[Artikel 2:12]

Vervallen per 1 januari 2014.

 

******************************************************

Historie

Wettekst tot 1 januari 2014:

1. Een ieder kan in vergaderingen van in de provincie Fryslân gevestigde vertegenwoordigende organen de Friese taal gebruiken.
2. Hetgeen in de Friese taal is gezegd, wordt in de Friese taal genotuleerd.

 

Dit artikel is met ingang van 1 juli 1995 ingevoegd bij wet van 4 mei 1995 Stb. 302 (wetsvoorstel 23 543)

[bron: PG Awb III, p. 116-119]

[Eindtekst] Artikel 2:12 [2:9]
1. Een ieder kan in vergaderingen van in de provincie Friesland gevestigde vertegenwoordigende organen de Friese taal gebruiken.
2. Hetgeen in de Friese taal is gezegd, wordt in de Friese taal genotu­leerd.

Tekst RvS = VvW

Advies RvS

3. In dit verband wijst het college in het bijzonder nog op artikel 2:9 van het voorstel dat betrekking heeft op het gebruik van de Friese taal in vergaderingen van in de provincie Friesland gevestigde vertegenwoordi­gende organen. Het is naar de mening van de Raad op zichzelf uiteraard juist dat degenen die er de voorkeur aan geven zich in die vergaderingen uit te drukken in de Friese taal daar ook bij wet het recht toe wordt gegeven. De vraag is evenwel hoe dit recht zich verhoudt tot het recht van die deelnemers aan de gedachtenwisseling of besluit­vorming die het Fries niet of slechts in beperkte mate beheersen. Deze verstaan wellicht tijdens de verga­dering niet of onvoldoende hetgeen is gezegd. Zij zullen ook aan de notulen slechts beperkte steun hebben. Wanneer de in punt 2 van dit advies genoemde cijfers omtrent de kennis en het gebruik van de Friese taal juist zijn, kan deze bepaling de communicatie en besluitvorming ter vergadering bemoeilijken.
Juist waar het om vertegenwoordigende organen gaat acht het college bijzondere omzichtigheid geboden. In die organen is immers bij uitstek niet alleen de zojuist bedoelde, bestuurs­technisch te noemen, kwestie in het geding, maar is mede de deelneming aan het democratisch proces aan de orde. De Raad is dan ook van oordeel, dat een nadere voorziening geboden is.

Nader rapport

3. De door de Raad gevraagde nadere voorziening ten behoeve van in vertegenwoordigende lichamen gekozenen die de Friese taal niet of onvoldoende beheersen, lijkt ons niet nodig. De praktijk in Friesland laat namelijk zien dat dit probleem zich niet voordoet. Ook uit recent onderzoek blijkt dat een zeer hoog percentage van de Friese bevolking de Friese taal redelijk tot goed kan verstaan. Degenen van wie de passieve beheersing van het Fries onvoldoende is, zullen doorgaans ofwel in overwegend niet-Friestalige gemeenten (bijvoorbeeld de Waddeneilanden, West- en Ooststellingwerf) wonen, waar de voertaal in de gemeenteraad het Nederlands is, ofwel nog maar kort in Friesland woonachtig zijn. Nu zich blijkens de praktijk ten aanzien van laatstgenoemde categorie personen geen problemen voordoen, moeten wij aannemen dat slechts weinigen uit die categorie zich voor de raadsverkiezingen kandidaat stellen. Kennelijk wacht men daarmee totdat een wat sterkere binding met de lokale gemeenschap, onder meer via ten minste een passieve kennis van het Fries, is ontstaan. Indien zich echter toch het door de Raad genoemde probleem zou voordoen, zullen wij alsnog een passende voorziening creëren.

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

In het advies van de provincie Friesland over het voorontwerp werd sterk aangedrongen op het opnemen van een afzonderlijke bepaling waarin het gebruik van de Friese taal in vertegenwoordigende organen expliciet wordt toegestaan. Bij nader inzien zijn ook wij van mening dat de duidelijkheid gediend is met een dergelijke bepaling. Onder het begrip «vertegenwoordigend orgaan» valt ook het algemeen bestuur van een bij gemeenschappelijke regeling ingesteld openbaar lichaam of gemeen­schappelijk orgaan.
De positie van primair Nederlandstalige leden van overwegend Friestalige vertegenwoordigende lichamen blijkt in de praktijk geen nadelige gevolgen te ondervinden van de omstandigheid dat een groot deel van de beraadslagingen in het Fries plaatsvinden. Mocht in de toekomst blijken dat hierin verandering optreedt en het functioneren van Nederlandstaligen in overwegend Friestalige vertegenwoordigende lichamen wél in belangrijke mate wordt belemmerd, dan zullen wij een passende voorziening creëren.

Verslag II

De leden van de CDA-fractie hadden inhoudelijk geen problemen met dit artikel. Wel vroegen zij, wat het verschil is tussen het gebruik van de Friese taal van bestuursorga­nen (en derhalve de leden daarvan) binnen de provincie zoals artikel 2:8 dit vermeldt, en het gebruik van het Fries in vergaderingen binnen Friesland. Is hier geen sprake van een doublure?
Ook vroegen deze leden, waarom het gehele artikel in de Algemene wet bestuursrecht is opgenomen, aangezien het immers niet gaat om het verkeer tussen burgers en bestuursorganen.
De leden van de PvdA-fractie vroegen of dit artikel thuis hoort in de Algemene wet bestuursrecht, en zeker of het in Hoofdstuk 2 Algemene wet bestuursrecht moet staan; het gaat hier immers niet om het verkeer tussen burgers en bestuursorganen.
Verder onderbreekt in het artikel de samenhang tussen de artikelen 2:7, 2:8 en 2:10, te weten: 2:7 – schriftelijk en mondeling verkeer van burger naar bestuursor­gaan. 2:8 – mondeling verkeer van bestuursorgaan naar burger. 2:10 – schriftelijk verkeer van bestuursorgaan naar burger.
Wil men een dergelijk artikel opnemen dan past het beter aan het slot van de Afdeling, zo meenden de leden van de PvdA-fractie.
[…]
De leden van de PvdA-fractie vroegen waarom de regering een aanpassing van artikel 2:9 Algemene wet bestuursrecht nu nog niet opportuun acht. De leden van de SGP-fractie vroegen of artikel 2:9 feitelijk geen beperking oplevert voor het uitoefenen van het passief kiesrecht voor een deel van de Friese bevolking. De reactie van de regering op een vergelijkbare vraag van de Raad van State vonden zij onvoldoende overtui­gend. De leden van de GPV-fractie hadden er begrip voor dat de regering het nadrukkelijk verzoek van de provincie Friesland had gehonoreerd om in de wet op te nemen de bepaling dat de Friese taal in vertegenwoordi­gende organen wordt toege­staan. Zij wezen er evenwel op dat het hier gaat om een niet onbelangrijke materie aangezien er spanning kan ontstaan met het uitoefenen van het passieve kiesrecht door niet-Friestalige volksvertegenwoordigers. De regering onderkent dit door op te merken dat bij problemen in de toekomst een passende voorziening zal worden gecreëerd. Zal evenwel in een dergelijke situatie een onverhoopt ingrijpen door de minister van Binnenlandse Zaken of de wetgever geen voorwerp van taalpolitieke strijd worden? Kan dit niet beter worden voorkomen, zo vroegen de leden van de GPV-fractie.
De leden van de SGP-fractie vroegen of een adequate regeling van het gebruik van de Nederlandse en Friese taal in het bestuurlijk en rechtsverkeer niet steeds bepalingen met zich mee zal brengen die naar hun aard niet geheel in een bestaande (algemene) wet passen. In dit verband we­zen zij ook op het voorgestelde artikel 2:9 Algemene wet bestuurs­recht. Past deze bepaling wel in de Algemene wet bestuursrecht?

Nota naar aanleiding van het verslag II

De leden van de CDA-fractie vroegen zich af of artikel 2:9 geen doublure is van artikel 2:8. De leden van de fracties van CDA en PvdA vroegen of het eerstgenoemde artikel wel in de Algemene wet bestuursrecht thuishoort. Het gaat immers niet om verkeer tussen burgers en bestuurs­organen. De leden van de laatstgenoemde fractie meenden bovendien dat artikel 2:9 de logische samenhang tussen de artikelen 2:7, 2:8 en 2:10 verstoort en dus beter kan worden verplaatst naar het slot van afdeling 2.2.
Artikel 2:9 betreft een zeer specifieke vorm van mondeling verkeer, en draagt bovendien een sterk naar binnen gericht, intern karakter. Het gaat immers om het gebruik van de Friese taal in vergaderingen van vertegen­woordigende organen en niet, zoals in artikel 2:8, om extern bestuurlijk verkeer uitgaande van bestuursorganen. Van een doublure is daarom geen sprake. Anderzijds bestaat er, zoals wij in hoofdstuk III, paragraaf 4 van deze nota hebben uiteengezet, een sterke inhoudelijke samenhang tussen artikel 2:9 en de andere bepalingen. Om die reden heeft plaatsing van dit artikel in de Algemene wet bestuursrecht onze voorkeur. Verplaatsing van artikel 2:9 naar het slot van afdeling 2.2 verbetert inderdaad de opbouw van deze afdeling. Deze suggestie van de leden van de PvdA-fractie is daarom verwerkt in de nota van wijziging.
Wij zijn het met de leden van de SGP-fractie eens dat artikel 2:9 qua karakter enigzins afwijkt van de overige voorgestelde bepalingen. Anderzijds is er echter ook sprake van onderlinge samenhang. Ook hetgeen gezegd wordt in een vergadering van een vertegenwoordigend orgaan is namelijk een vorm van bestuurlijk verkeer, zij het dat de burger er niet direct bij betrokken is Indirect is dat laatste wel het geval: hij kan een vergadering van een vertegenwoordigend orgaan als toehoorder bijwonen of de notulen van die vergadering lezen. Vanwege deze samenhang heeft regeling in de Algemene wet bestuursrecht onze voorkeur boven regeling in een afzonderlijke wet. Daarbij achten wij het ook van belang dat de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht dezelfde voorkeur heeft uitgesproken.

Nota van wijziging

Artikel 2:9 wordt, onder vernummering tot artikel 2:14, ingevoegd na artikel 2:13.

Toelichting NvW
Zie Toelichting Nota van wijziging en Nota naar aanleiding van het verslag II bij artikel 2:6.

Handelingen II

[2:14] De heer Van Middelkoop (GPV, p. 6098-6099): Voorzitter! Ik wil in het laatste deel van mijn betoog stilstaan bij enkele concrete onderdelen van het wetsvoorstel. In het oorspronkelijke artikel 2:9, dat inmiddels is vernum­merd tot 2:14, is het recht vastgelegd om in vergaderingen van provinciale staten en gemeenteraden in de provincie Friesland de Friese taal te gebruiken. Nu gebeurt dit al in de Friese praktijk en voor zover ik weet zonder veel problemen. Mocht een en ander evenwel in de toekomst wel tot problemen leiden, dan zal dat in Friesland niet meer in eigen huis kunnen worden opgelost, maar dient de wetgever op de een of andere manier in te grijpen. Ik heb voor dit punt reeds aandacht gevraagd in de schriftelijke voorbereiding. Het is natuurlijk wel vragen om grote problemen, als de wetgever moet ingrijpen in zo’n gevoelige taalkwes­tie in een provincie of een gemeente. Daarom heeft de GPV-fractie in het voorlopig verslag gevraagd of het verstandig is om dit recht een wettelijke basis te geven. Daar voeg ik nog een andere vraag aan toe, namelijk of deze bevoegdheid niet bij uitstek in handen moet worden gelegd van onze op democratische wijze gekozen collega’s in de Friese staten en de Friese gemeenteraden. Waarom zou de nationale wetgever daarover überhaupt een wetgevende uitspraak doen? En past het wel in een wet, waarin het toch primair gaat om de relatie tussen overheid en burger? Kortom, het mag duidelijk zijn dat ik niet overtuigd ben van de wijsheid om dat recht een wettelijke basis te geven. Om alle misverstan­den te voorkomen; de zaak zelf, namelijk het gebruik van de Friese taal in vertegenwoordigende lichamen in Friesland, heeft vanzelfsprekend mijn volle instem­ming. Maar daar gaat het nu niet om.
Uit recent binnengekomen commentaren blijken de grootste problemen te worden verwacht waar de gelijkberechtiging van het Fries in de praktijk tot bepaalde kosten leidt. Zo bestaat de vrees dat het recht van burgers om de notulen van staten- of raadsvergaderingen op verzoek kosteloos in het Nederlands te krijgen, in de praktijk zal leiden tot een om financiële redenen uitslui­tend in het Nederlands notuleren. Collega Kamp heeft deze vrees willen verwoorden door op dit punt het amendement op stuk nr. 8 in te dienen. Ik moet bekennen, dat ik weinig grond zie voor deze vrees. Immers, in artikel 2:14 wordt toch imperatief voorgeschreven, dat hetgeen in de Friese taal in vertegenwoordigende organen is gezegd, in het Fries dient te worden genotuleerd. Als er al een probleem is, dan is het mijns inziens een financieel probleem, maar is notuleren uitsluitend in het Neder­lands, letterlijk gezien, gewoon niet geoorloofd. Er is echter, zo is mij verteld, nog een andere mogelijk­heid, namelijk dat alle Fries sprekende volksvertegenwoordigers om financiële redenen uitsluitend in het Nederlands zouden gaan spreken. Dat men juist op dit punt zo weinig zelfrespect zou hebben, voorzitter, weiger ik te geloven.
Mevrouw Kalsbeek-Jasperse (PvdA, p. 6104-6105): Het tweede onderdeel ten aanzien waarvan de provincie Friesland graag het wetsvoorstel gewijzigd ziet, betreft de notulen van gemeen­teraden en provinciale staten. In vergaderingen van raden en staten mag Fries worden gesproken; er wordt genotuleerd in de taal waarin er is gesproken. Het is mogelijk dat een burger graag wil weten wat in de raads- of statenvergadering is besproken maar dat zij of hij het Fries niet voldoende beheerst om het Friestalige gedeelte van de notulen te begrijpen. Tot op heden volgt men de lijn dat die burger dan wordt geholpen; haar of hem wordt door een ambtenaar uitgelegd wat er in de notulen staat.
Voorzitter! Ik heb begrepen dat er uit deze praktijk geen problemen voortkomen. Overigens moet hierbij worden aangetekend – ik heb het van horen zeggen maar het zal wel waar zijn ­dat er eigenlijk nooit door burgers om notulen wordt gevraagd; dat is een relativerend aspect. Hoe dan ook, thans is in het wetsvoorstel opgenomen dat burgers kosteloze vertaling van notulen van een raads- ­of statenvergadering moeten kunnen krijgen als zij daarom vragen.
Voor deze bepaling is de provincie Friesland wat beducht. Men vreest dat hier misbruik zal worden gemaakt van een wettelijk recht. Het staat immers iedereen vrij, kosteloos vertalingen van notulen op te vragen. Dit staat dus ook degenen vrij die geen ander doel hebben dan het op kosten jagen van Friese overheidsorganen, misschien wel juist omdat die organen een beleid voeren met betrekking tot de Friese taal. Ook hier gebiedt de eerlijkheid te zeggen, dat er in de praktijk nooit om vertalingen van notulen wordt gevraagd; dat heb ik begrepen van vertegenwoordigers van Friesland. Vaststaat dat vertalingen zouden moeten worden verstrekt; zie de zaak-Spithorst. Waarom zouden nu ineens allerlei kwaadwillende lieden vanaf de inwerkingtreding van de wet om vertaling van notulen gaan vragen? Er lijkt hier sprake te zijn van koudwatervrees.
Hoe dan ook, er moet iets worden geregeld. Eigenlijk is zo’nregeling alleen bedoeld voor extreme situaties. Zo is het mogelijk dat een goedwillende, oprecht geïnteres­seerde burger van Maastricht, lid van de Waddenvereniging, graag wil weten wat er in een bepaalde statenvergadering is gezegd naar aanleiding van voorgenomen gasboringen. Hij vraagt om de notulen, in het Nederlands. De ambtenaar aan Friese zijde – niet zo goedwillend en tegen de instructies van het bestuur om voorkomend te zijn in – laat deze burger weten dat de notulen in het Nederlands verstrekt kunnen worden, zij het tegen vertaalkosten. Ik schat dat die kosten enige honderden guldens bedragen. Wie moet hier nu zijn gelijk krijgen? Mij dunkt, voorzitter, dat dat de Maastrichtenaar moet zijn. Die krijgt zijn gelijk, ook als de wet wordt aangenomen zoals die er nu ligt.
Daarnaast is er die andere extreme situatie waarin ineens tientallen mensen, wellicht een opgericht actiecomité tegen het gebruik van de Friese taal, willekeurig vertaalde notulen gaan opvragen. Baat het niet, het schaadt ook niet; zo zou een dergelijk actiecomité kunnen denken. Het schaadt natuurlijk wèl, maar dan de Friese overheid. Ik heb al gezegd, dat ik de kans hierop niet erg groot acht, maar het kàn.
Voorzitter! Om nu deze vervelende situatie te voorkomen, heb ik samen met collega Koekkoek van het CDA een amendement ingediend dat om technische redenen alweer is gewijzigd. In het oorspronkelijke amendement stond dat belangheb­benden kosteloos vertalingen zouden kunnen krijgen. Men heeft ons erop gewezen dat de gekozen formulering ertoe zou kunnen leiden dat er twee soorten belanghebbenden zouden ontstaan in de Algemene wet bestuursrecht. Dat is niet gewenst; vandaar de nieuwe omschrijving. De Maastrichtenaar houdt recht op een kosteloze vertaling, zij het dat hij daar via zijn vereniging om zal moeten vragen. Het actiecomité tegen het gebruik van de Friese taal krijgt dit recht niet. Het komt mijn fractie voor, dat wij het met deze amendering maar eens moesten proberen.
Op de vraag van de heer Van Middelkoop naar een precieze omschrijving van de hier bedoelde begrippen, heb ik een praktisch antwoord. Ik vind dat hier het betere niet de vijand van het goede mag zijn. Naar mijn oordeel worden de twee door mij geschetste extreme situaties voldoende afgedekt. Of het helemaal precies zo zal lopen als wij nu denken, weten wij natuurlijk niet. Uiteindelijk kan er zelfs een rechter aan te pas komen. Overigens zijn wij er altijd nog zelf bij om na te gaan of er een bijstelling moet plaatsvinden. Ik geloof dat op dit moment door de heer Koekkoek en mijzelf het beste alternatief wordt aangereikt.
De heer Van Middelkoop (GPV, p. 6105): Ik onderschrijf die strekking volledig, maar ik heb een vraag.
Op basis van het amendement zal het mogelijk zijn, dat een rechter moet uitspreken of het oordeel van een burger dat hij, zoals hij dat zal percipiëren, wordt getroffen in zijn legitieme democratische recht op een stuk van bijvoorbeeld een gemeenteraads- of een staten­vergadering. Vindt u dat een gezonde situatie? Het lijkt mij dat de rechter dan in een uiterst ongeluk­kige positie wordt gebracht.
Mevrouw Kalsbeek-Jasperse­(PvdA, p. 6105): Daar moet je mee uitkijken. Democratie is heel belangrijk. Het amendement komt niet zomaar uit de lucht vallen. Er wordt mee beoogd te bemiddelen tussen wat de nationale wetgever heeft bedacht en wat de Friese democratische overheid voorstelt, wat gedeputeerde staten van Friesland, en niet een actiecomité of zo van ons willen. Aan de ene kant is er in mijn voorbeeld de Maastrichtenaar en aan de andere kant het waar het om het Fries gaat kwaadwillende actieco­mité. Die situaties moeten worden afgegrendeld. Wij willen een ieder die goedwillend is en van zijn democratische rechten gebruik wil maken die mogelijkheid bieden. Het zou heel ongewenst zijn als daaraan een rechter te pas kwam. Ik denk eerlijk gezegd ook dat dit niet zal gebeuren, maar mocht het zo zijn – u vroeg naar de precieze afbakening – ­dan is dat ook zo.
Ik denk dat wij het maar moeten proberen met ons amendement en wat ons betreft met de hele verdere wet. Waarschijnlijk wordt zo een bevredigende situatie geconsoli­deerd. Mocht het onverhoopt niet zo zijn, dan trekt de provincie Friesland ongetwijfeld weer aan de bel. Het lijkt mij dat wij dan als wetgever zo nodig weer moeten evalueren en reageren. Ik neem aan dat de staatssecretaris dat met mij eens is.
De heer Van den Berg (SGP, p. 6106-6107): Wat de notulering in het Fries betreft, plaats ik overigens nog een vraagteken bij de wenselijkheid van artikel 2:9, tweede lid. Na de nota van wijziging is dat artikel 2:14, tweede lid, geworden. Daar staat: “Hetgeen in de Friese taal is gezegd, wordt in de Friese taal genotuleerd. Dat is voor de praktijk natuurlijk uitstekend, maar moet dat ook door de wetgever centraal worden voorgeschreven? Bestuursorganen maken hun eigen verordeningen over het gebruik van de Friese taal. Dat is ook bij uitstek een aangelegenheid die wij zouden willen overlaten aan de decentrale bestuursorganen. Een bestuursorgaan dient ook op dat punt de vrijheid te hebben om een eigen beleid te voeren. Nogmaals, recht op gebruik van de Friese taal staat voorop, maar of het ook met de raadsnotulen die kant opgaat, hoeven wij in Den Haag toch niet direct voor te schrijven?
De heer Scheltema (p. 6115): Bij artikel 2:12 gaat het om de vraag of een tekst altijd in het Fries en daarnaast ook in het Nederlands moet worden opgesteld. Een aantal vragen had hierop betrekking. In de eerste plaats geldt de verplichting krachtenshet eerste lid, onder c, ook voor stukken, die zijn opgesteld ter directe voorbereiding van algemeen verbindende voorschriften of regels. Ik meen dat de heren Kamp en Hoekema daarover graag wat meer uitleg willen hebben, omdat zij bang zijn dat de reikwijdte van het artikel misschien iets te ruim is. Die bepaling moet inderdaad niet al te ruim worden uitgelegd. Met het woord direct wordt nu juist bedoeld om de kring van stukken die daaronder vallen niet al te ruim te nemen. Maar wanneer bijvoorbeeld een inspraakprocedure over een algemeen verbindend voorschrift wordt gehouden, is het goed dat voorbereidende stukken ook in het Nederlands zijn gesteld. Anders kan de inspraak niet goed worden gevolgd. Dat spreekt ook wel vanzelf. Het gaat dus om stukken ter directe voorbereiding van die regels.
Mevrouw Kalsbeek en de heer Koekkoek hebben nog gevraagd in welke gevallen precies voorschriften die oorspronkelijk in het Fries zijn opgesteld, ook beschikbaar moeten zijn in het Nederlands. Zij gingen daarbij  vooral in op de bestem­mingsplannen. De heer Koekkoek vroeg of een bestemmingsplan al dan niet een algemeen verbindend voorschrift is. Zoals hij zelf ook al aangaf, is dat niet in het algemeen te zeggen. Zogenaamde postzegel­bestemmingsplannen worden onder het begrip beschikking gebracht. Daarnaast zijn bestemmingsplannen vaak besluiten van algemene strekking wanneer zij een ruimer bereik hebben. Daarnaast komt het voor dat zulke plannen algemeen verbindende voorschriften bevatten. Het ligt bij bestemmingsplannen dus inderdaad nogal ingewikkeld. Voor zover bestemmingsplannen algemeen verbindende voorschriften zijn, vallen zij natuurlijk onder de bepaling. Dat betekent dat ook stukken ter directe voorbereiding daarvan eveneens in het Nederlands moeten worden opgesteld. Natuurlijk kan niet alles geregeld worden. Het is dan ook juist dat voor vergunnin­gen niet automatisch uit artikel 2:12 voortvloeit dat de stukken ter voorbereiding daarvan ook in het Nederlands moeten worden opgesteld.
De heer Hendriks (AOV, p. 6115): U zegt dat een bestemmingsplan van algemene strekking is. Ik neem aan dat u dit bedoelt in de zin van de Wet op de ruimtelijke ordening. Ik wijs erop dat het bestemmingsplan het enige plan is dat wetskracht heeft. Ik weet daarom niet hoe het te rijmen is als een bestemmingsplan in het Fries wordt uitgebracht en landelijk moet worden gelezen.
De heer Scheltema (p. 6115): Bestemmings­plannen zijn inderdaad geregeld in de Wet op de ruimtelijke ordening. Het antwoord op de vraag wat het precies zijn en hoe de bepalingen van deze wet moeten worden toegepast, wordt bepaald door het begrippenkader van de Algemene wet bestuursrecht. Zij kunnen volgens de Algemene wet bestuurs­recht deels algemeen verbindende voorschriften bevatten. Uit de constante jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State blijkt dat zij soms als een beschikking moeten worden beschouwd. Dit neemt niet weg dat zij, in het Fries of in het Nederlands gesteld, steeds rechtskracht hebben als zij op de goede manier worden vastgesteld.
De heer Hendriks (AOV, p. 6115): Ik vind het zeer belangrijk Verdient het geen aanbeveling, in plaats van “algemeen verbindende voor­schriften” te lezen: besluiten van algemene strekking? Ik vraag het mede omdat in dezelfde zin wordt gesproken van beleidsregels, een wat andere categorie, dat ik hier iets van de regeringscommissaris over heb mogen horen. Dank u wel.
De heer Koekkoek (CDA, p. 6115):
De heer Scheltema (p. 6115-6116): Ja, voorzitter het is altijd enigszins een keuze die je moet maken, namelijk hoe ruim je daarbij wilt gaan met de regelingen en met de vraag of stukken ook in het Nederlands moeten worden opgesteld. Inderdaad is het zo dat als je spreekt van een besluit van algemene strekking, de meeste bestemmingsplan­nen er wel onder zullen vallen. Maar dan nog blijft het het geval dat sommige bestem­mingsplannen geen besluit van algemene strekking zijn, zodat je die er dan weer niet onder hebt, terwijl je anderzijds, bij de uitbreiding tot besluiten van algemene strekking, een hele categorie besluiten meeneemt die er nu niet onder valt. Dan is het een beetje een kwestie van afwegen en de afweging is nu zo gemaakt. Ik neem daarbij stellig aan dat de bestuursorganen in Friesland zo af en toe, als dat nodig zal zijn, toch ook een Nederlands stuk zullen maken ook al vloeit dat niet dwingend uit deze bepalingen voort.
Mijnheer de voorzitter! Er was nog een vraag over artikel 2:12; deze had betrekking op de slotwoorden en werd gesteld door de heer Hoekema. Er staat daar dat de stukken in ieder geval ook in de Nederlandse taal worden opgesteld, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat. Welnu, dat is een formule die gekozen is, om te voorkomen dat er dingen gebeuren waar niemand de zin van inziet. Wanneer iemand bijvoorbeeld een vergunning in het Fries heeft aangevraagd, is het niet nodig dat hij ook de Nederlandse tekst daarvan krijgt toegestuurd. Voor dat soort gevallen is dit, ter voorkoming van overbodig werk, opgenomen.
De heer Van Middelkoop (GPV, p. 6119): De staatssecretaris heeft één punt laten liggen en dat zou misschien het probleem helemaal oplossen. Ik heb nadrukkelijk gevraagd of het echt wel nodig is om artikel 2:9 in de wet op te nemen. Dat gaat over de uitspraak van de wetgever over het gebruik van de Friese taal in vertegenwoordigende lichamen. Ik heb hiervoor een aantal argumenten genoemd. Dit wetsvoorstel gaat primair over de relatie tussen overheid en burger en ik vraag mij af of dit artikel daar wel bij past. Een ander argument betreft “soevereiniteit in eigen kring” laat men dit in Friesland in gemeenteraden en provinciale staten toch zelf uitmaken. Als wij dit gedelegeerd houden – en volgens mij kan dat – hebben wij als wetgever hier geen problemen met zaken als notulen en kosteloze vertalingen. Wil de staatssecretaris dit in zijn overwegingen betrekken?
Staatssecretaris Kohnstamm (p. 6119): Voorzitter! Ik neem aan dat de heer Van Middelkoop het heeft over het gewijzigde wetsvoorstel en dus over artikel 2:14.
De heer Van Middelkoop (GPV, p. 6119): Daar heeft de staatssecretaris gelijk in.
Staatssecretaris Kohnstamm (p. 6123): Wat de opmerking van de heer Van Middelkoop over artikel 2:141 betreft is eigenlijk bij interruptie die lijn ook door mijzelf al uitgesproken. Ik denk dat wij die kant niet op moeten gaan, niet in de laatste plaats omdat het nodig is vanwege de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State. Het Nederlands werd in de uitspraak van 1991 geacht de officiële taal in het bestuur en de rechtspraak te zijn. Wij zitten dan met het probleem dat wij iets moeten regelen. Dan zie ik niet hoe je afkomt van artikel 2:14. Ik vind zijn redenering ook niet helemaal consequent. Dat was ook wat ik per interruptie zei. Ik heb bezwaar tegen de twee amendemen­ten. Mij dunkt dat door te volstaan met de bepaling in artikel 2:14 het probleem absoluut niet is opgelost. Het zou een oplossing zijn, maar niet altijd de meest verstandige. Dan leg je hetzelfde probleem elders neer, terwijl het gaat om een probleem waarbij je het belang van de Friese taal moet afwegen tegen het belang van democratische participatie. Met alle respect, grote waardering en vertrouwen in de Friese mede­overheden om dit soort afwegingen natuurlijk ook te maken, ik vind dat het onze taak is op basis van de uitspraak van de Raad van State om de zaak te regelen zoals wij nu bezig zijn haar te regelen.
De voorzitter (p. 162): Artikel 2:14 wordt zonder stemming aangenomen.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2005 gewijzigd bij wet van 9 september 2004 Stb. 493 (wetsvoorstel 29 008) (alleen eindtekst)

[Eindtekst] In de artikelen 2:7 tot en met 2:10 en 2:12 wordt de benaming «Friesland» telkens vervangen door: Fryslân.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2014 vervallen bij wet van 2 oktober 2013, Stb. 2013, 382 (Wet gebruik Friese taal; kamerstukken 33 335)

[Eindtekst] Artikelen 2:7 tot en met 2:12 vervallen.

Voorstel van wet

Memorie van toelichting

4. Fries in het bestuurlijk verkeer

In 1995 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gewijzigd9. De regering achtte het uiteindelijk toch wenselijk wetgeving tot stand te brengen om de positie van de Friese taal als tweede bestuurstaal in de provincie Fryslân wettelijk te verankeren. Het verlangen vanuit Fryslân om de Friese taal een plaats te geven in het bestuurlijk verkeer speelt al vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw. Naar aanleiding van een advies van de Commissie-Kingma Boltjes nam het toenmalige kabinet in 1953 weliswaar een inhoudelijk standpunt in over de plaats van het Fries zowel in het bestuurlijk verkeer als in het rechtsverkeer10, zo werd het gebruik van het Fries in het mondelinge verkeer tussen burger en overheid over en weer in beginsel toegestaan maar een wettelijke regeling voor het Fries in het bestuurlijk verkeer werd destijds niet nodig geacht.

Nederland voldoet met de bepalingen in de Awb in formele zin aan de verdragsverplichtingen betreffende de regels die in de internationale verdragen gesteld zijn voor het Fries in het bestuurlijk verkeer, maar die regels gaan niet uit van het principe van gelijke rechten van de beide talen in Fryslân. Bijgevolg heeft het Fries nog steeds een bescheiden positie in het bestuurlijk verkeer in de provincie Fryslân. De Awb bevat namelijk verschillende uitzonderingsbepalingen waardoor het recht van een burger die zich van het Fries wil bedienen vrij eenvoudig kan worden aangetast of beperkt. Daarom worden in het voorliggend wetsvoorstel verschillende bepalingen afkomstig uit de Awb aangescherpt om aldus een betere waarborg te kunnen bieden voor de gelijke positie van het Fries ten opzichte van het Nederlands in de provincie Fryslân.

 Artikel 3

Artikel 2:7 van de Awb bepaalt dat een ieder de Friese taal kan gebruiken in het verkeer met bestuursorganen voor zover deze in de provincie Fryslân zijn gevestigd. Wel kunnen bestuursorganen verzoeken de Nederlandse taal te gebruiken op de grond dat het gebruik van de Friese taal tot een onevenredige belasting van het bestuurlijk verkeer leidt. Deze bepaling is in dit wetsvoorstel overgenomen.

Artikel 4

Het is van grote betekenis dat bestuursorganen in de provincie Fryslân zich kunnen bedienen van zowel het Nederlands als het Fries. Daarbij past ook dat de wet moet borgen dat het bestuursorgaan zich in het mondeling verkeer van de Nederlandse taal bedient, als het gebruik van de Friese taal tot een onbevredigend verloop van het verkeer tussen burgers en het bestuursorgaan zou leiden. In de praktijk levert dat voor zover bekend geen problemen op. Met deze bepaling is overigens niet beoogd te regelen dat een enkele burger die het Fries niet machtig is kan afdwingen dat een openbare bijeenkomst, zoals een hoorzitting, geheel in het Nederlands geschiedt. De betreffende burger dient in die gevallen wel in de gelegenheid te worden gesteld de bijeenkomst te volgen (bv. door een samenvatting in het Nederlands) en zelf in het Nederlands te worden benaderd, maar voor het overige kan wel Fries worden gebezigd.

Artikel 5

Op grond van artikel 2:9, eerste lid, van de Awb kunnen in Fryslân gevestigde bestuursorganen, die niet tot de centrale overheid behoren, regels stellen over het gebruik van de Friese taal in schriftelijke stukken. Het voorstel is om deze bestuursorganen wettelijk voor te schrijven dat zij regels opstellen inzake het gebruik van de Friese taal zowel in schriftelijke stukken als in het mondeling verkeer. De regels bevatten in ieder geval bepalingen aangaande het versterken van de positie van de Friese taal binnen het werkgebied van het betreffende bestuursorgaan. Ook stellen zij aanvullend een beleidsplan over het gebruik van de Friese taal. Dit sluit aan bij de praktijk. In de praktijk hebben vrijwel alle gemeenten in de provincie Fryslân reeds een taalverordening en/of beleidsplan Fries opgesteld. Ook de Provincie Fryslân en het Wetterskip Fryslân beschikken over taalverordeningen en beleidsplannen Fries. Het vaststellen van een taalverordening en beleidsplan Fries biedt belangrijke voordelen, zo is de afgelopen jaren gebleken. Daarmee beschikken Friese gemeenten en andere in Fryslân gevestigde bestuursorganen die niet tot de centrale overheid behoren over instrumenten om nader uitwerking te geven aan het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer. Het belang daarvan is in de eerste plaats dat deze instrumenten de burger meer duidelijkheid bieden op welke wijze de lokale overheid invulling geeft aan het beleid inzake het Fries in het bestuurlijk verkeer. Verder biedt een beleidsplan Fries elke gemeente of andere decentrale overheid de mogelijkheid om maatwerk te leveren; in een taalbeleidsplan is ruimte voor meer praktische zaken die aandacht verdienen.

Een uitzondering wordt gemaakt voor een aantal gemeenten in de provincie Fryslân, waar de Friese taal niet de dagelijkse omgangstaal is van de bevolking. Het betreft de gemeenten Ameland, Schiermonnikoog, Terschelling, Vlieland en Weststellingwerf. Dit wetsvoorstel beoogt niet de ruimte te beperken voor gemeenten om in voorkomende gevallen in een beleidsplan of verordening bepalingen op te nemen inzake het gebruik van een andere taal, zoals het Bildts of Stellingwerfs.

Artikel 6

Het eerste lid van het voorgestelde artikel komt grotendeels overeen met het huidige artikel 2:9, tweede lid, van de Awb, dat regelt dat de desbetreffende minister regels kan stellen over het gebruik van de Friese taal door gedeconcentreerde rijksdiensten waarvan het werkterrein zich uitstrekt tot (een deel van) de provincie Fryslân. De mogelijkheid om regels te stellen over het gebruik van de Friese taal is daarbij uitgebreid tot het mondelinge verkeer, net als in artikel 5.

Daarnaast is de mogelijkheid opgenomen voor een onderdeel van de centrale overheid om een beleidsplan op te stellen inzake het gebruik van de Friese taal (voorgestelde tweede lid). Daarin kan de uitvoering van de regels bedoeld in het eerste lid worden uitgewerkt. Overigens zijn in de huidige praktijk door ministers nog geen regels als bedoeld in artikel 2:9, tweede lid, Awb gesteld over het gebruik van de Friese taal. De voorgestelde bepaling dient als stimulans om in overleg met het nieuwe Orgaan voor de Friese taal te komen tot dergelijke regels en beleidsplannen.

Artikel 7

Het voorgestelde artikel 7 bevat slechts één wijziging ten opzichte van het huidige artikel 2:10 Awb. Het betreft de verplichting om schriftelijke stukken in de Friese taal die zijn opgesteld ter directe voorbereiding van algemeen verbindende voorschriften (avv’s) of beleidsregels ook in het Nederlands op te stellen. Deze verplichting wordt in het voorgestelde artikel geschrapt en dat geldt dan ook voor de – in beginsel – verplichte bekendmaking, mededeling of terinzagelegging in de Nederlandse taal van een dergelijk stuk (zie het tweede lid). In de praktijk worden de stukken die ter directe voorbereiding van avv’s en beleidsregels worden opgesteld veelal in het Fries opgesteld en blijkt er geen behoefte aan een vertaling in het Nederlands. De stukken dienen vaak slechts voor intern gebruik en het standaard vertalen van de stukken is dan ook onnodig.

Artikelen 8 en 9

De voorgestelde artikelen 8 en 9 komen overeen met de huidige artikelen 2:11 respectievelijk 2:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarmee is geen wijziging ten opzichte van de huidige situatie beoogd.

 

Nota van Wijziging (nr. 5)

B

Na artikel 31 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 31a

De artikelen 2:7 tot en met 2:12 van de Algemene wet bestuursrecht vervallen.

Toelichting

Daarnaast wordt in onderdeel B van deze nota van wijziging een omissie hersteld. Zoals blijkt uit de memorie van toelichting, moeten de bepalingen over het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer (hoofdstuk 2 van het wetsvoorstel) in de plaats treden van de desbetreffende regeling in de artikelen 2:7 tot en met 2:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Abusievelijk was in het ingediende wetsvoorstel deze wijziging van de Awb niet opgenomen. Via deze nota van wijziging gebeurt dit alsnog. Deze nota van wijziging wordt mede namens de minister van Veiligheid en Justitie uitgebracht.

Share This