[Artikel 2:10]

Vervallen per 1 januari 2014.

 

************************************************************************

Historie

Wettekst tot 1 januari 2014:

1. Een schriftelijk stuk in de Friese taal wordt tevens in de Nederlandse taal opgesteld, indien het:
a. bestemd of mede bestemd is voor buiten de provincie Fryslân gevestigde bestuursorganen of bestuursorganen van de centrale overheid,
b. algemeen verbindende voorschriften of beleidsregels inhoudt, of
c. is opgesteld ter directe voorbereiding van de onder b genoemde voorschriften of regels.
2. De bekendmaking, mededeling of terinzagelegging van een schriftelijk stuk als bedoeld in het eerste lid geschiedt in ieder geval ook in de Nederlandse taal, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.

 

Dit artikel is met ingang van 1 juli 1995 ingevoegd bij wet van 4 mei 1995 Stb. 302 (wetsvoorstel 23 543)

[bron: PG Awb III, p. 98-101]

[Eindtekst] Artikel 2:10 [2:12]
1. Een schriftelijk stuk in de Friese taal wordt tevens in de Nederlandse taal opgesteld, indien het:
a. bestemd of mede bestemd is voor buiten de provincie Friesland gevestigde bestuursorganen of bestuursorga­nen van de centrale overheid,
b. algemeen verbindende voorschriften of beleidsregels inhoudt, of
c. is opgesteld ter directe voorbereiding van de onder b genoemde voorschriften of regels.
2. De bekendmaking, mededeling of terinzagelegging van een schriftelijk stuk als bedoeld in het eerste lid geschiedt in ieder geval ook in de Nederlandse taal, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.

Tekst RvS = VvW

Advies RvS

Op een aanvulling van artikel 2:12 ter zake van het in de Friese taal genotuleerde dringt het college niet aan, nu een algemene verplichting ongevraagd vertalingen te leveren hier waarschijnlijk ook onnodige bestuurskosten zou veroorzaken.
4. Artikel 2:12 regelt in welke gevallen een schriftelijk stuk in de Friese taal tevens in de Nederlandse taal dient te worden opgesteld. Onder b van dit artikel worden als zodanig genoemd stukken die algemeen verbindende voorschriften of beleidsregels bevatten. Naar aanleiding van een advies van de Raad voor het binnenlands bestuur (Rbb) wordt in de toelichting (hoofdstuk III, paragraaf 13) opgemerkt dat ook stukken ter directe voorbereiding van documenten met voorschriften van algemene strekking door de ondertekenaren van het wetsvoorstel worden geacht te vallen in de categorie van verplicht dubbeltalige documenten. Het verdient naar het oordeel van het college aanbeveling dit niet alleen in de toelichting te vermelden, maar deze categorie van stukken ook in de tekst van het artikel zelf te vermelden.
De Raad adviseert voorts in te gaan op de vraag hoe de verhouding is van artikel 2:12, aanhef en onder b, tot de bepalingen in de Gemeentewet over bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden. Eveneens verdient het aanbeveling uitdrukkelijk voor te schrijven dat tenminste alle stukken die algemeen verbindende voorschriften en beleidsvoornemens bevatten, ook in het Nederlands worden gepubliceerd.

Nader rapport

4. De aanbeveling van de Raad om ook stukken ter directe voorbereiding van documenten met voorschriften van algemene strekking in artikel 2:12 te vermelden, in plaats van uitsluitend in de toelichting, nemen wij over. De redactie van artikel 2:12 is in die zin gewijzigd.
Het advies van de Raad om in de toelichting in te gaan op de vraag hoe de verhouding van artikel 2:12, aanhef en onder b, is met de bepalingen in de Gemeentewet over bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden, hebben wij opgevolgd.
Naar aanleiding van de suggestie van de Raad om uitdrukkelijk voor te schrijven dat tenminste alle stukken die algemeen verbindende voorschriften bevatten, ook in het Nederlands worden gepubliceerd, hebben wij aan artikel 2:12 een tweede lid toegevoegd. Daarin wordt voorgeschreven dat in beide talen gestelde schriftelijke stukken in ieder geval ook in de Nederlandse taal moeten worden bekend gemaakt, medegedeeld of ter inzage gelegd, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat. Deze redactie opent de mogelijkheid om documenten ook in één taal bekend te maken of mede te delen. Om praktische redenen is het gewenst dat deze mogelijkheid wordt geopend: zo zal voor een bestuursorgaan buiten Friesland een Friestalige versie van een document (bijvoorbeeld een bepaald soort vergunning) nauwelijks interessant zijn, terwijl de persoon die in het Fries om deze vergunning heeft verzocht, geen behoefte zal hebben aan een Nederlandstalige versie van die vergunning.

VvW = Eindtekst 

Memorie van toelichting

De Rbb acht de in artikel 2:12, eerste lid, onder b, genoemde categorie van verplicht dubbeltalige documenten te beperkt omschreven.
Niet alleen overheidsdocumenten die één of meer algemene voorschriften bevatten zouden altijd (ook) in het Nederlands behoren te zijn gesteld, ook stukken ter voorbereiding van dergelijke documenten zouden dubbeltaligof enkeltalig in het Nederlands moeten verschijnen. Aan dit bezwaar is in zoverre tegemoet gekomen dat ook stukken ter directe voorbereiding van documenten met voorschriften van algemene strekking door ons in de eerder genoemde categorie van verplicht dubbeltalige documenten zijn opgenomen (artikel 2:12, eerste lid, onder c).
De Rbb plaatst een kritische kanttekening bij de rechtstreekse toekenning van bevoegdheden aan intergemeentelijke samenwerkingsver­banden op basis van de Wgr. Een dergelijke rechtstreekse toekenning zou zich slecht verdragen met het verlengd-lokale karakter van deze samenwerkingsverbanden. Volgens de Rbb verdient het de voorkeur dat de samenwerkende gemeenten deze bevoegdheden toekennen aan het samenwerkingsverband. Aldus zou ook een betere waarborg worden geboden voor de bescherming van de belangen van de overwegend Nederlandstalige gemeenten in Friesland.
Het gaat in het wetsvoorstel niet om de toekenning van verordenende bevoegdheden gericht op materiële taakbehartiging, maar om de toekenning van bevoegdheden die de wijze van uitoefening van deze materiële verordenende bevoegdheden betreffen. Er is dus geen sprake van strijdigheid met letter en geest van de Wgr. Over het andere bezwaar van de Rbb merken wij op dat wij er – gelet op de bestuurspraktijk in Friesland – alle vertrouwen in hebben dat in samenwerkingsver­banden waarin ook Nederlandstalige gemeenten participeren, de belangen van deze gemeenten niet in het gedrang zullen komen. Wij verwachten dat voor de afwijkende positie van de overwegend Nederlandstalige gemeenten praktische oplossingen zullen worden gevonden.
[…]
Tweede lid De wijze waarop in het Fries en het Nederlands gestelde stukken die algemene voorschriften bevatten, worden bekend gemaakt en in werking treden, is in hoofdzaak geregeld in de nieuwe Gemeentewet (artt. 140-145).
Artikel 2:12, tweede lid, ziet op de taal die wordt gebruikt bij bekend­making, mededeling en terinzagelegging. Bekendmaking, mededeling en terinzagelegging van in beide talen gestelde schriftelijke stukken dient in ieder geval ook in het Nederlands te geschieden, tenzij kan worden aangenomen dat daaraan redelijkerwijs geen behoefte bestaat. Deze redactie opent de mogelijkheid om documenten ook in één van beide talen bekend te maken of mede te delen. Met name om praktische redenen is het gewenst dat die mogelijkheid wordt geopend. Zo zal het voor een bestuursorgaan buiten Friesland nauwelijks interessant zijn om van een bepaald document ook de Friestalige versie te ontvangen. Anderzijds heeft iemand die een in het Fries gesteld verzoek om een vergunning heeft ingediend, hoogstwaarschijnlijk geen behoefte aan een Nederlandstalige versie van die vergunning.

Verslag II

De leden van de CDA-fractie stemden in met de bepalingen die de norm vast­leggen voor de taalkeuze in algemeen verbindende voorschrif­ten en beleids­re­gels. Zij vroegen echter een verduidelijking bij artikel 2:12, eerste lid, sub c. Heeft deze bepaling ook betrekking op stukken die vallen onder de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB)? Ook vroegen zij een reactie op de kritiek van het «Berie» en het College van Gedeputeerde Staten van Friesland, dat dit onderdeel een beperking zou inhouden van het gebruik van het Fries. In dit verband stelden zij ook nog de vraag of van een in het Fries gesteld stuk, dat op grond van de WOB is verstrekt een vertaling kan worden verlangd door een niet-Friestalige.
Wat de leden van de VVD-fractie heeft verbaasd is dat op enkele punten de vastlegging in de wet geen codificatie is van de huidige praktijk, maar een verslechtering inhoudt voor de positie van het Fries. Dit betreft dan vooral de artikelen 2:12 en 2:13. Voor wat betreft artikel 2:12 wordt in het eerste lid, sub c, nu voorgeschreven dat stukken die zijn opgesteld ter directe voorbereiding van algemeen verbindende voorschriften of beleidsregels altijd ook in het Nederlands moeten worden opgesteld. In de huidige bestuurspraktijk gebeurt dat niet altijd en leidt dit nergens tot problemen, omdat direct belanghebbenden via de eerste 2 leden van dit artikel rechtsbe­scherming genieten. Zij vroegen de regering dan ook af te zien van deze bepaling, omdat dat er al snel toe zal leiden dat uitslui­tend de Nederland­se taal gehanteerd zal worden, omdat tweetaligheid kostbaarder is. Deze leden waren met het bestuur van de provincie van mening dat dit geen goede zaak is en waar het algemeen belang noch het individueel van belang van burgers niet in het geding is en bovendien de praktijk laat zien dat het geen probleem is, zagen zij, in tegenstelling tot de Raad van State geen reden een dergelijke bepaling in het wetsvoor­stel op te nemen.

Nota naar aanleiding van het verslag II

De leden van de CDA-fractie vroegen of artikel 2:12, eerste lid, onder c, ook betrekking heeft op stukken die vallen onder de werking van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB). Voorts stelden deze leden de vraag of van een in het Fries gesteld stuk, dat op grond van de WOB is verstrekt, een vertaling kan worden verlangd door een niet-Friestalige burger.
Schriftelijke stukken die zijn opgesteld ter directe voorbereiding van algemeen verbindende voorschriften of beleidsregels vallen onder de werking van de WOB. Bij de verstrekking van deze stukken zullen overigens de bepalingen van de WOB in acht moeten worden genomen.
Het is echter niet zo dat elk in het Fries gesteld stuk dat op grond van de WOB is verstrekt, desgevraagd gratis in het Nederlands wordt vertaald. Dat laatste is alleen het geval indien het een stuk betreft in de zin van artikel 2:12, eerste lid (van deze stukken is namelijk altijd al een Nederlandstalige versie beschikbaar, zodat het niet voor de hand ligt (extra) vertaalkosten in rekening te brengen bij degenen die om een exemplaar van dat stuk vraagt) of artikel 2:13, derde lid. Voor het vertalen in het Nederlands van documenten die niet onder de werking van één van deze bepalingen vallen, geldt dat hiervoor op grond van artikel 2:13, eerste en tweede lid, een redelijke vergoeding kan worden verlangd.
De leden van [de] fractie van het CDA vroegen om een reactie op kritiek van Friese zijde dat artikel 2:12, eerste lid, onder c, een beperking zou inhouden van het gebruik van de Friese taal. De leden van de VVD-fractie onderschreven deze kritiek. Deze leden meenden dat er geen sprake is van codificatie van de huidige praktijk, maar van een onnodige verslechtering van de positie van het Fries. Belanghebbende niet-Friestalige burgers kunnen immers op grond van artikel 2:13, derde lid, onder b, een gratis vertaling van de desbetreffende documenten ontvangen. De leden van de VVD-fractie verzochten de regering daarom af te zien van deze bepaling.
De door de leden van de VVD-fractie onderschreven kritiek van gedeputeerde staten van Friesland en het «BeriefoaritFrysk» gaat voorbij aan het feit dat stukken ter directe voorbereiding van algemeen verbin­dende voorschriften en beleidsregels in beginsel voor alle burgers van belang kunnen zijn, terwijl zij niet altijd op grond van artikel 2:13, derde lid, onder b, aanspraak kunnen maken op het gratis vertalen in het Nederlands. Wij menen dat het recht van niet-Friestaligen om kennis te kunnen nemen van voor de openbare besluitvorming relevante stukken hier dient te prevaleren boven de in verband met de emancipatie van de Friese taal wenselijke terughoudendheid ten aanzien van verplichtingen overheidsdocumenten altijd (ook) in het Nederlands op te stellen. Overigens gaat het om een beperkte categorie stukken die doorgaans ­ook indien zou worden afgezien van artikel 2:12, eerste lid, onder c, – toch al in het Nederlands zou moeten worden vertaald, zij het in een later stadium, namelijk op grond van artikel 2:12, eerste lid, onder b. Van een verslechtering van de positie van het Fries als gevolg van artikel 2:12, eerste lid, onder c, is dus nauwelijks sprake.

Handelingen II

De heer Kamp (VVD, p. 6102): Voorzitter! In artikel 2:10, eerste lid, worden aan WGR-samenwerkingsverbanden verordenende bevoegdheden gegeven. Ik vraag mij af of dat weer een klein stapje is in de richting van een vierde binnenlandse bestuurslaag. Ik vraag mij ook af of die WGR-samenwerkingsverbanden op dit moment al dergelijke rechtstreekse verordenende bevoegdheden hebben. Ik hoor daarover graag een bespiegeling van de staatssecretaris.
Mevrouw Kalsbeek-Jasperse(PvdA, p. 6104): Allereerst is er de voorgestelde wijziging van artikel 2:12, eerste lid, onder c. Het gaat daarin om stukken die dienen ter directe voorbereiding van algemeen verbindende voorschriften of beleidsregels. Ook deze zouden dubbeltalig moeten verschijnen, net zoals bijvoorbeeld de algemeen verbindende voor­schriften zelf. De provincie Friesland ziet dit lid graag geschrapt, omdat zij meent dat deze verplichting tot dubbeltaligheid in de praktijk zal betekenen dat niet in het Fries wordt gepubliceerd als het gaat om voorbereidende stukken. Deze wens van het Friese provinciebestuur was aanvankelijk gehonoreerd in een amendement van de VVD, maar dat is ingetrokken. Toch ga ik er nog even op in om mogelijke misverstan­den te voorkomen.
De provincie Friesland motiveert haar wens inzake dit amendement als volgt. Lid 1c is opgenomen naar aanleiding van het advies van de Raad van State. Wil men echter ruimte voor het Fries creëren dan is het wenselijk dit artikel te schrappen aangezien het onnodige beperkingen aan het gebruik van het Fries oplegt. Dat is onnodig, zo wordt gesteld, omdat bij stukken die alleen in het Fries worden opgesteld de Nederlandstalige burger via de leden 1a en 1b van artikel 2:12 rechtsbescher­ming geniet. Als er belangen in het geding zijn, zo wordt verder gesteld, wordt een gratis vertaling geleverd.
Naar aanleiding van deze motivering heb ik een vraag aan de staatssecretaris. Het komt mij voor dat hier sprake moet zijn van een misverstand. De leden 1a en 1b van artikel 2:12 regelen dat stukken ook in het Nederlands gesteld moeten zijn als zij bestemd of mede bestemd zijn voor buiten de provincie Friesland gelegen bestuursorganen of bestuursorganen van de centrale overheid of als zij algemeen verbindende voorschriften bevatten. Dit biedt geen soelaas aan de burger die nu juist is geïnteresseerd in de stukken die bijvoorbeeld voorafgaan aan vergunningverlening of bestemmingsplanwijziging. Die stukken vallen immers niet onder de beschrijving, weergegeven in de leden 1a of 1b. Evenmin biedt de bepaling met betrekking tot de belanghebbende, artikel 2:13, lid 3b, uitkomst. Immers, het kosteloze recht op vertaling geldt slechts als er sprake is van een besluit of een andere handeling. Het komt mij nogal gekunsteld voor om daar een voorbereidend stuk onder te laten vallen. Graag verkrijg ik hierop een reactie. Voor de fractie van de PvdA geldt dat ook iemand die bijvoor­beeld nog maar kort in Friesland woont, maar wel graag wil weten wat er gaande is rond een mogelijke wijziging van een bestemmingsplan, over alle voorbereidende informatie moet kunnen beschikken.
De heer Hoekema (D66, p. 6108): Allereerst iets over artikel 2:12, de verplichte vertaling en aanbieding van stukken in de Nederlandse taal. Het ligt voor de hand dat algemeen verbindende voorschriften of beleidsregels ook in het Nederlands worden aangeboden. Mijn fractie heeft echter, met gedeputeerde staten van Friesland, wel enige twijfels over de ruime bepaling dat ook stukken ter directe voorbereiding van die voorschriften of regels in het Nederlands moeten worden aangeboden. Dit kan immers, bij een ruime interpretatie van het begrip “directe voorbereiding”, de deur openzetten voor vertaling van dikke beleidsnota’s, verslagen van commissievergaderingen en wat dies meer zij. Daarmee zou mogelijker­wijze het gebruik van het Fries kunnen worden ontmoedigd.
Mijn fractie had sympathie voor de suggestie van gedeputeerde staten van Friesland om die bepaling te schrappen, maar kan zich op zichzelf ook voorstellen dat in de taalkeuze­verordening van de provincie en de verordeningen van de gemeenten een restrictieve uitleg van deze bepaling wordt vastgelegd. Mijn collega Kamp van de VVD sprak hier ook al over. Wij zouden graag het oordeel van de regering hierover horen.
Staatssecretaris Kohnstamm (p. 6114): Voorzitter! Mevrouw Kalsbeekheeft enkele opmerkingen gemaakt over artikel 2:12, eerste lid, sub c. Ik ben het op dit punt volstrekt met haar eens. Ook waar zij een verbinding legt met artikel 2:11 kan ik haar analyse onder­schrijven.
De heer Scheltema (p. 6115): De heer Kamp had nog een vraag over artikel 2:10, omdat hij zich afvroeg hoe het zit met bestuurs­organen in de provincie Friesland. Hij vroeg zich af of samenwerkingsver­banden regels over dit soort onderwerpen mogen maken. Inderdaad is dat het geval. WGR-­samenwerkingsverbanden hebben regelgevende bevoegdheden. Die kunnen zij ook gebruiken voor het treffen van regels over het Fries.
Mevrouw Kalsbeek-Jasperse (PvdA, p. 6120): Ik meende een misver­stand te bespeuren bij de provincie Friesland ten opzichte van artikel 2:12. Staatssecretaris Kohnstamm gaf mij daarin gelijk. Ik kom daarop nog even terug. De provincie Friesland had eigenlijk nog maar twee harte wensen die zij ingewilligd wilde zien. De ene betrof de notulen en de andere de voorberei­dende stukken. Friesland vond de bepaling in dat artikel onnodig. De burger die te goeder trouw is of “belanghebbend”, kan toch wel aan een vertaling komen. Daarbij werd verwezen naar een aantal artikelen. Wij hebben vanmiddag vastgesteld dat dit onjuist is. Ik vind het grappig om te merken dat de provincie Friesland wil dat burgers rechten krijgen en dat die burgers voluit mee kunnen doen aan het democratisch proces. Dat blijkt namelijk uit de motivering die zij gaven voor het amendement dat zij zelf voorstelden. Nu die motivering op een misverstand berust, moet de wet inderdaad zo luiden als hij nu luidt, willen wij doen wat Friesland ook wil. […]

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2005 gewijzigd bij wet van 9 september 2004 Stb. 493 (wetsvoorstel 29 008)(alleen eindtekst)

[Eindtekst] In de artikelen 2:7 tot en met 2:10 en 2:12 wordt de benaming «Friesland» telkens vervangen door: Fryslân.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2014 vervallen bij wet van 2 oktober 2013, Stb. 2013, 382 (Wet gebruik Friese taal; kamerstukken 33 335)

[Eindtekst] Artikelen 2:7 tot en met 2:12 vervallen.

Voorstel van wet

Memorie van toelichting

4. Fries in het bestuurlijk verkeer

In 1995 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gewijzigd9. De regering achtte het uiteindelijk toch wenselijk wetgeving tot stand te brengen om de positie van de Friese taal als tweede bestuurstaal in de provincie Fryslân wettelijk te verankeren. Het verlangen vanuit Fryslân om de Friese taal een plaats te geven in het bestuurlijk verkeer speelt al vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw. Naar aanleiding van een advies van de Commissie-Kingma Boltjes nam het toenmalige kabinet in 1953 weliswaar een inhoudelijk standpunt in over de plaats van het Fries zowel in het bestuurlijk verkeer als in het rechtsverkeer10, zo werd het gebruik van het Fries in het mondelinge verkeer tussen burger en overheid over en weer in beginsel toegestaan maar een wettelijke regeling voor het Fries in het bestuurlijk verkeer werd destijds niet nodig geacht.

Nederland voldoet met de bepalingen in de Awb in formele zin aan de verdragsverplichtingen betreffende de regels die in de internationale verdragen gesteld zijn voor het Fries in het bestuurlijk verkeer, maar die regels gaan niet uit van het principe van gelijke rechten van de beide talen in Fryslân. Bijgevolg heeft het Fries nog steeds een bescheiden positie in het bestuurlijk verkeer in de provincie Fryslân. De Awb bevat namelijk verschillende uitzonderingsbepalingen waardoor het recht van een burger die zich van het Fries wil bedienen vrij eenvoudig kan worden aangetast of beperkt. Daarom worden in het voorliggend wetsvoorstel verschillende bepalingen afkomstig uit de Awb aangescherpt om aldus een betere waarborg te kunnen bieden voor de gelijke positie van het Fries ten opzichte van het Nederlands in de provincie Fryslân.

 Artikel 3

Artikel 2:7 van de Awb bepaalt dat een ieder de Friese taal kan gebruiken in het verkeer met bestuursorganen voor zover deze in de provincie Fryslân zijn gevestigd. Wel kunnen bestuursorganen verzoeken de Nederlandse taal te gebruiken op de grond dat het gebruik van de Friese taal tot een onevenredige belasting van het bestuurlijk verkeer leidt. Deze bepaling is in dit wetsvoorstel overgenomen.

Artikel 4

Het is van grote betekenis dat bestuursorganen in de provincie Fryslân zich kunnen bedienen van zowel het Nederlands als het Fries. Daarbij past ook dat de wet moet borgen dat het bestuursorgaan zich in het mondeling verkeer van de Nederlandse taal bedient, als het gebruik van de Friese taal tot een onbevredigend verloop van het verkeer tussen burgers en het bestuursorgaan zou leiden. In de praktijk levert dat voor zover bekend geen problemen op. Met deze bepaling is overigens niet beoogd te regelen dat een enkele burger die het Fries niet machtig is kan afdwingen dat een openbare bijeenkomst, zoals een hoorzitting, geheel in het Nederlands geschiedt. De betreffende burger dient in die gevallen wel in de gelegenheid te worden gesteld de bijeenkomst te volgen (bv. door een samenvatting in het Nederlands) en zelf in het Nederlands te worden benaderd, maar voor het overige kan wel Fries worden gebezigd.

Artikel 5

Op grond van artikel 2:9, eerste lid, van de Awb kunnen in Fryslân gevestigde bestuursorganen, die niet tot de centrale overheid behoren, regels stellen over het gebruik van de Friese taal in schriftelijke stukken. Het voorstel is om deze bestuursorganen wettelijk voor te schrijven dat zij regels opstellen inzake het gebruik van de Friese taal zowel in schriftelijke stukken als in het mondeling verkeer. De regels bevatten in ieder geval bepalingen aangaande het versterken van de positie van de Friese taal binnen het werkgebied van het betreffende bestuursorgaan. Ook stellen zij aanvullend een beleidsplan over het gebruik van de Friese taal. Dit sluit aan bij de praktijk. In de praktijk hebben vrijwel alle gemeenten in de provincie Fryslân reeds een taalverordening en/of beleidsplan Fries opgesteld. Ook de Provincie Fryslân en het Wetterskip Fryslân beschikken over taalverordeningen en beleidsplannen Fries. Het vaststellen van een taalverordening en beleidsplan Fries biedt belangrijke voordelen, zo is de afgelopen jaren gebleken. Daarmee beschikken Friese gemeenten en andere in Fryslân gevestigde bestuursorganen die niet tot de centrale overheid behoren over instrumenten om nader uitwerking te geven aan het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer. Het belang daarvan is in de eerste plaats dat deze instrumenten de burger meer duidelijkheid bieden op welke wijze de lokale overheid invulling geeft aan het beleid inzake het Fries in het bestuurlijk verkeer. Verder biedt een beleidsplan Fries elke gemeente of andere decentrale overheid de mogelijkheid om maatwerk te leveren; in een taalbeleidsplan is ruimte voor meer praktische zaken die aandacht verdienen.

Een uitzondering wordt gemaakt voor een aantal gemeenten in de provincie Fryslân, waar de Friese taal niet de dagelijkse omgangstaal is van de bevolking. Het betreft de gemeenten Ameland, Schiermonnikoog, Terschelling, Vlieland en Weststellingwerf. Dit wetsvoorstel beoogt niet de ruimte te beperken voor gemeenten om in voorkomende gevallen in een beleidsplan of verordening bepalingen op te nemen inzake het gebruik van een andere taal, zoals het Bildts of Stellingwerfs.

Artikel 6

Het eerste lid van het voorgestelde artikel komt grotendeels overeen met het huidige artikel 2:9, tweede lid, van de Awb, dat regelt dat de desbetreffende minister regels kan stellen over het gebruik van de Friese taal door gedeconcentreerde rijksdiensten waarvan het werkterrein zich uitstrekt tot (een deel van) de provincie Fryslân. De mogelijkheid om regels te stellen over het gebruik van de Friese taal is daarbij uitgebreid tot het mondelinge verkeer, net als in artikel 5.

Daarnaast is de mogelijkheid opgenomen voor een onderdeel van de centrale overheid om een beleidsplan op te stellen inzake het gebruik van de Friese taal (voorgestelde tweede lid). Daarin kan de uitvoering van de regels bedoeld in het eerste lid worden uitgewerkt. Overigens zijn in de huidige praktijk door ministers nog geen regels als bedoeld in artikel 2:9, tweede lid, Awb gesteld over het gebruik van de Friese taal. De voorgestelde bepaling dient als stimulans om in overleg met het nieuwe Orgaan voor de Friese taal te komen tot dergelijke regels en beleidsplannen.

Artikel 7

Het voorgestelde artikel 7 bevat slechts één wijziging ten opzichte van het huidige artikel 2:10 Awb. Het betreft de verplichting om schriftelijke stukken in de Friese taal die zijn opgesteld ter directe voorbereiding van algemeen verbindende voorschriften (avv’s) of beleidsregels ook in het Nederlands op te stellen. Deze verplichting wordt in het voorgestelde artikel geschrapt en dat geldt dan ook voor de – in beginsel – verplichte bekendmaking, mededeling of terinzagelegging in de Nederlandse taal van een dergelijk stuk (zie het tweede lid). In de praktijk worden de stukken die ter directe voorbereiding van avv’s en beleidsregels worden opgesteld veelal in het Fries opgesteld en blijkt er geen behoefte aan een vertaling in het Nederlands. De stukken dienen vaak slechts voor intern gebruik en het standaard vertalen van de stukken is dan ook onnodig.

Artikelen 8 en 9

De voorgestelde artikelen 8 en 9 komen overeen met de huidige artikelen 2:11 respectievelijk 2:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarmee is geen wijziging ten opzichte van de huidige situatie beoogd.

 

Nota van Wijziging (nr. 5)

B

Na artikel 31 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 31a

De artikelen 2:7 tot en met 2:12 van de Algemene wet bestuursrecht vervallen.

Toelichting

Daarnaast wordt in onderdeel B van deze nota van wijziging een omissie hersteld. Zoals blijkt uit de memorie van toelichting, moeten de bepalingen over het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer (hoofdstuk 2 van het wetsvoorstel) in de plaats treden van de desbetreffende regeling in de artikelen 2:7 tot en met 2:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Abusievelijk was in het ingediende wetsvoorstel deze wijziging van de Awb niet opgenomen. Via deze nota van wijziging gebeurt dit alsnog. Deze nota van wijziging wordt mede namens de minister van Veiligheid en Justitie uitgebracht.

 

Share This