2.2 Gebruik van de taal in het bestuurlijk verkeer (artt. 2:6-2:12)

Afdeling 2.2 Gebruik van de taal in het bestuurlijk verkeer

[bron: PG Awb III, p. 46-84]

Advies RvS

2. De Raad onderkent de in de memorie van toelichting (hoofdstuk III, paragraaf 1, vijfde alinea) vermelde medeverantwoordelijkheid van de regering tot het voeren van een ruimhartig beleid ten aanzien van de Friese taal en cultuur. Het college merkt echter op dat in dit verband niet onvermeld kan blijven het feit, dat uit enkele recente wetenschappe­lijke publikaties blijkt, dat de beheersing van het Fries door de inwoners van Friesland zeker niet algemeen is, in het bijzonder voor wat de geschreven taal betreft. Hetzelfde geldt voor het gebruik van het Fries in het bestuurlijk verkeer. Blijkens bedoelde publikaties is de actieve schriftelijke vaardigheid in het Fries van de ambtenaren en ook die van de bevolking in het algemeen relatief gering (respectievelijk 13 en 12 percent). Ongeveer een derde van ambtenaren en inwoners zou in het geheel geen schriftelijke vaardig­heden in het Fries hebben. Voorts zou slechts een derde van de bevolking in de provincie Friesland Fries spreken in het verkeer met vertegenwoor­digers van de plaatselijke overheid.
Hoewel de Raad van oordeel is dat de voorgestelde regeling aan bedoelde niet-Friestalige groepen geen onaanvaardbare verplichtingen oplegt, adviseert hij toch in de toelichting aandacht te besteden aan eventuele moeilijkheden die zich bij de toepassing van de voorgestelde regeling zouden kunnen voordoen als gevolg van de gesignaleerde omstandigheden.
7. In hoofdstuk III, paragraaf 3, van de memorie van toelichting tonen de bewindslieden aan, dat er blijkens de grondwetsgeschiedenis een nauw verband bestaat tussen het recht op het scheppen van voorwaarden voor culturele ontplooiing door de overheid, het recht op vrijheid van meningsuiting en de grondwettelijke waarborgen op het stuk van onderwijs. Het gaat de Raad echter te ver, daaraan de conclusie te verbinden dat de Grondwet impliciet het recht op gebruik van de eigen taal kent. In een aldus geformuleerde conclusie gaat het niet om een sociaal, maar om een klassiek grondrecht. Dan rijst, wegens de inhoud van het wetsvoorstel, de vraag welke beperkingen zijn toegestaan en op welk wetgevend niveau die mogen worden gesteld. Ook afgezien daarvan is het om redenen van rechtszekerheid bezwaarlijk, het bestaan van niet uitdrukkelijk toegekende grondwette­lijke rechten aan te nemen. Het college adviseert, te volstaan met de stelling dat er raakpunten zijn tussen het gebruik van de eigen taal en de drie vermelde grondrechten.
8. Het wetsvoorstel heeft blijkens de considerans en de memorie van toelichting ten doel een regeling te treffen met betrekking tot het gebruik van de Nederlandse en de Friese taal in het bestuurlijk verkeer. De Raad merkt op dat het vraagstuk van het gebruik van de taal in het bestuurlijk verkeer in ons land zich, gegeven ten eerste de aanwezigheid van een aantal vrij omvangrijke minderheids­groepen binnen onze grenzen en ten tweede de toenemende internationale contacten van burgers, bedrijven en organisaties in het economische, culturele en maatschappelijk leven in het algemeen, in de praktijk niet beperkt tot het gebruik van de Nederlandse en de Friese taal. De Raad miskent daarbij uiteraard niet dat de vorenbedoelde minderheids­groepen geen «separate and distinctgroups, welldefined and long established in the territory of a State» zijn (memorie van toelichting, hoofdstuk III, paragraaf 3, tweede alinea). Dit neemt echter niet weg dat het probleem van het taalgebruik in het bestuurlijk verkeer in de praktijk niet uitsluitend tegen de achtergrond van deze begripsbepaling behoeft te worden bezien. Dit komt echter niet in het algemene deel van de toelichting naar voren.
De Raad adviseert, gezien de toenemende betekenis van het hier aangeduide onderwerp, de passage in de toelichting op artikel 2:6, tweede lid, onder b, over te brengen naar het algemene deel van de toelichting, en zo mogelijk uit te breiden tot een meer algemene beschouwing. Daarbij waren evenwel de woorden «geboden zijn» in regel 18 van het tweede tekstblok van de toelichting op artikel 2:6, tweede lid, onder b, te vervangen door «aanbeveling verdienen» en ware het voorbeeld in de daaropvolgende volzin te schrappen teneinde te vermijden dat hieruit een recht op het gebruik van een vreemde taal (c.q. de opdracht aan ambtenaren om overigens niet nader aangeduide vreemde talen te gebruiken) zou kunnen worden afgeleid.
9. In hoofdstuk III, paragraaf 3, tweede alinea, van de memorie van toelichting wordt artikel 27 van het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) aangehaald. Vervolgens wordt in de toelichting uiteengezet dat de Friessprekende bevolkings­groep naar de mening van het kabinet als linguïstische minderheid kan worden aangemerkt. In de toelichting wordt echter voorbij­gegaan aan de in artikel 27 van het IVBPR opgenomen passage «in gemeenschap met de andere leden van hun groep» («in community with the other members of their group»). Deze passage beperkt de werking van het hier bedoelde recht op het gebruik van de eigen taal tot het verkeer met de eigen bevolkings­groep, terwijl het wetsvoorstel een verdere strekking heeft. De toelichting ware aan te passen.
10. In hoofdstuk III, paragraaf 3, vijfde alinea, van de memorie van toelichting ware in te voegen dat voor de daar vermelde zinsnede «De Friese taal mag altijd gebruikt worden» in het wetsvoorstel de territoriale beperking geldt: binnen de provincie Friesland.
11. De eerste zin van hoofdstuk III, paragraaf 6, van de memorie van toelichting spoort niet met het opschrift erboven dat immers ook de hoofdregel van artikel 2:6, eerste lid, omvat. De Raad verwijst tevens naar het gestelde in de punten 1 en 2 van dit advies.
12. In hoofdstuk III, paragraaf 8, laatste alinea, van de memorie van toelichting wordt gewag gemaakt van zeer gespecialiseerde diensten met slechts enkele ambtenaren «die bovendien nog niet in staat zijn de Friese taal voldoende te lezen». Het college adviseert de woorden «bovendien nog» te schrappen om het mogelijke misverstand te vermijden dat het leren van de Friese taal een voorwaarde zou zijn om in de provincie Friesland als ambtenaar te kunnen worden aangesteld.
13. In tegenstelling tot hetgeen in de memorie van toelichting (hoofdstuk 1, tweede alinea) wordt vermeld, is het advies van 7 januari 1993 van de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht inzake vastlegging van de positie van de Nederlandse taal in het bestuurlijk en rechtsverkeer niet als bijlage bij de memorie van toelichting gevoegd. Hierin ware alsnog te voorzien.
14. Voor enkele redactionele kanttekeningen moge het college verwijzen naar de bij het advies behorende bijlage.[1]

Nader rapport

2. De Raad merkt terecht op dat de beheersing van de Friese taal bij de inwoners van de provincie Friesland niet algemeen is. Dat als gevolg daarvan toepassing van deze regeling tot moeilijkheden zou kunnen leiden, lijkt ons echter onwaarschijnlijk. De regeling codificeert de in Friesland bestaande praktijk. Deze praktijk blijkt niet of nauwelijks tot problemen aanleiding te geven.
Overigens beogen zowel het in de praktijk door de provincie Friesland en diverse gemeenten gevoerde taalbeleid, als dit wetsvoorstel de positie van de Friese taal in het bestuurlijke verkeer te versterken. De huidige zwakke positie van het Fries is daarom, ook in deze regeling, niet als beslissend referentiekader gehanteerd. Het Fries, dat nog steeds vooral een «huis-, tuin- en keukentaal» is, dient ook in andere, meer officiële taaldomeinen (bijvoorbeeld bestuur en rechtspraak) ingang te vinden. Dit emancipatie­streven krijgt op twee manieren vorm: enerzijds door de formele positie van het Fries in die andere taaldomeinen te versterken, en anderzijds door de beheersing van het Fries onder de bevolking van Friesland te verbeteren. Met name door versterking van de positie van het Fries in het onderwijs kan dit laatste worden bewerkstelligd.
In het licht van het bovenstaande hebben wij de memorie van toelichting aangepast.
7. De desbetreffende passages in de memorie van toelichting zijn conform het advies van de Raad aangepast.
8. Met de Raad onderkennen wij dat als gevolg van de aanwezigheid van enkele tamelijk omvangrijke allochtone minderheidsgroepen in Nederland alsmede van de toene­mende internationalisering, niet alleen de positie van de Nederlandse en de Friese taal relevant is ten aanzien van het gebruik van taal in het bestuurlijk verkeer. Op de gevolgen van internationalisering voor het gebruik van taal in het bestuurlijk verkeer ziet met name artikel 2:6, tweede lid. In de artikelsgewijze toelichting is hierop al in kort bestek ingegaan. Van een andere orde is de positie van de door allochtonen gesproken talen in het bestuurlijk verkeer. Een meer algemene beschouwing hieromtrent is inderdaad op zijn plaats. Deze beschouwing is geplaatst in het algemene deel. De toelichting op artikel 2:6, tweede lid, is daarin opgenomen.
De suggestie van de Raad de woorden «geboden zijn» in de toelichting op artikel 2:6, tweede lid, te vervangen door «aanbeveling verdienen» en het voorbeeld uit de daarop volgende volzin te schrappen, nemen wij over.
9-13. Deze adviezen zijn overge­nomen.
14. De redactionele kanttekeningen van de Raad zijn goeddeels overge­nomen.

Memorie van toelichting

Hoofdstuk I Algemeen

Het onderhavige wetsvoorstel strekt tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met een afdeling over het gebruik van de Nederlandse en de Friese taal in het bestuurlijk verkeer (afdeling 2.2). De aanleiding voor dit wetsvoorstel is tweeërlei.
In de eerste plaats is vanuit de Staten-Generaal aangedrongen op het wettelijk vastleggen van de ongeschreven hoofdregel, dat in Nederland het Nederlands de taal van het bestuurlijk verkeer is. Naar aanleiding daarvan heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken op 7 mei 1992 aangekondigd de Commissie wetgeving algemene regels van bestuurs­recht advies te zullen vragen over het opnemen van een dergelijke regeling in de Algemene wet bestuursrecht (Handelingen II 1991/92 blz. 4701-4717).
De Commissie heeft op 7 januari 1993 een advies uitgebracht, waarin zij voorstelt de positie van het Nederlands in het bestuurlijk verkeer vast te leggen in hoofdstuk 2 (Verkeer tussen burgers en bestuursorganen) van de Algemene wet bestuursrecht. Bij het advies is een voorontwerp van wet gevoegd, dat als basis heeft gediend voor het onderhavige wetsvoorstel voor zover dit het Nederlands betreft. Het advies van de Commissie is als bijlage bij deze memorie van toelichting gevoegd.[2]
In de tweede plaats acht de regering het wenselijk op korte termijn wetgeving tot stand te brengen om de positie van de Friese taal als tweede bestuurstaal in de provincie Friesland te versterken. Aanvankelijk bestond het voornemen om daartoe spoedshalve – een afzonderlijke Wet op de Friese taal in het bestuurlijk verkeer tot stand te brengen. Onder verantwoorde­lijkheid van de eerste ondergetekende is daarvoor, in nauw overleg met onder meer de provincie Friesland, een voorontwerp opgesteld, dat vervolgens aan diverse instanties ter advisering is voorgelegd.
Na afronding van de advisering kon echter geconstateerd worden, dat de eerste tranche van de Algemene wet bestuursrecht inmiddels in het Staatsblad was verschenen (Stb. 1992, 315). Onder die omstandigheden ligt het niet langer voor de hand om het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer in een afzonderlijke wet neer te leggen. Ook deze regeling betreft immers, ook al is zij in haar territoriale werking beperkt tot de provincie Friesland, een algemeen bestuursrechtelijk onderwerp. Zij behoort daarom in de Algemene wet bestuursrecht te worden opgenomen. Zoals reeds in de Nota naar aanleiding van het Eindverslag bij het wetsvoorstel Algemene wet bestuursrecht is uiteengezet (Kamer­stukken II 1990/91, 21 221, nr. 8, bladzijde 3) [3] is het ongewenst dat naast de Algemene wet bestuursrecht nog andere algemene wetten op bestuursrechtelijk terrein ontstaan. Daardoor zou immers de met de codificatie van het algemeen bestuursrecht nagestreefde overzichte­lijkheid weer gedeeltelijk verloren gaan.
Wij stellen dan ook voor de positie van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer eveneens in hoofdstuk 2 van de Algemene wet bestuursrecht te regelen. De voorgestelde bepalingen sluiten inhoudelijk aan bij het voorontwerp Friese taal in het bestuurlijk verkeer. De formuleringen zijn echter aangepast aan de terminologie en het begrippenkader van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij gebruik is gemaakt van een door de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht voorgestelde tekst.
Het ligt voor de hand dat de positie van het Nederlands en die van het Fries het beste in onderling verband en in één wetsvoorstel kunnen worden geregeld. De regeling van het Fries is immers te beschouwen als een – belangrijke – uitzondering op de hoofdregel dat het Nederlands de taal van het bestuurlijk verkeer is. Daarom hebben wij in dit wetsvoorstel de door de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht voorgestelde bepaling over het Nederlands gecombineerd met de regeling inzake het Fries. Aldus biedt het wetsvoorstel een geïntegreerde regeling voor het gebruik in het bestuurlijk verkeer van de beide in ons land inheemse talen.
In het vervolg van deze memorie van toelichting wordt nader ingegaan op de overwegingen die ten grondslag liggen aan het voorstel om de positie van zowel het Nederlands (hoofdstuk II) als het Fries (hoofdstuk III) wettelijk te verankeren.

Hoofdstuk II Gebruik van de Nederlandse taal in het bestuurlijk verkeer

1. Algemeen

In het kader van de staatkundige, bestuurlijke en staatsrechtelijke vernieuwing heeft de Tweede Kamer in het afgelopen jaar aandacht geschonken aan de positie van de Nederlandse taal in bestuur en rechtspraak. Op haar verzoek heeft de eerste ondergetekende op 13 oktober 1991 een notitie over de grondwettelijke positie van de Neder­landse taal aan de Kamer gezonden (Kamerstukken 1991/92, 21 427 nr. 20). Mede aan de hand van deze notitie heeft de Tweede Kamer op 7 mei 1992 een debat aan dit onderwerp gewijd (Handelingen II 1991/92, blz. 4701-4717).
Uit het debat bleek dat de Tweede Kamer de mening van de regering deelt dat op grond van een ongeschreven regel het Nederlands dè taal van bestuur en rechtspraak is. Bij de Tweede Kamer bleek sterk de wens te leven deze ongeschreven regel wettelijk vast te leggen. Eerder had de Eerste Kamer door aanneming van een motie van het lid Postma aangegeven het wenselijk te achten dat dit beginsel in de wet wordt vastgelegd (Handelingen I 1991-1992, blz. 722).
De Algemene wet bestuursrecht is de geëigende plaats voor opneming van een bepaling over het gebruik van de taal door het bestuur. Die wet is immers de plaats voor voorzieningen ten aanzien van onderwerpen die zich naar hun aard niet voor regeling in een bijzondere wet lenen. Het vraagstuk van een regeling inzake het gebruik van de taal in de rechtspraak overstijgt de werkingssfeer van de Algemene wet bestuursrecht. Indien men de hoofdregel, dat het Nederlands de taal van de rechtspraak is, zou willen vastleggen, dan dient dat in zowel het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Wetboek van Strafvordering als de Algemene wet bestuursrecht te geschieden. Het zou wellicht meer voor de hand liggen één regeling in de Wet op de rechterlijke organisatie op te nemen. Dit alles strekt zich echter buiten het bereik van het onderhavige ontwerp uit.

2. De huidige positie van de taal in bestuur en rechtspraak

Er bestaat geen algemene regeling met betrekking tot het gebruik van talen in bestuur en rechtspraak. De hoofdregel kan echter worden ontleend aan de jurisprudentie. Ingevolge constante jurisprudentie van de Hoge Raad en de Afdeling rechtspraak van de Raad van State is het Nederlands de taal van bestuur en rechtspraak. Te wijzen valt met name op Afd. rechtspraak 17 januari 1985, AB 1986, 73 (Spithorst), waarin de Afdeling overwoog, dat «zolang niet bij wettelijke regeling uitdrukkelijk het tegendeel is bepaald, het Nederlands hier te lande geldt als de in het rechts- en bestuurlijk verkeer aangewezen taal» (vervolgd door Afd. rechtspraak 20 juni 1990, NJB 1990, 1287). In deze uitspraken, en in Afdeling rechtspraak 15 juli 1982, AB 1983, 84 ging het om de (on)mogelijkheden voor bestuursorganen om andere talen dan het Nederlands te gebruiken (in casu ging het om het Fries).[4] Van belang zijn ook College van Beroep voor het bedrijfsleven 22 januari 1982, Adm. rechtsgangen 2.2.3.6., Vz. Afd. rechtspraak 3 april 1979, AB 1979, 337, en Centrale Raad van Beroep 21 december 1977, AB 1978, 288, waarin werd uitgesproken dat onvoldoende kennis van het Nederlands geen excuus is voor overschrijding van de beroepstermijn; Hoge Raad 24 januari 1968, NJ 1968, 225 (in het Fries gesteld beroepschrift tegen belastingaanslag leidt tot niet-ontvankelijkheid); Hoge Raad 19 december 1972, NJ 1973, 184 (het onderzoek ter terechtzitting dient in beginsel in het Nederlands plaats te vinden) en Hoge Raad 13 november 1979, NJ 1980, 171 (een oproeping van een Friestalige verdachte behoeft niet in het Fries te worden gesteld).

De uitdrukkelijke wettelijke bepalingen waar de Afdeling rechtspraak in de uitspraak-Spithorst naar verwijst, bestaan zowel op het terrein van de rechtspraak als op dat van het bestuurlijk verkeer. Voor wat betreft de rechtspraak bestaat er een algemene regeling over het gebruik van het Fries: de Wet van 11 mei 1956, houdende enige regelen betreffende het gebruik van de Friese taal, in het bijzonder in het rechtsverkeer (Stb. 242). Andere bijzondere regelingen, die niet zijn beperkt tot de Friese taal, zijn bijvoorbeeld art. 6:5, derde lid, Algemene wet bestuursrecht (indien een beroepschrift in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van het bezwaar of beroep noodzakelijk is, dient de indiener zorg te dragen voor een vertaling), art. 88 van de Beroepswet (het klaagschrift moet in het Nederlands zijn gesteld, of in een vreemde taal die bij koninklijk besluit op basis van wederkerigheid is toegestaan[5], artt. 191 en 306 van het Wetboek van Strafvordering (bepalingen voor het geval de verdachte de Nederlandse taal niet machtig is) en art. 986 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (betreffende bepalingen in het Nederlands van uitspraken van buitenlandse rechterlijke organen).
Voor het bestuurlijk verkeer bestaan minder talrijke bijzondere regelingen. Te wijzen valt op art. 4:5, tweede lid, Awb (indien de aanvraag tot het geven van een beschikking of één van de daarbij behorende gegevens of bescheiden in een vreemde taal is gesteld en een vertaling daarvan voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een vertaling aan te vullen) en eerdergenoemd art. 6:5, derde lid, Awb, voor wat betreft het bezwaarschrift en het administratieve beroep.
Samengevat kan worden gesteld, dat er geen algemene wettelijke regeling van het gebruik van talen in het bestuurlijk en het rechtsverkeer bestaat. Volgens de jurisprudentie is de Nederlandse taal de taal van het bestuurlijk en het rechtsverkeer, tenzij de wetgever uitdrukkelijk anders heeft bepaald. Dergelijke uitzonderingen bestaan in ruime mate, en in diverse vormen.

Hoofdstuk III De Friese taal in het bestuurlijk verkeer

1. Inleiding

Vanaf de jaren ’50 is in Friesland het streven gegroeid de Friese taal een ruimere plaats in het bestuurlijk verkeer te geven. Al vrij snel leidde dit streven tot enig resultaat. Naar aanleiding van een advies van de zg. commissie-KingmaBoltjes nam het toenmalige kabinet in 1953 een standpunt in over de Ten aanzien van het rechtsverkeer was dit kabinetsstandpunt vooral van procedurele aard: veel werd doorverwezen naar een nog in te dienen wetsvoorstel inzake de plaats van het Fries in het rechtsverkeer.
Over de positie van het Fries in het bestuurlijk verkeer nam het toenmalige kabinet wel direct een inhoudelijk standpunt in. Het gebruik van het Fries in het mondelinge verkeer tussen burger en overheid over en weer werd in beginsel toegestaan. Dit laatste was in maar zeer beperkte mate het geval met het gebruik van het Fries door overheden in het schriftelijke bestuurlijke verkeer.
In de loop van de jaren ’60 groeide de belangstelling voor de Friese taal en cultuur. Deze groeiende belangstelling leidde ertoe dat er in Friesland onvrede ontstond over de marginale positie van het Fries in het officiële verkeer. In het rapport van de commissie-Van Ommen uit 1970 werd dan ook aangedrongen op een ruimere plaats van het Fries in het officiële verkeer. Tot concrete beleidsinitiatieven leidde dit rapport echter niet.
In 1981, dus ruim een decennium later, werd daarom een nieuwe commissie Friese taal ingesteld met als taak een advies uit te brengen over de plaats van de Friese taal in het bestuurlijke verkeer. Deze commissie bracht in 1985 advies uit. Op basis van dit advies kwam uiteindelijk in 1989 de bestuursafspraak Friese taal en cultuur tot stand. In de considerans van de bestuursafspraak werd expliciet de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de provinciale en de rijksoverheid voor het waarborgen van de Friese taal en cultuur vastgelegd. Deze gezamenlijke verantwoordelijk­heid diende in een ruimhartig beleid van beide overheden ten aanzien van de Friese taal en cultuur gestalte te krijgen. In de considerans van de bestuursafspraak werd tevens de wens uitge­sproken dat burgers, overheden, organen en instanties in Friesland zich vrij zouden moeten kunnen uiten in de Friese dan wel de Nederlandse taal. Ook dienden de Friese en de Nederlandse taal een evenredige kans op ontplooiing te krijgen. Aan deze grote nadruk op de beginselen van gelijkberechtiging en gelijkwaardigheid ten aanzien van de positie van de Friese taal en cultuur hebben wij ook in de considerans van dit wetsvoorstel uitdrukking willen geven.
Concreet bevatte de bestuursafspraak, naast nieuwe regels omtrent het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer uitgaande van de provincie, ook een aantal meer feitelijke afspraken op het terrein van enkele vakdepartemen­ten. De keuze voor een bestuursafspraak in plaats van een wet werd vooral ingegeven door de wens redelijk snel een regeling tot stand te brengen. Een op zich ook toen al noodzakelijk geachte wettelijke regeling zou dan op iets langere termijn tot stand kunnen komen, waarbij met de ervaringen, opgedaan met de bestuurs­afspraak rekening zou worden gehouden.
De in de bestuursafspraak opgenomen regels inzake het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer waren in hoofdzaak de neerslag van al bestaand beleid. Dit beleid op zijn beurt was en is het resultaat van het in de provincie Friesland levende streven de Friese taal te emanciperen. Omdat de Friese taal nog steeds vooral in informele situaties wordt gebruikt en veel minder in meer officiële taaldomeinen als bestuur en rechtspraak, heeft het Fries bij vele Friestaligen het imago van een tweederangstaal. Door middel van een versterking van de formele status van het Fries in de genoemde officiële taaldomeinen wordt een belang­rijke randvoorwaarde geschapen voor een sterkere positie van het Fries in de Friese samenleving. Dit emancipatiestreven past in het ook door de rijksoverheid onderkende belang van het behoud van de culturele gedifferentieerdheid van de Nederlandse samenleving.
Het voorgaande laat onverlet dat op dit moment de feitelijke positie van het Fries niet in alle opzichten even sterk is. Ruim 90% van de Friese bevolking kan Fries verstaan, ruim 70% kan het spreken, 65% kan Fries lezen en slechts 10% kan het schrijven[6] De afgelopen jaren heeft een zekere verbetering van de plaats van het vak Friese taal in het onderwijs laten zien. De verwachting is dan ook gerechtvaardigd dat op termijn de feitelijke positie van het Fries wordt versterkt, waardoor de ruimte die wordt gecreëerd voor het Fries in de officiële taaldomeinen ook daadwer­kelijk zal worden gebruikt. Er is in die zin sprake van een wederkerig proces, dat de in vorige alinea aangeduide statusverhoging van het Fries ook een positief effect zal hebben op de plaats van het Fries in het onderwijs.

2. De noodzaak van wetgeving

Het voordeel van de keuze voor een bestuursafspraak was dat een dergelijke afspraak snel tot stand kon komen. Er kleven echter ook enige nadelen aan. Zo is het – anders dan bij een formele wet – onduidelijk of een convenant wel bindend is voor derden. Omdat de regels inzake de plaats van het Fries in het bestuurlijk verkeer ook derden betreffen, verdient het bij nadere overweging de voorkeur reeds nu de desbetref­fende normen in een wet vast te leggen. Hetzelfde geldt voor de nog steeds actuele normen inzake de plaats van het Fries in het mondelinge bestuurlijke verkeer uit het kabinetsstandpunt uit 1953.
Van groot belang bij de in de voorgaande alinea genoemde nadere overweging is de uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 20 juni 1990 (nr. R03.88 0156) geweest (NJB 1990, 1287). In deze uitspraak werd overwogen dat de Nederlandse taal de bestuurs- en rechtstaal van Nederland is. Uitzonderingen op deze regel dienen op een wet in formele zin te berusten. Hieruit vloeit voort dat de positie van de Friese taal als tweede bestuurstaal in de provincie Friesland een wettelijke grondslag behoeft.
De in de vorige paragraaf genoemde inhoudelijke overwegingen die tot het neerleggen van regels over het gebruik van het Fries in het bestuurlijk verkeer in de bestuursafspraak Friese taal en cultuur hebben geleid, gelden – gelet op haar codificerende karakter – evenzeer voor deze wettelijke regeling.

3. Grondrechtelijke aspecten

Met het voorliggende wetsvoorstel beogen wij tevens nadere inhoud te geven aan «het recht op gebruik van de eigen taal». De Nederlandse Grondwet kent dit recht niet. Bij de plenaire behandeling in de Tweede Kamer op 9 december 1976 van de wetsontwerpen «Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van bepalingen inzake grondrechten» (13 872) en «Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering van de Grondwet, strekkende tot opneming van bepalingen inzake sociale grondrechten» (13 873) in eerste lezing, is door de heer Waltmans (PPR) de mening van de regering gevraagd over de suggestie van het Instituut voor Taal-integratie om taal als grondrecht nader uit te werken in een afzonderlijk artikel. Voorgesteld werd een formulering à la «artikel x, lid 1: leder heeft behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht zijn moedertaal te gebruiken; lid 2: De wet regelt de uitvoering.» Het gaat – aldus de heer Waltmans toentertijd – om een zaak die de verdere ontplooiingskansen van de Friese taal en cultuur bepaalt (Kamerstukken II 1976/1977, blz. 1981). De regering, bij monde van de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken, De Gaay Fortman, antwoordde op 15 december 1976. Het belang van de ontplooiingskansen van de Friese taal en de Friese cultuur werd daarbij onderschreven; overigens werd opgemerkt dat in dat verband niet alleen aan het Fries gedacht hoefde te worden. De regering achtte het evenwel niet noodzakelijk om een afzonderlijk artikel over het recht op gebruik van de moedertaal, naast de voorgestelde artikelen betreffende het recht op culturele ontplooiing, vrijheid van meningsuiting en onderwijs, in de Grondwet op te nemen.
Internationaalrechtelijk heeft het recht op gebruik van de eigen taal wel erkenning gevonden. Gewezen kan worden op artikel 27 van het Interna­tionale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR): «In Staten waar zich etnische, godsdienstige of linguïstische minderheden bevinden, mag aan personen die tot die minderheden behoren niet het recht worden ontzegd, in gemeenschap met de andere leden van hun groep, hun eigen cultuur te beleven, hun eigen godsdienst te belijden en in de praktijk toe te passen, of zich van hun eigen taal te bedienen» (Trb. 1978, 177). De toepasselijkheid van deze bepaling is in de onderhavige situatie afhankelijk van het antwoord op de vraag of de Fries sprekende bevolkingsgroep als linguïstische minderheid moet worden aangemerkt. De voorgeschiedenis van deze bepaling leert, dat daarmee uitsluitend wordt gedoeld op «separate or distinct groups, well-defined and long-establis­hed on the territory of the state» (zie: M.J. Bossuyt, Guide to the «Travaux préparatoires» of the international convenant on civil and political rights, Dordrecht/Boston/Lancaster 1987, 494). Friestaligen kunnen naar de mening van het kabinet inderdaad – in het kader van dit artikel – als taalkundige minderheid worden aangemerkt. Hoewel artikel 27 van het verdrag van de overheid geen bijzondere maatregelen verlangt, waarbij aan de desbetreffende minderheden speciale rechten zouden worden toegekend, achten wij het moment aangebroken om voor wat betreft het gebruik van het Fries in het bestuurlijke verkeer, in het voorliggende wetsvoorstel aan dit recht een nadere en een – ten opzichte van de in inhoudelijke zin beperkte strekking van genoemd verdragsartikel – verdergaande uitwerking te geven.
Bij de vormgeving van een wettelijke regeling ter zake van het gebruik van het Fries in het bestuurlijk verkeer, dient evenwel ook rekening te worden gehouden met het beginsel van gelijke behandeling, zoals dat in artikel 1 van de Grondwet is vastgelegd. Volgens dit beginsel dienen allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk te worden behandeld en is discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook – dus ook: taal – niet toegestaan. Ook internationaalrechtelijk, namelijk in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 IVBPR, is dit beginsel verankerd.
Onderscheid is alleen toegestaan indien daarvoor een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond is aan te geven. Toepassing van dit beginsel brengt derhalve met zich, dat in beginsel geen onderscheid gemaakt mag worden tussen personen die de Friese taal wel en niet machtig zijn, tenzij daarvoor een redelijke en objectieve rechtvaardigings­grond bestaat.
Wij zijn van oordeel dat in het voorliggende wetsvoorstel een regeling wordt voorgesteld, die recht doet aan de diverse in het geding zijnde grondrechten. Geen van deze grondrechten is absoluut, in die zin dat het ene grondrecht boven het andere gaat. De wetgever zal aldus hier een afweging dienen te maken. In de toelichting op de verschillende artikelen wordt aangegeven welke afwegingen zijn gemaakt. De afweging die wij in dit wetsvoorstel hebben neergelegd, kan als volgt worden samengevat. De Friese taal mag binnen de provincie Friesland altijd worden gebruikt, echter in een aantal gevallen – namelijk als de betrokken persoon niet in voldoende mate het Fries beheerst – dient tevens of in plaats daarvan voorzien te zijn in overheidsdocumenten gesteld in de Nederlandse taal, al dan niet kosteloos. Uitzondering hierop vormen die overheidsdocumenten die algemeen verbindende voorschriften bevatten. Deze laatste dienen altijd in de Nederlandse taal te worden opgesteld; men blijft evenwel bevoegd daarnaast ook een Friestalige versie op te stellen. In het onderstaande gaan wij nog nader in op deze hoofdregels.
Deze hoofdregels geven de marges aan waarbinnen nadere regels ten aanzien van de plaats van het Fries in het bestuurlijke verkeer kunnen worden gesteld, onder meer door de bevoegde bestuursorganen van decentrale overheden. Van een eventuele beperking van grondrechten door deze bestuursorganen kan daarom geen sprake zijn.

4. Relatie met het Handvest inzake regionale en minderheidstalen

Op 5 november 1992 is in het kader van de Raad van Europa het Handvest inzake regionale en minderheidstalen (Trb. 1993, 1) tot stand gekomen. Dit handvest is inmiddels door Nederland ondertekend. De ratificatieprocedure is thans in voorbereiding.
Over de inhoud van het handvest op het stuk van de plaats van de minderheidstaal (i.c. het Fries) in het bestuurlijk verkeer valt op te merken dat het aanmerkelijk globaler is dan dit wetsvoorstel. Deze inhoudelijke overweging breng[t]en ons tot de slotsom dat er van een doublure volstrekt geen sprake is. De hoofdregels van het handvest worden uitgewerkt in de meer gedetailleerde bepalingen over de positie van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer in dit wetsvoorstel. De wettelijke regeling en het handvest zullen elkaar dus over en weer aanvullen.

5. Beperking tot het bestuurlijk verkeer

Uitgangspunt bij het formuleren van het wetsvoorstel zijn de in de bestuursafspraak en het kabinetsstandpunt uit 1953 opgenomen regels over het Fries in het bestuurlijk verkeer geweest. Over deze normen bestaat namelijk al overeenstem­ming met de provincie, hetgeen de praktische uitvoerbaarheid van de wet positief beïnvloedt.
De plaats van het Fries in het rechtsverkeer is niet in dit wetsvoorstel geregeld, omdat het een andersoortig onderwerp betreft dat zelfstandige regeling verdient. Een tweede commissie Friese taal, ingesteld op 4 juli 1989, heeft op 14 mei 1992 een advies uitgebracht over de plaats van het Fries in het rechtsverkeer. Het advies zal er mogelijk toe leiden dat de bestaande wet ter zake van 11 mei 1956 (Stb. 242) wordt herzien.
Evenmin komt de bevoegdheid van gemeenten tot het wijzigen van de eigen naam of plaatsnamen aan de orde. In de nieuwe Gemeentewet wordt namelijk expliciet de gemeentelijke bevoegdheid tot het wijzigen van de eigen gemeentenaam geregeld (artikel 158a). In de nieuwe Provinciewet krijgen provincies een vergelijkbare bevoegdheid (artikel 156a). De bevoegdheid tot wijziging van de namen van binnen een gemeente gelegen dorpen en steden (alsook straatnamen) behoort sinds lang tot de gemeentelijke autonomie. Slechts door gebruik te maken van het instrument van het reguliere repressieve toezicht (schorsing en vernietiging) kan de Kroon wat dit betreft interveniëren. Al in de jaren ’50 heeft het kabinet evenwel besloten niet aan de Kroon voor te stellen van dit instrument gebruik te maken (Kabinetsbesluit van 9 december 1953, Kamerstukken II 1953/54, 3321, nr. 1).
De inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zal betekenen dat de in de bestuursafspraak opgenomen regels over het Fries in het bestuurlijk verkeer komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor de in het kabinets­standpunt uit 1953 opgenomen normen over het mondeling gebruik van het Fries in het bestuurlijk verkeer. De meer concrete, echt «convenant»­achtige onderdelen van de bestuursafspraak, bijvoorbeeld ten aanzien van het Friestalige beroepstoneel, kunnen echter in stand blijven.

6. Opzet en reikwijdte van het wetsvoorstel op het vlak van het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer

Ten aanzien van de positie van het Fries in het bestuurlijk verkeer in de provincie Friesland regelt dit wetsvoorstel het mondeling en het schrif­telijk taalgebruik door burger en overheid in hun onderlinge communi­catie. Dit leidt tot vier types taalgebruik: mondeling en schriftelijk taalgebruik uitgaande van de burger en idem dito uitgaande van de overheid. Deze vierslag is ook terug te vinden in het kabinetsstandpunt uit 1953. Ten aanzien van het mondeling gebruik door burger en overheid en het schriftelijk gebruik door de burger kan worden volstaan met globale bepalingen; bepalingen die zich in algemene termen ongedifferentieerd tot de burger en de verschillende overheden richten. Wat dit betreft is nauw aangesloten bij het kabinetsstandpunt uit 1953.
Ingewikkelder ligt dit bij het schriftelijk gebruik van de Friese taal door de overheid. In veel opzichten is aangesloten bij de desbetreffende bepalingen uit de bestuursafspraak Friese taal en cultuur.
Ten aanzien van het bereik bestaat er echter een niet onbelangrijk verschil tussen het wetsvoorstel en de bestuursafspraak. De bestuurs­afspraak Friese taal en cultuur is een convenant tussen de rijksoverheid en de provincie Friesland. Hieruit volgt dat de in de bestuursafspraak opgenomen regels over het Fries in het bestuurlijk verkeer primair betrekking hebben op overheidsdocumenten die uitgaan van de provin­ciale overheid. Niettemin wordt in de punten 1 en 2 van onderdeel A van de bestuursafspraak gesproken over «bestuursorganen van en in de provincie Friesland». Gebleken is evenwel dat bij een aantal Friese gemeenten behoefte bestaat aan een expliciete wettelijke grondslag voor hun taalbeleid. Daarom hebben wij besloten ook de in Friesland gelegen gemeenten onder de werking van dit voorstel te brengen. Het gebruik van de term «bestuursorganen» in het wetsvoorstel maakt dit mogelijk.
Deze ruime formulering biedt met name ook algemene besturen van Friese waterschappen en in Friesland gevestigde bij gemeenschappelijke regeling ingestelde openbare lichamen en gemeenschappelijke organen de mogelijkheid een eigen beleid te voeren met betrekking tot de taalkeuze in het schriftelijke bestuurlijke verkeer.
Geheel in lijn met het facultatieve karakter van dit wetsvoorstel ten aanzien van de decentrale bestuursorganen in Friesland wordt de mogelijkheid geopend de op het schriftelijke bestuurlijke verkeer betrekking hebbende bepalingen ook geheel of gedeeltelijk van toepassing te verklaren op in Friesland werkzame gedeconcentreerde rijksdiensten. Een daartoe strekkend besluit dient te worden genomen door de desbetreffende verantwoordelijke minister.

7. Mondeling gebruik van de Friese taal door natuurlijke en rechtspersonen alsmede overheden

In het kabinetsstandpunt uit 1953 werd gesteld «dat men de vrijheid heeft om zich in het mondelinge verkeer van de Friese taal te bedienen».[7] Bedoeld is dat de burger het recht heeft in het mondelinge bestuurlijke verkeer met de verschillende overheden de Friese taal te gebruiken. Het toenmalige kabinet achtte dit «een kwestie van normale wederkerige tegemoetkomendheid».[8] Dit standpunt heeft nog niets aan geldingskracht verloren en is daarom ongewijzigd in het voorstel overgenomen (artikel 2:7, eerste lid).
Voor de omgekeerde situatie, het mondeling gebruik van de Friese taal door overheden, werd in 1953 een analoog standpunt ingenomen. Deze norm is in artikel 2:8 van het wetsvoorstel neergelegd. Mits ruim uitgelegd, zou deze bepaling ook een wettelijke grondslag kunnen bieden voor de al lang in Friesland ingeburgerde praktijk dat in vergaderingen van Friese bestuursorganen gebruik mag worden gemaakt van het Fries en dat hetgeen in het Fries wordt gezegd vervolgens ook in die taal wordt genotuleerd. Omwille van een maximale duidelijkheid hebben wij ervoor gekozen dit onderwerp in een afzonderlijke bepaling, artikel 2:9, te regelen.

In de bestuurspraktijk geeft het mondelinge gebruik van de Friese taal door burgers, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen geen aanleiding tot grote problemen. Zeer veel primair Nederlandstaligen in Friesland verstaan immers het Fries ook goed. Daar waar communicatiestoornissen dreigen als gevolg van het gebruik van het Fries zal de al eerder genoemde normale wederkerige tegemoetkomendheid ongetwijfeld voor een oplossing zorgen. Toch is het gewenst wettelijk vast te leggen dat het mondelinge gebruik van de Friese taal door burgers, maatschappelijke organisaties en overheden in het bestuurlijke verkeer is toegestaan.
De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft namelijk meermalen overwogen, recentelijk op 20 juni 1990 (nr. R03.88.0156), dat de Nederlandse taal de bestuurs- en rechtstaal van Nederland is (zie ook NJB 1990, 1287). De Afdeling rechtspraak beroept zich daarbij niet op een algemene wettelijke regeling, maar acht deze positie van de Nederlandse taal vanzelfsprekend. Reeds deze redenering brengt mee dat uitzonderingen op die kennelijk vanzelfsprekende positie van de Nederlandse taal wél wettelijk verankerd behoren te zijn. Dit is eens te meer noodzakelijk indien, zoals thans voorgesteld, ook de positie van de Nederlandse taal wettelijk wordt vastgelegd.
Aangezien de Afdeling rechtspraak in haar overweging, noch het voorgestelde artikel 2:6 onderscheid maken tussen mondeling en schriftelijk bestuurlijk verkeer, is het noodzakelijk in dit wetsvoorstel ook voor het mondeling gebruik van de Friese taal door burgers, maatschappelijke organisaties en overheden in het bestuurlijke verkeer een globale regel te stellen. Deze behelst enerzijds een hoofdregel op grond waarvan het mondeling gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer wordt toegestaan. Anderzijds gaat het om een uitzondering op deze hoofdregel voor het geval één van beide partijen in het bestuurlijk verkeer de Friese taal niet of onvoldoende meent te beheersen. In dat soort gevallen kan deze partij de wederpartij verzoeken over te schakelen op het Nederlands.

8. Schriftelijk gebruik van de Friese taal door natuurlijke en rechtspersonen

Ook ten aanzien van het schriftelijk gebruik van de Friese taal door burgers in hun verkeer met overheden heeft het kabinetsstandpunt uit 1953 nog weinig aan waarde ingeboet. De relevante passages luiden als volgt: «Mitsdien zal het schriftelijk gebruik van de Friese taal in het verkeer met de in Friesland gevestigde Rijksorganen zijn toegelaten, tenzij redenen van dienstbelang, zulks ter beoordeling van de leiding der betrokken rijksinstanties, zich daartegen verzetten.»[9]En: «Het schriftelijk verkeer met de «eigen Overheid» kan in het algemeen aan deze instantie worden overgelaten. Een uitzondering hierop …[volgen enkele specifieke uitzonderingen]».[10] […]

13. Ingewonnen adviezen

Het voorontwerp van wet Friese taal in het bestuurlijk verkeer is voor advies voorgelegd aan de Raad voor het binnenlands bestuur, de Raad voor de gemeentefinanciën, de Sociale verzekeringsraad, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen, en de provincie Friesland. Inhoudelijk zijn met name de adviezen van de Raad voor het binnenlands bestuur (Rbb) en de provincie Friesland van belang.[11] De belangrijkste onderdelen uit deze twee adviezen worden in het navolgende kort besproken.[12] Overigens zijn beide adviezen in hoofdzaak positief over het voorontwerp.
Zowel de Rbb als de provincie pleiten voor een uitgebreidere consi­derans. De Rbb wil duidelijker in de considerans tot uitdrukking gebracht zien dat het om een bijzondere wet gaat die voortvloeit uit de unieke positie van het Fries binnen de provincie Friesland. De provincie wenst in de considerans de beginselen van gelijkberechtiging en gelijkwaardigheid van de Friese taal op te nemen. Wij hebben de considerans op een dusdanige wijze aangepast dat zij aan beide wensen tegemoet komt. Voor de inhoudelijke achtergrond hiervan zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk IV Gevolgen voor de bestuurspraktijk

De uitvoering van deze wet zal weinig problemen met zich brengen. Ten aanzien van de positie van de Nederlandse taal in het bestuurlijk verkeer wordt de bestaande ongeschreven rechtsregel dat het Nederlands dé taal van bestuur en rechtspraak is gecodificeerd. Deze ongeschreven rechts­regel sluit nauw aan op de bestaande, in hoge mate probleemloze, praktijk.
Ook ten aanzien van de plaats van het Fries in het bestuurlijk verkeer in Friesland draagt deze wet een sterk codificerend karakter: een tweetal al bestaande niet-wettelijke regelingen, het kabinet[s]standpunt 1953 en de bestuursafspraak 1989 worden gecodificeerd. Beide regelingen worden al enige tijd betrekkelijk probleemloos uitgevoerd.
Op zich bestaat de mogelijkheid dat enige wetsbepalingen met betrekking tot de positie van het Fries extra kosten met zich kunnen brengen. Het gaat dan om uitvoeringskosten die voor rekening komen van de desbetreffende overheid. Betreft het een decentrale overheid, dan dienen de kosten uit de eigen autonome middelen te worden gefinan­cierd. Er zijn dan geen budgettaire consequenties voor de rijksoverheid. De betrokken decentrale overheid zal daarom in haar besluitvorming inzake taalkeuze de bijbehorende uitvoeringskosten [moeten] betrekken. Dit laatste geldt ook voor bewindspersonen die overwegen het Fries een zekere plaats toe te kennen in het schriftelijke bestuurlijke verkeer uitgaande van «hun» gedeconcentreerde diensten.
Wij verwachten dat in de praktijk de in de vorige alinea genoemde extra-kostenzich niet of nauwelijks zullen voordoen, omdat de wettelijke regeling waarschijnlijk vooral zal worden gebruikt door de decentrale overheden die nu al een Fries taalbeleid voeren en dus ook de bijbeho­rende kosten al maken.

Verslag II

Hoofdstuk I Algemeen

De leden van de CDA-fractie hadden met waardering kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Het wetsvoorstel ­geeft een goede uitwerking van de discussie die met de regering is gevoerd over het vastleggen van de hoofdregel, dat in Nederland het Nederlands de taal van het bestuurlijk verkeer is. Deze leden spraken hun waardering uit over deze uitvoering van de motie-VanMiddelkoop/Mate­man (Kamerstuk 21 427). Dat de regering van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om de voorgeno­men afzonderlijke wetgeving over het gebruik van de Friese taal als tweede bestuurstaal in de provincie Friesland in de Algemene wet bestuursrecht op te nemen had eveneens instemming van deze leden. Het was deze leden echter niet geheel duidelijk geworden of de regering ook voornemens is met nadere voorstellen te komen ten aanzien van het gebruik van beide talen in het rechtsver­keer. Gaarne werden zij daarover geïnformeerd. Zij zagen daarbij gaarne een (voorlopig) standpunt over het op 14 mei 1992 uitgebrachte advies terzake.
De leden van de PvdA-fractie hadden met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Wet Bestuursrecht in verband met opneming van regels betreffende het gebruik van de taal in het bestuurlijk verkeer (23 543).
De leden van de VVD-fractie hadden met genoegen kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel, dat mede voortvloeit uit een verzoek van de VVD-fractie om de Nederlandse taal in de wetgeving vast te leggen. Bovendien spraken deze leden er hun genoegen over uit dat ook de rechten van Friese burgers om waar mogelijk hun taal in het bestuurlijk verkeer te kunnen gebruiken nu in de wet wordt vastgelegd, waarbij zij de opgenomen wetsartikelen graag wilden toetsen aan de bestaande praktijk in de provincie Friesland.
Deze leden waren het met de regering eens dat het ongewenst is, nu er een Algemene wet bestuursrecht is, nog andere algemene wetten op bestuursrech­telijk terrein te laten ontstaan.
De leden van de D66-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze belangstelling was mede te verklaren door het feit dat deze leden destijds het verzoek van de Kamer (motie Van Middel­koop/Mateman) hadden onderschreven om de nog ongeschreven hoofdregel dat in Nederland het Nederlands de taal van het bestuurlijk verkeer is grondwettelijk te verankeren. Eveneens hadden zij zich daarbij voorstander getoond van het versterken van de Friese taal als tweede bestuurstaal, door verankering in een formeel-wettelijke regeling. De reden voor dit laatste was voor deze leden in belangrijke mate gelegen in de unieke positie van het Fries in het Friese territoir, alsmede vanwege het geheel eigen en bijzondere ook historische karakter van deze taal. Met dit wetsvoorstel wordt aan deze verzoeken vanuit de Kamer voor een deel gehoor gegeven. De leden van de D66-fractie waren de regering daarvoor erkente­lijk. Of daarnaast nog een grondwettelijke verankering wenselijk is, mogelijk in de vorm van een (sociaal)-cultureel grondrecht als geschetst in de notitie van 5 oktober 1992, beschouwden deze leden als een aparte vraag die los van dit wetsvoorstel in een later stadium nog beantwoord zal kunnen worden. Graag vernamen zij van de regering of deze zienswijze juist is. In dit wetsvoorstel wordt alleen de positie van het Nederlands en van het Fries als taal in het bestuurlijke verkeer geregeld en blijft het gebruik van het Fries in de rechtspraak buiten beschouwing. Dat spreekt voor zich nu voor dit gebruik van het Fries in de rechtspraak al een min of meer algemene regeling getroffen is. Ligt het nog in die bedoeling aan die regeling in de toekomst enige uitbreiding te geven zo vroegen deze leden.
De leden van de SGP-fractie hadden met belangstelling kennisgenomen van het voorstel van wet tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het gebruik van de taal in het bestuurlijk verkeer. Deze leden hadden met instemming geconstateerd dat het wetsvoorstel als hoofdregel vaststelt dat in het bestuurlijk verkeer de Nederlandse taal dient te worden gebruikt. Deze leden stemden ook in met het regelen van de positie van de Friese taal. Meer in het algemeen benadrukten de leden van de SGP-fractie de betekenis van wettelijke waarborgen voor de handhaving van de positie van de Nederlandse taal, mede gelet op de toenemende internati­o­nalisering en communautarise­ring. Het wetsvoorstel beperkt zich tot het gebruik van de Nederlandse en Friese taal in het bestuurlijk verkeer. De leden van de SGP-fractie vroegen of de regering voor het gebruik van de taal in het rechtsverkeer een afzonderlijk wetsvoorstel voorbereidt. Zij waren het met de regering eens dat het meer voor de hand ligt daarvoor één regeling in één wet op te nemen dan in zowel het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, het Wetboek van Strafvorde­ring als de Algemene wet bestuursrecht. Deze leden vroegen echter of de Wet op de rechterlijke organisatie, zoals de regering suggereert, daarvoor geschikt is. Voor de bestuursrecht­spraak zal een dergelijke regeling dan immers ook in de Algemene wet bestuursrecht moeten worden opgenomen? De leden van de GPV-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van de inhoud van het onderhavige wetsvoorstel. Ze waren de regering erkentelijk dat zij haar toezegging is nagekomen om wettelijk vast te leggen dat in Nederland het Nederlands de taal van het bestuur­lijk verkeer is. Met de regering concludeerden deze leden vervolgens dat daarmee tevens de noodzaak is verdwenen voor een afzonderlijke wet betreffende het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer. Hoofdregel en uitzondering zijn nu in één wettelijke regeling gezamenlijk opgenomen. Een verheugende samenloop van omstandigheden maakt het mogelijk om te profiteren van het eerder opgestelde voorontwerp inzake de Friese taal en de daarop inmiddels verschenen reacties. Het was de leden van de GPV-fractie opgevallen dat de regering geen duidelijke uitspraak doet over de al dan niet wenselijk­heid van het vastleggen van de hoofdregel dat het Nederlands ook de taal van de rechtspraak is. Zonder dat dit tot een concrete beleidsconclusie leidt wordt wel gesteld dat bij eventuele regeling zulks het best in de Wet op de rechterlijke organisatie kan geschieden. Wat weerhoudt de regering een dergelijke regeling op te stellen? Zij wezen er op dat met het onderhavige wetsvoorstel voor wat betreft het bestuursrecht nu zowel hoofdregel als uitzondering worden vastgelegd. Voor wat betreft de rechtspraak bestaat wel een algemene regeling betreffende de uitzondering te weten de wet van 11 mei 1956, zonder een regeling ten aanzien van het gebruik voor het Nederlands als hoofdregel. Wordt juist door de aanvaar­ding van het onderhavige wetsvoorstel het gebrek aan evenwicht tussen hoofdregel en uitzonde­ring terzake van de rechtspraak niet manifester? Zij zouden het derhalve op prijs stellen als nog lopende de behandeling van het onderhavige wetsvoorstel door de regering duidelijkheid wordt verschaft wat wordt gedaan met het advies dat de commissie-Fries taal op 14 mei 1992 heeft uitgebracht (bladzijde 9 memorie van toelichting).[13]

Hoofdstuk III De Friese taal in het bestuurlijk verkeer

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie achtten het een goede keuze bij de regelgeving ten aanzien van de positie van het Fries aan te sluiten bij de inhoud van het gesloten convenant. De uitvoerige toelichting in hoofdstuk III van de memorie van toelichting gaf hen aanleiding nog een enkele vraag ter verduidelijking te stellen. De leden van de PvdA-fractie maakten uit de memorie van toelichting op dat de huidige bestuursaf­spraak tussen de rijksoverheid en de provincie inzake het gebruik van het Fries naar bevrediging functioneert en de huidige bestuurspraktijk geen problemen oplevert. Exacte gegevens over de bestuursprak­tijk ontbreken echter, waardoor een goede afweging be­moeilijkt wordt. Daarom vroegen zij de regering om nadere informatie terzake. Ook vroegen de leden van de PvdA-fractie hoe groot de behoefte van inwoners van de provincie Friesland is aan een regeling zoals voorgesteld. Kan de regering aangeven in welke mate de inwoners van de provincie Friesland bevordering en emancipatie van de Friese taal wenselijk vinden? Hoe wordt bijvoorbeeld in Friesland gedacht over onderwijs in het Fries en in welke mate wordt gebruik gemaakt van de «vederlichte verplichting» Fries te doceren in de basisvorming? Deze leden vroegen kortom naar een beter overzicht van de plaats en het gebruik van het Fries in Friesland en de door inwoners geuite wenselijk­heid om wijziging te brengen in die situatie.
De leden van de VVD-fractie vonden het boeiend om te zien dat naarmate het gebruik van het Nederlands in het bestuurlijk verkeer een onderwerp van discussie is geworden en nu het gebruik van de Nederlandse taal zelfs vastgelegd wordt in dit wetsvoorstel, meer begrip is gaan ontstaan voor de wens van Friestaligen om zich in de provincie Friesland te kunnen bedienen van hun eigen taal, waar dat ook maar enigszins mogelijk is en waar dat niet leidt tot rechtsongelijk­heid. De leden van de VVD-fractie ondersteun­den dan ook graag het beleid van de provincie Friesland om de taal serieus te nemen en waar mogelijk te voorkomen dat men gedwongen wordt zich te bedienen van wat voor veel Friestali­gen de tweede taal is, te weten het Nederlands; waarbij opgemerkt zij dat deze leden weten dat een ieder in Friesland ook geacht wordt de Nederlandse taal te beheer­sen!
De leden van de SGP-fractie hadden met belangstelling kennisgenomen van de percentages van de Friese bevolking die Fries kunnen verstaan, spreken, lezen en schrijven, te weten respectievelijk 90, 70, 65 en 10 procent. Zij vroegen een reactie van de regering op de lagere percentages die de Raad van State noemt in paragraaf 2 van zijn advies. Deze leden vroegen verder of er ook inzicht is in de percentages van de Friese bevolking die uitsluitend Fries kunnen verstaan, spreken, lezen en schrijven. Verder vroegen deze leden in hoeverre ambtenaren en andere werknemers bij bestuursorganen de Friese taal voldoende vaardig zijn.
De leden van de GPV-fractie achtten het winst dat dit wetsvoor­stel kon voortbouwen op het kabinetsstandpunt van 9 december 1953 en de bestuurs­af­spraak betreffende de Friese taal en cultuur van 1989. De verwachting is dan ook gerechtvaardigd dat op termijn de feitelijke positie van het Fries kan worden versterkt.

2. De noodzaak van wetgeving

Waar het gaat om de noodzaak van wetgeving wordt als belangrijk argument genoemd de bij een bestuursafspraak onduidelijke positie van derden. Echter, zoals de leden van de PvdA-fractie al eerder opmerkten, uit de toelichting blijkt diverse malen dat de burgers geen praktische­ problemen hebben bij het gebruik van het Fries in het bestuurlijk verkeer. Daarbij moet in de afweging in aanmerking worden genomen dat uit paragraaf III.1 blijkt dat een gering gedeelte van de Friese bevolking Fries in het dagelijkse verkeer gebruikt. De leden van de PvdA-fractie wezen verder op het feit dat ook slechts een gering deel van de ambtenaren de Friese taal voldoende machtig is. Levert dit in de bestuursprak­tijk geen praktische bezwaren op, zo vroegen zij. Ook wezen deze leden er op dat zij tijdens het debat over de Nederlandse taal d.d. 7 mei 1992 hadden aangegeven slechts dan een (grond)-wettelijk regeling wenselijk te vinden indien deze knelpunten zou moeten verhelpen. Van knelpunten was deze leden echter niets gebleken. Deelt de regering deze opvatting? Concluderend twijfelden de leden van de PvdA-fractie aan de noodzaak van deze vorm van wetgeving.
De leden van de VVD-fractie constateerden dat door de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 20 juni 1990 de be­stuursafspraak tussen rijk en provincie inzake het taalbeleid voorzover het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer betreft op losse schroeven is komen te staan. De Raad van State sprak immers uit dat uitzonderingen op het gebruik van de Nederlandse taal op een wet in formele zin dienen te berusten. De leden van de VVD-fractiewaren het derhalve met de regering eens dat indien het Fries een plek in het bestuurlijk verkeer verdient dit in het voorliggende wetsvoorstel geregeld dient te wor­den.
Waar bovendien de regering inmiddels het Handvest inzake regionale en minderheidstalen heeft ondertekend ligt het voor de hand het onderdeel taal in het bestuurlijk verkeer in dit wetsvoorstel vast te leggen.
Wanneer zal de Kamer overigens het wetsvoorstel ter ratificatie van boven­genoemd verdrag tegemoet kunnen zien?
Ondanks de door de leden van de D66-fractie eerder uitgesproken voorkeur voor een (grond)wette­lijke verankering van het Nederlands en het Fries als bestuurstaal, waren ook bij deze leden toch twijfels gerezen naar aanleiding van de eerder genoemde overwegingen van de commissie over de wenselijkheid van een wettelijke regeling. Ook de reacties vanuit Friesland zelf hadden tot die twijfel bijgedra­gen. Van verschillende zijden werd er immers met klem op gewezen dat de huidige bestuursafspraak tussen rijksoverheid en de provincie bevredigend­ functioneerde en dat de nieuwe wettelijke regeling eerder een verslechtering dan een verbetering zou inhouden. De huidige praktijk zou een stapje terug moeten, hetgeen vooral te maken heeft met het feit dat de wettelijke regeling ook de positie van derden, die de Friese taal niet of in mindere mate beheersen, beter waarborgt. Als daarbij ook nog acht wordt geslagen op aanwijzing 6 van de Aanwijzingen voor de regelgeving alsmede op de opmerking van de Commissie wetgeving algemene regels bestuursrecht dat de juridische waar­de van de regeling vanwege de uitzonderingen slechts een beperkte is, dan was naar het oordeel van de leden van de D66-fractie enige reserve ten aanzien van de voorgestelde wettelijke regeling op dit moment nog wel op zijn plaats.
Deze leden erkenden overigens ook dat tegenover de bezwaren ook overwegin­gen ten gunste van een wettelijke regeling zijn aan te voeren. Zo is het allereerst onduidelijk of het bestaande convenant inzake het gebruik van de Friese taal wel bindend is voor derden. Ook de jurisprudentie, met name de uitspraak van Afdeling rechtspraak d.d. 17 januari 1985, AB 1986, 73 (de zaak Spithorst), biedt wel argumenten om te komen tot een wettelijke rege­ling. Tevens waren er natuurlijk in eerdergenoemd debat van 7 mei 1992 ook door de D66-fractie reeds argumenten genoemd die pleitten voor het (grond)wettelijk verankeren van de Nederlandse taal en mitsdien ook van de uitzonderingen daarop. De voors- en tegens overziend, zouden de leden van de D66-fractie het op prijs stellen als de regering van haar kant nog eens nader en gemotiveerd zou willen aangeven of de regering, gehoord ook de bezwaren vanuit Friesland, de voorkeur blijft geven aan een wettelijke regeling boven afspraken in een bestuursak­koord en zo ja of deze wettelijke regeling niet van een wat beperkter omvang zou kunnen zijn. Deze leden kwamen op dit laatste nog terug.

3. Grondrechte­lijke aspecten

De leden van de CDA-fractie stelden nog een vraag ten aanzien van de uitwerking van het beginsel van de gelijke behandeling van personen, die de Friese taal wel en niet machtig zijn. Een nadere uitwerking van de redelijke en objectieve gronden achten zij op zijn plaats. Gaarne zagen zij in dit licht ook aandacht besteed aan de werking van het wetsvoorstel in relatie tot de deelneming van niet-Friestaligen aan het democratisch ­proces. In het Nader Rapport (punt 3) werd gesproken over het afwezig zijn van problemen. Zijn er geen redenen om aan te nemen, dat bedoelde personen er vanwege het gebruik van de Friese taal in de desbetreffende gemeente­raad van afzien zich kandidaat te stellen? Is de veronderstelling van de regering niet voor discussie vatbaar, gelet op het feit, dat beheersing van het Fries door de inwoners van de provincie Friesland niet al gemeen is? Op welke passende voorziening doelt de regering overigens in geval van problemen? Ook de leden van de PvdA-fractie maakten zich zorgen over deelneming van niet-Friestaligen aan het democratische proces. Er zou sprake kunnen zijn van een belemmering voor het uitoefenen van het passieve kiesrecht, dan wel een belemmering voor het optimaal kunnen functioneren in een vertegenwoordigend orgaan.

4. De opzet en reikwijdte van het wetsvoorstel op het vlak van het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer

De leden van de PvdA-fractie gingen nader in op de voorgestelde regeling en constateerden een ongewenst neveneffect, de vele uitzonderingen in de regeling. Zowel de burger als het bestuursorgaan kunnen zich te allen tijde aan het gebruik van het Fries onttrekken. Daarmee is het de vraag of de voorgestelde regeling een verrijking is van de Algemene wet bestuurs­recht en het gebruik van het Fries.De aan het woord zijnde leden wezen daarbij ook op de ontvangen commentaren waaruit blijkt dat men de voorgestelde regeling, door de vele uitzonderingen, als een verslechtering ten opzichte van de huidige praktijk beschouwt. Daarmee staat, naar de mening van de leden van de PvdA-fractie, de doelmatigheid van de regeling ter discussie. Zij vroegen de regering een reactie op deze stelling.
[…]
De leden van de D66-fractie constateerden dat van de wettelijke uitzonderingen die betreffende het Fries uiteraard de meest in het oogspringend waren. Uit de opmerkingen van de Commissie wetgeving algemene regels bestuursrecht leidden deze leden af dat er sprake is van meerdere al dan niet wettelijke uitzonderingen. Kan de regering een overzicht geven van bestaande wettelijke uitzonderingen en een indicatie van de overige uitzonderin­gen?
De leden van de D66-fractie vroegen voorts, mede gelet op de in Friesland bestaande praktijk en de tegen deze wettelijke regeling naar voren gebrachte bezwaren, of niet volstaan zou kunnen worden met één algemene wettelijke bepaling betreffende de positie van het Fries. Dat zou ook meer evenwicht brengen in het samenstel van wettelijke bepalingen betreffende de taal in het bestuurlijk verkeer. Eén bepaling betreffende het Nederlands tegenover 7 ruim gelede bepalingen betreffende het Fries bergt iets onevenwichtigs in zich, zo vonden deze leden. Maar ook andere redenen pleiten wel voor wat meer terughoudendheid in de wet. In de wet zou bij voorbeeld bepaald kunnen worden dat met de belangen van niet-Friestaligen voldoende rekening moet worden gehouden. Aan de provinciale en gemeente­lijke verordeningen zou het vervolgens kunnen worden overgelaten daaraan een nadere invulling te geven. Met een meldingsplicht in combinatie met het repressieve toezicht zou de controle daarop toch voldoende kunnen worden verzekerd. Op deze wijze zou er meer ruimte blijven voor nieuwe rechtsont­wikkelin­gen op dit punt.
Decentrale regelgeving is nu eenmaal flexibeler dan wetgeving. Is een dergelijke meer beperkte wettelijke regeling overwogen, zo vroegen de leden van de D66-fractie? Zo ja, waarom is daarvan afgezien? Zo nee, dan zouden deze leden graag een reactie op deze decentralisatie-vriendelijkesuggestie willen vernemen.
[…]

Hoofdstuk IV Gevolgen voor de bestuurspraktijk

De vele uitzonderingen leiden naar de mening van de leden van de PvdA-frac­tie tot een grotere bestuurslast als gevolg van het regelmatig­ verplichte gebruik van de dubbeltaligheid. In hoofdstuk IV wordt op dit probleem, met name voor de lokale en regionale overheden, onvoldoen­de ingegaan. Dat geldt ook voor het door de Raad van State genoemde knelpunt van de geringe (Friese) taalvaardig­heid van de ambtena­ren. De leden van de PvdA-fractie vroegen om een nadere uiteenzetting ten aanzien van beide knelpunten.
Wat is, zo vroegen de leden van de GPV-fractie, de positie van personen ­werkzaam bij bestuursorganen c.q. ambtenaren in Friesland voor wat betreft het stellen van eisen ten aanzien van kennis en gebruik van de Friese taal? Worden op dit moment sollicitanten geweigerd omdat zij de Friese taal onvoldoende beheersen? Of zal de nu voorgestelde wettelijke regeling in de toekomst het nadrukkelijker stellen van de eis van beheersing van de Friese taal legitimeren?
De leden van de PvdA- en D66-fractie wezen op het feit dat het opschrift ­van Afdeling 2.2 de lading niet geheel dekt. De Afdeling heeft ook betrek­king op het gebruik van andere talen dan de twee genoemde (artikel 2:6, tweede lid). Deze leden vroegen of de regering een aanpassing van het opschrift aan de inhoud overweegt.

Nota naar aanleidng van het verslag II

Hoofdstuk I Algemeen

Tot ons genoegen constateren wij dat uit het verslag blijkt dat bij de Tweede Kamer in brede kring waardering bestaat voor de uitwerking die in het wetsvoorstel is gegeven aan de motie-Van Middelkoop/Mateman (Kamerstukken II 1991/92, 21 427, nr. 22). Ook de integratie van het voorontwerp van wet Friese taal in het bestuurlijk verkeer in het voorliggende wetsvoorstel kan op veel steun in de Tweede Kamer rekenen.
De leden van de fracties van VVD en D66 betuigden hun instemming met het wettelijk vastleggen van de rechten van Friestalige burgers bij het gebruik van hun taal in het bestuurlijk verkeer. De hiervoor door de leden van laatstgenoemde fractie genoemde reden, de unieke positie van de Friese taal in de provincie Friesland, onderschrijven wij.
De zienswijze van de leden van de D66-fractie dat het vraagstuk van de eventuele grondwettelijke verankering van het recht op gebruik van de Nederlandse taal los staat van dit wetsvoorstel en in een later stadium nog aan de orde zal komen, is inderdaad juist.
De leden van de fracties van CDA, SGP en GPV hebben in verschillende bewoordingen gevraagd of de regering voornemens is het gebruik van het Nederlands en het Fries in het rechtsverkeer wettelijk te regelen, waarbij de leden van de fracties van CDA en GPV benieuwd zijn naar het standpunt van de regering over het advies «Fries in het rechtsverkeer» van de commissie Friese taal. De leden van de SGP-fractie vroegen zich af of de Wet op de rechterlijke organisatie wel de meest geschikte plaats is voor een regeling omtrent het gebruik van de taal in het rechtsverkeer. De leden van de D66-fractie tenslotte vroegen ten aanzien van de positie van het Fries in het rechtsverkeer, of de bestaande wet uit 1956 wordt verruimd.
In antwoord aan de vier genoemde fracties kan worden gemeld dat op 22 april j.l. een wetsvoorstel tot verruiming van de mogelijkheden van het gebruik van het Fries in het rechtsverkeer door de ministerraad is aanvaard en vervolgens voor advies naar de Raad van State is gezonden. Bij dit wetsvoorstel wordt – dit in antwoord op de vraag van de SGP-fractie – het door de commissie Friese taal uitgebrachte advies opgevolgd om de verruiming te doen opnemen in de specifieke wet op dit punt, de Wet houdende enige regelen betreffende het gebruik van de Friese taal, in het bijzonder in het rechtsverkeer (Stb. 1956, 242). Die wet strekt zich uit over alle sectoren van de rechtspraak, zodat geen aparte regelingen nodig zijn in bijvoorbeeld de Wet op de rechterlijke organisatie, het Wetboek van strafvordering en de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op het feit dat de bedoelde wet reeds lang goed functioneert en een adequaat kader vormt voor de gewenste verruiming van de positie van het Fries in het rechtsverkeer, is er geen reden thans een wetgevings­project te starten waarbij ten principale de positie van het Nederlands in het rechtsverkeer wordt vastgelegd; mocht de wenselijkheid daarvan te zijner tijd blijken, dan kan zulks alsnog worden bezien.
Het ligt in de bedoeling – dit in antwoord op de fracties van CDA en GPV – om het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het advies van de commissie Friese taal op te nemen in de memorie van toelichting bij het genoemde wetsvoorstel. In punt 3.2 van de Bestuursafspraak Friese taal en cultuur (Stcrt. 1993, 237) is overigens reeds opgenomen dat dit wetsvoorstel zal worden opgesteld op basis van het advies.

Hoofdstuk III De Friese taal in het bestuurlijk verkeer

1. Inleiding

Wij zijn verheugd met de instemming van de zijde van de leden van de CDA- en GPV-fracties met onze aanpak om ten aanzien van de regeling in dit wetsvoorstel van de positie van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer aan te sluiten bij de bestuursafspraak Friese taal en cultuur uit 1989 en het kabinetsstandpunt uit 1953. Wij delen de bij de leden van de GPV-fractie bestaande verwachting dat op termijn de feitelijke positie van de Friese taal kan worden versterkt. Met de leden van de VVD-fractie ondersteunen wij in dat verband het door de provincie Friesland gevoerde beleid ten aanzien van de Friese taal.
De leden van de fractie van de PvdA vroegen of wij konden aangeven in welke mate de inwoners van de provincie Friesland de emancipatie van de Friese taal wenselijk vinden.
Een direct antwoord op deze vraag kunnen wij niet geven, omdat geen recent opinie-onderzoek ter zake beschikbaar is. Overigens merken wij op dat het provinciale taalbeleid al jarenlang op een zeer brede steun door alle fracties in provinciale staten van Friesland kan rekenen. Deze steun blijkt niet enkel uit het stemgedrag van de statenfracties, maar ook uit de programma’s van de verschillende partijen voor de statenverkiezingen.
De leden van de SGP-fractie constateerden een verschil tussen de in de memorie van toelichting en in het advies van de Raad van State genoemde cijfers met betrekking tot de beheersing van het Fries.
Dit door de leden van deze fractie gesignaleerde verschil ontgaat ons. In de memorie van toelichting wordt op blz. 6 op grond van onderzoek uit de vroege jaren ’80 gesteld dat 65% van de Friese bevolking Fries kan lezen en 10% Fries kan schrijven.[14] De Raad van State haalt meer recente publicaties aan waaruit blijkt dat 13% van de Friese ambtenaren (dat zijn dus zowel provincie- als gemeente-ambtenaren) en 12% van de gehele Friese bevolking over actieve schriftelijke vaardigheden in het Fries beschikt, dat wil zeggen Fries kan schrijven. Beide laatstgenoemde percentages zijn inderdaad laag, maar geven juist een iets gunstiger beeld te zien dan het door ons aangehaalde onderzoek. Over de leesvaardigheid stelt de Raad van State op basis van recent onderzoek dat een derde deel van de inwoners van Friesland niet over schriftelijke vaardigheden in het Fries beschikt, terwijl volgens het door ons geciteerde onderzoek van Gorter 65% van de Friezen Fries kan lezen. Ook deze cijfers zijn dus vrijwel hetzelfde.
De leden van de fractie van de SGP informeerden ook naar de percen­tages van de Friese bevolking die uitsluitend Fries kunnen verstaan, spreken, lezen en schrijven.
Deze zijn te verwaarlozen. Als gevolg van het sterk verbeterde niveau van het genoten onderwijs, en de voortgaande maatschappelijke en economische schaalvergroting en mobiliteit is de beheersing van het Nederlands onder de Friese bevolking nagenoeg algemeen geworden. Dit neemt niet weg dat veel Friezen zich mondeling beter in het Fries kunnen uitdrukken dan in het Nederlands.
De leden van de SGP-fractie vroegen verder in hoeverre ambtenaren en andere werknemers bij Friese bestuursorga­nen de Friese taal machtig waren.
Uit zeer recent onderzoek onder provinciale ambtenaren blijkt dat 30% van deze ambtenaren over voldoende schrijfvaardigheid in het Fries beschikt en 83% in het Fries gestelde teksten goed kan lezen. Interessant met het oog op de praktische uitvoerbaarheid van het provinciale taalbeleid inzake het bestuurlijk verkeer is dat het potentieel van de ambtenaren die Fries kunnen schrijven, nog niet voor de helft wordt gebruikt.[15] Over de beheersing van het Fries bij ambtenaren en andere werknemers bij de overige Friese bestuursorganen zijn geen gegevens beschikbaar.

2. De noodzaak van wetgeving

Bij de leden van enkele fracties bestonden twijfels over de noodzaak van wetgeving, althans wetgeving in deze vorm. De leden van de PvdA-fractie wezen op het ontbreken van praktische problemen bij burgers in het gebruik van het Fries in het bestuurlijk verkeer.
Verder vroegen deze leden zich af of het feit dat slechts een klein deel van de Friese ambtenaren het Fries voldoende machtig is, niet tot praktische bezwaren leidt. De leden van de fractie van D66 zouden een nadere en gemotiveerde beschouwing over de wenselijkheid van een wettelijke regeling van de positie van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer op prijs stellen. Deze leden wezen in dit verband op het spanningsveld tussen enerzijds de bevredigende werking van de bestuursafspraak Friese taal en cultuur 1989 en anderzijds de consequenties van bepaalde jurisprudentie voor de werking van deze bestuursafspraak. In deze nadere beschouwing zou dan ook aandacht moeten worden besteed aan de vraag of niet met een regeling van een meer beperkte omvang kan worden volstaan.
Het is op zich juist dat de in de bestuursafspraak Friese taal en cultuur 1989 neergelegde regels inzake het gebruik van het Fries in het bestuurlijk verkeer bevredigend functioneerden. De uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 20 juni 1990 heeft aan deze regels echter goeddeels hun werking ontnomen. De Afdeling stelde namelijk dat uitzonderingen op de hoofdregel dat het Nederlands geacht wordt de taal van bestuur en rechtspraak te zijn, op een formele wet gebaseerd dienen te zijn.[16] Met de leden van de VVD-fractie zijn wij daarom van mening dat het in brede kring erkende belang van een ruime plaats voor het Fries in het bestuurlijk verkeer, een dergelijke formeel-wettelijkeregeling onontkoombaar maakt. Door de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State is regeling in de bestuurs­afspraak niet langer een serieus te overwegen alternatief.
Het feit dat slechts een klein deel van de Friese ambtenaren het Fries voldoende machtig is, blijkt in de huidige bestuurspraktijk niet tot grote problemen te leiden. Omdat met dit wetsvoorstel wordt beoogd de bestaande praktijk te codificeren, is de gebrekkige beheersing van het Fries geen reden om af te zien van deze regeling. Daarnaast moet worden bedacht dat lagere overheden in Friesland die aan het Fries een bepaalde plaats in het bestuurlijk verkeer toekennen, dit doorgaans niet zullen doen zonder een flankerend beleid te voeren ten aanzien van de schrijf­vaardigheid in het Fries van hun ambtenaren.
Een zorgvuldige regeling van de positie van de Nederlandstalige minderheid in Friesland en van bepaalde praktische aspecten van het gebruik van twee officiële bestuurstalen naast elkaar hebben geleid tot een relatief gedetailleerde en uitvoerige regeling van de positie van het Fries als taal in het bestuurlijk verkeer. Een meer globale regeling zou hieraan onvoldoende recht hebben gedaan. Een zekere versobering van de desbetreffende bepalingen achten wij echter wel mogelijk. Om deze en andere redenen hebben wij in de nota van wijziging enkele wijzigings­voorstellen geformuleerd.
Ten aanzien van de voorgestelde regeling met betrekking tot de positie van de Nederlandse taal in het bestuurlijke verkeer plaatsten de leden van de PvdA-fractie, vanwege het ontbreken van knelpunten, vraagtekens bij de noodzaak daarvan.
Dergelijke knelpunten ontbreken inderdaad, althans in meer acute zin. Beide kamers der Staten-Generaal hebben niettemin uitgesproken codificatie van de ongeschreven regel dat het Nederlands de officiële bestuurstaal is, wenselijk te achten. De motieven voor deze uitspraken (versterking positie van het Nederlands in het licht van Europese en mondiale ontwikkelingen, onjuistheid van het wettelijk vastleggen van alleen de uitzondering op de hoofdregel, de wenselijkheid belangrijke ongeschreven regels wettelijk te verankeren) onderschrijven wij. Echter, zodra men daartoe overgaat, zullen – gelet op de geldende jurisprudentie – ook de uitzonderingen daarop wettelijk geregeld moeten worden.
De leden van de VVD-fractie vroegen naar de stand van zaken met betrekking tot de ratificatie van het Europees Handvest inzake streektalen en talen van minderheden.
Naar verwachting zal op korte termijn het wetsvoorstel tot ratificatie van dit Handvest ter advisering aan de Raad van State worden voorgelegd. Uit het Handvest vloeit voor Nederland de verplichting voort om het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer op een deugdelijke wijze mogelijk te maken. Hierin is nog een aanvullende reden gelegen om de status van het Fries als bestuurstaal door middel van wetgeving te regelen. Ook de resolutie van het Europees Parlement van 9 februari j.l. over culturele en taalminderheden in de Europese Gemeenschap (Pb. EG, C61, 28-2-1994) zien wij als een aansporing om aan het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer een deugdelijke juridische grondslag te geven.

3. Grondrechtelijke aspecten

De leden van de fracties van CDA, PvdA, SGP en GPV vroegen aandacht voor de gelijke behandeling van niet-Friestali­gen. Zij vroegen zich af of het gebruik van het Fries in vergaderingen van vertegenwoordigende organen feitelijk geen belemmering betekent voor de uitoefening van het passief kiesrecht van niet-Friestaligen voor de verkiezingen van deze organen.
Wij willen de bezorgdheid van de leden van de genoemde fracties wegnemen door op het volgende te wijzen. Van de inwoners van het overwegend Friestalige deel van Friesland verstaat vrijwel iedereen het Fries. Gelet op de mate van linguïstische verwantschap tussen het Fries en het Nederlands ligt dit ook voor de hand: het is voor de overgrote meerderheid der Nederlandstaligenniet zo moeilijk om Fries te leren verstaan. Hierdoor is het ook voor de uit de niet-Friestalige delen van Friesland afkomstige, Nederlandstalige leden van provinciale staten, wellicht soms met enige inspanning, mogelijk zonder tolk Friestalige collega’s voldoende te verstaan. Voorstelbaar is echter dat pas in Friesland woonachtige, niet-Friestalige leden van vertegenwoordigende organen overgangsproblemen hebben met de passieve beheersing van de Friese taal. De praktijk heeft geleerd dat in dit soort, overigens schaars gebleken, gevallen de normale wederkerige tegemoetkomendheid voor afdoende oplossingen zorgt.
Een en ander maakt de veronderstelling dat niet-Friestaligen vanwege het gebruik van het Fries in vergaderingen van vertegenwoordigende organen, zouden afzien van kandidaatstelling voor de verkiezingen van deze organen, onwaarschijn­lijk. Wij wijzen er verder op dat in de vele jaren dat het Fries wordt gebruikt in vergaderingen van vertegenwoordi­gende organen in Friesland hierover, noch bij de niet-Friestalige leden van deze organen noch bij niet-Friestalige mogelijke kandidaten voor verkiezingen ervan, problemen zijn gerezen.
Aan het gebruik van de Friese taal in vergaderingen van vertegenwoor­digende organen en de positie van niet-Friestalige leden van deze organen in dat verband zijn echter niet alleen praktische, maar ook principiële aspecten verbonden.
Door middel van deze wet wordt de officiële status van de Friese taal in het bestuurlijke verkeer binnen de provincie Friesland erkend. Dit betekent een verdere versterking van het tweetalige karakter van deze provincie. Deze tweetaligheid brengt voor zowel de Friestalige als de Nederlands­talige bewoners van Friesland rechten en plichten met zich. Zoals de officiële eentaligheid van de rest van Nederland verplichtingen met zich brengt voor niet-Nederlandsta­ligen- voor het gebruik van hun niet-Nederlandse taal bestaan in het officiële verkeer immers maar zeer beperkte rechten -, dienen Nederlandstaligen in Friesland rekening te houden met het gebruik van het Fries in het officiële verkeer in deze provincie. Een zekere mate van aanpassing aan het tweetalige karakter van Friesland mag daarom van hen in redelijkheid worden gevraagd. Dat geldt a fortiori voor diegenen die een overwegend Friestalige gemeen­schap vertegenwoordigen in een gekozen orgaan. Van gemeenteraads­leden van overwegend Friestalige gemeenten en leden van provinciale staten van Friesland mag daarom een positieve houding ten opzichte van de taal van de meerderheid van de burgers die zij vertegenwoordigen, worden verwacht. Een dergelijke positieve houding dient concreet gestalte te krijgen in onder meer een reële bereidheid de Friese taal, althans in passieve zin, te leren beheersen.
De leden van de CDA-fractie informeerden naar de aard van de in het nader rapport bedoelde «passende voorziening» voor het geval zich problemen zouden voordoen ten aanzien van de positie van niet-Friestaligen in vertegenwoordigen­de organen waar Fries wordt gesproken. De leden van de PvdA-fractie vroegen waarom een dergelijke voorziening niet nu al in het wetsvoorstel wordt opgenomen. De leden van de GPV-fractie vreesden dat het scheppen van deze voorziening voorwerp van taalpolitieke strijd zou kunnen worden, hetgeen, volgens deze leden, voorkomen zou moeten worden.
Voorop staat voor ons dat wij er, op grond van het voorgaande en in het nader rapport hierover door ons gestelde, vanuit gaan dat een dergelijke passende voorziening niet nodig zal zijn. Indien onverhoopt toch het tegenovergestelde zou blijken, is uiteraard een heroverweging op zijn plaats. Daarbij hoeft niet per se te worden gedacht aan een wettelijke regeling.
Praktische afspraken met de betrokken gemeente om beter invulling te geven aan de veronderstelde wederzijdse tegemoetkomendheid ten aanzien van niet-Friestaligen die nog maar kort in Friesland woonachtig zijn, kunnen doelmatiger zijn en genieten daarom onze voorkeur. Als gevolg van deze benadering achten wij de kans op een «taalpolitieke strijd» rondom deze eventuele voorziening uiterst klein.

4. De opzet en reikwijdte van het wetsvoorstel op het vlak van het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer

De leden van de fracties van de PvdA, D66 en SGP toonden zich bezorgd over de relatieve uitgebreidheid en gedetailleerdheid van de regeling van de positie van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer. De leden van deze fracties vroegen zich af of, mede vanwege de doelmatigheid en de van Friese zijde ingebrachte bezwaren, niet is overwogen te volstaan met een kortere, meer globale regeling. De leden van de fracties van PvdA en SGP wezen in dat verband op artikel 2:6, tweede lid, terwijl de leden van de fractie van D66 een voorkeur uitspraken voor meer decentralisatie in combinatie met een instructienorm als waarborg voor de positie van de Nederlandstalige minderheid. Een meldingsplicht in combinatie met repressief toezicht zou in dit alternatief voldoende mogelijkheden voor correctie bieden.
In hoofdstuk III, paragraaf 2 van deze nota hebben wij al gesteld dat een zorgvuldige regeling van de positie van de Nederlandstalige minderheid in Friesland en van bepaalde aspecten van het gebruik van twee officiële bestuurstalen naast elkaar een op zichzelf tamelijk uitvoerige regeling van de plaats van het Fries in het bestuurlijk verkeer met zich brengen. Vanwege de in het geding zijnde grondrechtelijke aspecten komt het ons als minder juist voor een en ander slechts globaal te regelen en voor het overige het onderwerp, enigszins anticiperend op de mogelijkheid van uitoefening van repressief toezicht, over te laten aan de lagere regelgever.
Het voorgaande neemt niet weg dat een zekere versobering van de voorgestelde bepalingen inzake de positie van de Friese taal mogelijk is. Zoals eerder in deze nota al gesteld, doen wij hiertoe bij nota van wijziging enkele voorstellen.
De kritiek van Friese zijde dat de voorgestelde regeling een verslech­tering ten opzichte van de huidige situatie inhoudt, onderschrijven wij niet.
De huidige praktijk ontbeert namelijk een wettelijke grondslag en is daardoor, gelet op de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 20 juni 1990, uiterst kwetsbaar gebleken. Inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zal aan deze kwetsbare positie een einde maken. In die zin beschouwen wij het wetsvoorstel als een sterke verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Een regeling van de positie van het Fries als bestuurstaal in een formele wet brengt echter met zich dat nadrukke­lijker aandacht moet worden geschonken aan de rechten van de niet-Friestalige minderheid in Friesland. Dit verklaart waarom op een enkel punt ten aanzien van de positie van het Fries als bestuurstaal een stap terug gedaan moet worden. Over het geheel genomen betekent dit wetsvoorstel echter een verbetering van de positie van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer.
De leden van de D66-fractie vroegen naar aanleiding van opmerkingen van de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht, om een overzicht van de al bestaande wettelijke uitzonderingen op de ongeschreven hoofdregel dat het Nederlands de officiële taal is en een indicatie van de overige uitzonderingen op deze hoofdregel.
Ten aanzien van het gebruik van andere talen dan het Nederlands in het rechtsverkeer geeft de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht een niet uitputtende opsomming. In de eerste plaats is er de bekende Wet van 11 mei 1956, Stb. 242, houdende enige regelen betreffende het gebruik van de Friese taal, in het bijzonder in het rechtsverkeer. Andere regelingen, die zich overigens niet tot het gebruik van het Fries beperken, zijn:
– art. 6:5, derde lid, Algemene wet bestuursrecht (indien een bezwaar- ­of beroepschrift in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van het bezwaar of beroep noodzakelijk is, dient de indiener zorg te dragen voor een vertaling);
– artt. 191 en 306 van het Wetboek van Strafvordering (bepalingen voor het geval de verdachte de Nederlandse taal niet verstaat).
Ten aanzien van het bestuurlijk verkeer noemt de commissie nog:
– art. 4:5, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (indien de aanvraag tot het geven van een beschikking of van een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden in een vreemde taal is gesteld en de vertaling daarvan voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van deze beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een vertaling aan te vullen).
Een uitvoeriger overzicht van de door de leden van de D66-fractie bedoelde uitzonderingen is in 1987 opgesteld door de FryskeAkademy en het «BeriefoaritFrysk».[17]
De leden van de SGP-fractie vroegen of een adequate regeling van de Nederlandse en Friese taal in het bestuurlijk en rechtsverkeer niet steeds bepalingen met zich zal brengen die naar hun aard niet geheel in een bestaande (algemene) wet passen. Deze leden wezen in dat verband op het voorgestelde artikel 2:9, waarvan men zich kan afvragen of dat wel past in de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk IV Gevolgen voor de bestuurspraktijk

Naar de mening van de leden van de PvdA-fractie was in de memorie van toelichting nog onvoldoende ingegaan op de hogere bestuurslasten als gevolg van de in het wetsvoorstel opgenomen verplichtingen tot dubbeltaligheiden de geringe taalvaardigheid in de Friese taal van veel ambtenaren. Zij vroegen om een nadere uiteenzetting over dit onderwerp.
De meeste in het wetsvoorstel opgenomen verplichtingen tot dubbelta­ligheidbestaan thans al en leiden daarom niet tot extra bestuurslasten. De bestuurslasten van nieuwe verplichtingen tot dubbeltaligheid, bijvoor­beeld ten aanzien van notulen van Friestalige of overwegend Friestalige openbare vergaderingen van vertegenwoordigende organen, zullen naar verwachting beperkt zijn. Het verschil ten opzichte van de huidige situatie is dat enkele in het Fries gestelde documenten voortaan moeten worden vertaald in het Nederlands. Het extra tijdsbeslag als gevolg hiervan achten wij gering, omdat de schriftelijke taalvaardigheid in het Nederlands bij vrijwel alle ambtenaren in dienst van Friese bestuursorganen ten minste zo groot is als en dikwijls veel groter is dan die in het Fries.
De leden van de GPV-fractie vroegen wat de eisen zijn ten aanzien van de kennis en het gebruik van de Friese taal die worden gesteld aan personen werkzaam bij Friese bestuursorganen. Is onvoldoende beheersing van de Friese taal thans een reden voor afwijzing bij sollici­taties? Zal het wetsvoorstel in de toekomst het nadrukkelijker stellen van de eis van beheersing van de Friese taal legitimeren?
Momenteel geldt voor enkele functies bij de provincie Friesland voldoende beheersing van het Fries als functie-eis. Het gaat hierbij om enkele secretaresse-functies(met name secretaresses van gedepu­teerden), medewerkers bij de afdeling voorlichting, en beleids­medewerkers in de sector Friese taal en cultuur. Met uitzondering van de genoemde functies is kennis van het Fries niet doorslaggevend voor benoeming. Er wordt vanuit gegaan dat nieuwe medewerkers zich het Fries, althans passief, vrij snel eigen maken.
In sollicitatiegesprekken wordt wel in meer informerende zin gesproken over het provinciale beleid inzake de Friese taal. Soms wordt geïnfor­meerd of de sollicitant bereid is een cursus Fries te volgen. Uit het eerdergenoemde onderzoek van Gorter en Jonkman is gebleken dat de meeste provinciale ambtenaren een positieve houding hebben ten aanzien van het provinciale taalbeleid. Ook vinden de provinciale ambtenaren dat de provincie een dergelijke positieve houding ook van hen mag verwachten. Dit verklaart waarom veel ambtenaren bereid zijn een cursus Fries te volgen.
Het wetsvoorstel leidt er niet toe dat, in vergelijking met de huidige praktijk, zwaardere eisen worden gesteld aan de beheersing van het Fries door personen werkzaam bij Friese bestuursorganen. Dit maakt het onaannemelijk dat als gevolg van het wetsvoorstel in toekomstige sollicitatieprocedures het nadrukkelijker stellen van de eis van beheersing van het Fries wordt gelegitimeerd.
De leden van de fracties van PvdA en D66 vroegen de regering het opschrift van afdeling 2.2 aan te passen. Deze afdeling heeft namelijk niet alleen betrekking op het gebruik van de Nederlands en de Friese taal, maar ook op het gebruik van andere talen in het bestuurlijk verkeer.
De opmerking van de leden van deze fracties is juist. In de nota van wijziging is een voorstel tot aanpassing van het opschrift van afdeling 2.2 opgenomen.

Amendement nr. 14 (Koekkoek)

In de beweegreden wordt het woord «gelijkberechtiging» vervangen door: gelijke behandeling.
Het amendement werd als volgt toegelicht. «Gelijkberechtiging» is een germanisme dat, zeker in een wetsvoorstel betreffende het gebruik van de taal, moet worden vermeden.

Handelingen II

De heer Van Middelkoop (GPV) (p. 6097-6100): Voorzitter! Hoezeer wij ons er ook over verheugen om vandaag voor het eerst van gedachten te wisselen met oud-collega de heer Kohnstamm in zijn nieuwe functie van staatsse­cretaris – met naast hem de regeringscommissaris – hij zal het willen billijken als ik opmerk dat aan het wetsvoorstel dat wij vandaag behandelen toch vooral de naam van de voormalige staatssecretaris mevrouw De Graaff-Nauta is verbonden. Het was bekend, dat zij met haar Friese achtergrond juist dit wetsvoorstel, dat natuurlijk vooral gaat over de Friese taal, ook in deze Kamer had willen verdedigen.
Ik herinner mij, dat ik vlak voor het zomerreces in de koffiekamer, even het belang van de regeerbaarheid van ons land uit het oog verliezend, tegen haar de hoop uitsprak dat de formatie zo lang zou duren, dat zij in elk geval in de eerste weken na het reces nog in functie zou zijn. De zaken zijn, zoals bekend, anders gelopen. Dat hoeft niet te verhinde­ren om toch een woord van waardering uit te spreken voor het werk, dat zij de afgelopen jaren in het bijzonder op het gebied van de taal heeft verzet. Dat betreft niet alleen het wetsvoorstel dat wij vandaag behandelen, maar ook een tweetal notities van meer algemene strekking over de positie van het Nederlands en daarnaast het Fries.
Aan dat werk waren enkele initiatieven vanuit de Kamer voorafgegaan. De staatssecretaris zal zich wellicht herinneren, dat ik destijds met collega Mateman via een motie het onderwerp van de taal heb toegevoegd aan de te onderzoe­ken onderwerpen in het kader van het rapport van de commissie-­Deetman. De resultaten van dat onderzoek liggen dan ook mede ten grondslag aan het voorliggende wetsvoorstel. Door nu dit wetsvoor­stel te agenderen, geeft de Kamer aan deze staatssecretaris derhalve de unieke gelegenheid om bij zijn allereerste optreden in de Kamer een onderwerp te behandelen, dat is verbonden met de staatkundige en bestuurlijke vernieuwing waar zijn politieke groepering altijd zo warm voor loopt. Ik hoop, dat ik mij over de eventueel nog volgende onderwerpen in dat kader evenzeer zou mogen verheugen als over dit wetsvoorstel, zo voeg ik daar enigszins prikkelend aan toe.
Voorzitter! De kern van het wetsvoorstel wordt gevormd door het eerste artikel, waarin voor het eerst wordt vastgelegd dat in ons land bestuursorganen en onder hun verantwoordelijkheid werkzame personen de Nederlandse taal dienen te gebruiken. Het mag duidelijk zijn, gelet op uitspraken van mijn fractie in het verleden, dat ik mij over deze wettelijke vastlegging verheug. Het is goed, dat de overheid haar zorg voor het Nederlands als officiële taal expliciet maakt. Niet dat het Nederlands thans een bedreigde taal is, maar op het moment dat zulks wel zou worden geconstateerd, zal het te laat zijn. In een zich integre­rend Europa zal de Nederlandse overheid ter zake van de taal alert dienen te zijn.
Blijkens de nota naar aanleiding van het verslag meent ook de regering, dat de versterking van de positie van het Nederlands in het licht van Europese en mondiale ontwikkelingen het motief is voor wetgevende arbeid op het terrein van de taal. Dat op dit punt alertheid geboden is, bleek toen het vorige jaar in een moment van kennelijke onoplettendheid minister-president Lubbers maar ook zijn Belgische collega Dehaene bij de vaststelling van het taalregime van het Merken­bureau voor het Nederlands een tweederangspositie accepteerden. Goed, dat mag later met veel praktische zin grotendeels zijn goedgemaakt, ten principale is er toen een fout gemaakt die niet geheel is hersteld. Het debat met hem daarover is destijds gevoerd, maar ik wil er toch hier aan herinneren.
Deze gehele gang van zaken zou wellicht anders zijn geweest als in onze Grondwet als overheidstaak was geformuleerd de bevordering van het Nederlands als officiële taal. Het is, zoals bekend, een oude wens van mijn fractie die blijkens de stukken bij het wetsvoorstel ook wordt gedeeld door bijvoorbeeld de CDA-fractie en de D66-fractie. Mevrouw De Graaff-Nauta heeft op dit punt de nodige voorbereidende arbeid verricht en het wordt tijd, dat dit wordt afgerond. Collega Koekkoek zal daarover straks eveneens het een en ander zeggen. Ik verwijs gemakshalve maar even naar hem.
De meeste aandacht dient nu evenwel uit te gaan naar de uitzondering op de regel en dat betreft de regeling van de Friese taal, een regeling die als het ware is gaan meeliften met de gegroeide politieke belangstelling voor het Nederlands. Ook op dit punt meen ik dat het desbetreffende wetsvoorstel op onze sympathie mag rekenen. Wettelijk wordt nu vastgelegd dat het gebruik van de Friese taal in het verkeer tussen overheid en burger in Friesland geen gunst is maar een recht. Het gaat daarbij om het honoreren van een in Friesland levende wens, waarover al vele tientallen jaren het nodige is gezegd maar waaraan te weinig is gedaan. Het eerste officiële standpunt dateert al van 1953. Het toen verschenen kabinetsstandpunt over het gebruik van de Friese taal was een reactie op “knuppelvrijdag”, de botsing tussen politie en opgewonden volgelingen van de toenmalige voorman van de Fryske Beweging, FeddeSchurer. Daarna is er natuurlijk wel het een en ander gebeurd, bijvoorbeeld op het terrein van het onderwijs. Voorals­nog kwam men niet verder dan de bestuursafspraken “Friese taal en cultuur” van 1989. Dit wetsvoorstel bouwt daar nadrukkelijk op voort.
Nu doet zich de laatste tijd evenwel het merkwaardige verschijn­sel voor dat wij nogal wat signalen uit Friesland ontvangen, waarvan de kern is dat de wetgeving wel eens een verslechtering van de positie van de Friese taal in Friesland zou kunnen betekenen in plaats van de beoogde verbetering, waartoe overigens de uitspraak van de Raad van State van enkele jaren geleden ons verplicht. Die verslechtering kan natuurlijk niemands bedoeling zijn. Ik vraag de staatssecretaris om op dit punt onze zorg weg te nemen en duidelijk te maken dat wetgeving ook daadwerkelijk verbetering van de positie van de Friese taal is. Ik kom hierop later terug, bij de bespreking van enkele amendemen­ten.
Het is goed in een debat als dit erop te wijzen dat het Fries een taal is met eigen rechten. Het Fries behoort niet tot de continentale groepen van het West-Germaans, maar tot de Anglo-Friese taalgroep, zoals de destijds alom gerespec­teerde Friese journalist en politicus Hendrik Algra in de Eerste Kamer opmerkte bij de behandeling van een wetsvoorstel over het onderwijs in de Friese taal. Daardoor had de Angelsaksische zendeling Bonifatius in de 8ste eeuw weinig moeite om zich verstaanbaar te maken in Friesland, tenminste tot het moment waarop het spreken hem op de ons allen bekende manier definitief onmogelijk werd gemaakt. Tot in de 16de eeuw – dat is een aardig historisch aspect – was het Fries ook de gewone taal in het rechtsverkeer en in de omgang van bestuurders en burgers. Zo beschouwd, pakken wij als het ware weer een draad op die destijds is afgebroken. Zoveel nieuws is er dus niet onder de culturele zon.
Het is ook goed erop te wijzen dat Nederland met dit wetsvoorstel geen tweetalig land wordt, wat je soms wel eens hoort. In de stukken wordt helder uiteengezet dat in alle provincies het Nederlands de officiële taal is, maar dat in Friesland daarnaast het Fries een gelijkberech­tigde positie krijgt. Ik dank collega Koekkoek, die via een amendement een germanisme uit de wet wil halen. Ik gebruik echter even de voorliggende wettekst. Het motief daarvoor is cultureel. Wij kennen in ons land gelukkig geen nationaliteitenvraagstuk, waarbij het taalverschil vaak het meest pregnant is. Friezen zijn gewone Nederlanders, met dit verschil dat zij iets beter ontwikkeld zijn. Zij spreken namelijk twee talen in plaats van één taal.
[…]
Voorzitter! Ik wil afronden met een vraag van enigszins technische aard. Die vraag zal gaan over de reikwijdte van het begrip “bestuursorgaan”. Ingevolge artikel 1 van de Algemene wet bestuursrecht is de Nationale ombudsman geen bestuursorgaan.
Het nu voorgestelde wettelijk taalregime is derhalve niet op hem van toepassing. Dat betekent dus, dat wanneer iemand in Friesland meent onheus bejegend te zijn door bijvoorbeeld een in Friesland gevestigde rijksdienst en die onheuse bejegening iets te maken heeft met het gebruik van de Friese taal of een vertaling daarvan, hij zich uitsluitend in het Nederlands met de ombudsman mag doen verstaan. In de meeste gevallen zal dat geen enkel probleem zijn. Maar toch: wel wettelijk in het Fries met een ambtenaar in Friesland mogen bakkeleien, maar beklag uitsluitend in het Nederlands mogen doen, daar wringt iets. Wellicht een puntje dat de staatssecretaris nog eens kan bespreken met de ombudsman zelf. Ook op dit punt krijg ik graag een reactie.
De heer Kamp (VVD) (p. 6100): Voorzitter! De voorgestelde wijziging van de Algemene wet bestuursrecht betreft twee zaken: het regelen van het gebruik van het Nederlands in het bestuurlijk verkeer in het hele land en het regelen van het gebruik van het Fries naast het Nederlands in de provincie Friesland. Dat is niet iets dat het kabinet nu zo graag wilde doen omdat het om werk verlegen zat, maar iets dat gedaan moest worden omdat volgens constante jurisprudentie het Fries in de eigen provincie in het bestuurlijk verkeer eigenlijk niet gebruikt mocht worden. Volgens het kabinet en ook volgens mijn fractie was een verbetering van deze situatie nodig.
De positie van het Nederlands, het eerste onderdeel van de wetswijzi­ging, staat eigenlijk niet ter discussie. De bijdrage van de VVD-fractie zal zich dan ook met name richten op het tweede gedeelte, het regelen van het Fries naast het Nederlands in de provincie Friesland. Toch denken wij dat een discussie over het gebruik van het Nederlands in het bestuurlijk verkeer in ons land niet voor altijd zal uitblijven. Wij hebben het rapport van het Sociaal en cultureel planbureau gelezen. Over vijftien jaar zal bijna de helft van de bevolking in onze grote steden van andere dan autochtoon Nederlandse afkomst zijn.
In die tijd zal nog steeds het Europees handvest inzake streektalen en talen van minderheden van kracht zijn dat binnenkort ter ratificatie zal worden aangeboden. Dit handvest brengt de verplichting met zich om het gebruik van minderheidstalen in het bestuurlijk verkeer op een deugdelijke wijze te regelen. Het kabinet heeft geanalyseerd dat op dit moment in ons land alleen de groep van de Friestaligen, ter grootte van zo’n 400.000 mensen, voldoet aan de definitie die in het Europees handvest voor het begrip “minder­heid” wordt gehanteerd. Op bladzijde 8 van de memorie van toelichting[18] wordt deze definitie overigens aangehaald. Als je de definitie heel zorgvuldig leest, valt het naar mijn mening niet te voorzien dat op enige termijn ook andere minderheids­groepen dan die van de Friestaligen aan deze definitie gaan voldoen en dus onder de werking van het handvest komen te vallen. Ik hoor graag een reactie van de staatssecretaris.
Ik krijg graag ook een reactie op een andere stelling: zelfs als het wel zo zou zijn dat over enige tijd ook andere minderheidsgroepen aan deze definitie gaan voldoen, is nog niet direct sprake van een situatie waarin gezegd moet worden: dit hebben wij voor de Friestaligen geregeld en moeten wij dus ook voor die andere groep doen. Het specifieke van de Friestaligen in Nederland is namelijk dat zij zich bevinden in een gebonden bestuur­lijke eenheid: de provincie Friesland. In Friesland wonen de Friestaligen en daarvoor regelen wij nu het gebruik van het Fries in het bestuurlijk verkeer. Als andere minderheids­groepen aan de definitie van het handvest gaan voldoen, wil dat nog niet zeggen dat wij vergelijkbare regelingen moeten treffen.
Het Fries is een eerbiedwaardige oude taal. Het is terecht dat de ambitie van de wetswijziging met betrekking tot deze taal het grootst is. Het gaat niet uitsluitend om het vastleggen van de bestaande praktijk, maar ook om het versterken van de positie van het Fries, door het gebruik ervan in het bestuurlijk verkeer te bevorderen.
De eerste spreker heeft al aangehaald dat het Fries ook andere tijden heeft gekend. Wij kunnen verder teruggaan dan de 16de eeuw, wij kunnen naar de 8ste eeuw teruggaan, toen West-Frie­sland en het huidige Friesland nog aan elkaar vastzaten en er nog geen Zuiderzee was. Groot-Friesland strekte zich uit langs de hele Noordzeekust van Brugge tot aan de Weser. Groot-­Friesland had zelfs een eigen recht, in het Lex Frisionum opgetekend onder verantwoordelijk­heid van Karel de Grote.
Er is een opvallende tegenstelling met de situatie aan het begin van deze eeuw, toen het Fries door de Nederlandse rijksoverheid absoluut ontkend werd. De Friezen mochten zelfs in hun eigen vertegenwoordi­gende organen hun moedertaal niet gebruiken. In de 20ste eeuw is er een proces van wijziging gekomen, dat niet alleen het Fries heeft doorge­maakt, maar ook bijna alle andere autochtone minderheidstalen in Europa: eerst sinds de veertiger jaren een groeiende acceptatie en daarna sinds de zeventiger jaren, een gelijkwaardigheid en nu, in de negentiger jaren, denk ik dat je kunt spreken van een koestering van de autochtone minderheidstalen in heel Europa. Ik denk dat die koestering van het Fries in Nederland ook nodig is. De status van de Friese taal wordt met dit wetsvoorstel formeel bevestigd. Met een sterkere positie kan die taal bijdragen aan het behoud van de Friese culturele identiteit. Het officiële gebruik van die taal zal naar onze inschatting de kwaliteit daarvan ook bevorderen, omdat het nu toch zo is dat, waar het Fries vooral een taal is die in de dagelijkse omgang gebezigd wordt, deze taal steeds meer woorden ontleend ziet aan het Nederlands, en dat is iets wat past bij een dialect, maar niet bij een taal als het Fries. De kwaliteit van de Friese taal zal door het per definitie zorgvuldige gebruik in het bestuurlijk verkeer winnen.
Voorzitter! Het kabinet heeft gekozen voor de systematiek van het aanvullen van de Algemene wet bestuursrecht met een extra afdeling, welke systematiek de steun krijgt van de VVD-fractie. Wij vinden dat dit op een zorgvuldige manier is uitge­werkt. Het kabinet heeft gekozen voor tweetaligheid in Friesland als uitgangspunt en als het echt nodig is, ter bescherming van essentiële rechten van niet-Friestaligen, voor dubbeltaligheid, althans het voorgeschreven gebruik van het Nederlands, althans het gratis kunnen verkrijgen van een vertaling in het Nederlands van in het Fries gestelde teksten. Die zorgvuldige opbouw verdient onze steun.
De heer Kamp (VVD) (p. 6102): Voorzitter! Als je de aantallen mensen die de talen spreken als maatstaf mag nemen dan is de positie van het Fries in Nederland enigszins vergelijkbaar met de positie van het Nederlands in Europa. Bovendien spreken in Europa vier maal zoveel mensen Fries als Iers. Relatief gezien, is de Friese taal belangrijk, zeker voor iedereen in Nederland. Het Fries is immers de drager van een wezenlijk deel van ons nationale culturele erfgoed. Naar de overtuiging van de fractie van de VVD doet dit voorstel van het kabinet recht aan het Fries en verdient het daarom met de door ons voorgestelde verbeteringen onze steun.
Mevrouw Kalsbeek-Jasperse (PvdA) (p. 6103-6104): Mijnheer de voorzitter! Het wetsvoorstel dat wij vandaag behandelen heet: Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht in verband met opneming van regels betreffende het gebruik van taal in het bestuurlijk verkeer. Eerlijk gezegd, bij de nietsvermoe­den­de lezer zou deze wijdlopige titel heel wat anders doen vermoeden dan hetgeen waarover dit debat in feite gaat: het gebruik van het Fries in het openbaar bestuur. Wat achter die titel schuil gaat, is een lastig en interessant onderwerp.
Het onderwerp is lastig omdat het zo makkelijk goedkoop kan worden afgedaan. Het onderwerp roept al snel de lachlust op: “Lieve hemel, hebben wij niet wat beters te doen” of “Laat die Friezen in hun vrije tijd toch vooral hun gang gaan, maar laat zij ons er niet mee vermoeien”. Dat is de benadering van de “ver-van-mijn-bed-show” en “het zal mijn tijd wel duren”. Dat lijkt mij niet de juist benadering, want te gemakkelijk. De tegenovergestelde benadering bestaat ook. Daarbij hoort: “Aha, hier is gemakkelijk electoraal gewin te halen. Niemand behalve de Friezen interesseert het onderwerp een bal, dus laten wij ons in Friesland nu eens even populair maken door ze op hun wenken te bedienen.” Twee gemakkelijke benaderingen die het onderwerp in de kern miskennen. Te gemakkelijke benaderingen dus. Als je niet kiest voor die gemakkelijke benaderingen, blijkt dat het gebruik van het Fries een heel interessant onderwerp is en een onderwerp is dat ook principiële kanten heeft. In de kern gaat het namelijk om de vraag hoe je omgaat met de taal van een minderheid.
Het streven naar emancipatie van het Fries is lang een klassenstrijd geweest. Het Fries was de taal van de gewone man en vrouw. Het Nederlands was de taal van hen die doorgeleerd hadden. De tijd dat de “taalstrijd” een klassenstrijd was, ligt achter ons. De tijd dat de strijd voor het gebruik van het Fries een echte strijd was, ligt echter nog helemaal niet zo ver achter ons. Voor de Tweede Wereldoorlog werd het woord je ontnomen als je tijdens een openbare vergadering Fries sprak. In de oorlog was de belangstelling voor de eigen taal toegenomen. Velen volgden taalcursussen, omdat er weinig anders te doen was en ook uit noodzaak. Fries sprekende onderduikers werden minder makkelijk ontdekt. Het morele gezag van de Friese taal nam daardoor toe. Jan Piebenga, hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant en statenlid voor de Partij van de Arbeid, sprak in 1946 voor het eerst Fries in de statenzaal en hij werd niet meer afgehamerd.
Aan het begin van de jaren vijftig stuitte het Friese emancipatiestreven echter weer op weerstand. Melkboe­ren werden op de bon geslingerd omdat zij “molke” en “sûpe” verkochten in plaats van “karne­melk” en “melk”. Op 16 november 1951 kwam het zelfs tot een rechtstreekse confrontatie met de politie tijdens het proces tegen hoofdredacteur FeddeSchurer van de Friese Koerier. Collega Van Middelkoop haalde het al aan. Schurer had namelijk in zijn kolommen korte metten gemaakt met een rechter die in de rechtszaal geen Fries toeliet. “Kneppelfreed”, 16 november 1951, wordt in Friesland nog steeds herdacht. De knuppels waren zo bedreigend dat de Friese kwestie naar het landelijk niveau werd getild. Er kwamen commissies, bijvoorbeeld binnen de Partij van de Arbeid. Die commissie achtte het “mede de taak van het democratisch socialisme ervoor te zorgen, dat de eigen vormen van dat Friese volk met zijn politieke, economische, sociale, culturele en godsdienstige aspecten tot hun recht komen, mede opdat het Friese volk beter zijn bijdrage, zowel tot het geheel van het Nederlandse volk als tot de internationale gemeenschap der volkeren, zal kunnen leveren”.
Dan komen wij precies bij het punt dat nu nog steeds actueel is en dat volgens de fractie van de Partij van de Arbeid ook de lijn is waarlangs het voorliggende wetsvoorstel beoordeeld moet worden. De kern van de discussie moet de vraag zijn hoe je recht doet aan de culturele pluriformiteit in een democratische samenleving, dat wil zeggen een samenleving waarin iedereen deel moet kunnen nemen aan het democratisch proces. De behoefte van mensen en van groepen van mensen om hun culturele identiteit tot uitdrukking te brengen, lijkt eerder toe dan af te nemen. Van de culturele identiteit maakt de linguïstische identiteit onderdeel uit. De behoefte om daaraan uitdrukking te geven, lijkt in een tijd van globalisering en internationalisering eerder toe dan af te nemen, Het uitvlakken van economische en politieke grenzen lijkt het besef van culturele identiteit te hebben aangewakkerd. Dan denk ik eerlijk gezegd niet eens in de eerste plaats aan Nederland en Friesland. Er zijn heel wat voorbeelden te noemen waar de hang naar het uiten van identiteit enerzijds en het onderdruk­ken daarvan anderzijds, tot bloedige conflicten heeft geleid. Ik zeg het nu zo en vraag mij af of je dat verband wel mag leggen. Ik meen van wel, want zonder dit wetsvoorstel – dat zo tussen regeringsverkla­ring en algemene beschouwingen door wel behandeld kan worden – groter te maken dan het is, gaat het in de kern om hetzelfde proces en om dezelfde vragen van tolerantie en intolerantie. Ik citeer prof. Beheydt, hoogleraar Nederlandse taal en Nederlandse cultuur aan de universiteit van Leuven. Het gaat dan weliswaar om een andere taalstrijd, maar in de kern gaat het om hetzelfde: “Tolerantie is niet in contradictie met een bewuste taal- en cultuurpolitiek. Integendeel, echte tolerantie is geworteld in het rustige besef van de volwaardigheid van de eigen identiteit.”
Zo is dat. En voor wie dit alles te gewichtig en te zwaar vindt, nog een ander citaat: “Het was aldra duidelijk dat er inderdaad verschillen leefden, verschillen die hoofdzakelijk te verklaren zijn door het innemen van een verschillend punt van uitgang. Enerzijds werd sterk de nadruk gelegd op het behoud van de eenheid van en de samenwerking in de Staat der Nederlanden, anderzijds werd de zelfstandigheid der delen nadrukkelijk naar voren gebracht. Enerzijds werd de vraag gesteld: hoever gaan de Friezen, hoever willen de Friezen gaan, anderzijds werd gewezen op de eisen, die de herleving van Friesland noodwendig stellen moet. Ondanks het verschil van het punt van uitgang viel vast te stellen, dat de bespreking tot overeenstemming kon leiden, met name in het concrete vlak van eisen en wensen. Cirkelend om deze eisen en wensen bleek verdergaande overeenstemming mogelijk.” Dit citaat komt uit het rapport van de Commissie ter bestudering van het Friese vraagstuk. Dat was een commissie, ingesteld door het bestuur van de Partij van de Arbeid, die rapporteerde in 1952. Een mens vraagt zich af waarom de Partij van de Arbeid zich überhaupt zou moeten… als rapporten uit 1952 anno 1994 nog zo zijn te gebruiken!
En dan de concrete eisen en wensen. De PvdA-fractie vindt dat in dit wetsvoorstel een goed evenwicht is gevonden tussen enerzijds het beschermen van de culturele en in dit geval vooral de linguïstische identiteit van een minderheid en anderzijds de waarborgen dat een ieder kan deelnemen aan het democratische proces in het openbaar bestuur.
De hoofdlijn is dat het Fries in het bestuurlijk verkeer gebruikt mag worden. Nederlandstalige belangheb­benden – en dan gebruik ik deze term niet in de strikt juridische zin – ­moeten echter evenzeer in staat gesteld worden voluit aan het bestuurlijk verkeer in Friesland deel te nemen. Juist door de alleen Nederlands sprekende en verstaande minderheid in Friesland duidelijk omschreven rechten te geven, krijgt de tolerantie die nodig is voor culturele pluriformiteit de grootste kans.
Friesland heeft inmiddels gelukkig een traditie van “geen moeilijkheden om de taal”. Laat dat vooral zo blijven. Ik denk overigens dat de Friese overheden een compliment verdienen. Rustig en vasthoudend, met tact naar burgers toe en lobbyend in Den Haag heeft men bereikt dat dit wetsvoorstel er nu ligt, in de kern onomstreden. Ook de vorige staatssecretaris van Binnen­landse Zaken, mevrouw De Graaff-Nauta verdient een compli­ment. Zij is het geweest die met een zelfde vasthoudende rust dit wetsvoorstel gereed heeft gemaakt voor afhandeling in het parlement. Het is jammer dat zij deze plenaire behandeling niet zelf meer kon doen. Ik weet dat zij het graag had gewild. Dit compliment doet overigens niets af aan de begerigheid waarmee wij uitzien naar het debuut van de staatssecretaris die er nu zit.
Rest mij nog een paar punten. De provincie Friesland heeft in een brief van 24 juni 1994 laten weten dat zij het wetsvoorstel voor het overgrote deel een goede invulling vindt van het streven, de Friese taal een goede, wettelijke basis te geven. Dit neemt echter niet weg dat de provincie Friesland op een paar punten nog graag wijzigingen ziet. Ik loop die langs.
De heer Van den Berg (SGP) (p. 6105-6106): Mijnheer de voorzitter! De SGP-­fractie is de regering erkentelijk voor dit wetsvoorstel met betrekking tot het gebruik van de taal in het bestuurlijk verkeer. Het is al gezegd, ook wij vinden het jammer dat mevrouw De Graaff-Nauta dit wetsvoorstel niet meer zelf als bewindsvrouwe heeft kunnen verdedigen. Dat doet niets af aan de hoge verwachtingen die wij van de huidige staatssecretaris hebben. Wij verheugen ons op het debat met hem, niet alleen hierover, maar in de nabije en wellicht zelfs verdere toekomst ook over andere onderwer­pen.
Het wetsvoorstel heeft twee sporen. Enerzijds is er de hoofdregel dat Nederlands in Nederland de voertaal is. Anderzijds is er het recht op het gebruik van Fries als tweede taal in Friesland. Ik ga op beide aspecten nader in.
Wij zijn blij dat de positie van het Nederlands als taal in het bestuurlijk verkeer nu wettelijk wordt vastge­legd. Op zichzelf lijkt zoiets mis­schien overbodig. Het zou in ieder geval overbodig moeten zijn. Maar de ontwikkelingen van de laatste jaren maken de positie van de Nederlandse taal steeds minder vanzelfspre­kend. De toenemende internationalisering, de Europeanise­ring en de communautarisering zijn daarvan de belangrijkste taken. Wij achten het een belangrijke verantwoordelijkheid van de regering om het belang en de positie van de Nederlandse taal voortdurend in het oog te houden. Zij zouden, met een variant op het onderwijs, tot voorwerp van aanhoudende zorg voor de regering moeten worden verklaard. Kan de staatssecretaris in meer algemene zin nu al wat meer zeggen over de houding van de regering in dit opzicht? Daarbij denk ik niet het minst aan de grondwette­lijke verankering van de positie van de Nederlandse taal, waarover de heer Van Middelkoop al sprak en waarop de heer Koekkoek naar ik heb begrepen terugkomt. Ik wacht dat met veel belangstelling af.
Mijn fractie kan instemmen met de keuze om het gebruik van de taal in het bestuurlijk verkeer te regelen in de Algemene wet bestuursrecht. Ook met de opzet zijn wij redelijk tevreden: de vastlegging van het Nederlands als hoofdtaal enerzijds en de wettelijke regeling van de uitzondering van het Fries als hoofdtaal in Friesland anderzijds. Maar wat dit betreft zijn wij nog niet geheel overtuigd van de voorge­stelde keuze tot verruiming van de mogelijkheden van het gebruik van het Fries in het rechtsverkeer. Daarover wordt in de stukken ook het een en ander gezegd. De regering beperkt zich tot een zekere verruiming en nadere regeling van de al bestaande Wet houdende enige regelen betreffende het gebruik van de Friese taal in het bijzonder in het rechtsverkeer, zonder daarbij kennelijk ten principale de positie van het Nederlands in het rechtsver­keer te willen vastleggen.
Inhoudelijk, vanuit het belang van de zaak zelf, maar ook vanuit de optiek van een samenhangend en consistent wetgevingskader zou het echter toch voor de hand liggen om ook de positie van het Nederlands in het rechtsverkeer vast te leggen. Wellicht komt dit door grondwette­lijke verankering al meer in beeld. Wij maken op dit punt graag een kanttekening bij de door de regering in de stukken uitgezette lijn en vernemen graag een reactie.
De SGP-fractie is in het algemeen voorstander van het recht van een minderheid om de eigen taal en cultuur levend te houden en te ontwikkelen. Dat kennen wij anderen toe en dat zouden wij ook onze eigen Friese provincie niet willen onthou­den. Ik wijs er overigens op – en het deed mij genoegen dat ook de heer Van Middelkoop daarop wees – dat het Fries toch een taal is die ouder is en oudere rechten heeft dan het Nederlands. Wij moeten dat goed in de gaten houden en wat dat betreft met ons Nederlands ook weer niet te hoog van de toren blazen.
Dat neemt niet weg dat Friesland een Nederlandse provincie is en hopelijk ook blijft. Binnen Friesland en ook in het verkeer tussen de Friese en andere bestuursorganen zijn er ook velen die de Friese taal niet machtig zijn en van wie dat ook niet verwacht mag worden Er zal dus een redelijk evenwicht gevonden moeten worden tussen het recht op gebruik van de Friese taal enerzijds en de belangen van niet-Friestaligen anderzijds. Naar ons inzicht is de regering daar met het voorliggende wetsvoorstel redelijk goed in geslaagd.
Wij gaan er met de regering van uit dat het gebruik van de Friese taal in een gemeenteraad in het algemeen geen problemen zal opleveren. Wij hebben in het verslag nog wel de vraag aan de orde gesteld of de facto het risico bestaat dat niet-Friestaligen worden beperkt in het passieve kiesrecht. Je mag natuurlijk van iemand die zich in het Friestalige vestigt en daar ook bestuurlijke verantwoordelijkheid wil dragen, inderdaad verwachten dat hij zich moeite getroost om de Friese taal in elk geval passief te leren beheersen.
De heer Van den Berg (SGP) (p. 6107): De regering heeft bij nota van wijziging artikel 2:11 geschrapt. Op zichzelf lijkt de motivering daarvoor overtuigend. Merkwaardig genoeg hebben wij juist uit Friesland verzet daartegen gehoord. Men is bang dat de bestaande praktijk wordt uitgehold, omdat het artikel nu juist een aantal normen geeft die in de praktijk breed worden gehanteerd. Een voorbeeld is het beginsel van wederkerigheid. Indien verzoeken in het Fries zijn gesteld, worden de antwoorden dat ook. Verzoeken in het Nederlands worden beantwoord in het Nederlands. Wil de regering hierop reageren?
[…]
Het zal duidelijk zijn dat mijn fractie het voorstel in de voorlig­gende vorm toejuicht. Wij zijn vooralsnog kritisch over verschei­dene amendementen. Over het amendement van de heer Koekkoek en mevrouw Kalsbeek-Jasperse heb ik dat al gezegd. Het amendement op stuk nr. 10 vinden wij een verbetering, dus daarvoor geldt mijn kritische kanttekening niet. Ook wat de amendementen betreft, wachten wij de reactie van de regering af. Het wetsvoorstel zullen wij van harte ondersteunen.
De voorzitter (p. 6107): Ik geef het woord aan de heer Hoekema, die zijn maiden­speech zal houden.
De heer Hoekema (D66) (p. 6107-6109): Voorzitter! Het doet mij genoegen bij mijn eerste optreden in dit huis staatsse­cretaris Kohnstamm aan de regeringstafel te zien. Het spijt mij dat minister De Graaff-Nauta, een markante Friezin, niet meer is staat is geweest dit wetsvoorstel te verdedigen. Ik heb overigens alle vertrouwen in het vermogen van de Amsterdammer Kohnstamm om als zeevaarder op de Friese havens Harlingen en Terschelling dit wetsvoorstel in veilige haven te loodsen. Als tweede-generatie-Fries kruis ik graag de degens met een staatssecretaris van wie de grootva­der kandidaat-kamerlid voor de gemeente Weststellingwerf was. Het is voor mij eveneens een genoegen om naast de staatssecretaris in het regeringsvak regeringscommissaris Scheltema te zien. Getuige zijn das heb ik met hem onder meer het lidmaatschap van de vereniging Frisia gemeen.
Dit voorstel kende tweeërlei aanleiding. In de eerste plaats drongen de Staten-Generaal aan op het wettelijk vastleggen van de ongeschreven regel dat Nederlands de taal van het bestuurlijk verkeer in ons land is. Ik verwijs naar de motie-Van Middelkoop/Mateman. In de tweede plaats werd het wenselijk en nuttig gevonden de positie van de Friese taal vast te leggen in een wettelijke regeling, vooral omdat de jurisprudentie, uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 20 juni 1990, de zaak-Spithorst, noopte tot het wettelijk vastleggen van de uitzonderingen op de regel dat Nederlands de bestuurs- en rechtstaal is. De sprong van convenant, de bestuursafspraak Friese taal en cultuur uit 1989, tot wet is hiermee verklaard. Mijn fractie heeft dit gesteund, al werkte de nog maar kort geleden gemaakte bestuursafspraak in grote lijnen bevredigend. De diepere, achterlig­gende aanleiding voor dit wetsvoor­stel is uiteraard het streven om de plaats van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer te verstevigen.
Voorbijgaand aan de aanzienlijke historische diepte van de betogen van enkele van mijn voorgangers, wijs ik op de lange weg die is afgelegd van de commissie-Kingma/Boltjes uit 1953 tot heden. In deze periode van 41 jaar is de eertijds marginale positie van het Fries sterk verbeterd, van een louter informeel mondeling gebruik in het bestuurlijk verkeer naar goede, ruimhartige regelingen voor het schriftelijk verkeer in de jaren tachtig. Dit wetsvoorstel is in zekere zin de kroon op het proces. Mijn fractie steunt het voorstel op hoofdlijnen, maar weegt zorgvuldig af, zoals ongetwijfeld ook andere fracties, de aan deze kwestie inherente spanning tussen aan de ene kant de bevordering van de Friese taal zonder al te veel ontsnappingsclausules, die hieraan afbreuk doen, en aan de andere kant het waarborgen van het recht van niet-Friestalige inwoners van de provincie om toegang te hebben tot voor hen essentiële informatie.
Voorzitter! Het beginsel van de gelijke behandeling van burgers is hier richtinggevend, evenals de openbaarheid van bestuur en de toegankelijkheid van stukken als middel om het gehalte van de democratie te bevorderen. Fries sprekenden en niet-Fries sprekenden hebben immers het recht volwaardig als burger te functioneren, waar het hun verkeer met provinciale en lokale overheid betreft.
In dit wetsvoorstel lijkt een voldoende balans tussen beide elementen, promotie van het Fries en gelijkberechtiging, te zijn gevonden. Op de afzonderlijke onderdelen van de voorgestelde wijziging van de Algemene wet bestuursrecht ga ik niet expliciet in, waar deze de instemming hebben van mijn fractie. Dit geldt ook voor de keuze voor de Algemene wet bestuursrecht als instrument, waarbij terecht dankbaar gebruik is gemaakt van het advies van de commissie-Scheltema. Wel blijft voor mijn fractie van belang de eventuele grondwettelijke veranke­ring van het gebruik van de Nederlandse taal. Mijn vraag is of de regering daarover een opvatting heeft.
Voorzitter! Met het zojuist ingediende wetsvoorstel over het gebruik van het Fries in het rechtsverkeer en met het wetsvoor­stel tot goedkeuring van het Europese handvest minderheidsta­len, op dit ogenblik aanhangig bij de Raad van State, zal een serie maatregelen zijn afgesloten die zien op een toereikende vastlegging van zowel de Nederlandse als de Friese taal in ons bestuurlijk rechtsverkeer. Ik ondersteun overigens de interessante vragen die mijn collega Kamp heeft gesteld over de plaats van andere minderheids­talen dan het Fries onder het Europese handvest.
Voorzitter! Resteren nog de bevindingen van mijn fractie over een aantal afzonderlijke bepalingen in dit wetsvoorstel. Naar ons oordeel is sprake van een zekere mate van overregulering in de voorgestelde artikelen. In een aantal gevallen zal immers de bestuurspraktijk in de provincie en in de gemeenten, deels op basis van de provinciale verordening en de gemeentelijke verordeningen, het mechanisme kunnen zijn voor een toereikende regeling. De voornaamste vragen – ­het is al in dit debat gebleken ­- betreffen evenwel de artikelen 2:12 en 2:13.
[…]
Voorzitter! De inzet van mijn fractie is deregulering aan de ene kant, maar aan de andere kant wensen wij ook het gebruik van het Fries in het bestuurlijk verkeer niet achteruit maar vooruit te brengen.
Deze wet stelt een globaal kader vast. Verdere voorzieningen moeten worden getroffen in de bestuurs­afspraak Friese taal en cultuur, de provinciale verordening en de gemeentelijke verordeningen. Die nadere voorzieningen zouden wellicht kunnen betreffen de vertaalkosten van stukken en een nadere regeling van de bekendma­king van algemeen verbindende voorschriften of beleidsregels. Het wetsvoorstel regelt daarover, dat bekendma­king, mededeling of terinzagelegging van onder meer voorschriften en beleidsregels ook in het Nederlands gebeurt “tenzij redelijkerwijze kan worden aangeno­men, dat daaraan geen behoefte bestaat”, aldus artikel 2:12, tweede lid. Wat betekent dat laatste precies en kan over de uitwerking daarvan geen verschil van mening ontstaan?
De tweede suggestie voor de nadere uitwerking van die regels betreft de vertaalkosten. Je zou kunnen vastleggen, dat vertaalkosten op een redelijk niveau worden gehouden. Duizenden guldens voor een volumineuze nota of honderden guldens voor de notulen van een avondvullende vergadering waarbij men niet in aanmerking komt voor een gratis vertaling, is misschien wat al te dol en doet afbreuk aan toegankelijkheid voor niet-­Friestaligen. Een plafond van bijvoorbeeld twee of drie keer de prijs van het document gesteld in de oorspronkelijke taal lijkt redelijk. Heeft de regering daarover een mening en, zo ja, is zij bereid om die mening ter sprake te brengen in het overleg met de provincie?
Voorzitter! De praktijk zal het leren. Zeggen is niet hetzelfde als doen. “It is mei sizzen net te dwaen”. Voorzitter! Ik laat aan u over hoe dit genotuleerd moet worden, maar ik hoop dat het genotuleerd zal worden. Ik heb de vertaling er gratis bij geleverd. Deze oude wijsheid zal in de meeste gevallen soelaas moeten bieden voor problemen die nu eenmaal horen bij een situatie, waarin één taal – het Fries ­dominant is maar waarin sommigen nu eenmaal het Fries onvoldoende beheersen en ook het recht hebben om geen Fries te leren, hoe spijtig dat ook mag zijn. De in de praktijk gebleken kleine fricties tussen bijvoorbeeld een raadslid en een burgemeester in Friesland en tussen burgers en een gemeente moeten zoveel mogelijk pragmatisch worden opgelost. Deze wet dient het basiskader te scheppen en naar het oordeel van D66 is zij daarin redelijk geslaagd. De wet dient over een jaar of wat te worden getoetst op de uitvoering. Alle inwoners van Friesland moeten daaraan rechten kunnen lenen en daarmee rechten kunnen uitoefenen. Te meer waar de Algemene wet bestuursrecht geen strafbepalingen of sancties kent, zal het bestuurlijk verkeer en de wetspraktijk door de fractie van D66 met interesse worden gevolgd.
De voorzitter (p. 6109): Collega Hoekema, ik wens u van harte geluk met uw maidenspeech en ik kan u verzeke­ren, dat wat betreft de notulering van deze vergadering de Stenografische dienst geen zee te hoog gaat! De vergadering wordt enkele minuten geschorst.
De heer Koekkoek (CDA) (p. 6109): Mijnheer de voorzitter! Graag maak ik van de gelegenheid gebruik om de heer Hoekema te feliciteren met zijn geestige en inhoudrijke maiden­speech. Hij heeft knap gebruik gemaakt van zijn recht om niet geïnterrumpeerd te worden, zoals hij misschien heeft gemerkt. Hij is als “Leidse Fries” het levende bewijs van de wisselwerking die wij in onze multiculturele samenwerking aantreffen.
Gaarne begroet ik de heer Kohnstamm als staatssecretaris van Binnenlandse Zaken. Ik had mij erop verheugd met hem als kamerlid te kunnen discussiëren. Ik mag hem nu ontmoeten als staatssecre­taris. Ik wens hem daarbij veel succes. Het is ook een groot genoegen dat hij vandaag wordt bijgestaan door regeringscommissa­ris Scheltema.
Voorzitter! De CDA-fractie is zeer verheugd dat vandaag het wetsvoor­stel betreffende de taal in het bestuurlijk verkeer, met name de Friese taal, aan de orde is. Het is al eerder gezegd: graag hadden wij dit wetsvoorstel met mevrouw De Graaff-Nauta behandeld. Het wetsvoorstel is een wettelijke erkenning van de betekenis van de Friese taal. De CDA-fractie hecht, evenals andere fracties zoals is gebleken, aan de culturele pluriformi­teit van onze samenleving, overigens met handhaving van de nationale eenheid.
Bij een onderwerp als dit gaan de gedachten willekeurig terug naar de geschiedenis. Daarvoor was ook aanleiding bij dit onderwerp door het recentelijk verschijnen van het boek “Grenzen aan de macht, de Friese oorlog van de graven van Holland omstreeks 1400”. Dit boek werd besproken onder de titel “Waarom Friesland geen Holland is”. Uit dat boek valt in elk geval de les te trekken dat de Friezen heel coöpera­tief zijn, maar je moet ze wel een bepaalde vrijheid laten. In deze geest wil mijn fractie ook dit wetsvoorstel behandelen.
Voorzitter! Wij zouden het bijna vergeten, maar dit wetsvoorstel betreft zowel het gebruik van de Nederlandse als het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer. Over zowel de positie van het Nederlands als de positie van het Fries wil ik iets zeggen. Ik had overigens graag mijn betoog voortgezet in het Fries. Ik heb het nagegaan, maar ik geloof niet dat er één wettelijk voorschrift is dat zich daartegen verzet. Er is hooguit de uitspraak van de Afdeling recht­spraak van 20 juni 1990. Maar, voorzitter, maakt u zich geen zorgen of u mij tot de orde moet roepen. Ik ben het Fries helaas niet machtig. Daarom ga ik verder in de Neder­landse taal.
Wat de Nederlandse taal betreft gaat de regering met dit wetsvoor­stel eigenlijk voorbij aan de met algemene stemmen aangenomen motie-VanMiddelkoop/Mateman, waarin de regering werd gevraagd te onderzoeken op welke wijze de positie van de Nederlandse taal verankerd kan worden in de Grondwet. Dit wetsvoorstel regelt alleen het gebruik van de taal in het bestuurlijk verkeer. Voor het rechtsverkeer zou volgens de regering de Wet op de rechterlijke organisatie de aangewezen plaats zijn. Het wetsvoorstel dat wij behandelen, schrapt de enige thans nog geldende bepaling uit 1830 dat de Nederlandse taal de uitsluitende taal is in administratie­ve, financiële en gerechtelijke zaken. Het gebruik van de Nederlandse taal door de overheid is zowel nationaal als internationaal een zo belangrijk onderwerp dat regeling daarvan in de Grondwet naar het oordeel van de CDA-fractie – overigens niet alleen onze fractie – gewenst is. Daarom zal de CDA-fractie te zamen met de fractie van het Gereformeerd Politiek Verbond, het initiatief nemen om een wetsvoorstel tot opneming van een bepaling in de Grondwet betreffende het gebruik van de Nederlandse taal bij de Kamer aanhangig maken. Tot mijn genoegen heb ik geconstateerd, dat de heer Hoekema namens de fractie van D66 onze wens ondersteunt.
Voorzitter! Tot bevordering van de Nederlandse taal dient ook het amendement dat door de CDA-fractie is ingediend om de beweegreden van de wet te wijzigen. Daarin wordt gesproken over gelijkberechtiging, maar dat is een germanisme en wij willen dat woord graag geschrapt zien. Uiteraard willen wij niets veranderen aan de gelijkwaardigheid van de Nederlandse en de Friese taal in Friesland.
Mevrouw Kalsbeek-Jasperse (PvdA) (p. 6109): Voorzitter! Het woord “gelijkberechtiging” mag dan wel een germanisme zijn, maar dat geeft toch iets anders weer dan gelijkwaar­digheid. Ik proef dus een verschil tussen het een en het ander. Iets kan namelijk wel van gelijke waarde zijn, maar hoeft daarmee nog niet gelijke rechten te hebben. Ik lees in het woord gelijkberechtiging wat anders en ik vind het dus geen synoniem van gelijkwaardigheid.
De heer Koekkoek (CDA) (p.6109): Deze woorden zijn ook niet helemaal synoniemen van elkaar. In gelijkwaar­digheid liggen echter wel rechtsge­lijkheid en gelijke behandeling – dat zijn de Nederlandse termen ­besloten. Zo moet u dan ook gelijkwaardigheid verstaan. Als er behoefte aan zou bestaan om de woorden rechtsgelijkheid of gelijke behandeling nog eens uitdrukkelijk op te nemen, bestaat daartegen geen enkel bezwaar, maar voor mij liggen die woorden in gelijkwaardig­heid besloten.
Mevrouw Kalsbeek-Jasperse (PvdA) (p. 6109): Het juiste woord lijkt mij vooral bij dit wetsvoorstel van belang omdat in Friesland lang gestreefd is naar gelijke rechten. Bij “gelijke waarden” gaat het toch al snel om loze woorden. Je kunt namelijk wel vinden dat iets van gelijke waarde is, maar het komt aan op gelijke rechten. Daarom aarzel ik toch als het om dit amendement gaat.
De heer Koekkoek (CDA) (p.6109-6110): U moet het zo begrijpen, dat het absoluut geen verzwakking is. Zou daarover maar enige aarzeling bestaan, dan moeten wij het woord “gelijkberech­tiging” vervangen door bijvoorbeeld “gelijke behandeling”.
De heer Kamp (VVD) (p. 6110): Voorzitter! Wij zijn het eens met mevrouw Kalsbeek. Wij zijn ook van mening dat het verschaffen van gelijkwaardigheid de eerste stap is, maar dat bij gelijkbe­rechtiging daaraan consequenties worden verbonden. Wij denken dan ook dat de door de heer Koekkoek voorgestelde wijziging een verar­ming inhoudt.
De heer Koekkoek (CDA) (p. 6110): Zij is niet zo bedoeld. Woorden moeten wel duidelijk zijn en naar duidelijkheid wil ik in ieder geval streven. Voorzitter! Door anderen is ook al gezegd, dat dit wetsvoorstel een evenwichtige regeling voor het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer bevat en wel in die zin dat een gelijke behandeling van Fries en Nederlands sprekenden gewaarborgd is.
Ten slotte wil ik ingaan op de bezwaren die van de kant van de provincie Friesland tegen het wetsvoorstel naar voren zijn gebracht. Het eerste bezwaar betreft het feit, dat voorbereidende stukken voor algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels ook in het Nederlands moeten worden opgesteld. De CDA-fractie deelt dat bezwaar niet. Wij vinden dat deze stukken voor alle burgers van belang kunnen zijn en dus ook toegankelijk moeten zijn in de taal die zij kunnen lezen. Dit heeft te maken met de openheid van het democratisch proces.
In dit verband wil ik, meer in het bijzonder tegen de regeringscommis­saris, zeggen dat wanneer in de tekst van de wet wordt gesproken over algemeen verbindende voorschriften de vraag kan rijzen hoe het met bestemmingsplannen zit. Ik wil graag laten weten wat mijn uitleg is en daarop wil ik dan een reactie van hem krijgen. Volgens mij vallen bestemmingsplan­nen in het algemeen onder algemeen verbin­dende voorschriften. Zou er sprake zijn van een zogenaamd postzegel­plan, dan zou dat niet het geval kunnen zijn. Hierover hoor ik echter graag het oordeel van de regerings­commissaris.
De heer Hendriks (AOV) (p. 6111): Mijnheer de voorzitter! In de eerste plaats wil ik de staatssecretaris feliciteren met zijn benoeming. Hij is nieuw, maar hij heeft een groot ambtelijk apparaat achter zich staan. Ik ben een nieuw kamerlid; ik had niets achter mij, omdat mijn fractie, helemaal nieuw, met mij mee kwam. Dat heeft wat voeten in de aarde gehad. Ik wil daar niet verder over uitweiden, maar ik wil wel wijzen op onze aanwezigheid op dit moment. Wij worden hier vaak graag gezien, maar wij kunnen gewoon fysiek hier niet altijd aanwezig zijn, doodge­woon omdat wij de dossiers niet voldoende kennen. Er ligt een wetsvoorstel uit de vorige periode voor. Wij moeten nagenoeg alle stukken daarvan ophalen en ze bestuderen, iets wat wij in dit geval ook gedaan hebben.
Mijnheer de voorzitter! Deze wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, in verband met de opneming van regels betreffende het gebruik van de taal in het bestuurlijk verkeer, vinden wij heel belangrijk, zeker voor onze Friese medeburgers en -burgeressen. Wij gunnen hun van ganser harte gelijkwaardigheid. Alleen is het allemaal voor ons niet duidelijk, op grond waarvan wij dus nog geen eindoordeel kunnen geven. Waar gaat het om? Wij hebben de drie kantjes van de koninklijke boodschap omtrent die wijziging gelezen, evenals de dertig A4’tjes van de memorie van toelichting en de rapporten daarbij. Wij hebben juist in het laatste document, dat voor ons heel waardevol is voor de toetsing, iets heel belangrijks gemist, en daarover wil ik nu een vraag stellen. Wij hebben een passage gemist over een eventueel contact van de staatssecretaris met de Nederlandse Taalunie, hem welbekend, waarover wij sinds 1980 een verdrag kennen. Is door de staatssecreta­ris of diens ambts­voorganger advies ingewonnen bij een van de in artikel 6 van het verdrag genoemde vijf organen, namelijk het Comité van de ministers, de Interparlementaire commissie, de Raad voor de Nederlandse taal en letteren, het College van de scheidsrechters en de algemene secretaris?
Het antwoord van de staatssecre­taris kan “ja” of “nee” zijn. Ik wil hem hierin voorgaan. Indien hij deze vraag met “ja” beantwoordt, wil ik weten waarom hierover dan niet is gepubliceerd, onder andere in de betrokken toelichting. Ik vraag hem een dergelijke publikatiealsnog aan de Kamer toe te zenden. Indien de staatssecreta­ris de vraag met “nee” beantwoordt, wijs ik hem gaarne op artikel 4, lid c, van ons Taalunie­verdrag. Daarin staat dat de partijen die de Taalunie vormen – Nederland en het Nederlandstalige gebied van België, dat de federale staat Vlaanderen is geworden – gezamen­lijk een gelijke terminologie zullen bepalen ten behoeve van wetgeving en officiële publikaties. Voorts wijs ik op artikel 5, lid c, waarin wordt gesproken over een gezamenlijk streven naar verantwoord gebruik van de Nederlandse taal, in het bijzonder in het onderwijs èn in het ambtelijk verkeer. Kan de staatsse­cretaris met deze wetswijziging de Friese taal op het hogere niveau brengen waar hij het immers wenst, en wij ook?
De heer Van Middelkoop (GPV) (p. 6111): Ik vind het heel interessant dat de heer Hendriks er de Taalunie bij haalt. Ik heb daar zelf niet aan gedacht en ik heb de neiging, dat mezelf aan te rekenen.
De heer Hendriks (AOV) (p. 6111): Had u dat dan maar gedaan!
De heer Van Middelkoop (GPV) (p. 6111): Ik vraag mij nu af wat de relevantie van de Taalunie bij dit wetsvoorstel is. Wat is ter zake de bevoegdheid ervan?
De heer Hendriks (AOV) (p. 6111): Dat heb ik zojuist uitgelegd en ik adviseer de heer Van Middelkoop om het verdrag te lezen. Anders zou het mij te ver gaan. Ik heb slechts één duidelijke vraag.
De heer Van Middelkoop (GPV) (p. 6111): Ik ken de Taalunie best en ik ken het verdrag.
De heer Hendriks (AOV) (p. 6111): Zojuist heb ik de diverse artikelen aangegeven waarin de grondslag van mijn vraag te vinden is.
Voorzitter! Ik heb hieraan niet veel meer toe te voegen. Ik hoop dat de staatssecretaris alle leden, dus niet alleen die van het AOV, antwoord op deze voor ons zo belangrijke vraag zal kunnen geven.
Staatssecretaris Kohnstamm (p. 6111-6112): Mijnheer de voorzitter! Ik dank allereerst de geachte afgevaardigden voor hun zeer wisselende inbreng en de vriendelijkheden aan mijn adres.
De belangrijkste gemeenschappe­lijke noemer – wat wij ook denken over het wetsvoorstel, de merites daarvan en over enkele juridische details – is in elk geval dat wij allen één zijn in de gedachte dat het, hoe het ook is gegaan, jammer is dat mevrouw De Graaff-Nautadit wetsvoorstel hier nu niet kan verdedigen. Ik verklap geen geheim als ik zeg dat ik, vlak voordat ik naar de Koningin moest om te worden beëdigd, een kort gesprek heb gehad met mevrouw De Graaff-Nautaen haar heb gevraagd, mij een definitieve waarschuwing te geven voordat ik bekleed zou worden met de hoedanigheid van staatssecreta­ris. Zij dacht nauwelijks na en zei: “Houd de Friese taal in ere”. Dat zal ik proberen te doen en daarmee begin ik vandaag.
Afgezien van het feit dat mevrouw De Graaff-Nauta Friezin was en heel erg begaan was met het wel en wee van Friesland, moet iedereen, haar gadeslaand van de andere kant van de tafel in datgene wat zij deed en naliet, vaststellen dat zij in het bestuur iemand is geweest die kleinigheden en grote zaken met een soort terriër-achtigeinzet probeerde te realiseren. Voor grote en kleine gemeenten stond zij altijd open om te doen wat van daaruit nuttig en nodig werd geacht. In dat verband zal de provincie Friesland misschien een ambassadrice in het Haagse missen. De Kamer heeft reeds het nodige bijgedragen en ook ik zal trachten dat te doen. Op die wijze zullen wij trachten dat “verlies” zoveel mogelijk goed te maken.
Voor mij persoonlijk doet zich een curieus feit voor. De heer Koekkoek vroeg daarvoor ook aandacht. Met artikel II van de voorstellen die wij vandaag behandelen, wordt voorgesteld, het besluit van 1830 af te schaffen. Dat besluit had een curieuze achtergrond. Het dateert van 1830, dus van voor 1840. In dat besluit werd de tweetaligheid van het toenmalige Koninkrijk vastge­steld. Ik ben buiten Nederland opgegroeid en heb daar ook mijn eindexamen gedaan. Ik ben tweetalig opgegroeid. Mijn tweede moedertaal is Frans. Ik verdedig dus vandaag het afschaffen van het Frans. Zo kunnen de dingen gaan.
De heer Koekkoek (CDA) (p. 6112): Voorzit­ter! Mag ik de staatssecretaris geruststellen? De Franse taal wordt niet afgeschaft. De Franse taal uit het besluit betrof uitsluitend de zuidelijke provincies.
Staatssecretaris Kohnstamm (p.6112-6114): Dat was mij opgevallen. Ik heb voor de geschiedenis zelfs het betreffende Staatsblad erop nagelezen. Het is een mooi stuk. Burgers werden wel geacht het Frans te mogen spreken in het bijzonder in de door de heer Koekkoek genoemde delen van het Koninkrijk, met dien verstande dat dit alleen mocht “als de magistraten het verstonden”… Zo veranderen de dingen gelukkig beetje bij beetje.
Enkele leden van deze Kamer hebben opmerkingen gemaakt over de achtergrond en over de directe aanleiding voor dit wetsvoorstel. Die geschiedenis begon met de relletjes die “Kneppelfreed” werden genoemd. Daarna was er het kabinetsstandpunt van 1953, de bestuursafspraak van 1989, de uitspraak van de Raad van State van 1990. Men zal het mij vergeven als ik die geschiedenis niet opnieuw langs loop. Veel leden hebben dat al gedaan. Ik zou de relevantie van het onderhavige voorstel echter onrecht aandoen, als ik niet in het bijzonder stilstond bij de wat paradoxale situatie dat iedere luisteraar naar de discussie van vandaag zou denken dat wij spreken over een wetsvoor­stel waarbij in het bestuurlijk verkeer het Fries wordt neergelegd, terwijl feitelijk voor een meerderheid van de Nederlanders eigenlijk iets anders gebeurt, namelijk dat wij het Nederlands op dat punt een wettelijke basis geven.
De wat meer principiële beschou­wingen van mevrouw Kalsbeek op dit punt spraken mij zeer aan. Dat betreft zowel de verankering van het Nederlands die door iedereen eigenlijk als vanzelfsprekend is ervaren, maar nooit, behalve in 1830, verder wettelijke grondslag heeft gekregen, als de verankering van het recht in en rond Friesland om de Friese taal te gebruiken in het bestuurlijk verkeer. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het curieuze verschijnsel dat grenzen lijken weg te vallen. Het verkeer, ook internationaal, wordt intensiever. Als vanzelfsprekend worden nu het nut en de noodzaak ingezien om de eigenheden van onderdelen van nationale of regionale cultuur meer vast te leggen en te verankeren.
Hoewel dat tegenstrijdig lijkt, is het dat mijns inziens absoluut niet. Het kan niet zo zijn dat bij een verdere internationalisering van samenlevingen nu juist niet die linguïstische, maar ook culturele achtergronden die alle Europese, maar ook overige nationale staten kennen, gewaarborgd blijven, gehandhaafd blijven en zo nodig van een wettige basis worden voorzien en met wettelijke randvoorwaarden worden omgeven. Mevrouw Kalsbeek had het in het begin van haar betoog over de twee uitersten die bewandeld kunnen worden: de lachers aan de ene kant en degenen die uit eigen gewin alleen nog maar het Fries zien aan de andere kant. Ik ben het met haar – en met anderen die hierover gesproken hebben ­- eens dat er meer aan de hand is dan dat. Het is van vrij essentieel belang hoe je met cultuur, taal en minderhe­den omgaat en omspringt in wetgeving, in bestuurlijke contacten en in de wijze waarop je het een en ander ook wettelijk vorm geeft. Dat is de essentie van hetgeen wij vandaag bespreken. Ten slotte concentreert zich dat op een beperkt aantal punten, naast een aantal technische elementen. Ik kom op een aantal daarvan nog te spreken.
In de richting van de heer Hendriks wil ik zeggen dat ik zijn probleem maar al te goed begrijp. Ieder van ons is ooit beginnend kamerlid geweest, al is het niet in de situatie die u heeft weergegeven en waarin er nog geen begin van een apparaat is. U bent nog heel vriendelijk in mijn richting geweest, want ik heb het veel gemakkelijker. Op het moment dat ik het niet weet, ga ik gauw zitten en neemt de regeringscommissaris het woord. Los van het feit dat er vele ambtena­ren met mij meegekeken hebben naar het probleem, zit ik in die zin helemaal op een grote voorsprong. Op dat punt reken ik mij zeer rijk met de aanwezigheid van prof. Scheltema hier achter de tafel.
[…]
De heer Van Middelkoop heeft een grote vraag gesteld. Bijna iedere spreker heeft die vraag gesteld. De heer Van Middelkoop stelde hem als eerste en dat is op zichzelf terecht omdat hij de eerste indiener is van de motie-VanMiddelkoop/Mateman. De vraag is of er wat betreft de voorliggende regeling in vergelijking met de bestuursafspraak van 1989 geen sprake is van achteruitgang. Is hetgeen in de bestuursafspraak geregeld was niet steviger voor de Friese taal dan hetgeen nu voorligt? Het antwoord moet eigenlijk luiden, hoe onbevredigend misschien ook: “ja en nee”. Het antwoord moet “Ja” luiden omdat de afgesloten bestuursuitspraak door de Raad van State doorkruist is en dus van nul en generlei waarde is. Het was dus noodzakelijk om de Friese taal van een wettelijke grondslag te voorzien. In die zin heeft iedereen volstrekt ongelijk die zegt of denkt dat het voorliggende wetsvoorstel minder sterk is dan een bestuursafspraak. De wettelijke basis die nu geboden wordt – een groot aantal uwer heeft ertoe aanleiding gegeven dat ik mag aannemen dat het wetsvoorstel op een meerderheid mag rekenen – is in een rechtsstaat, hoe je het ook wendt of keert een grote stap vooruit. Tegelijkertijd heb je bij wetgeving met andere belangen rekening te houden. Ik kan en zal niet ontkennen dat je vervolgens meer naar de plussen en minnen moet kijken en naar mensen die de Friese taal niet machtig zijn in Friesland, onder gelijktijdige erkenning van de noodzaak om de Friese taal een steviger basis te geven. Dat is ook de afweging die gemaakt is bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel. In die zin is het antwoord denk ik enigszins diffuus. Per saldo meen ik dat de wettelijke basis de belangrijk­ste winst is. Daarom antwoord ik op de vraag of er sprake is van een achteruitgang echt overtuigd met: nee.
Een andere vraag die bijna door iedereen is gesteld, ook – en dat is niet verbazingwekkend – door de heer Koekkoek, betreft de grondwet­telijke basis van de Nederlandse taal in het algemeen. Ik wil daarop graag ingaan. De heer Koekkoek begon met de opmerking dat hij destijds hoopte met mij als kamerlid in debat te kunnen gaan. Ik kan hem geruststel­len: dat kan alsnog ooit gebeuren, want niets is blijvend in de politiek; dus wie weet, regelen wij het nog eens.
De heer Koekkoek suggereerde alsof wij – en dat geldt ook zeker voor mevrouw De Graaff-Nauta – de motie-VanMiddelkoop/Mateman niet volledig zouden hebben uitgevoerd. Ik denk dat dit op een misverstand berust. Er is een notitie uit naar ik meen 1992 en ik stel vast, zonder verwijtend in welke richting ook te kijken, dat als ik goed geïnformeerd ben over deze notitie door de Kamer niet apart is gesproken. Daarmee is men met de verschillende modalitei­ten die in die notitie zijn neergelegd voor oplossing van het probleem, zoals gevraagd bij motie-Van Middelkoop/Mateman, nooit veel verder gekomen.
De vraag van onder anderen de heer Koekkoek is mijns inziens redelijk pragmatisch tegemoet te treden. De regeling die wij vandaag bespreken, geeft in ieder geval al enige basis. Over de regeling van de Nederlandse taal in het rechtsverkeer, aan de orde gesteld door de heer Van den Berg, kom ik straks nog te spreken. Er ligt nu een wetsvoorstel op tafel dat de bedoelde zaken weliswaar niet echt regelt, maar je kunt je de vraag stellen of, als je zowel met betrekking tot het bestuurlijk verkeer als met betrekking tot het juridisch verkeer de Nederlandse taal en direct aansluitend de Friese taal daarin zou regelen, het een kwestie van appreciatie is of dit daarenboven ook bij Grondwet moet gebeuren. Ik kan mij de redenering van de heer Koekkoek heel goed voorstellen. Ik kan mij echter ook andere redeneringen voorstellen. Ik heb gehoord dat hij en de heer Van Middelkoop op dit punt overwegen met een initiatiefvoorstel te komen. Ik wil volstaan met de mededeling dat ik dat met grote interesse afwacht en er dan het mijne over zal zeggen. Ik heb aangegeven dat er wat mij betreft niet direct behoefte aan is. Het is meer een kwestie van opportuniteit dan iets anders. Op voorhand heb ik geen enkel bezwaar tegen de gedachte. De uitwerking komt later en zal vervolgens in discussie worden gebracht.
De heer Van den Berg had het over de Nederlandse taal in het rechtsverkeer. Op zichzelf betreft dat de pendant van de discussie van vandaag. In ieder geval ligt er wat de Friese taal aangaat een wetsvoorstel op tafel dat bij de Kamer in procedure is als ik het wel heb. Ik hoop dat de geachte afgevaardigde mij toestaat om daarop nu niet diep in te gaan, niet in de laatste plaats omdat zoals bekend de bewindslie­den op Binnenlandse Zaken zich hebben voorgenomen om ten koste van bijna alles te voorkomen dat enigerlei vorm van stammenoorlog tussen Justitie en Binnenlandse Zaken ontstaat. Aangezien dit typisch iets is waarbij de minister van Justitie het voortouw heeft, zal ik haar te eniger tijd de vragen van de heer Van den Berg doorspelen, welke vragen dan in een totaler kader zullen worden beantwoord.
Voorzitter! De heer Kamp heeft in verband met het handvest een precies gerichte vraag gesteld. Valt niet te voorzien dat ook een andere groep, buiten de Friezen, onder dat handvest zal kunnen vallen, met alle gevolgen vandien? Is dan wat nu voor het Fries wordt geregeld, ook noodzakelijker­wijze van toepassing voor die andere taalgroep? Als voorlopige reactie kan ik vermelden dat, voor zover ik het nu kan overzien, er niet snel een tweede exercitie zal volgen op basis van het Europese Handvest om een andere taal dezelfde rechtspositie te geven als wij nu aan de Friese taal geven, ook al kan een dergelijke exercitie niet worden uitgesloten. Ik ben het overigens eens met de redenering die de heer Kamp verbond aan zijn vraag. Het gaat niet alleen om de hoeveelheid mensen maar ook om de vraag in hoeverre er sprake is van een min of meer gestructureerde bestuurlijke entiteit. Dit laat onverlet – en daar draait het mijns inziens om – dat artikel 6, tweede lid, niet voor niets de afwijking aangeeft op de regeling zoals die wordt getroffen. Nederlands is de gebruikelijke taal en in afwijking daarvan kan een andere taal worden gebruikt indien dit doelmatiger is en belangen van derden daardoor niet onevenredig worden geschaad. Ik denk dat grote groepen mensen in Nederland de Nederlandse taal minder goed beheersen dan overigens ook op politieke gronden wenselijk zou zijn. Welnu, de “way-out” is gelegen in artikel 2:6, lid 2, en niet direct in artikel 2:6, lid 1. Ik doel nu op de wettelijke wijziging die alsdan zou moeten worden voorgesteld en door het parlement zou moeten worden aanvaard.
[…]
Naar aanleiding van zijn histori­sche beschouwing herinner ik de heer Hoekema eraan dat er in zijn politieke groepering mensen zijn die menen dat die groepering een directe voortzetting vormt van de Vrijzinnig-Demo­cratische Bond die tot kort na de oorlog heeft bestaan. Die bond is altijd in Friesland het sterkst vertegenwoor­digd geweest. Ik meen dat hij in die zin recht van spreken heeft; misschien geldt dat ook wel voor mijzelf.
Mede naar aanleiding van opmerkingen van de heer Van den Berg kom ik vervolgens op de zogenaamde affaire-Wymbritse­radiel waarbij een partijgenoot van de heer Hoekema betrokken is. Het betreft een nieuw verkozen raadslid dat de burgemeester heeft gevraagd om hetzij in het Nederlands, hetzij in het Fries langzamer te spreken. Zo is een discussie geëntameerd die precies past in de discussie over het wetsvoorstel. Ik laat mij vertellen dat het probleem niet escaleert. Van verschillende zijden zijn oplossingen aangeboden, maar een definitieve vorm is nog niet gevonden.
Voor mij was het voor het eerst dat ik, naar aanleiding van dit dossier, allerlei Friese teksten las. Ik ben tot de conclusie gekomen dat dit met enige moeite ook uitstekend gaat. Ik ben er in ieder geval grotendeels in geslaagd. Ik heb begrepen dat de contacten in de desbetreffende gemeente over en weer zo zijn, dat de betrokkenen niet verwachten dat er blijvende problemen uit voortkomen. Eerlijk gezegd denk ik, dat je als je probeert allerlei zaken wettelijk te regelen nooit meer dan 99,9% van de gevallen kunt dekken. Dat zou al mooi zijn. Er blijft altijd een klein probleemgebied over waarvoor al werkende weg een oplossing zal moeten worden gevonden. Ik heb begrepen dat er in Wymbritseradiel wordt gewerkt aan een dergelijke oplossing.
De heer Kamp (VVD) (p. 6114): Ik zal dadelijk met genoegen naar de regerings­commissaris luisteren, maar ik verzoek de staatssecretaris aan één punt nog een korte beschouwing te wijden, namelijk aan mijn opmerking over bladzijde 7 van de nota naar aanleiding van het verslag. Daar staat dat veel Friezen zich beter in het Fries uitdrukken dan in het Nederlands. Wij praten nu over gelijkberechti­ging en over gelijkwaar­digheid. Is het dan niet consequent om rekening te houden met mensen die stukken graag in het Fries willen hebben?
Staatssecretaris Kohnstamm (p. 6114): Het was mij niet ontgaan dat de heer Kamp deze vraag gesteld had. Hij verraste mij enigszins. Het lijkt zo’n simpele en logische gedachte. Om te beginnen is het op dit ogenblik niet aan de orde, in die zin dat het vraagstuk zich simpelweg niet voordoet. Uit de cijfers die ook in de stukken naar voren komen blijkt, dat in ieder geval voorlopig het grootste gedeelte van de Friezen de Neder­landse taal ook machtig zijn.
Ik zie het probleem wel dat ooit zou kunnen ontstaan, maar voorlopig is het zeer theoretisch. Het heeft weinig toegevoegde waarde om daar iets over te zeggen of er bepalingen over op te nemen. Misschien moeten wij als het probleem zich niet voordoet het ook niet willen regelen. In het geval het zich ooit wel zou voordoen, spreken wij elkaar weer.
De heer Koekkoek (CDA) (p. 6114): Is de staatssecretaris het met mij eens, dat het probleem dat de heer Kamp aankaart eigenlijk in artikel 2:10 ter regeling wordt overgelaten aan de in Friesland gevestigde bestuurs­organen?
Staatssecretaris Kohnstamm (p. 6114): Ik denk dat de heer Koekkoek mij helpt door een nog correcter antwoord te geven dan ik al gaf. Met de twee antwoorden te zamen wordt de heer Kamp geheel bediend. Ten eerste doet het probleem zich niet voor. Ten tweede wordt mocht het zich voordoen in artikel 2:10 de weg naar een oplossing gewezen. Gered door de gong!
Voorzitter! Ik wil nog stilstaan bij de amendementen, maar ik zou mij heel goed kunnen voorstellen dat de regeringscom­missaris in eerste instantie nog op een aantal overige punten ingaat.
De voorzitter (p. 6114): Uitstekend!
Staatssecretaris Kohnstamm (p. 6114): Ik kan dan ten slotte in eerste termijn nog een reactie op de amendementen op geven, omdat de besluitvorming daar toch op is geconcentreerd.
De voorzitter (p. 6114): Het woord is aan de heer Scheltema, regeringscommissa­ris voor de algemene regels van bestuursrecht.
De heer Scheltema (p. 6114): Mijnheer de voorzitter! De staatssecretaris heeft alleen nog een paar technische opmerkingen aan mij overgelaten. Ik wil die maken aan de hand van de volgorde waarin de artikelen in het wetsvoorstel zijn opgenomen.
[…]
Met het systeem van de wet hing nog samen de vraag van de heer Van Middelkoop wat er moet gebeuren als de ombudsman benaderd zou moeten worden met een klacht uit Friesland. De heer Van Middelkoop constateerde terecht dat de ombudsman niet valt onder het begrip “bestuursor­gaan” en dat de regeling die in deze wet wordt gegeven, ook niet van toepassing is op geschriften die zijn gezonden aan de Nationale ombudsman. Dat betekent, naar ik aanneem, dat de ombudsman in gevallen waarin dat nuttig is, zeker bereid zal zijn om geschriften, in het Fries gesteld, in behandeling te nemen. Er is ook geen enkel voorschrift dat verbiedt dat stukken in het Fries aan de ombudsman worden gezonden. Hoe de ombudsman daar vervolgens op reageert, is dan niet geregeld. Het is echter geenszins uitgesloten dat hij die gewoon in behandeling neemt. De wet geeft daar ook geen regels voor.
De meeste vragen gingen over artikelen die de regeling van het Fries tot voorwerp hadden.
De heer Kamp (VVD) (p. 6115): Mijn kennelijk niet duidelijk geformuleerde vraag was of het gebruikelijk is dat WGR-samenwerkingsverbandenverordenende bevoegdheden aangereikt krijgen.
De heer Scheltema (p. 6115): De gedachte achter deze bepaling is dat organen in Friesland die verordenen­de bevoegdheid hebben, die dan kunnen gebruiken om een regeling voor het Fries te treffen. Dat is met WGR-gebieden in het algemeen ook het geval.
De heer Kamp (VVD) (p. 6115): Ik begrijp goed dat als zij al die verordenende bevoegdheid hebben dit daarop een aanvulling is en niet iets nieuws?
De heer Scheltema (p. 6115): Dat is juist. De heer Van den Berg heeft nog iets gezegd over een artikel dat er niet meer is, namelijk artikel 2:11. Hij betreurde het dat dit geschrapt is, omdat hij meent dat hetgeen daarin geregeld was, er toch wel goed uitzag. Het gevolg van het schrappen is geenszins dat die regelingen niet op die manier getroffen kunnen worden binnen de provincie Friesland en dat men de normen die daar voor de regelgeving zijn gesteld, niet in acht kan nemen. Nu het al gebruik is dat die regels worden gevolgd, is het ook buitengewoon waarschijnlijk dat, wanneer men in Friesland regels gaat geven, die gebruiken daarin worden neergelegd. Juridisch wat ingewikkelder was misschien de discussie over de artikelen 2:12 en 2:13.
[…]
Staatssecretaris Kohnstamm (p. 6116): Mijnheer de voorzitter! Allereerst sluit ik aan bij de suggestie van de geachte afgevaardigde de heer Hoekema om een en ander met het provinciaal bestuur te bespreken. Ik begrijp de suggestie heel goed, mede omdat zij ook volgt uit de discussie. Ik kan mij niet anders voorstellen dan dat het provinciaal bestuur deze discussie volgt. Voor zover hierover contacten zijn geweest in het verleden is de redelijkheid daar groot gebleken. In de richting van de heer Hoekema merk ik op dat ik er alle vertrouwen in heb dat in redelijkheid zal worden gehandeld. Ik vind het een stap te ver gaan – paternalistisch is niet het goede woord – om te zeggen dat ik hierover contact zal opnemen. Het staat onverlet om, tegen de tijd dat ons berichten bereiken dat het anders is dan de heer Hoekema en ik verwachten, de mogelijkheid van een gesprek naar voren te brengen. Er is voor mij nu echter niet eens een begin van een aanleiding om te denken dat er problemen zullen ontstaan. Ik vind het dan ook te fors om nu te zeggen: wij gaan overleg voeren. Ik heb de suggestie van de heer Hoekemain ieder geval wel goed begrepen!
Ik ben de heer Hendriks nog een antwoord schuldig op de vraag over de Nederlandse Taalunie. Het antwoord op zijn vraag of er advies is ingewonnen, luidt: neen. Voor zover mij bekend – de heer Hendriks heeft aangegeven hoe gemakkelijk het voor mij is om te informeren – is er ook geen aanleiding, gelet op de gemaakte afspraken en het verdrag in het bijzonder, om op dit punt met de Nederlandse Taalunie contact op te nemen. De interruptie van de heer Van Middelkoop wees ook in die richting. Het antwoord moet dus “neen” zijn. Er was geen directe aanleiding om dat te doen.
Voorzitter! Dan kom ik bij de amendementen. De regeringscom­missaris meldde mij aan het begin van dit debat dat er op dit wetsvoor­stel meer amendementen en wijzigingen zijn ingediend dan in de gehele eerste tranche van de Algemene wet bestuursrecht. Het probleem leeft dus enorm! Dat doet mij deugd. Het moet een geruststel­lende gedachte zijn voor iedereen die met de Algemene wet bestuursrecht bezig is. Ik wil de amendementen in omgekeerde volgorde behandelen. Als ik goed ben geïnformeerd, staan eigenlijk de amendementen op de stukken nrs. 11, 13 en 14 nog ter discussie. Alle andere amendemen­ten zijn gewijzigd of ingetrokken. En ik spreek mijn dank uit voor de amendementen die zijn ingetrokken.
Ik wil mijn reactie beginnen met behandeling van het laatstgenoemde amendement, het amendement op stuk nr. 14. Ik begrijp de bedoeling van de heer Koekkoek. In het algemeen moeten germanismen niet gebruikt worden. Deze wet verbiedt het gebruik van germanismen niet, maar juist nu wij met de talen Nederlands en Fries bezig zijn, zouden die niet gebruikt moeten worden. Ik heb natuurlijk gehoord wat hierover bij interruptie is gezegd en ik neem aan dat bij de heer Koekkoek het denken niet stil heeft gestaan. Misschien komt hij nog met een wijziging van het amendement teneinde voor het woord “gelijkberechtiging” in de oorspronkelijke beweegreden nog een ander woord voor te stellen. Ik heb echter geen enkel bezwaar tegen een wijziging op dit punt.
De heer Koekkoek (CDA) (p. 6117): Mijnheer de voorzitter! Het zal de staatssecre­taris niet zijn ontgaan, dat het amendement op stuk nr. 14 dient ter vervanging van het amendement op stuk nr. 10. Het amendement op stuk nr. 14 is ingediend naar aanleiding van reacties van collega’s op het eerste amendement.
Staatssecretaris Kohnstamm (p. 6117-6118): Voorzitter! Ik heb geen enkel bezwaar tegen het amendement. De stemming erover zal plaatsvinden en ik hoef het dus niet over te nemen. Over het voorstel van de heer Koekkoek is gediscussieerd en ik voeg hier niets meer aan toe.
[…]
De heer Van Middelkoop (GPV) (p. 6118-6119): Mijnheer de voorzitter! Ik dank de staatssecretaris en de regeringscom­missaris voor de ontvangen antwoorden. Ik dank trouwens ook ­- dat zeg ik niet altijd – de collega’s, want dit was een interessant debat. Kennelijk heeft iedereen eens wat boeken uit de boekenkast gehaald, wat er in dit vak niet altijd van komt, en zijn de verhalen opgesierd met wat interessante gegevens. Dat geldt in het bijzonder voor mevrouw Kalsbeek, die zelfs opruiende termen als “taalstrijd” en “klassenstrijd” wist te gebruiken, en overigens vergat – dat wil ik nog toevoegen ­- te vermelden dat een van haar grote voorgangers, Pieter Jelles Troelstra, natuurlijk een Friese dichter was en, zoals ik onlangs ontdekte – ik heb ook een boek uit de kast gehaald ­- zelfs ooit klassieke kerstverhalen in het Fries heeft vertaald.
Toen mevrouw Kalsbeek de vergelijking met de Vlaamse taalstrijd gebruikte, had ik er even behoefte aan om daarop te reageren, maar dat moet maar even in de wandelgangen gebeuren, want ik vond het een wat kwetsbare vergelijking.
De staatssecretaris gaf een goede weergave van de voorgeschiedenis. Er is een discussie geweest na de aanvaarding van een eerste motie van mij en de heer Mateman, dat een tweede nota heeft opgeleverd, waarover inderdaad niet expliciet is gediscussieerd. Er was ook gevraagd om eens op een rijtje te zetten, hoe je het zou kunnen doen als je het zou willen. In het laatste afrondende debat over de voorstellen van de commissie-Deetman is dit punt even aan de orde geweest, maar wat meer in uitnodigende zin: regering, wellicht wilt u dat oppakken. Daar had men toen niet zoveel zin in; vandaar het initiatief dat nu is aangekondigd. Dit even ter completering van de geschiedenis, niet meer dan dat.
De staatssecretaris ging uitvoerig in op de vraag of we met wetsvoorstel vooruitgaan, in vergelijking met de bestaande situatie, even afgezien van het feit dat we daartoe ook verplicht zijn. Vanuit Friesland is op dit punt vrees tot ons gekomen. Er bestaat geen enkel misverstand over dat formeel inderdaad sprake is van een versterking van de positie van de Friese taal. De zorg gaat over de materiële effecten. Die discussie kunnen wij nu laten voor wat hij waard is. Aangezien in dit wetsvoor­stel geen evaluatiebepalin­gen zijn opgenomen en dat naar mijn overtuiging ook niet nodig en misschien zelfs niet passend is in de systematiek van de wet, vraag ik de staatssecretaris echter wel of hij tegenover de Friese overheden en in het bijzonder de provinciale staten wil uitspreken dat hij, nu wij als wetgever zo’n belangrijke uitspraak doen, voor elk moment als eerst­verantwoordelijke bereid zal zijn om eventueel zaken bij te stellen als dat nodig is. Dat is natuurlijk ook een beetje afhankelijk van de stemming over sommige amendementen.
Ik heb daarnaast heel goed begrepen waarom hij wat losjes zei dat hij het aan het begin van deze kabinetsperiode niet passend vond om hierover het onaanvaardbaar uit te spreken, met als motto “laten wij het gezellig houden”; het politieke signaal was wel duidelijk. Het gaat om een vrij serieuze zaak en de indieners van het amendement moeten dat nog maar eens overwe­gen. Ik geloof dat ik er mijn steun niet aan zal geven.
[…]
Staatssecretaris Kohnstamm (p. 6119): Op het moment dat wordt volstaan met een dergelijke regeling en daarmee artikel 2:13 niet wordt geregeld, zijn wij heel eerlijk gezegd nog verder van huis. De indieners van de amendementen kunnen dan immers zeggen dat er verder niets meer hoeft, omdat het in Friesland wel wordt geregeld. Dit betekent dat de effectuering van de democratische rechten – namelijk zorgen dat je om wat voor reden ook weet wat een vertegenwoordigend orgaan gezegd heeft – zich buiten onze jurisdictie begeeft. Ik ben daar enigszins huiverig over.
De heer Van Middelkoop (GPV) (p. 6119): Wij zijn dan niet verder van huis, maar in Friesland.
Ik ben het met de staatssecretaris eens dat wij ons op een gevaarlijke weg begeven als wij het punt van de belangenafwe­ging erbij betrekken. Ik vind het echter iets anders als dat in Friesland door de overheden zelf gebeurt. Dit kan leiden tot twee situaties, namelijk dat men er in Friesland uitstekend mee uit de voeten kan – dus waar bemoeien wij ons dan mee? – maar ook dat er spanningen en problemen ontstaan van het type op grond waarvan de staatssecretaris nu zegt dat wij niet aan dit amendement moeten beginnen. In het laatste geval kan altijd nog het moment komen dat de wetgever zegt dat hier juist zijn taak ligt. Ik zeg dit niet om ons er gemakkelijk vanaf te maken, want ik heb ook nog een aantal andere argumenten om deze zaak “in Fries beheer” te houden.
De heer Koekkoek (CDA) (p. 6119): Mijnheer de voorzitter! Realiseert de heer Van Middelkoop zich dat als gevolg zou worden gegeven aan zijn wens, onmiddellijk weer de situatie zou ontstaan die wij hebben gezien na de uitspraak van de Afdeling recht­spraak: deze afdeling zal, consequent doorredenerend, weer een soortge­lijke uitspraak doen? En dit wetsvoor­stel is er nu juist om de zaak te regelen na die uitspraak – overigens over een anderssoortige zaak – van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State.
De heer Van Middelkoop (GPV) (p. 6119): Ik vrees dat ik dat niet helemaal kan uitsluiten. De heer Koekkoek zal ook gemerkt hebben dat ik niet de vrijmoedigheid heb gehad om een amendement in te dienen, omdat ik inderdaad niet geheel zeker was van mijn zaak. Wij praten over een wetsvoorstel waarmee geprobeerd wordt, iets te introduceren binnen de Algemene wet bestuursrecht, waarbij het gaat om de relatie tussen burger en overheid. Dit betreft een toch wat andere zaak, namelijk het gebruik van de taal in vertegenwoor­digende lichamen. Dat brengt een andere relatie mee tussen overheid en burger dan de eerder genoemde. Naar mijn mening kan dat best in eigen beheer aan Friesland worden overgelaten. Ik kan eerlijk gezegd ook niet overzien of de Raad van State daarover vergelijkbare uitspraken zal doen als eerder toen het ging over de directe relatie tussen bestuur en burger. Daarbij wil ik het laten. Ik heb niet de vrijmoedigheid, dat punt te amenderen. Ik wacht graag de reactie van de regering af.
De heer Kamp (VVD) (p. 6119-6120): Voorzitter! Het antwoord van de regering stelt ons in staat, een hele korte tweede termijn te houden. Hetgeen de heer Van Middelkoop naar voren brengt, namelijk afzien van het regelen van dingen en vooral afzien van artikel 2:9, lijkt mij geen oplossing. Ik ben het met de staatssecreta­ris eens die zegt dat wij iets moeten regelen, omdat het Fries anders geen volwaardige plaats heeft. Dat blijkt uit de jurisprudentie. Als wij iets regelen, moeten wij met twee dingen rekening houden. Wij moeten het Fries recht doen en het gebruik van het Fries bevorderen, terwijl wij anderzijds de belangen moeten beschermen van de mensen in Friesland die alleen Nederlandstalig zijn.
[…]
Mevrouw Kalsbeek-Jasperse (PvdA) (p. 6120-6121): Mijnheer de voorzitter! Ik dank de staatssecretaris en de regeringscom­missaris voor hun antwoorden. Het deed mij deugd dat de staatssecretaris er gewag van maakte dat mijn betoog hem op het punt van de meer principiële inkleuring aansprak. Een mens kan weleens van kleur verschieten. Ik heb daar niet zo vaak last van, maar van deze opmerking werd ik bijna een beetje paars…
De staatssecretaris dacht al over zijn volgend leven als kamerlid, waarbij hij uitzag naar een debat met de heer Koekkoek. Dat lijkt mij niet nodig, gezien zijn heldere en rustige antwoord. Van mij mag zijn huidige leven nog even duren.
[…]
Het volgende punt is de evaluatie. De heer Van Middelkoop kwam er ook op terug. Ik heb in mijn laatste zin in eerste termijn gesproken over een evaluatie. Wij hoeven niet formeel af te spreken dat er “dan en dan” een evaluatie moet plaatsvin­den. Het gaat hier echter om een onderwerp dat in zekere zin iets van een experiment in zich heeft. Dat maakt het noodzakelijk dat wij elkaar verplichten om de dingen heel grondig te bezien en te heroverwe­gen als de structurele situatie daartoe aanleiding geeft. Ik heb het dan niet over een of twee incidenten. Ik wil dit graag bevestigd zien door de staatssecretaris.
Ik kom te spreken over de amendementen. Ik begin achteraan, net zoals de staatssecretaris dat deed. Het amendement op stuk nr. 14 gaat over de gelijkberechtiging. Dat woord is door de heer Koekkoek al weer gewijzigd in “gelijke behandeling”. Hij heeft heel alert gereageerd en hij was niet de enige. Tijdens het debat kreeg ik een briefje. Een burger had meegeluisterd via de draadomroep en getelefoneerd met de boodschap dat het woord “gelijkgerechtigd­heid” een Neder­lands woord zou zijn, geen germa­nisme dus, en hetzelfde betekent als “gelijke behandeling”. Ik dacht dat ik het de heer Koekkoek moest doorgeven in het kader van de bestuurlijke vernieuwing en de participerende democratie. Dat leek mij wel aardig. De intentie van het amendement is helder. Over die intentie zijn wij het eens en mijn fractie heeft dus weinig bezwaren tegen aanneming van dit amende­ment.
[…]
De heer Van den Berg (SGP) (p. 6121): Ik wil verder alleen nog iets zeggen over de amendementen. Ik begin met het amendement op stuk nr. 14, dat oorspronkelijk voorkwam op stuk nr. 10. Als ik dit overzie en de tekst van de considerans lees, vind ik dit amendement geen verbetering. Het feit dat “gelijke behandeling” mij veel doet denken aan andere discussies waaraan ik niet de beste herinneringen bewaar, laat ik maar even rusten. Wat er nu staat, vind ik echter niet helemaal consistent. Oorspronkelijk stonden er twee termen naast elkaar, gelijkwaar­digheid en gelijkberechtiging. Aanvankelijk werd voorgesteld om beide termen te vervangen door gelijkwaardigheid. Nu wordt voorgesteld gelijkberechtiging te vervangen door gelijke behandeling, waardoor in de tekst weer twee termen komen te staan, namelijk gelijke behandeling en gelijkwaardig­heid, en in die volgorde. Ik vind dat niet logisch. Ik neem aan dat de gelijke behandeling die de heer Koekkoek bedoelt, voortvloeit uit gelijkwaardig­heid. Op z’n minst zouden dus die termen moeten worden omgedraaid. Ik heb er echter helemaal niet zoveel behoefte aan.
Als ik dan hoor dat gelijkberechtiging misschien niet helemaal een germanisme is, vraag ik mij af of het niet beter is, terug te keren naar de oorspronkelijke tekst. Ik neem aan dat de heer Koekkoek dit zeker overwegen zal.
[…]
Tot slot merk ik op dat ik op geen enkele manier afbreuk wens te doen aan het belang van de Friese taal. Integendeel, dat gaat mij en mijn partij al heel lang ter harte. Ik ben geen Fries, maar ik heb wel een behoorlijke portie Fries bloed in de aderen. Ik herinner mij in het grootouderlijk huis waar ik frequent vertoefde zeer veel gesprekken die alleen in de Friese taal werden gevoerd, waar ik mij zeer wel bij bevond en die ik altijd zeer interes­sant en boeiend vond.
De heer Hoekema (D66) (p. 6121-6122): Voorzitter! Ik dank de staatssecretaris en de regeringscommissaris voor hun uitvoerige antwoorden. Ik ben met name in het licht van het betoog van mevrouw Kalsbeek blij met de historische nuance die de staatsse­cretaris aanbracht wat het voorko­men betreft aan het begin van deze eeuw van die politieke groepering die hij en ik tot de voorgangster van onze huidige politieke groepering rekenen.
[…]
Voorzitter! Op advies van een collega heb ik in eerste termijn het woord “evaluatie” niet gebruikt. Echter, het slot van mijn bijdrage spitste ik toe op zaken als de bestuurspraktijk en de wetsuit­voering. Ik denk dat het van groot belang is, daar goed op te letten en ik ben benieuwd of de regering evenzeer nauwlettend op die uitvoering wil toezien. Juist voor deze wet is dit van het grootste belang.
Vervolgens ga ik in op de amendementen, voorkomend op de stukken nrs. 14, 13 en 11. De heer Koekkoek ben ik erkentelijk voor zijn taalzuiverheid, die ons wellicht in de komende jaren bij tal van onderwer­pen zal kunnen helpen. Misschien is ook dat een staaltje van bestuurlijke vernieuwing. Het desbetreffende amendement steunen wij graag.
[…]
De heer Koekkoek (CDA) (p. 6122): Mijnheer de voorzitter! Ik dank de regering voor haar beantwoording en vraag nog slechts de aandacht voor enkele punten.
De staatssecretaris vond dat ik de regering geen recht deed toen ik stelde dat zij voorbij was gegaan aan de motie-Van Middelkoop/Mateman. Voorzitter, die motie is op 7 mei 1992 met algemene stemmen aanvaard. Daarachter school de wens om te komen tot een bepaling in de Grondwet over het gebruik van de Nederlandse taal. Ik citeer in dit verband de memorie van toelichting, bladzijde 2[19]: “Uit het debat bleek dat de Tweede Kamer de mening van de regering deelt dat op grond van een ongeschreven regel het Nederlands de taal van bestuur en rechtspraak is. Bij de Tweede Kamer bleek sterk de wens te leven, deze ongeschreven regel wettelijk vast te leggen.” Welnu, dat is gebeurd voor het bestuurlijk verkeer maar voor de rest nog niet. Dat is het probleem; het is in die zin dat men aan de motie voorbij is gegaan.
De heer Hendriks (AOV) (p. 6122): Voorzitter! Ook ik dank de regering voor de antwoorden die zij heeft gegeven. Helaas ben ik nu zeer teleurgesteld, omdat er geen beraad is geweest met een van de vijf organen van de Taalunie. De Friese taal is sinds 1956 zo bevoorrecht. In andere delen van het Koninkrijk zijn ook vragen over de taal gesteld, zoals door de Nederlandse Antillen. Europees zit de regering goed, dat is niet aan de orde.
Wat let de staatssecretaris nu om mijn verzoek, even met de Taalunie te spreken, te effectueren en het resultaat daarvan aan de Kamer mee te delen? De kwaliteit van de staatkundige aspecten wordt erdoor verhoogd. Dat geldt ook voor de kwaliteit van het staatkundig handelen van de staatssecretaris.
Staatssecretaris Kohnstamm (p. 6122-6123): Voorzitter! Ik dank de geachte afgevaardigden voor hun inbreng. De discussie in tweede termijn is eigenlijk geconcentreerd op één springend punt. Ik begin met de sprekers in de omgekeerde volgorde van opkomst van repliek te dienen.
De heer Hendriks zeg ik, dat wij al het mogelijke moeten doen om de inhoud van onze regelgeving te verbeteren, maar er moet een zekere intrinsieke waarde zijn. Wij regelen nu niet zozeer de Nederlandse taal, maar wij verankeren die wettelijk. Voor de rest kan men doen wat men wil. Wij doen wat de Raad van State en het verdrag ons opdroegen. Als ik met de heer Hendriks van mening was dat het beter was om zijn voorstel te volgen, omdat dit de kwaliteit van de besluitvorming zou verhogen, zou ik “ja” zeggen. Omdat ik daar niet van overtuigd ben, moet ik hem zeggen dat het mij spijt maar dat ik daar niet toe bereid ben.
De heer Koekkoek sprak over de portee van de motie-VanMiddelkoop/Mateman. Ik houd staande wat ik in eerste termijn heb gezegd. Ik ben het overigens helemaal met hem eens, dat de twee amendementen leiden tot een belangenafweging. Alle woordvoer­ders wil ik zeggen dat, hoe men het ook wendt of keert, die belangen­afweging beide kanten op kan gaan. Beide gevallen betreffen een zeer beredeneerbare en, in de termen van mijn oude vak, bepleitbare casus.
De heer Hoekema wil zijn voorstel om contact op te nemen met de Friese gemeenschap niet formeel doorzetten. De zaak-Spithorsten de afloop daarvan waren mij bekend. De heer Hoekema was de laatste in een rij waarin anderen hem voor waren om over een eventuele evaluatie te spreken. De heer Hoekema zei dat hij er niet over zou spreken, maar deed dat indirect wel. Anderen hebben het directer gedaan. Door de prettige omstandigheid dat de regeringscom­missaris naast mij zit kan ik melden, dat de bepalingen beslist vallen onder artikel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, een evaluatie­plicht om de vijf jaar voor de hele AWB. Er is dus wel degelijk reden om te eniger tijd op grond van de wet tot een evaluatie over te gaan. Overigens denk ik dat los van die wettelijke bepalingen – en dat was waarschijnlijk de strekking van de woorden van mevrouw Kalsbeek ­- de oren open zullen staan. De telefoon is makkelijk gegrepen. Als blijkt dat de wettekst zoals hij te eniger tijd bij de beide Kamers komt, in de praktijk tot problemen aanleiding geeft, voordat die termijn formeel verstreken is, mag ik toch hopen dat de contacten tussen Friesland en Den Haag zodanig zijn dat het contact snel gelegd is en dat wij kunnen bekijken wat wij kunnen doen.
Wat de heer Van den Berg heeft gezegd over de ongelijkheid van de regeling nu ten aanzien van het bestuurlijk verkeer en dat wat komen gaat ten aanzien van het rechtsver­keer, kan ik niet ontkennen. Ik had absoluut niet de bedoeling hem ervan te verdenken dat hij stammen­oorlogen aanwakkert, want zo ken ik hem niet. Als ik dat heb gesugge­reerd, is dat echt een misverstand. En dat spijt mij dan zeer, want dat was niet de bedoeling van mijn woorden.
Ik ben het helemaal met mevrouw Kalsbeek eens dat de inbreng van de provincie natuurlijk ook die tweezijdigheid in de afweging kent en dat men voluit wil meedoen aan het democratische proces. Het is bijna een open deur. Het is echter goed dat zij dit heeft gezegd, want ik ben het er volstrekt mee eens.
In de richting van de heer Kamp wil ik zeggen dat het altijd leuk is om te horen dat fracties dezelfde afwegingen maken als hier spelen. Dat is de open democratie, waarin nu eenmaal verschillende afwegin­gen plaatsvinden op verschillende manieren en op verschillende momenten. Mijn angst is niet gelegen in het feit dat de Friese taal door verwerping van de amende­menten op enigerlei wijze minder tot haar recht zal komen. De bedoeling is in elk geval unaniem dat dit wel gebeurt. Hoe die weging ook plaatsvindt, ik maak daar straks mijn laatste opmerking over.
[…]
Ik heb gezegd wat ik te zeggen had over de amendementen. Over het amendement op stuk nr. 14 merk ik het volgende op. Ik heb lang gevonden dat deze Kamer steeds meer juristen in zich moest herbergen. Soms levert dat ook problemen op, zoals wij nu gezien hebben in de formulering en de vinding ervan. Ik houd echter mijn stelling staande dat het goed is dat er meer en meer juristen in deze Kamer zijn om het wetgevende werk te doen.
[…]
De voorzitter (p. 162): In stemming komt het amendement-Koekkoek(stuk nr. 14). Ik constateer, dat behoudens de aanwezige leden van de fractie van de SP de aanwezige leden van alle fracties voor dit amendement hebben gestemd, zodat het is aangenomen. De beweegreden, zoals zij is gewijzigd door de aanneming van het amendement-Koekkoek (stuk nr. 14), wordt zonder stemming aangenomen. In stemming komt het wetsvoorstel. Ik constateer, dat dit wetsvoorstel met algemene stemmen is aangenomen.

Voorlopig verslag I

De leden van de CDA-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij verheugden zich erover dat zij er in geslaagd waren de regering te overtuigen van de noodzaak om tot een regeling bij formele wet te komen voor zowel het Fries als het Nederlands. In dit verband verwezen zij naar de behandeling van de begroting van Binnenlandse Zaken van 1990 (Handelingen Eerste Kamer blz. 842, 849, 852, 854 en 855) en die voor 1991 (Handelingen Eerste Kamer blz. 7, 793/794, 865, 869, 870).
[…]
In verband met het bepaalde in artikel III, vroegen de leden hier aan het woord wanneer de wet in werking zal treden. De datum van 1 mei 1996, zoals vermeld in de wetgevingsbijlage bij de begroting Binnenlandse Zaken 1994-1995 (23 900 VII, blz. 38), konden zij moeilijk als serieus bestempelen.
De leden van de fractie van D66 wezen erop dat het onderhavige wetsvoorstel het gevolg is van de bestaande praktijk die is vastgelegd in een bestuursafspraak. Zij zouden gaarne vernemen of er, en zo ja welke, verschillen zijn tussen dit wetsvoorstel en de genoemde bestuursafspraak.

Memorie van antwoord I

Het doet ons deugd dat het voorliggende wetsvoorstel de leden van de CDA-fractie tot vreugde stemt. In het navolgende gaan wij in op de vragen en opmerkingen die de leden van deze fractie hebben gemaakt met betrekking tot het wetsvoorstel.
[…]
Ten aanzien van de door de leden van de CDA-fractie meermalen gebezigde term «grondrecht» in verband met de uit deze wet af te leiden rechten merken wij het volgende op. In de memorie van toelichting is gesteld dat met het voorliggende wetsvoorstel inhoud wordt gegeven aan het «recht op gebruik van de eigen taal».
In het verlengde van de discussie over dit onderwerp bij de integrale herziening van de Grondwet, gingen de gedachten in het kader van het onderhavige wetsvoorstel met name uit naar het recht op het gebruik van de Friese taal. Het bedoelde recht op gebruik van de eigen taal is geen grondwettelijk verankerd grondrecht, ofschoon enkele aspecten ervan wel in verband kunnen worden gebracht met al bestaande, in de Grondwet vastgelegde grondrechten (Kamerstukken II 1993/94, 23 543, nr. 3, blz. 74)[20].
Tijdens de openbare behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer is overigens door de heren Koekkoek (CDA) en Van Middelkoop (GPV) een initiatiefvoorstel van wet tot opneming van een bepaling betreffende het gebruik van de Nederlandse taal in de Grondwet aangekondigd. Dit initiatiefvoorstel en de daarop volgende politieke discussie zien wij met belangstelling tegemoet.
[…]
De leden van de CDA-fractie vroegen zich tenslotte af wanneer deze wet in werking zal treden. Dit zal naar verwachting eerder zijn dan in de door deze leden geciteerde wetgevingsbijlage staat vermeld. Ervan uitgaande dat de verdere behandeling van dit wetsvoorstel vlot zal verlopen, verwachten wij dat deze wet begin 1995 in werking kan treden.
De leden van de D66-fractie zouden graag vernemen welke de verschillen zijn tussen dit wetsvoorstel en de bestuursafspraak Friese taal en cultuur van 1989. In een heel belangrijk opzicht betekent deze wet een vooruitgang ten opzichte van de genoemde bestuursafspraak. De wet biedt een veel steviger juridisch fundament voor het gebruik van het Fries in het bestuurlijk verkeer dan de bestuursafspraak. Zoals bekend heeft Afdeling rechtspraak van de Raad van State in 1990 overwogen dat uitzonderingen op de gangbare praktijk dat het Nederlands de officiële bestuurstaal is, dienen te berusten op een formele wet. Door deze uitspraak verloor de bestuursafspraak zijn betekenis als juridische grondslag voor het gebruik van het Fries in het bestuurlijk verkeer. Uit de aard van de voorliggende wettelijke regeling vloeit tevens voort dat de rechten van de niet-Friestaligen explicieter zijn geformuleerd dan in de bestuursafspraak. Anderzijds geldt dat laatste ook voor bepaalde onderdelen van het gebruik van het Fries: bijvoorbeeld het recht om in vergaderingen van vertegenwoordigende lichamen de Friese taal te gebruiken.

Verslag I

De memorie van antwoord gaf de leden van de CDA-fractie aanleiding tot het formuleren van de volgende opmerkingen en vragen. Met betrekking tot de erkenning van andere regionale talen dan het Fries vroegen de leden naar de betekenis van de uitdrukking «voor deze erkenning is echter wel nodig dat deze streektalen ten aanzien van hun maatschappelijke erkenning en aspiraties hetzelfde niveau als het Fries bereiken». Gaarne zouden de leden van de regering een limitatieve opsomming van de criteria ontvangen aan de hand van welke beoordeeld wordt of de andere talen hetzelfde niveau bereikt hebben als het Fries nu.

Nota naar aanleiding van verslag I

De leden van de fractie van het CDA vragen zich af wat bedoeld is met de door ons in de memorie van antwoord gebezigde uitdrukking «voor deze erkenning is echter wel nodig dat deze streektalen ten aanzien van hun maatschappelijke erkenning en aspiraties hetzelfde niveau als het Fries bereiken». In het verlengde daarvan zouden deze leden graag een limitatieve opsomming van de criteria ontvangen aan de hand waarvan beoordeeld wordt of andere talen hetzelfde niveau hebben bereikt als het Fries nu.
Met de bedoelde zinsnede hebben wij tot uitdrukking willen brengen dat wij geen principiële, maar uitsluitend zakelijke bezwaren hebben tegen het van toepassing verklaren van het Europese Handvest voor streektalen of talen van minderheden op andere autochtone minderheidstalen dan het Fries.
De reden dat onder de huidige omstandigheden dit Handvest alleen voor het Fries zal gaan gelden, is gelegen in:
a. het feit dat het Fries op een, in vergelijking met andere autochtone minderheidstalen, grote schaal wordt gebruikt in de meer officiële taaldomeinen (bestuur, rechtsverkeer, kerk, onderwijs). Voor een deel is dit het gevolg van bewust beleid (bijvoorbeeld rechtsverkeer), voor een ander deel betreft het een van onderop gegroeide situatie (bijvoorbeeld het gebruik van Fries in openbare vergaderingen van vertegenwoordigende lichamen en in kerkdiensten). Dit laatste kan als een vorm van maatschap­pelijke erkenning worden beschouwd;
b. het gegeven dat in Friesland, meer dan in bijvoorbeeld Groningen of Drenthe, de voorwaarden voor het gebruik van de eigen taal in de meer officiële taaldomeinen aanwezig zijn. In Friesland zijn door provinciale staten en diverse gemeenteraden verschillende keren uitspraken gedaan, waaruit het streven naar het gebruik van het Fries in de meer officiële taaldomeinen blijkt. Door organisaties op het vlak van de Friese taal en cultuur (bijvoorbeeld de Ried fan de Fryske Beweging) worden eveneens met een zekere regelmaat dergelijke uitspraken gedaan. Hieruit blijkt niet alleen de hoogte van het aspiratieniveau ten aanzien van de positie van de Friese taal, maar ook dat dit aspiratieniveau in brede kring aanwezig is.
Een andere voorwaarde waaraan voor het Fries is voldaan en voor andere regionale talen niet, betreft de mate waaraan de eigen taal als cultuurtaal wordt gebruikt. Zo is in Friesland sprake van tal van eigentijdse cultuuruitingen in de eigen taal. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het aantal literaire uitgavesper jaar en hun oplage, het aantal literaire tijdschriften en hun oplage, het bestaan van volwaardige Friestalige films (bijv. De Dreamen de Fjoertoer) en recent zelfs het uitbrengen van een Friestalige opera (Rixt). Voorts wijzen wij op het bestaan van een officiële, door provinciale staten vastgestelde spelling van het Fries, een wetenschap­pelijk woordenboek van het Fries en een gerenommeerd onderzoeks­instituut op het vlak van de Friese taal en cultuur (de FryskeAkademy). Uit deze opsomming kan worden afgeleid dat het Fries een ander niveau van wetenschappelijke erkenning heeft bereikt dan de andere in Nederland gesproken autochtone minderheidstalen.
De in het voorgaande geschetste situatie ten aanzien van het Fries laat zien waaraan ongeveer kan worden gedacht als het om het vaststellen van een voldoende niveau van maatschappelijke erkenning en aspiraties gaat.
Omdat elke autotochtone minderheidstaal zijn eigen omstandigheden kent, lijkt het ons niet goed mogelijk en evenmin wenselijk om nauwkeurig aan te geven welke de criteria zijn, waaraan andere regionale talen dan het Fries moeten voldoen om onder de werking van het Handvest te kunnen worden gebracht. Denkbaar is dat de concrete invulling van deze criteria voor andere streektalen op een andere, meer op de eigen omstandigheden afgestemde wijze kan plaatsvinden en daarom dienovereenkomstig dient te worden beoordeeld. Wij beschikken overigens niet over aanwijzingen waaruit zou blijken dat deze situatie zich binnen afzienbare tijd zal voordoen.

Handelingen I

De voorzitter (p. 1159): Behalve staatssecre­taris Kohnstamm heet ik regerings­commissaris Scheltema van harte welkom. De beraadslaging wordt geopend.
De heer Postma (CDA) (p. 1159-1161): Mijnheer de voorzitter! Ik zou vandaag het woord willen voeren niet uitsluitend in mijn hoedanigheid van Nederlander, maar ook in een andere functie namelijk die van Sudetenfries. Ik zal over drie onderwerpen spreken, in de eerste plaats het Nederlands en in de tweede plaats over twee andere streektalen die zich op het grondge­bied van het Koninkrijk der Nederlan­den voordoen.
Ik begin met de totstandkoming van dit wetsvoorstel, dat afgedwon­gen is door de Eerste Kamer der Staten-Generaal. In de eerste plaats bij de begroting van Binnenlandse Zaken voor het jaar 1990 met betrekking tot het Fries naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State inzake de zaak­ Spithorst, gemeente Tietjerkstera­deel. Daarbij werd uitdrukkelijk gestipuleerd, dat een regeling van het taalgebruik niet bij convenant kan plaatsvinden, maar uitsluitend bij wettelijke regeling. In de tweede plaats voor het Nederlands naar aanleiding van een unaniem door deze Kamer aanvaarde motie bij de behandeling van de begroting van Binnenlandse Zaken voor het jaar 1991, waarbij uitgesproken werd, dat het ongeschreven rechtsbeginsel dat het Nederlands de taal van het openbaar bestuur is, in een wettelijke regeling moet worden vastgelegd.
Voorzitter! Het heeft vrij lang geduurd, voordat dit wetsvoorstel ons heeft bereikt. Naar ons oordeel heeft het te lang geduurd. Zo moeilijk was deze regeling niet. Zou het kunnen zijn dat dit onderwerp niet de belangstelling heeft gehad van de verschillende regeringen, die het eigenlijk wel verdiende? In dit verband wijs ik ook op de afwach­tende houding van de regering ten opzichte van een mogelijk initiatief­voorstel van de Tweede-Kamerleden Koekkoek en Van Middelkoop met betrekking tot de neerlegging van het Nederlands in de Nederlandse Grondwet. In dit wetsvoorstel wordt een sociaal grondrecht geformuleerd. Dat is eigenlijk het grote belang ervan. Elke Nederlander in Nederland heeft overal, waar hij in contact treedt met de Nederlandse overheid op centraal of decentraal niveau in welke hoedanigheid dan ook – ook in de hoedanigheid van een zelfstandig bestuursorgaan – er recht op om in het Nederlands te woord gestaan te worden. Aan dat grondrecht doet artikel 1, lid 2, van dit wetsvoorstel geen afbreuk. De overheid kan in bepaalde gevallen een andere taal gebruiken, maar het is duidelijk, dat men hier anderstaligen op het oog heeft en geen Nederlandstaligen.
Voorzitter! Waarom is dit wetsvoorstel zo belangrijk? Omdat wij hier iets zien, wat op het oog niet noodzakelijk is. Het gaat namelijk om bescherming van de inwoners van Nederland wellicht tegen sommige Nederlanders die zich rekenen te behoren tot de Nederlandse elite en wellicht de neiging zouden kunnen hebben om dit sociale grondrecht niet te realiseren. Het principe dat hier neergelegd wordt is, dat de volkstaal ook de officiële taal is. In dit verband is het logisch, dat het Koninklijk besluit van 1830 wordt ingetrokken. Dat KB was nodig naar aanleiding van de scheiding met België. Als ik goed ben ingelicht, was het Nederlands de officiële taal behalve in de provincie Limburg waar men kon kiezen tussen het Nederlands en het Frans. Het was ook logisch, want van de leden van Provinciale Staten van Limburg kon in 1830 slechts een drietal zich in voldoende mate in het Nederlands uitdrukken. Dat is nu gans anders, zoals wij elke dag voor de radio en televisie kunnen horen en zien.
In de afgelopen 200 jaar heeft het algemeen Nederlands een grote voortgang geboekt. Ik wijs op de vroegere minister van Binnenlandse Zaken Goeman Borgesius van wie werd gesteld in de parlementaire geschiedschrijving, dat hij het Nederlands uitsprak met een afschuwelijk Gronings accent. U kunt aan mij horen dat ik in elk geval geen Gronings accent heb. Ik wijs ook op de memoires van prof. Banning, vroeger een prominent lid van de SDAP, die vermeldde dat toen hij op de kweekschool kwam hij eerst het Nederlands moest leren.
Enige verbazing zou het kunnen wekken, dat wanneer men als burger van mening is, dat de rechten geschonden zijn, men een procedure moet volgen die in de Algemene wet bestuursrecht is neergelegd. Had het niet meer voor de hand gelegen om wanneer men een stuk krijgt dat niet in het Nederlands is geformuleerd het per definitie van rechtswege nietig is? Die bepaling geldt ook in België.
Voorzitter! Ik kom te spreken over de uitzondering in dit wetsvoorstel. Ten onrechte wordt dit wetsvoorstel meestal de Friese taaiwet genoemd. Dat is niet juist. Het principe is, dat het Nederlands de taal van het openbaar bestuur is. Voor het Fries wordt daarop een uitzondering gemaakt, al geef ik toe dat alle overige artikelen met uitzondering van artikel 1 op het Fries van toepassing zijn. Het Fries was officiële taal tot in de 15de eeuw. Het is toen ten gevolge van politieke omstandigheden de status van officiële taal kwijtgeraakt. Vroeger is dat proces voor de Friese ommelan­den beschreven door de beroemde cultuurhistoricus JohanHuizinga. Ik meen, dat dit in deel 8 is gebeurd. Bij de voorbereiding van deze speech ben ik begonnen bij deel 1. Ik heb te weinig tijd gehad om heel lang interessante dingen te formuleren. Onlangs is dat proces beschreven door de universiteitsdocent O. Vries van de universiteit van Groningen in zijn dissertatie onder de veelzeg­gende titel “Uwe taal vluchtte naar ploeg en koestal”. Dat gebeurt er dus, wanneer een taal zijn officiële status als bestuurs- en ambtstaal verliest. Dan heb je honderden jaren nodig om dat weer terug te krijgen. Uit dit voorbeeld kunnen wij algemene conclusies trekken, ook met betrekking tot andere talen.
Wat is nu het belang van deze wettelijke vastlegging van het Fries als taal in het bestuurlijk verkeer? Dat is vooral de statusverhoging die daarvan voor het Fries uitgaat. Als men een taal op de lange termijn wil redden dan zal die altijd status moeten hebben op drie domeinen. In de eerste plaats het bestuurlijk verkeer, in de tweede plaats het onderwijs en in de derde plaats het economische leven, het bedrijfsle­ven. Het Fries is aanwezig in het onderwijs sinds 1939. De Wet op het lager onderwijs gaf dat aan. Het is binnenkort officieel aanwezig in het bestuurlijk verkeer. Het is te weinig aanwezig in het economische verkeer. Dat betekent, dat de status van het Fries nog steeds aan een zeer grote bedreiging onderhevig is. Dat geldt te meer, omdat in vergelijking met 60 jaar geleden de maatschappelijke situatie volstrekt is veranderd. Friesland was toen een afgesloten provincie, voornamelijk agrarisch, waar slechts weinigen voortgezet onderwijs genoten. Er was nauwelijks radio. Geen toerisme, geen mobiliteit. Men kwam nauwelijks in aanraking met het Nederlands. Dat is nu gans anders. Men wordt overspoeld met het Nederlands, dat in politieke en economische zin dominant is. Dat betekent, dat reeds enkele tientallen jaren een aanmerkelijke taal­verschuiving in Friesland plaatsvindt. In een dissertatie uit 1968 werd die per generatie reeds berekend op 12%. Dat betekent dat 12% van de Friestalige ouders hun kinderen niet meer in het Fries opvoedt. Zij zijn verloren voor het Fries. Ik heb het vermoeden en de angst, dat het percentage steeds hoger wordt.
[…]
Mijnheer de voorzitter! Ik kom tot de derde streektaal die wij in ons land kennen, het zogenaamde Nederduits, een taal die van 1450 tot 1650 de officiële taal was van de Hanze. Het was ook de officiële cultuurtaal in de provincies aan de overzijde van de IJssel en in de noordelijke helft van Duitsland boven de lijn die zich uitstrekte van Münstervia Hannover naar Frankfurta/d Ode; en zelfs Dantzig en Koningsbergen insloot. Dit betekent dat de dialecten van Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel en de Achterhoek niet tot de taalgroep van het Nederlands behoren. Zij behoren tot de taalgroep van het West­-Nedersaksisch, terwijl het Nederlands behoort tot de taalgroep van het West-Nederfrankisch.
Wij weten dat het Nederlands pas doorgedrongen is in die provincies in de zeventiende eeuw. Illustratief is het voorbeeld van de Staten-­Generaal die de Statenbijbel wenste te vertalen en aan de Staten van Drenthe vroegen of zij predikanten konden leveren die konden meewer­ken. Die Staten schreven terug – het was in 1620 – dat er in hun provincie geen predikanten waren die voldoende Nederlands kenden.
Het Nederlands heeft dus als officiële taal het Nederduits in deze streek verdrongen. Als wij spreken over de erkenning van streektalen is de vraag of ook deze streektaal niet een meer officiële status moet hebben dan in het wetsvoorstel gegeven wordt. Trouwens in het wetsvoorstel komt deze streektaal helemaal niet voor. Dit klemt te meer nu deze streektaal wel erkend is in de Wet op het basisonderwijs. In artikel 9, lid 8, is de mogelijkheid geopend om de streektaal te gebruiken als instructietaal. In de betrokken provincies gebeurt dit ook op grote schaal. Vervolgens – en dat is interessan­ter – is het de vraag of het Europees Handvest inzake regionale en minderheidstalen van de Raad van Europa uit 1992 aanleiding geeft om de bescherming die daarin aan streektalen wordt gegeven tot de dialecten in de noordelijke en oostelijke provincies uit te strekken. De vraag is natuurlijk of deze streektaal daaronder valt. In artikel 1 van dit Handvest wordt gesteld: Een streektaal wordt van oudsher gebruikt in een bepaald gebied door een numerieke minderheid en verschilt van de officiële taal van de staat. Daaronder worden niet verstaan de dialecten van de officiële talen van de staat.
In dit geval gaat het om een numerieke minderheid; het is geen dialect van het Nederlands, maar van het Nederduits en het valt dus onder de begripsomschrijving van artikel 1. Ik voeg eraan toe dat deze erkenning reeds door de Duitse regering voor het Nederduits in Duitsland uitgesproken is en dat de deelstaten die de Kulturhoheit hebben, bereid zijn om de rechten die uit de erkenning voortvloeien en die in hoofdstuk 3 van het Europees Handvest gegeven zijn, te realiseren. Met het oog op een mogelijk verschil van mening over het antwoord op de vraag of het Gronings en het Drents een aparte cultuurtaal vormen, heb ik het genoegen iets voor te lezen van prof. dr. Herman Niebaum, hoogleraar aan het NedersaksischInstituut van de Rijksuniversiteit te Groningen. Hij heeft het volgende gezegd: “Vor dem geschildertenH intergrund ist das Nedersaksische als Regionalsprache zu bezeichnen. Im Rahmen des niederlandischenStaatsgebiets lasst es sich eindeutig gegenuber dem Friesischen im Nordwesten und dem frankischen Sprachgebiet im Westen und Suden abgrenzen. Nach Osten greift es uber die Staatsgrenze hinaus und setzt sich als Nieder­deutsch geografisch fort.”.
Waarom, mijnheer de voorzitter, maken wij ons zo druk over de positie van het Nederlands, van het Fries en van overige streektalen? Omdat wij in een tijd leven waarin talen als sneeuw voor de zon verdwijnen. Per maand verdwijnt er één taal op de wereld. Wij kennen voorbeelden daarvan. Het Occitaans, in het zuiden van Frankrijk eeuwen lang gesproken door 20 miljoen mensen, staat op het punt te verdwijnen. Wij zien hetzelfde gebeuren met de streektalen in het Noordoosten. Van generatie op generatie vindt een taalverschuiving plaats. Waarom zou je je dan druk maken? Omdat taalverscheiden­heid culturele rijkdom betekent en omdat culturele rijkdom economische rijkdom betekent. Het is dus in ons eigenbelang om de rijkdom die wij hebben op ons eigen grondgebied zoveel mogelijk te beschermen. Graag verneem ik het antwoord van de staatssecretaris op mijn vragen en opmerkingen.
De heer Holdijk (SGP) (p. 1161-1162): Mijnheer de voorzitter! Als dit wetsvoorstel vandaag de eindstreep van de parlementaire behandeling haalt- en daar ziet het wel naar uit – zal deze dag door onze geachte collega ­afgevaardigde de heer Postma mogelijk als een dag met een gouden randje geboekstaafd worden. Met anderen is hij erin geslaagd de regering te overtuigen van de noodzaak om tot een regeling bij formele wet te komen zowel voor het Fries als het Nederlands. Ik zeg het bewust in die volgorde.
Het is in elk geval in zoverre een gedenkwaardige dag dat wij het eerste van wellicht een reeks van voorstellen kunnen behandelen, waardoor de Nederlandse en de Friese taal van een geleidelijk hechter wordend fundament worden voorzien. Immers, bij deze Kamer is ook aanhangig wetsvoorstel 23 818 tot verruiming van de mogelijkheden van het Fries in het rechtsverkeer. Bovendien is op 20 februari jongstleden aan de Tweede Kamer een wetsvoorstel aangeboden tot goedkeuring van het op 5 november 1992 te Straatsburg tot stand gekomen Europees Handvest voor streektalen of talen van minderhe­den. De heer Postma nam al een voorschot op de goedkeuring van dat Handvest door een tweede streektaal ter sprake te brengen. Ook in dat voorstel speelt het Fries een prominente rol. En tenslotte hebben wij dan eerlang wellicht nog een initiatiefwetsvoorstel te wachten tot opneming van een bepaling betreffende het gebruik van de Nederlandse taal in de Grondwet.
Voorzitter! Het feit dat dit voorstel aan het begin staat van wat toch wel als opmerkelijke ontwikkeling geduid kan worden, was voor onze fractie de voornaamste reden om bij de plenaire afhandeling van dit voorstel acte de presénce te geven, om het maar in goed Nederlands te zeggen.
Het is vervolgens ook een historische dag, omdat na aanvaar­ding van het voorliggende wetsvoor­stel één van de weinige, zo niet de enige, uit 1830 daterende regeling het Koninklijk besluit van 4 juni 1830, Stb. 19 – dat nooit is ingetrokken en daarom formeel nog steeds geldt – ­kan worden ingetrokken. De tweetaligheid in het koninkrijk van destijds, te weten het Nederlands en het Frans, wordt als het ware vervangen door een nieuwe tweetaligheid in het bestuurlijk verkeer, het Nederlands en het Fries, althans wat Friesland betreft.
Mijn fractie juicht het toe dat de overheid haar zorg voor het Nederlands als officiële taal expliciet maakt, onder andere door middel van dit wetsvoorstel. Dat het Fries deelt in de toegenomen belangstel­ling voor het Nederlands verheugt ons evenzeer. Het wetsvoorstel is voor ongeveer eentiendegedeelte gewijd aan de regel, het Nederlands, en voor negentiende deel aan de uitzondering, het Fries. Wettelijk wordt nu vastgelegd dat het gebruik van de Friese taal in het verkeer tussen overheid en burger in Friesland geen gunst maar een recht is.
Als gezegd is dat op zichzelf een reden tot verheugenis. Niet geheel valt te voorzien of de codificatie van de grotendeels bestaande toestand feitelijke veranderingen ten gevolge zal hebben. Ik bedoel dat niet op voorhand duidelijk is, welke effecten de wettelijke formalisering van een praktijk zal hebben, bijvoorbeeld wat betreft de te verwachten bestuurslas­ten. Misschien wil de staatssecretaris daar in zijn antwoord nog eens bij stilstaan. In elk geval is het goed dat voorzien is in een evaluatiemoment, ook van dit onderdeel van de Algemene wet bestuursrecht. Mocht dat anders zijn, dan verneem ik dat graag.
Met het wetsvoorstel wordt de officiële status van het Fries formeel bevestigd. Daarmee heeft die taal een sterkere positie gekregen en het officiële gebruik in het bestuurlijk verkeer en straks – ik zei het al ­wellicht ook in het rechtsverkeer kan de kwaliteit ervan bevorderen. Toch meen ik te mogen zeggen, dat de officiële status nog niet de garantie biedt voor de vitaliteit van een taal. Die vitaliteit zal immers in het dagelijks gebruik moeten blijken. Wie kan wat dat betreft in de toekomst kijken?
Een meer algemene vraag is of de toenemende belangstelling voor nationale en regionale talen en zelfs voor dialecten niet een zeker protestkarakter en soms een nostalgisch tintje in zich heeft. Houdt dat protest geen verband met de alom ervaren tendens tot internatio­nalisering en schaalvergroting, waarin de gewone burger zich verloren voelt staan en waartegen hij zich alleen meent te kunnen verweren door het cultureel eigene te accentueren? Die reactie valt op zichzelf wel te waarderen, maar zal deze beweging opgewassen blijken tegen de steeds sterker wordende infiltratie van alles wat tot de moderniteit gerekend moet worden, inclusief de internationalisering van het taalgebruik? Mutatis mutandis is deze vraag ook te stellen over de verhouding van het Fries tot het Nederlands. Ik dacht dat ook de heer Postma zoëven daarop duidde.
Dit zijn allemaal vragen waarop het antwoord niet op voorhand te geven valt. De werkelijkheid zal het uit moeten wijzen. Deze onzekerheid neemt niet weg dat initiatieven gericht op het ondersteunen van de culturele eigenheid van volken en volksgroepen steun verdienen, zelfs ­het is misschien een kwade veronderstelling – al zouden overheden die zulke initiatieven ontwikkelen een zekere koppelver­koop beogen te plegen, door nationale en regionale verscheiden­heid te versterken, teneinde mondiale en transnationale doelstellingen acceptabeler te doen worden.
Staatssecretaris Kohnstamm (p. 1162): Voorzitter! Ik stel het zeer op prijs om dit wetsontwerp in een plenaire behandeling hier naar ik hoop te kunnen afhandelen. De lange weg die het wetsontwerp daarmee is gegaan kan dan tot een goed einde worden gebracht. Ik stel dit te meer op prijs omdat het de derde keer is dat ik in uw Kamer mag verschijnen. De eerste keer was dat gesecundeerd door het hele kabinet, bij de algemene beschouwingen. De tweede keer was dat bij de behande­ling van de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Toen zaten de minister en de andere staatssecretaris ook aan deze tafel. Nu ben ik hier meer de regerings­commissaris. Ik neem mij voor, de Eerste Kamer nog eens een keer in mijn eentje te trotseren!
De voorzitter (p. 1162): Het is wel steeds een overtreffende trap!
Staatssecretaris Kohnstamm (p. 1162-1164): Zo hoop ik dat te zijner tijd te mogen ervaren.
Terecht heeft de heer Holdijk melding gemaakt van het feit dat de heer Postmaeen van de “aan­stichters” is van het voorliggende wetsvoorstel. Zijn motie van naar ik meen 1990, de discussie die hij heeft geëntameerd en het in stemming brengen van de motie hebben wat langer geduurd dan gebruikelijk is. Misschien is dat voor een deel de verklaring waarom ten slotte het ter hand nemen van het wetsontwerp wat langer heeft geduurd dan hij, terecht, dunkt mij, voor wenselijk hield.
Niettemin reageer ik ontkennend op zijn suggestie, dat de lange duur van voorbereiding en behandeling van het wetsvoorstel een gevolg zou zijn van te weinig interesse voor het onderwerp, in het bijzonder waar het de wettelijke fundering van het gebruik van het Fries in bestuurlijk Nederland is. Degene die voor mij de kar trok, mevrouw De Graaff-Nauta, heeft zoals wij allen weten hard aan het onderwerp getrokken. Zij heeft er heel veel belang aan gehecht. In de Tweede Kamer heb ik gezegd dat ik het jammer vond, dat niet zij ten slotte de verdediging van het wetsvoorstel kon voeren. Ik weet, waarschijnlijk met velen van de leden, hoezeer mevrouw De Graaff-Nauta met het onderwerp begaan was. Zij is, dunkt mij, ten slotte degene geweest achter het bestuursakkoord en degene die waakte over de uitvoering daarvan in het Haagse.
Zowel de geachte afgevaardigde de heer Postma als de geachte afgevaardigde de heer Holdijk heeft gesproken over het belang van het wetsvoorstel. De heer Holdijk schetste terecht dat een contradictie lijkt te bestaan tussen aan de ene kant het vervagen van de grenzen, ook de taalgrenzen en aan de andere kant het toenemend belang van de eigen taal, de eigen cultuur en ook de streektaal en streekcultuur. Dat neemt ook terecht toe. Naarmate de grenzen meer wegvallen, neemt het belang van de eigen (streek)taal en de eigen (streek)cultuur toe als herkenningsfactor van maatschappe­lijke banden. Anders dan de heer Holdijk zie ik daar geen soort vooropgezette, politieke strategie achter om verdergaande McDonald’s-Achtige cultuur­verschijnselen ingang te doen vinden. Ik geef het in mijn woorden weer; de heer Holdijk zou het zo zeker niet hebben willen uitspreken. Ik geloof dus niet in dit soort strategieën. Wel denk ik, zoals gezegd, dat bij het wegvallen van grenzen iedere cultuur op zoek gaat naar de eigen wortels en die meer koestert dan lange tijd het geval is geweest. Dit geldt in het bijzonder voor het Fries.
Ik ben het ook zeker eens met de heer Postma als hij zegt dat de overheid de verantwoordelijkheid heeft om ervoor te zorgen dat dit soort eigenheden vervolgens zijn weg kan vinden en houden. Ik was mij er overigens niet van bewust dat er één (streek)taai per maand dreigt weg te vallen. De overheid heeft dus ook de verantwoordelijkheid om in dat verband randvoorwaarden te scheppen binnen de welke groepen van burgers een eigen taal en cultuur kunnen herkennen en beleven. Daarbij gaat het, dunkt mij, inderdaad om de velden die de heer Postma genoemd heeft. Ik herhaal: bestuurlijk verkeer, inclusief het juridische werk, wat daarvan mijns inziens een essentieel onderdeel is, onderwijs en bedrijfsleven.
Er is terecht opgemerkt dat het kabinet bezig is met een inhaalslag aangaande de wettelijke waarborgen. Tot nu toe waren die overigens niet existent. De uitspraak van de Raad van State is iets anders dan de heer Postma heeft weergegeven. Merkwaardigerwijze is die uitspraak te zamen met de motie van de heer Postma heel essentieel geweest voor de totstandkoming van het onderha­vige wetsvoorstel. Eigenlijk zegt de Raad van State dat het gebruik van het Nederlands een ongeschreven recht is, zo essentieel – dit zijn een beetje dezelfde woorden als die van de heer Postma – dat het niet eens heel raar is dat het nooit is opge­schreven. immers, het spreekt haast vanzelf dat Nederlands in eerste instantie de bestuurstaal is. Als je wilt afwijken van de ongeschreven regel dat Nederlands de bestuurstaal is, is daarvoor een wettelijk anker nodig. Dat moet dus wettelijk geregeld worden. Het is, dunkt mij, voer voor juristen om te zeggen dat, als je wilt afwijken van iets wat niet geregeld is, daarvoor een wet nodig is. Maar zoals aangegeven, is daarop, dunkt mij, volstrekt juist gereageerd.
[…]
De heer Postma heeft nog een betoog gehouden over het Gronings en het Drents. Hij heeft de vraag gesteld of er een regeling getroffen moet worden voor andere talen dan het Nederlands op Nederlands grondgebied. Ik stel het wat ruimer dan de heer Postma. De heren Postma en Holdijk hebben gesteld dat beide Kamers het Handvest moeten ratificeren. Mijns inziens kan die discussie haar vervolg krijgen bij de behandeling van het Handvest. Ik sluit zeker niet categorisch uit dat er behalve aan het Fries een vergelijk­bare, officiële status kan worden gegeven aan een andere regionale taal. Ik moet er echter aan toevoegen dat, gelet op de mate van maat­schappelijke erkenning en het tot nu toe gebleken aspiratieniveau van die talen, daarvan vooralsnog, dunkt mij, niet zo erg sprake is.
Indicatoren van een en ander, afgezien van wat overigens ook in het desbetreffende verdrag staat, zijn naar mijn gevoel het aantoonbaar streven om de eigen taal te gebruiken, bijvoorbeeld bij raads- en statenvergaderingen, kerkdiensten en in het onderwijs; steun voor dit streven door gekozen politieke lichamen, politieke partijen en maatschappelijke organisaties; draagvlak voor meer “sophisticated” uitingen in de eigen taal, zoals literaire tijdschriften, literatuur, toneel-, film- en tv-produkties. Bijvoorbeeld in Friesland is er nog een wetenschappelijk cultureel onderzoeksinstituut, de Fryske Akademy.
Dit is geen definitieve uitspraak. Daarover moeten wij verder van gedachten wisselen bij de behande­ling van het Handvest. Tot nu toe komt het mij bij afweging van de verschillende belangen evenwel voor dat er in eerste instantie terecht is gekozen voor het wettelijk veranke­ren van het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer. Voor het Drents en Gronings ligt dat minder voor de hand. Ik realiseer mij wel, overigens uit eigen wetenschap, dat in de statenvergaderingen van Drenthe Drents gesproken wordt. Ik realiseer mij ook daar een eigen cultuur en een eigen taal aan te treffen. Maar als er door het lokale niveau wordt aangedrongen op eenzelfde exercitie voor het Drents en Gronings als voor het Fries, kan ik zeggen dat daarvan in ieder geval heel weinig is doorgekomen. De heer Postma heeft echter, zoals vandaag blijkt, wel eerder iets voor de muziek uitgelopen. En misschien krijgt hij op de langere duur ook op dit punt nog gelijk.
Een belangrijk deel van de beschouwing van de heer Holdijk kan ik zonder enige twijfel tot de mijne maken. Op één punt heb ik enige afstand moeten nemen van zijn opmerkingen.
De heer Holdijk stelde de concrete vraag wat het effect van het wetsvoorstel kan zijn op de bestuurslasten. Aangezien het wetsvoorstel in essentie codificeert wat feitelijk bij het bestuursakkoord al was afgesproken, is het een wettelijke basis onder een praktijk die al enkele jaren bestaat. Wij verwachten daarom geen noemens­waardige effecten op de bestuurslas­ten. Terecht meldde de heer Holdijk dat er een evaluatie is afgesproken en dat ook overigens in het kader van het bestuursakkoord jaarlijks overleg plaatsvindt, in het bijzonder tussen mij en provinciale staten van Friesland. Als ten aanzien van de bestuurslasten blijkt dat zich de ontwikkelingen voordoen die wij in het geheel niet verwachten, neem ik aan dat tijdens een van die bijeen­komsten daarover kan worden gesproken.
Ik maak nog één opmerking aan het adres van de heer Holdijk, in de hoop dat ik daarmee in essentie de inbreng van deze Kamer recht heb gedaan. Het is zeker waar dat een wet niet de absolute garantie biedt dat de Friese taal – en daarmee ook de Friese taal en cultuur – gewaar­borgd is. De wet is dus niet de absolute garantie dat de Friese taal voor de toekomst een betekenisvolle functie in het verkeer tussen burgers en bestuur en tussen burgers onderling in Friesland zal hebben. Daar is meer voor nodig. Dat is ook de reden dat ik zelf de neiging heb om het wetsvoorstel, hoe relevant ook, te zien in samenhang met het bestuursakkoord, dat op onderdelen een meer stimulerende rol vervult ten aanzien van het tot uiting brengen van de Friese taal en cultuur. Feitelijk is het wetsontwerp de basis waarop die rol kan worden uitgebreid. Ik ben het direct met de heer Holdijk eens dat de toenemende belangstelling, die ook wij constate­ren, nog verder gestimuleerd kan en moet worden. In het bijzonder in het kader van het bestuursakkoord is afgesproken om op dat punt de ingeslagen richting te blijven volgen.
De heer Scheltema (p. 1164): Voorzitter! Er is nog één punt ter beantwoording overgebleven, namelijk de vraag van de heer Postma of een stuk nietig is als dat stuk, in afwijking van hetgeen in de wet staat, niet in het Neder­lands is gesteld. Het gaat hierbij in het bijzonder om de situatie dat in het stuk een besluit is vervat. Ik denk dat het verstandig is, een onder­scheid te maken tussen de situatie dat in het stuk een besluit is vervat waartegen een beroepsgang open staat, en het geval waarin geen beroepsgang mogelijk is. Is er geen beroepsgang mogelijk, bijvoorbeeld bij algemeen verbindende voor­schriften, ligt het betrekkelijk voor de hand om aan te nemen dat een dergelijk voorschrift niet verbindend is. Indien het gaat om een stuk waarin een besluit is vervat waartegen wel beroep mogelijk is bij een administratieve rechter, dan strijdt deze gedachtengang een beetje met het feit dat wij proberen, in het bestuursrecht de nietigheid zoveel mogelijk terug te dringen. Dat kan ertoe leiden dat je overweegt of in dat geval een dergelijk besluit toch niet in beroep moet worden aangetast. Als dat niet gebeurt, zou het niet nietig zijn. Ik neem echter aan dat het hierbij in veel gevallen gaat om een zo essentiële nietigheid – dat ligt ook wel een beetje in de lijn van de uitspraak van de Raad van State, die verschillende keren aan de orde is geweest – dat de rechter toch zal zeggen dat er zo’n essentieel gebrek aan het besluit kleeft als het niet in het Nederlands gesteld is, dat het besluit als nietig moet worden beschouwd.
De heer Postma (CDA) (p. 1164-1165): Voorzitter! Ik dank de staatssecretaris en de regeringscommissaris voor hun adequate en heldere uiteenzetting. Rest mij, nog enkele opmerkingen te maken en de staatssecretaris in het vooruitzicht te stellen dat een groot aantal opmerkingen bij een andere gelegenheid gemaakt zal worden, namelijk bij de behandeling van het Europees Handvest.
Ik heb gezegd dat de interesse van de regering niet zo groot was. Daarop is door de staatssecretaris geantwoord: maar kijk eens naar staatssecretaris De Graaff-Nauta, mijn voorgangster. Dat is correct, maar ik heb niet over “de staatsse­cretaris” gesproken, maar over “de regering”. Ik heb daarmee aangeduid dat het kan betekenen dat de staatssecretaris een betrekkelijk geïsoleerde positie heeft ingenomen. Als zij er niet was geweest, had dit wetsvoorstel hier misschien nog niet ter tafel gelegen.
De heer Holdijk vroeg of er niet sprake is van een contradictie: aan de ene kant de mondialisering en aan de andere kant meer aandacht voor de eigen taal en cultuur. Ik spits dit nu maar even toe op de Europese integratie. Ik denk dat er niet sprake is van een contradictie, een tegenstelling. Als wij Europese integratie willen, is het handhaven van de eigen taal en cultuur juist een conditio sine qua non voor een Europa dat ons altijd voor ogen stond. Het kenmerk van Europa is namelijk dat het cultureel rijk is. Ik kan mij niet voorstellen dat wij nu al veertig jaar naar een verenigd Europa streven zonder culturele rijkdom. Ik wijs er ook op dat een verenigd Europa nooit kans van slagen zal hebben als de culturele rijkdom en de taalkundige verschei­denheid niet gewaarborgd zijn. In dat verband kennen wij het historische voorbeeld van de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije, die juist op grond van de taalkwestie uit elkaar gevallen is. Als wij een verenigd Europa willen, dus als wij streven naar integratie, is handhaving van de culturele rijkdom juist een noodzake­lijke voorwaarde.
[…]
Ik zeg nog iets over de erkenning van, wat ik noem, het Nedersaksisch in het noordoosten van het land. Principieel heeft de regering geen bezwaar tegen de erkenning. Dat staat ook in de nota naar aanleiding van het verslag. Dat kan ook niet anders, want anders zou je in strijd komen met artikel 2 van het Handvest. Maar het maatschappelijk aspiratieniveau en ook de maat­schappelijke erkenning zouden geringer zijn. Ik zou daar veel over kunnen zeggen maar dat doe ik wel bij het Europees Handvest. Ik wil het nu laten bij enkele opmerkingen.
De Nederlandse regering heeft zich enkele jaren geleden reeds verplicht om het Nederduits actief te bevorderen en te beschermen. Zij deed dit in 1991 in Bremen bij de ondertekening van de overeenkomst tot het aangaan van de “neue Hanze interregio”, waarin uitdrukkelijk staat dat het de bedoeling is om de streektalen in het betreffende gebied bescherming te verlenen. Namens het Koninkrijk der Nederlanden staat daar de handtekening onder van de toenmalige minister-president, de heer Lubbers.
Van de maatschappelijke acceptatie wil ik enkele voorbeelden geven. De streektaal wordt gebruikt tijdens de statenvergaderingen. Wanneer dit wetsvoorstel aanvaard is, moeten dan, gezien de uitspraak van de Raad van State, de besluiten die genomen zijn nadat de discussie in de streektaal plaatsgevonden heeft in de provinciale staten, niet vernietigd worden omdat men afgeweken is van het principe dat het Nederlands de bestuurstaal is tenzij dit bij wet in formele zin anders geregeld is? In de Stellingwerven is het gebruik van het Stellingwerfs reeds in 1981 vastgelegd bij raadsbesluit. De provincie Friesland antwoordt in Stellingwerfs. Gemeenteraadsleden spreken in het dialect. Provinciale overheden moedigen in de media produkties in de spreektaal aan via subsidiëring. Dat gaat van CD’s met dialectteksten, muziekcassettes tot films met commentaar in dialect. Ik kan een voorbeeld noemen uit Groningen van de helaas overleden zanger Ede Staal. Van zijn CD zijn 300.000 exemplaren verkocht. Omgerekend naar het aantal mensen dat daarvoor in aanmerking komt, zo’n 2 à 3 miljoen, is dat gigantisch, namelijk 10%. Over het Nederlands taalgebied genomen, zou dat zo’n 1,5 miljoen zijn. Welke Nederlandstalige zanger haalt 1,5 miljoen CD’s? Voor toneel wordt steun verleend bij vertaling van literair werk uit het Nederlands, het Hoogduits en het Frans.
Op grond van de gegevens die mij ter beschikking staan, moet ik tegenspreken dat het maatschappe­lijk aspiratieniveau een erkenning van het Nederduits als streektaal in de zin van het Europees Handvest, eigenlijk niet zou rechtvaardigen. De staatssecretaris heeft gelijk dat ik vaak voor de muziek uit loop. Soms krijg ik op de lange duur gelijk. Ik spreek de hoop uit dat ik hier op de korte duur gelijk zal krijgen.
Tot slot wil ik nogmaals mijn dank uitspreken voor de adequate beantwoording. Ik heb het vermoe­den dat dit wetsvoorstel met algemene stemmen zal worden aangenomen.
De heer Holdijk (SGP) (p. 1165): Voorzitter! Mijn interventie in tweede termijn heeft om te beginnen de bedoeling om de staatssecretaris dank te zeggen voor zijn reactie, waaruit bleek dat hij zich in het grootste deel van mijn beschouwingen kon vinden. Slechts op het punt waar ik het op een bepaald ogenblik voor mogelijk hield dat er bij de overheid van een zekere koppelverkoop sprake zou zijn, moest hij mij tegenspreken, hetgeen te verwachten viel. Die reactie heeft mij overigens nog niet geheel bevrijd van mijn subjectieve veronderstellingen dienaangaande, maar dat is ook niet noodzakelijk.
Ik sluit mij vervolgens aan bij de opmerking van de heer Postma die terecht veronderstelde dat ik duidde op de relatie tussen de Europese ontwikkeling en de taalinvloeden die daarvan uitgaan, in verhouding tot het Nederlands. Zelf denk ik dat die verhouding niet zo eenvoudig, logisch en eenduidig ligt als hij verondersteld heeft. Hoe dan ook, op een zeker moment dient zich toch de vraag aan welke taal dominant zal worden. Inderdaad kan men in reactie, min of meer vanuit protest, trachten om een regionale taal meer betekenis toe te kennen. Ik heb dat ook toegejuicht. Ik wil die ontwikke­lingen niet direct als tegengesteld zien maar ik zie daar wel het risico in dat een dominante taal een minder dominante weet te verdringen. Als men daarvoor niet wil kijken naar de Europese ontwikkeling ten opzichte van het Nederlands, dan zou ik tot slot willen wijzen naar de ontwikke­ling van en de relatie tussen het Nederlands en het Fries. Daar is het aanwijsbaar dat het Nederlands meer en meer dominant lijkt te worden, ondanks alle steun en adhesie­betuigingen die wij aan het Fries geven.
Voorzitter! In het antwoord van de staatssecretaris kwam, naar mijn indruk, een wat grotere openheid naar voren voor een mogelijke ontwikkeling naar de erkenning van een tweede streektaal dan in de nadere memorie van antwoord tot uitdrukking kont. Weliswaar is daarin ten principale die mogelijk­heid niet uitgesloten en heeft hij hier herhaald dat hij geen categorische uitsluiting van die mogelijkheid wenste, toch klonk zijn antwoord alsof de openheid wat groter is.
Voorzitter! De verwachting die de staatssecretaris uitsprak dat de bestuurslasten, waarover ik een concrete vraag had gesteld, niet noemenswaardig zullen toenemen maar dat de vinger aan de pols gehouden wordt, stelt mij in elk geval des te meer gerust om het wetsvoorstel te kunnen aanvaarden.
Staatssecretaris Kohnstamm (p. 1165-1166): Mijnheer de voorzitter! Allereerst wil ik de geachte afgevaardigden de heren Postma en Holdijk danken voor hun mededeling over het te voorspellen stemgedrag van hun fracties. Van de andere fracties weet ik dat nog niet maar ik heb goede hoop dat dit wetsvoorstel het zal halen. Ik dank de beide afgevaardig­den ook voor hun inbreng in tweede termijn in dit debatje.
Op een aantal punten hebben wij afgegrendeld waarover wij het eens zijn maar er is ook een aantal punten waarover wij het oneens zijn. Als dat laatste niet het geval was, dan zou ik ook niet over een debat kunnen spreken. Ik zal die punten kort doorlopen. Ik kan de veronderstelling van de heer Postma niet helemaal overzien, en daarom ook niet met gezag ontkennen, dat mijn voor­gangster in een betrekkelijk geïsoleerde positie zat. Ik sluit niet uit dat hij dat redelijk scherp gezien heeft maar uiteraard kan ik dat niet uit eigen wetenschap beamen. In de afgelopen periode speelde ten aanzien van de naleving van het bestuursakkoord op twee of drie punten een zaak een rol en ik kan niet anders dan vaststellen dat ik een open oor heb getroffen bij de collega’s in het kabinet. Mocht ik mij in de nabije toekomst voor de Friese taal en cultuur in een “betrekkelijk geïsoleerde positie voelen”, zoals de heer Postma het zei, dan zal ik mijn weg tot hem weten te vinden zodat wij gezamenlijk de strijd verder kunnen voeren.
De heer Holdijk en ook de heer Postma spraken in tweede termijn over de contradictie. Ik heb mij vooral enigszins verzet, zoals de geachte afgevaardigde de heer Holdijk reeds verwachtte, tegen de complottheorie. Ik vind dat wat ver gezocht. Ik geloof niet dat zover doordachte strategische beslomme­ringen ooit serieus ten uitvoer worden gelegd. Door journalisten worden die vaak gezien in het doen en laten van machten, en van politieke machten in het bijzonder, maar in de praktijk worden die zelden zo bedacht en ten uitvoer gelegd. Ik geloof er dus gewoon niet in. Ondertussen is die contradictie ogenschijnlijk, want het is niet echt een tegenstelling. Ik ben het met de heer Postma erg oneens over die verordende bevoegdheid. Misschien zal bij de discussie over de eventuele erkenning van een tweede streektaal blijken, dat de wegen zich daar ook echt scheiden. Ik weet dat niet; dat moet blijken. Ik geef daar nu zeker geen oordeel over. Echter, op het moment dat de rijksoverheid randvoorwaarden biedt en daarmee de mogelijkheden om de bal op de penaltystip neer te leggen, is er niemand om de bal in te schieten. De mensen zullen het zelf moeten zeggen dat zij heel graag in de streektaal willen communiceren. Als die geluiden mij bereiken – ik was niet op de hoogte van de goede omzet van CD’s in het Gronings ­ben ik natuurlijk bereid om daarover door te denken, maar uiteindelijk zal ook daar de verordenende bevoegd­heid moeten liggen waar zij primair behoort, namelijk daar waar de bevolking het dichtst bij het bestuur staat. De redenering van de heer Postma, dat de emoties te zeer oplaaien, is er een redenering waar je twee kanten mee op kan. Juist daar waar mensen zeer betrokken zijn bij lokale uitingen van taal en cultuur zou ik denken, dat de lokale overheid het gevoeligst zal zijn voor de realisering van die wens. Naar mijn mening dient daar dan ook de discussie plaats te vinden. Je moet niet voor de emotie sec weghollen naar een centrale regeling.
Voorzitter! De heer Holdijk meende bij mij een grotere opening te hebben gehoord voor de erkenning van een tweede streektaal. Ik heb een aantal punten genoemd, waarnaar elke keer gekeken moet worden. Ik vind de mate waarin ook in minder of meer georganiseerd verband gebruik wordt gemaakt van die streektaal ook een signaal, dat opgevangen kan en moet worden. Ik heb er geen a priori’s over. Als dat hetgeen is wat de heer Holdijk uit mijn mond heeft gehoord, kan en wil ik dat niet ontkennen.
De beraadslaging wordt gesloten. Het wetsvoorstel wordt zonder stemming aangenomen.

 

 


[1] Niet opgenomen.
[2] Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.
[3] Zie PG Awb I, p. 54.
[4] Van deze delegatie is geen gebruik gemaakt.
[5] In deze jurisprudentie is voorbijgegaan aan het in dit verband interessante Koninklijk besluit van 4 juni 1830, Stb. 19, houdende wijzigingen in de bestaande bepalingen op het stuk der onderscheidene talen in het Rijk in gebruik. Artikel 7 van dit besluit luidt als volgt: «De Nederlandsche taal wordt, in administratieve financiële en geregtelijke zaken, bij uitsluiting behouden voor de provinciën Noord-Braband, Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht, Vriesland, Overijssel, Groningen en Drenthe.» Dit niet op enige wettelijke regeling gebaseerde K.b. is nooit ingetrokken en geldt dus – in ieder geval formeel – nog steeds.
[6] Gorter, D., e.a., Taal yan Fryslân, Leeuwarden 1984, 73-130.
[7] Kabinetsstandpunt van 9 december 1953, Kamerstukken II 1953/54, 3321, nr. 1, blz. 1.
[8] Ibidem.
[9] Kabinetsstandpunt van 9 december 1953, blz. 2.
[10] Ibidem.
[11] De Unie van Waterschappen en het IPO hebben een blanco advies uitgebracht; de Rgf een positief advies; en de SVR een neutraal advies. Ook de VNG is overwegend positief in haar advies.
[12] De meeste overige opmerkingen van de Rbb, de provincie en de VNG zijn verwerkt in de tekst van het wetsvoorstel en de MvT.
[13] Zie PG Awb III, p. 52.
[14] Gorter, D., Taal ynFryslân, Leeuwarden 1984, 73-130.
[15] Gorter, D., en Jonkman, R.J., Taal op itwurk fan provinsjaleamtners, Leeuwarden 1993 (nog niet gepubliceerd).
[16] Nr. R03.88.0156, zie ook NJB 1990, 1287.
[17] Lykberjochtiging en itFrysk. Momintopname fan in ûnfolsleinerjochtssteat, Leeuwarden 1987.
[18] Zie PG Awb III, p. 51.
[19] Zie PG Awb III, p. 48.
[20] Zie PG Awb III, p. 50-51.

 

Share This