[Artikel 2:8]

Vervallen per 1 januari 2014.

 

**********************************************************************

Historie

Wettekst tot 1 januari 2014:

1. Bestuursorganen kunnen in het mondeling verkeer binnen de provincie Fryslân de Friese taal gebruiken.
2. Het eerste lid geldt niet, indien de wederpartij heeft verzocht de Nederlandse taal te gebruiken op de grond, dat het gebruik van de Friese taal tot een onbevredigend verloop van het mondeling verkeer zou leiden.

 

Dit artikel is met ingang van 1 juli 1995 ingevoegd bij wet van 4 mei 1995 Stb. 302 (wetsvoorstel 23 543)

[bron: PG Awb III, p. 94]

[Eindtekst] Artikel 2:8 [2:8]
1. Bestuursorganen kunnen in het mondeling verkeer binnen de provincie Friesland de Friese taal gebruiken.
2. Het eerste lid geldt niet, indien de wederpartij heeft verzocht de Nederlandse taal te gebruiken op de grond, dat het gebruik van de Friese taal tot een onbevredigend verloop van het mondeling verkeer zou leiden.

Tekst RvS = VvW

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

Artikel 2:8 regelt het in de toelichting bij artikel 2:7 als derde genoemde aspect van het taalgebruik in het bestuurlijk verkeer: het mondeling taalgebruik door bestuursorganen. Het eerste lid bevat de hoofdregel op grond waarvan bestuursorganen het recht hebben de Friese taal te gebruiken in hun mondelinge verkeer met burgers, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven, andere rechtspersonen en andere bestuursorganen, voor zover dat mondeling verkeer zich binnen Friesland afspeelt.
Het tweede lid bevat een procedurele bepaling voor situaties waarin de wederpartij (i.c. de burgers, maatschappelijke organisatie, etc.), die in de Friese taal wordt aangesproken door een bestuursorgaan, stelt de Friese taal niet of onvoldoende te beheersen. Naar analogie van de omgekeerde situatie (zie de toelichting bij artikel 2:7) kan de wederpartij in dat geval het bestuursorgaan verzoeken over te schakelen op de Nederlandse taal.

Voorlopig verslag II

De leden van de PvdA-fractie merkten op dat bepalingen aangaande het mondelinge verkeer en het opmaken van de notulen zeer gedetail­leerd zijn en eigenlijk de reikwijdte van de Algemene wet bestuursrecht (bestuurs­recht!) ver te buiten gaan.
De leden van de VVD-fractie vroegen de regering of artikel 2:8 niet in te absolute bewoordingen was gesteld en of het niet beter ware om niet het in het eerste lid gestelde uit te sluiten als de wederpartij dat wil maar om slechts op verzoek van de wederpartij in het verkeer met bestuursorga­nen in afwijking van het eerste lid de Nederlandse taal te gebruiken.
Voor het overige waren deze leden het eens met de regering dat een nauwe omschrijving van de uitzonderingsmogelijkheid niet gemaakt kan of moet worden, omdat zulks afhangt van het concrete geval. Zij konden zich vinden in hetgeen door de regering terzake in de memorie van toelich­ting geschreven is.

Nota naar aanleiding van het verslag II

Onzes inziens betreft het hier een zuiver redactionele kwestie. Wij zien geen verschil tussen beide redacties. Wij hebben de voorkeur gegeven aan de naar ons oordeel meest heldere formulering om te benadrukken dat effectieve mondelinge communicatie, en dus wederzijdse verstaan­baarheid, in het bestuurlijk verkeer van groot belang is.

Handelingen II

De heer Van den Berg (SGP, p. 6106): Er kunnen zich echter ook situaties voordoen dat iemand ondanks zijn positieve inspanning iets toch niet begrijpt. Kan hij zich dan ook in raadsvergaderingen en dergelijke beroepen op artikel 2:8? Dat problemen af en toe kunnen voorkomen, is nog onlangs gebleken in de gemeenteraad van IJlst. Daar vroeg een raadslid de burgemeester tevergeefs om in het Nederlands op haar vragen te antwoorden. Daar heeft de pers ons in juni over bericht. De regering stelt dat zij ervan uitgaat dat in probleemgeval­len een passende voorziening zal kunnen worden gevonden, zonder daarvoor echter een nadere specificatie te geven. Vormen de artikelen 2:7 en 2:8 een voldoende wettelijke waarborg voor de totstandkoming van een dergelijke passende voorziening?
De heer Scheltema (p. 6114-6115): Over artikel 2:8 was nog even discussie naar aanleiding van de vraag hoe het moet met de notulen en hoe het moet, wanneer in het Fries wordt gesproken, als iemand ook graag de Nederlandse tekst heeft. De heer Van den Berg vroeg of dan ook een beroep op artikel 2:8 kan worden gedaan, dat betrekking heeft op het gebruik van Fries in het mondeling verkeer. Een beroep op dat artikel kan niet gedaan worden, want artikel 2:8 slaat juist op het verkeer van bestuursorganen met mensen buiten de bestuursorganen, met burgers. Dat dekt dus niet de situatie van een discussie binnen een vertegenwoor­digend orgaan. Dat neemt niet weg, zoals de staatssecretaris ook heeft aangegeven, dat de gedachte is dat die moeilijkheden ook anderszins heel goed kunnen worden opgelost.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2005 gewijzigd bij wet van 9 september 2004 Stb. 493 (wetsvoorstel 29 008)(alleen eindtekst)

[Eindtekst] In de artikelen 2:7 tot en met 2:10 en 2:12 wordt de benaming «Friesland» telkens vervangen door: Fryslân.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2014 vervallen bij wet van 2 oktober 2013, Stb. 2013, 382 (Wet gebruik Friese taal; kamerstukken 33 335)

[Eindtekst] Artikelen 2:7 tot en met 2:12 vervallen.

Voorstel van wet

Memorie van toelichting

4. Fries in het bestuurlijk verkeer

In 1995 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gewijzigd9. De regering achtte het uiteindelijk toch wenselijk wetgeving tot stand te brengen om de positie van de Friese taal als tweede bestuurstaal in de provincie Fryslân wettelijk te verankeren. Het verlangen vanuit Fryslân om de Friese taal een plaats te geven in het bestuurlijk verkeer speelt al vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw. Naar aanleiding van een advies van de Commissie-Kingma Boltjes nam het toenmalige kabinet in 1953 weliswaar een inhoudelijk standpunt in over de plaats van het Fries zowel in het bestuurlijk verkeer als in het rechtsverkeer10, zo werd het gebruik van het Fries in het mondelinge verkeer tussen burger en overheid over en weer in beginsel toegestaan maar een wettelijke regeling voor het Fries in het bestuurlijk verkeer werd destijds niet nodig geacht.

Nederland voldoet met de bepalingen in de Awb in formele zin aan de verdragsverplichtingen betreffende de regels die in de internationale verdragen gesteld zijn voor het Fries in het bestuurlijk verkeer, maar die regels gaan niet uit van het principe van gelijke rechten van de beide talen in Fryslân. Bijgevolg heeft het Fries nog steeds een bescheiden positie in het bestuurlijk verkeer in de provincie Fryslân. De Awb bevat namelijk verschillende uitzonderingsbepalingen waardoor het recht van een burger die zich van het Fries wil bedienen vrij eenvoudig kan worden aangetast of beperkt. Daarom worden in het voorliggend wetsvoorstel verschillende bepalingen afkomstig uit de Awb aangescherpt om aldus een betere waarborg te kunnen bieden voor de gelijke positie van het Fries ten opzichte van het Nederlands in de provincie Fryslân.

 Artikel 3

Artikel 2:7 van de Awb bepaalt dat een ieder de Friese taal kan gebruiken in het verkeer met bestuursorganen voor zover deze in de provincie Fryslân zijn gevestigd. Wel kunnen bestuursorganen verzoeken de Nederlandse taal te gebruiken op de grond dat het gebruik van de Friese taal tot een onevenredige belasting van het bestuurlijk verkeer leidt. Deze bepaling is in dit wetsvoorstel overgenomen.

Artikel 4

Het is van grote betekenis dat bestuursorganen in de provincie Fryslân zich kunnen bedienen van zowel het Nederlands als het Fries. Daarbij past ook dat de wet moet borgen dat het bestuursorgaan zich in het mondeling verkeer van de Nederlandse taal bedient, als het gebruik van de Friese taal tot een onbevredigend verloop van het verkeer tussen burgers en het bestuursorgaan zou leiden. In de praktijk levert dat voor zover bekend geen problemen op. Met deze bepaling is overigens niet beoogd te regelen dat een enkele burger die het Fries niet machtig is kan afdwingen dat een openbare bijeenkomst, zoals een hoorzitting, geheel in het Nederlands geschiedt. De betreffende burger dient in die gevallen wel in de gelegenheid te worden gesteld de bijeenkomst te volgen (bv. door een samenvatting in het Nederlands) en zelf in het Nederlands te worden benaderd, maar voor het overige kan wel Fries worden gebezigd.

Artikel 5

Op grond van artikel 2:9, eerste lid, van de Awb kunnen in Fryslân gevestigde bestuursorganen, die niet tot de centrale overheid behoren, regels stellen over het gebruik van de Friese taal in schriftelijke stukken. Het voorstel is om deze bestuursorganen wettelijk voor te schrijven dat zij regels opstellen inzake het gebruik van de Friese taal zowel in schriftelijke stukken als in het mondeling verkeer. De regels bevatten in ieder geval bepalingen aangaande het versterken van de positie van de Friese taal binnen het werkgebied van het betreffende bestuursorgaan. Ook stellen zij aanvullend een beleidsplan over het gebruik van de Friese taal. Dit sluit aan bij de praktijk. In de praktijk hebben vrijwel alle gemeenten in de provincie Fryslân reeds een taalverordening en/of beleidsplan Fries opgesteld. Ook de Provincie Fryslân en het Wetterskip Fryslân beschikken over taalverordeningen en beleidsplannen Fries. Het vaststellen van een taalverordening en beleidsplan Fries biedt belangrijke voordelen, zo is de afgelopen jaren gebleken. Daarmee beschikken Friese gemeenten en andere in Fryslân gevestigde bestuursorganen die niet tot de centrale overheid behoren over instrumenten om nader uitwerking te geven aan het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer. Het belang daarvan is in de eerste plaats dat deze instrumenten de burger meer duidelijkheid bieden op welke wijze de lokale overheid invulling geeft aan het beleid inzake het Fries in het bestuurlijk verkeer. Verder biedt een beleidsplan Fries elke gemeente of andere decentrale overheid de mogelijkheid om maatwerk te leveren; in een taalbeleidsplan is ruimte voor meer praktische zaken die aandacht verdienen.

Een uitzondering wordt gemaakt voor een aantal gemeenten in de provincie Fryslân, waar de Friese taal niet de dagelijkse omgangstaal is van de bevolking. Het betreft de gemeenten Ameland, Schiermonnikoog, Terschelling, Vlieland en Weststellingwerf. Dit wetsvoorstel beoogt niet de ruimte te beperken voor gemeenten om in voorkomende gevallen in een beleidsplan of verordening bepalingen op te nemen inzake het gebruik van een andere taal, zoals het Bildts of Stellingwerfs.

Artikel 6

Het eerste lid van het voorgestelde artikel komt grotendeels overeen met het huidige artikel 2:9, tweede lid, van de Awb, dat regelt dat de desbetreffende minister regels kan stellen over het gebruik van de Friese taal door gedeconcentreerde rijksdiensten waarvan het werkterrein zich uitstrekt tot (een deel van) de provincie Fryslân. De mogelijkheid om regels te stellen over het gebruik van de Friese taal is daarbij uitgebreid tot het mondelinge verkeer, net als in artikel 5.

Daarnaast is de mogelijkheid opgenomen voor een onderdeel van de centrale overheid om een beleidsplan op te stellen inzake het gebruik van de Friese taal (voorgestelde tweede lid). Daarin kan de uitvoering van de regels bedoeld in het eerste lid worden uitgewerkt. Overigens zijn in de huidige praktijk door ministers nog geen regels als bedoeld in artikel 2:9, tweede lid, Awb gesteld over het gebruik van de Friese taal. De voorgestelde bepaling dient als stimulans om in overleg met het nieuwe Orgaan voor de Friese taal te komen tot dergelijke regels en beleidsplannen.

Artikel 7

Het voorgestelde artikel 7 bevat slechts één wijziging ten opzichte van het huidige artikel 2:10 Awb. Het betreft de verplichting om schriftelijke stukken in de Friese taal die zijn opgesteld ter directe voorbereiding van algemeen verbindende voorschriften (avv’s) of beleidsregels ook in het Nederlands op te stellen. Deze verplichting wordt in het voorgestelde artikel geschrapt en dat geldt dan ook voor de – in beginsel – verplichte bekendmaking, mededeling of terinzagelegging in de Nederlandse taal van een dergelijk stuk (zie het tweede lid). In de praktijk worden de stukken die ter directe voorbereiding van avv’s en beleidsregels worden opgesteld veelal in het Fries opgesteld en blijkt er geen behoefte aan een vertaling in het Nederlands. De stukken dienen vaak slechts voor intern gebruik en het standaard vertalen van de stukken is dan ook onnodig.

Artikelen 8 en 9

De voorgestelde artikelen 8 en 9 komen overeen met de huidige artikelen 2:11 respectievelijk 2:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarmee is geen wijziging ten opzichte van de huidige situatie beoogd.

 

Nota van Wijziging (nr. 5)

B

Na artikel 31 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 31a

De artikelen 2:7 tot en met 2:12 van de Algemene wet bestuursrecht vervallen.

Toelichting

Daarnaast wordt in onderdeel B van deze nota van wijziging een omissie hersteld. Zoals blijkt uit de memorie van toelichting, moeten de bepalingen over het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer (hoofdstuk 2 van het wetsvoorstel) in de plaats treden van de desbetreffende regeling in de artikelen 2:7 tot en met 2:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Abusievelijk was in het ingediende wetsvoorstel deze wijziging van de Awb niet opgenomen. Via deze nota van wijziging gebeurt dit alsnog. Deze nota van wijziging wordt mede namens de minister van Veiligheid en Justitie uitgebracht.

 

 

Share This