. Dus in 1995, tijdig voor 1 januari 1996, moeten wij bezien of wij op de goede weg zitten of dat het gaat om dwalingen ons weegs daarvan wij moeten terugkeren.
De heer Koetje (CDA, p.46): In het interruptiedebatje met de minister van Justitie is al duidelijk geworden dat wij het eens zijn over het tijdstip van 1996 in relatie met de evaluatie. Wij gaan er dus van uit dat wij nog een gelegenheid krijgen om daarover te spreken, alvorens de desbetreffende onderdelen in werking treden.
De heer Wolffensperger (D66, p.49): Voorzitter! Er is uitgebreid gesproken over de aanpassingen waartoe de evaluatie zou kunnen leiden. Dat begrijp ik, maar ik hecht toch aan een kort antwoord op mijn andere vraag, namelijk of de evaluatie er ook toe kan leiden dat problemen op een niet budgettair neutrale wijze worden opgelost, bijvoorbeeld als wij zouden menen dat het toegekende niveau van rechtsbescherming voortzetting nodig maakt, ook als dat duurder zou zijn.
Minister Hirsch Ballin (p. 52): Ik ga in op de evaluatie. Artikel 7.2a zegt dat het eerste bericht daarover drie jaar na inwerkingtreding volgt. Vandaar dat ik in mijn toezegging met betrekking tot een nadere beoordeling voorafgaand aan 1 januari 1996 naar aanleiding van interrupties in eerste termijn al heb gezegd, dat wij dit punt dus eerder zullen moeten beoordelen dan de evaluatie overigens, die volgens dat tijdschema plaatsvindt. Drie jaar na 1 juli 1993 is inderdaad later dan 1 januari 1996. Het gaat dus om een soort voorevaluatie op dit specifieke punt gericht. Naar aanleiding van de vraag die bij interruptie werd gesteld, heb ik aangegeven, waarom ik ervan uitga dat het voor dit specifieke punt ook goed mogelijk is er al eerder een oordeel over te geven.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 gewijzigd bij wet van 16 december 1993 Stb. 650 (wetsvoorstel 22 495)

[bron: PG Awb II, p. 517]

[Eindtekst] Artikel 9:1 [7.2a]
1. Onze Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken zenden binnen drie jaren na de inwerkingtreding van deze wet en vervolgens om de vijf jaren aan de Staten-Generaal een verslag over de wijze waarop zij is toegepast.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de voorschriften betreffende beroep bij een administratieve rechter.

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

Het nieuwe, uniforme bestuursprocesrecht zal, samen met de andere bepalingen van bestuursrecht in de Awb, worden geëvalueerd in het kader van de voorbereiding van de derde fase van de herziening van de rechterlijke organisatie. Deze voorschriften dienen daarom te worden uitgezonderd van de algemene verslagleggingsverplichting.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1998 vernummerd bij wet van 20 juni 1996 Stb. 333 (wetsvoorstel 23 700)

[bron: PG Awb III, p. 517]

[Eindtekst] Artikel 11:1 [9:1]
1. Onze Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken zenden binnen drie jaren na de inwerkingtre­ding van deze wet en vervolgens om de vijf jaren aan de Staten-Generaal een verslag over de wijze waarop zij is toegepast.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de voorschriften betreffende beroep bij een administratieve rechter.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2013 vervallen bij wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682  (Wet aanpassing bestuursprocesrecht; kamerstukken 32 450)

[Eindtekst] Artikel 11:1 vervalt.

VO = VvW

Voorstel van wet

In artikel 11:1 vervallen het tweede lid alsmede de aanduiding “1.” voor het eerste lid.

Memorie van toelichting

Het huidige tweede lid van artikel 11:1 zondert de bepalingen over het beroep bij de bestuursrechter uit van de verplichte vijfjaarlijkse evaluatie van de Awb. In feite hadden de drie tot dusver verrichte periodieke evaluaties van de Awb echter mede betrekking op het bestuursprocesrecht. Bovendien volgt uit de evaluatieplicht niet dat bij iedere evaluatie aan alle onderdelen van de Awb aandacht moet worden besteed. Het tweede lid kan derhalve worden gemist.

Nota van wijziging

Artikel 11:1 vervalt.

Toelichting NvW
Door deze wijziging vervalt de verplichte vijfjaarlijkse evaluatie van de Awb. Inmiddels is ruim 17 jaar ervaring opgedaan met de Awb en is de wet drie keer geëvalueerd. De vierde evaluatie loopt.[1] In het kader van deze evaluaties is een groot aantal onderwerpen onderzocht en is veel informatie vergaard. Ook los van de wettelijk voorgeschreven vijfjaarlijkse evaluatie is en wordt echter veel onderzoek gedaan naar de werking van de Awb, soms in opdracht van de regering, maar vaker in het kader van dissertatie- en ander onderzoek, zoals de jaarlijkse preadviezen van de Vereniging voor Bestuursrecht (VAR). Ook in vakliteratuur, zoals het Nederlands Tijdschrift voor Bestuursrecht en in talrijke annotaties bij rechterlijke beslissingen wordt veelvuldig en vaak diepgaand ingegaan op onderdelen uit de Awb. Bovendien wordt bij de parlementaire behandeling van wijzigingen van de Awb soms om een specifieke evaluatie verzocht. Zo heeft de regering evaluaties toegezegd van de geldschuldentitel, de «lex silencio positivo» en de bestuurlijke lus (in 2012/2013). Gezien al deze onderzoeken en alle ervaring die inmiddels met de wet is opgedaan, is een verplichte vijfjaarlijkse evaluatie van de Awb niet langer nodig. In plaats daarvan is het zinvoller bij specifieke wijzigingen waar nodig te voorzien in een evaluatieplicht.

 


[1] Zie Kamerstukken 29 279, nr. 111, blz. 12.

 

 

 

Share This