[Artikel 2:7]

Vervallen per 1 januari 2014.

 

**************************************************************************************

Historie

Wettekst tot 1 januari 2014:

1. Een ieder kan de Friese taal gebruiken in het verkeer met bestuursorganen, voor zover deze in de provincie Fryslân zijn gevestigd.
2. Het eerste lid geldt niet, indien het bestuursorgaan heeft verzocht de Nederlandse taal te gebruiken op de grond, dat het gebruik van de Friese taal tot een onevenredige belasting van het bestuurlijk verkeer zou leiden.

Dit artikel is met ingang van 1 juli 1995 ingevoegd bij wet van 4 mei 1995 Stb. 302 (wetsvoorstel 23 543)

[bron: PG Awb III, p. 92-94]

[Eindtekst] Artikel 2:7 [2:7]
1. Een ieder kan de Friese taal gebruiken in het verkeer met bestuurs­organen, voor zover deze in de provincie Friesland zijn gevestigd.
2. Het eerste lid geldt niet, indien het bestuursorgaan heeft verzocht de Nederlandse taal te gebruiken op de grond, dat het gebruik van de Friese taal tot een onevenredige belasting van het bestuurlijk verkeer zou leiden.

Tekst RvS = VvW

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

De hoofdregel van artikel 2:7, eerste lid, houdt in dat aan burgers en maatschappelijke organisaties het recht wordt toegekend de Friese taal te gebruiken in het schriftelijke (en mondelinge) verkeer met bestuursorganen in Friesland. De in het kabinetsstandpunt genoemde uitzonderingen op deze hoofdregel zijn in de tamelijk globale en procedurele formulering van artikel 2:7, tweede lid, verwoord. Van Friese decentrale overheden en in Friesland gevestigde gedeconcentreerde rijksdiensten kan in redelijkheid niet worden verwacht dat zij in staat zijn altijd alle aan hen gerichte in het Fries gestelde documenten zo goed te kunnen begrijpen als nodig is. Wij denken in dit verband aan zeer gespecialiseerde diensten met slechts enkele ambtenaren die niet in staat zijn de Friese taal voldoende te lezen. Een toepasbare regeling voor dit soort gevallen is overigens alleen mogelijk door middel van een globale bepaling.
[…]
De provincie Friesland acht de artikelen 2:7, tweede lid, en 2:8, tweede lid, op grond van de bestuurlijke praktijk overbodig en schadelijk voor een verdere ontwikkeling van een meer gelijkwaardige plaats van het Fries in het bestuurlijk verkeer. Anders dan de provincie Friesland zijn wij van mening dat het omwille van duidelijke bestuurlijke verhoudingen wél gewenst is deze bepalingen op te nemen, hetgeen natuurlijk niet wegneemt dat ook in onze visie artikel 2:7, tweede lid, en artikel 2:8, tweede lid, niet mogen worden gebruikt om een verdere versterking van de positie van het Fries in het bestuurlijk verkeer te frustreren.
De provincie bepleit verder opneming in de wet van een bepaling waarin expliciet het recht wordt vastgelegd dat in vergaderingen van vertegenwoordigende lichamen in Friesland Fries mag worden gesproken en dat het in het Fries gesprokene ook in het Fries wordt genotuleerd. Deze suggestie nemen wij graag over. Het gaat hier om de codificatie van een alom in Friesland geaccepteerde praktijk (zie ook paragraaf 7 van dit hoofdstuk).

Eerste lid
Bij de in artikel 2:10 bedoelde verordening of regeling kan worden bepaald, welke schriftelijke stukken in welke gevallen in de Friese taal worden opgesteld. Dat geldt ook voor de drie in artikel 2:12, eerste lid, genoemde categorieën schriftelijke stukken. Voor die categorieën stukken geldt echter dat zij, indien zij in het Fries worden opgesteld, altijd tevens in het Nederlands moeten worden opgesteld.
Dit betreft in de eerste plaats schriftelijke stukken die (mede) bestemd zijn voor bestuursorganen buiten Friesland, waarvan immers niet verwacht kan worden dat zij in voldoende mate kennis kunnen nemen van in het Fries gestelde stukken.
In de tweede plaats gaat het om stukken waarin algemeen verbindende voorschriften of beleidsregels zijn vervat, danwel stukken ter voorbe­reiding van deze voorschriften of regels. Zie hiervoor ook de paragrafen 11 en 13 van hoofdstuk III van deze memorie van toelichting[1].
[…]
Taalgebruik in het bestuurlijk verkeer kent vier aspecten:
a. mondeling gebruik door burgers, maatschappelijke organisaties e.d. in hun communicatie met bestuursorganen;
b. idem schriftelijk gebruik;
c. mondeling gebruik door bestuursorganen in hun communicatie met burgers, maatschappelijke organisaties e.d.;
d. idem schriftelijk gebruik.
Artikel 2:7 betreft de onder a en b genoemde aspecten. De hoofdregel is neergelegd in het eerste lid en geeft burgers het recht de Friese taal te gebruiken in hun mondelinge of schriftelijke communicatie met bestuurs­organen, voor zover deze in Friesland zijn gevestigd. Daarbij gaat het allereerst om bestuursorganen die hun zetel in Friesland hebben, zoals de bestuursorganen van de provincie Friesland zelf, van de in Friesland gelegen gemeenten, waterschappen en bij gemeenschappelijke regeling ingestelde lichamen, alsook om in Friesland gevestigde bestuursorganen van het Rijk. De regeling strekt zich echter ook uit tot in Friesland gelegen min of meer zelfstandige vestigingen van bestuursorganen die hun zetel buiten Friesland hebben. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan in Friesland gevestigde gedeconcentreerde rijksdiensten, voor zover die niet zelf als bestuursorgaan zijn te beschouwen.
In het tweede lid is neergelegd, dat het betrokken bestuursorgaan de burger kan verzoeken de Nederlandse taal te gebruiken, indien het gebruik van de Friese taal de communicatie onevenredig bemoeilijkt. Voor een meer uitvoerige beschouwing zij verwezen naar de paragrafen 7 en 8 van hoofdstuk III van deze memorie van toelichting[2].

Voorlopig verslag II

Zie Verslag II bij artikel 2:6.

Nota naar aanleiding van het verslag II

Zie Nota naar aanleiding van het verslag II bij artikel 2:6.

Voorlopig verslag I

Wordt met de uitdrukking «een ieder» in artikel 2:7, eerste lid slechts een inwoner van de provincie Friesland bedoeld, en niet bij voorbeeld een Friestalige inwoner van de gemeente Amsterdam?

Memorie van antwoord I

De leden van deze fractie merkten terecht op dat artikel 2:6 het recht toekent om door Nederlandse overheden in het Nederlands te worden benaderd. Een uitzondering op deze hoofdregel wordt ten aanzien van het gebruik van de Friese taal door in Friesland gevestigde bestuursorganen gecreëerd door middel van de artikelen 2:7 tot en met 2:12 van dit wetsvoorstel.
[…]
Voorts vroegen de leden van de CDA-fractie zich af wie met de uitdrukking «een ieder» in artikel 2:7, eerste lid, wordt bedoeld. Daarmee wordt iedereen, in of buiten Friesland, bedoeld die met in Friesland gevestigde bestuursorganen of onder hun verantwoordelijkheid werkzame personen wil communiceren. Voorstelbaar is dat er ook niet in Friesland woonachtige personen zijn die de Friese taal beheersen. Hierbij kan worden gedacht aan de, met name in Amsterdam talrijke groep van «Friezen om útens».

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2005 gewijzigd bij wet van 9 september 2004 Stb. 493 (wetsvoorstel 29 008) (alleen eindtekst)

[Eindtekst] In de artikelen 2:7 tot en met 2:10 en 2:12 wordt de benaming «Friesland» telkens vervangen door: Fryslân.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2014 vervallen bij wet van 2 oktober 2013, Stb. 2013, 382 (Wet gebruik Friese taal; kamerstukken 33 335)

[Eindtekst] Artikelen 2:7 tot en met 2:12 vervallen.

Voorstel van wet

Memorie van toelichting

4. Fries in het bestuurlijk verkeer

In 1995 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gewijzigd9. De regering achtte het uiteindelijk toch wenselijk wetgeving tot stand te brengen om de positie van de Friese taal als tweede bestuurstaal in de provincie Fryslân wettelijk te verankeren. Het verlangen vanuit Fryslân om de Friese taal een plaats te geven in het bestuurlijk verkeer speelt al vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw. Naar aanleiding van een advies van de Commissie-Kingma Boltjes nam het toenmalige kabinet in 1953 weliswaar een inhoudelijk standpunt in over de plaats van het Fries zowel in het bestuurlijk verkeer als in het rechtsverkeer10, zo werd het gebruik van het Fries in het mondelinge verkeer tussen burger en overheid over en weer in beginsel toegestaan maar een wettelijke regeling voor het Fries in het bestuurlijk verkeer werd destijds niet nodig geacht.

Nederland voldoet met de bepalingen in de Awb in formele zin aan de verdragsverplichtingen betreffende de regels die in de internationale verdragen gesteld zijn voor het Fries in het bestuurlijk verkeer, maar die regels gaan niet uit van het principe van gelijke rechten van de beide talen in Fryslân. Bijgevolg heeft het Fries nog steeds een bescheiden positie in het bestuurlijk verkeer in de provincie Fryslân. De Awb bevat namelijk verschillende uitzonderingsbepalingen waardoor het recht van een burger die zich van het Fries wil bedienen vrij eenvoudig kan worden aangetast of beperkt. Daarom worden in het voorliggend wetsvoorstel verschillende bepalingen afkomstig uit de Awb aangescherpt om aldus een betere waarborg te kunnen bieden voor de gelijke positie van het Fries ten opzichte van het Nederlands in de provincie Fryslân.

 Artikel 3

Artikel 2:7 van de Awb bepaalt dat een ieder de Friese taal kan gebruiken in het verkeer met bestuursorganen voor zover deze in de provincie Fryslân zijn gevestigd. Wel kunnen bestuursorganen verzoeken de Nederlandse taal te gebruiken op de grond dat het gebruik van de Friese taal tot een onevenredige belasting van het bestuurlijk verkeer leidt. Deze bepaling is in dit wetsvoorstel overgenomen.

Artikel 4

Het is van grote betekenis dat bestuursorganen in de provincie Fryslân zich kunnen bedienen van zowel het Nederlands als het Fries. Daarbij past ook dat de wet moet borgen dat het bestuursorgaan zich in het mondeling verkeer van de Nederlandse taal bedient, als het gebruik van de Friese taal tot een onbevredigend verloop van het verkeer tussen burgers en het bestuursorgaan zou leiden. In de praktijk levert dat voor zover bekend geen problemen op. Met deze bepaling is overigens niet beoogd te regelen dat een enkele burger die het Fries niet machtig is kan afdwingen dat een openbare bijeenkomst, zoals een hoorzitting, geheel in het Nederlands geschiedt. De betreffende burger dient in die gevallen wel in de gelegenheid te worden gesteld de bijeenkomst te volgen (bv. door een samenvatting in het Nederlands) en zelf in het Nederlands te worden benaderd, maar voor het overige kan wel Fries worden gebezigd.

Artikel 5

Op grond van artikel 2:9, eerste lid, van de Awb kunnen in Fryslân gevestigde bestuursorganen, die niet tot de centrale overheid behoren, regels stellen over het gebruik van de Friese taal in schriftelijke stukken. Het voorstel is om deze bestuursorganen wettelijk voor te schrijven dat zij regels opstellen inzake het gebruik van de Friese taal zowel in schriftelijke stukken als in het mondeling verkeer. De regels bevatten in ieder geval bepalingen aangaande het versterken van de positie van de Friese taal binnen het werkgebied van het betreffende bestuursorgaan. Ook stellen zij aanvullend een beleidsplan over het gebruik van de Friese taal. Dit sluit aan bij de praktijk. In de praktijk hebben vrijwel alle gemeenten in de provincie Fryslân reeds een taalverordening en/of beleidsplan Fries opgesteld. Ook de Provincie Fryslân en het Wetterskip Fryslân beschikken over taalverordeningen en beleidsplannen Fries. Het vaststellen van een taalverordening en beleidsplan Fries biedt belangrijke voordelen, zo is de afgelopen jaren gebleken. Daarmee beschikken Friese gemeenten en andere in Fryslân gevestigde bestuursorganen die niet tot de centrale overheid behoren over instrumenten om nader uitwerking te geven aan het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer. Het belang daarvan is in de eerste plaats dat deze instrumenten de burger meer duidelijkheid bieden op welke wijze de lokale overheid invulling geeft aan het beleid inzake het Fries in het bestuurlijk verkeer. Verder biedt een beleidsplan Fries elke gemeente of andere decentrale overheid de mogelijkheid om maatwerk te leveren; in een taalbeleidsplan is ruimte voor meer praktische zaken die aandacht verdienen.

Een uitzondering wordt gemaakt voor een aantal gemeenten in de provincie Fryslân, waar de Friese taal niet de dagelijkse omgangstaal is van de bevolking. Het betreft de gemeenten Ameland, Schiermonnikoog, Terschelling, Vlieland en Weststellingwerf. Dit wetsvoorstel beoogt niet de ruimte te beperken voor gemeenten om in voorkomende gevallen in een beleidsplan of verordening bepalingen op te nemen inzake het gebruik van een andere taal, zoals het Bildts of Stellingwerfs.

Artikel 6

Het eerste lid van het voorgestelde artikel komt grotendeels overeen met het huidige artikel 2:9, tweede lid, van de Awb, dat regelt dat de desbetreffende minister regels kan stellen over het gebruik van de Friese taal door gedeconcentreerde rijksdiensten waarvan het werkterrein zich uitstrekt tot (een deel van) de provincie Fryslân. De mogelijkheid om regels te stellen over het gebruik van de Friese taal is daarbij uitgebreid tot het mondelinge verkeer, net als in artikel 5.

Daarnaast is de mogelijkheid opgenomen voor een onderdeel van de centrale overheid om een beleidsplan op te stellen inzake het gebruik van de Friese taal (voorgestelde tweede lid). Daarin kan de uitvoering van de regels bedoeld in het eerste lid worden uitgewerkt. Overigens zijn in de huidige praktijk door ministers nog geen regels als bedoeld in artikel 2:9, tweede lid, Awb gesteld over het gebruik van de Friese taal. De voorgestelde bepaling dient als stimulans om in overleg met het nieuwe Orgaan voor de Friese taal te komen tot dergelijke regels en beleidsplannen.

Artikel 7

Het voorgestelde artikel 7 bevat slechts één wijziging ten opzichte van het huidige artikel 2:10 Awb. Het betreft de verplichting om schriftelijke stukken in de Friese taal die zijn opgesteld ter directe voorbereiding van algemeen verbindende voorschriften (avv’s) of beleidsregels ook in het Nederlands op te stellen. Deze verplichting wordt in het voorgestelde artikel geschrapt en dat geldt dan ook voor de – in beginsel – verplichte bekendmaking, mededeling of terinzagelegging in de Nederlandse taal van een dergelijk stuk (zie het tweede lid). In de praktijk worden de stukken die ter directe voorbereiding van avv’s en beleidsregels worden opgesteld veelal in het Fries opgesteld en blijkt er geen behoefte aan een vertaling in het Nederlands. De stukken dienen vaak slechts voor intern gebruik en het standaard vertalen van de stukken is dan ook onnodig.

Artikelen 8 en 9

De voorgestelde artikelen 8 en 9 komen overeen met de huidige artikelen 2:11 respectievelijk 2:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarmee is geen wijziging ten opzichte van de huidige situatie beoogd.

 

Nota van Wijziging (nr. 5)

B

Na artikel 31 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 31a

De artikelen 2:7 tot en met 2:12 van de Algemene wet bestuursrecht vervallen.

Toelichting

Daarnaast wordt in onderdeel B van deze nota van wijziging een omissie hersteld. Zoals blijkt uit de memorie van toelichting, moeten de bepalingen over het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer (hoofdstuk 2 van het wetsvoorstel) in de plaats treden van de desbetreffende regeling in de artikelen 2:7 tot en met 2:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Abusievelijk was in het ingediende wetsvoorstel deze wijziging van de Awb niet opgenomen. Via deze nota van wijziging gebeurt dit alsnog. Deze nota van wijziging wordt mede namens de minister van Veiligheid en Justitie uitgebracht.

 


[1] Zie PG Awb III, p. 53 en 96.
[2] Zie PG Awb III, p. 52-53.

 

 

Share This