Artikel 3:11

1. Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.
2. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.
3. Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten verstrekt het bestuursorgaan afschrift van de ter inzage gelegde stukken.
4. De stukken liggen ter inzage gedurende de in artikel 3:16, eerste lid, bedoelde termijn.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 4 juni 1992 Stb. 315 (wetsvoorstel 21 221)

[bron: PG Awb I, p. 224-226]

[Eindtekst] Artikel 3:11 [3.4.2]
1. Het bestuursorgaan legt de aanvraag tot het nemen van het besluit of het ontwerp van het ambtshalve of op aanvraag te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken, voor een periode van ten minste vier weken ter inzage voor hen aan wie ingevolge artikel 3:13 de gelegenheid wordt geboden hun zienswijze naar voren te brengen.
2. Artikel 4 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkom­stige toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.
3. Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten wordt afschrift van de ter inzage gelegde stukken verstrekt.
4. Voor zover niet bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, geschiedt de terinzagelegging in ieder geval ten kantore van het bestuursorgaan.

Voorontwerp

1. Het bestuursorgaan legt de aanvraag voor het besluit of het ontwerp van
het ambtshalve of op aanvraag te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken, voor belanghebbenden ter inzage.
2. Artikel 4 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing.

Tekst RvS

1. Het bestuursorgaan legt de aanvraag van het besluit of het ontwerp van het ambtshalve of op aanvraag te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken, gedurende ten minste vier weken ter inzage.
2. Artikel 4 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.
3. Tegen vergoeding van de kosten wordt afschrift van de ter inzage gelegde stukken verstrekt.
4. Voor zover niet bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, geschiedt de terinzagelegging in ieder geval ten kantore van het bestuursorgaan.

Advies RvS

Artikel 3.4.2., eerste lid
In de memorie van toelichting wordt gesteld dat een termijn van vier weken ook in de bestaande wetgeving niet ongebruikelijk is. Hierbij wordt onder meer gewezen op artikel 18, tweede lid, van de Wabm. Echter, in laatstgenoemde bepaling wordt gesproken over een termijn van een maand. Op deze discrepantie ware nader in te gaan. Overigens zou de Raad bij deze bepaling de voorkeur geven aan een termijn uitgedrukt in (dertig) dagen. Een dergelijke termijn is nauwkeuriger te bepalen en bevordert derhalve de duidelijkheid.

Artikel 3.4.2, derde lid
In artikel 3.4.2, derde lid, van het ontwerp, waarvoor blijkens de memorie van toelichting artikel 17, derde lid, van de Wabm model heeft gestaan wordt gesproken over «vergoeding» van de kosten, terwijl in artikel 17, derde lid, van de Wabm wordt gesproken over «betaling» van de kosten.
Gelet op de harmonisatiedoel­stelling van het wetsontwerp ware zoveel mogelijk van dezelfde formu­leringen uit te gaan, tenzij er redenen zijn daarvan af te wijken. Deze verschillen dienen, zoals gezegd, dan wel in de toelichting te worden gemotiveerd.
[….]
Het komt de Raad wenselijk voor dat in de toelichting op deze bepaling nader wordt ingegaan op de verhouding tot bestaande regelingen over kostenvergoeding bij het op verzoek verstrekken van documenten door overheidsorganen, zoals de tariefregeling krachtens artikel 7 van de WOB. Voorkomen moet worden, mede gelet op punt 12 van de Aanwijzingen inzake terughoudendheid met regelgeving, dat er niet-beoogde extra kosten voor de burgers uit het onderhavige wetsvoorstel voortvloeien.

Nader rapport

Artikel 3.4.2, eerste lid
De Raad merkt terecht op dat artikel 18 van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne in een termijn van een maand voorziet. Het wetsvoorstel sluit bij die lengte in principe aan, zij het dat er zoals reeds onder punt 20 van het algemeen deel van dit nader rapport is uiteengezet, terwille van de duidelijkheid de voorkeur aan is gegeven de termijnen in de Awb in beginsel niet in maanden of dagen doch in weken uit te drukken. De verwijzing in de toelichting naar de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne en de kampeerwet is aangepast.

Artikel 3.4.2, derde lid
Artikel 3.4.2 heeft betrekking op het verstrekken van informatie uit eigen beweging voor de overheid. Aan het verstrekken van deze infor­matie ligt geen verzoek van de burger ten grondslag, maar de verplichting op grond van deze wet om indien de uitgebreide voorberei­dingsprocedure van toepassing is verklaard, het ontwerp van het besluit en de daarop betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De tariefregelingen op grond van artikel 7 van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) en in artikel 12 van de vernieuwde WOB zien op tarieven, in rekening te brengen voor informatieverstrekking op verzoek. De tariefregeling in de onderhavige bepaling heeft derhalve betrekking op een ander onderwerp. Bij de parlementaire behandeling van de vernieuwde WOB heeft de regering zich echter op het standpunt gesteld, dat steeds overwogen dient te worden of bij het verstrekken van informatie uit eigen beweging het vragen van een vergoeding verantwoord is. Wij kunnen ons voorstellen dat, afhan­kelijk van de aard van de besluiten waarop de uitgebreide voorberei­dingsprocedure van toepassing is verklaard, het gratis of tegen geredu­ceerd tarief verstrekken van afschriften van de ter inzage gelegde stukken gewenst geacht wordt. In verband hiermee is de reactie van deze bepaling (en die van artikel 6.3.9, derde lid, en artikel 6.4.9, derde lid) gewijzigd in dier voege, dat tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften worden verstrekt. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat versterking van afschriften ook gratis kan plaats­vinden. Mede om die reden wordt in het artikellid ook gesproken over «vergoeding» en niet over «betaling». De memorie van toelichting is aangevuld.

Voorstel van wet

1. Het bestuursorgaan legt de aanvraag tot het nemen van het besluit of het ontwerp van het ambtshalve of op aanvraag te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken, gedurende ten minste vier weken ter inzage voor hen aan wie ingevolge artikel 3.4.4 de gelegenheid wordt geboden hun zienswijze naar voren te brengen.
2. Artikel 4 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, wordt, daarvan mededeling gedaan.
3. Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten wordt afschrift van de ter inzage zullen gelegde stukken verstrekt.
4. Voor zover niet bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, geschiedt de terinzagelegging in ieder geval ten kantore van het bestuursorgaan.

Memorie van toelichting

In het eerste lid van dit artikel wordt bepaald, dat de stukken ten minste vier weken ter inzage moeten worden gelegd. Afhankelijk van het stadium waarin de voorbereiding verkeert, en van het karakter van het besluit, zal de aanvraag van of het concept van de beslissing, al of niet op een aanvraag, ter inzage kunnen worden gelegd. In ieder geval zullen daarbij tevens de daarop betrekking hebbende stukken moeten worden gevoegd die van belang zijn voor een beoordeling van de te nemen beslissing. Is een aanvraag ingediend, dan zal deze dus steeds ter inzage moeten worden gelegd, vergezeld van de gegevens en bescheiden die overeenkomstig artikel 4.1.1.2 bij de aanvraag zijn gevoegd en eventuele adviezen en rapporten die over een te nemen beslissing zijn uitgebracht. Het artikel is te zien als een uitwerking van de algemene verplichting van artikel 2 van de Wet openbaarheid van bestuur: de actieve openbaarmakingsplicht. In het eerste lid van dat artikel is bepaald dat een bestuursorgaan informatie over het beleid en de uitvoering daarvan moet verstrekken, zodra dit in het belang is van een goede en democratische bestuursvoering. Het tweede lid stelt met zoveel woorden: «Het overheidsorgaan draagt daarbij zorg dat de informatie wordt verschaft (…) op zodanige tijdstippen, dat deze (belanghebbenden en belangstellenden) hun inzichten in de loop van het bestuursproces tijdig ter kennis van het overheidsorgaan kunnen brengen.»
De bepaling schrijft voor hoe lang de stukken ter inzage moeten liggen, namelijk gedurende ten minste vier weken. Voor de keuze van de termijn kan worden opgemerkt dat hierbij is overwogen dat een periode van vier weken in het algemeen vereist en meestal, maar niet in alle gevallen ook voldoende zal zijn gezien de soort besluiten waarop de onderhavige afdeling in het bijzonder het oog heeft: beschikkingen waarbij meerdere onbekende belanghebbenden een rol spelen en besluiten van algemene strekking. Een termijn van vier weken is ook in de bestaande wetgeving niet ongebruikelijk. Vergelijk artikel 18, eerste lid, van de Wabm en artikel 10, tweede lid, van de Kampeerwet, die in een termijn van ongeveer dezelfde duur voorzien, te weten een maand respectievelijk 30 dagen. Artikel 3.4.2 hanteert overeenkomstig de algemene lijn van de Awb de week als rekeneenheid voor termijnen.
De wetgever mag een langere periode bepalen. Hetzelfde geldt voor een bestuursorgaan dat voor de voorbereiding van een bepaald besluit een langere periode gewenst acht.
In afwijking van het voorontwerp is, om onduidelijkheden te vermijden, uitdrukkelijk in de wet vastgelegd dat de mogelijkheid tot inzage geboden wordt aan hen die ingevolge artikel 3.4.4 hun zienswijze naar voren zullen kunnen brengen. Het bestuursorgaan dient uiteraard aan al deze personen inzage te verlenen. Aan anderen behoeft het niet de mogelijkheid tot inzage te bieden. Dat neemt niet weg dat het praktisch kan zijn die mogelijkheid ook aan anderen te bieden, omdat op die wijze eenvoudig uitvoering kan worden gegeven aan de uit de Wet openbaarheid van bestuur voortvloeiende verplichting tot actieve openbaarmaking.
In het tweede lid wordt bepaald dat artikel 4 van de Wet openbaarheid van bestuur van overeenkomstige toepassing is. Dit kan tot gevolg hebben dat bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd. In verband daarmee is de bepaling aangevuld met de verplichting voor het bestuursorgaan, in voorkomend geval mededeling te doen van het feit dat bepaalde stukken, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, niet ter inzage worden gelegd in verband met toepassing van artikel 4 van de Wet openbaarheid van bestuur. Een dergelijk voorschrift komt ook voor in de regeling van bezwaar en beroep (artikel 6.3.9, vierde lid, en artikel 6.4.9, vierde lid). Het ligt voor de hand bij de beslissing omtrent het al dan niet ter inzage leggen van stukken dezelfde gedragslijn te volgen als bij rechtstreekse toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur. Dit betekent onder meer dat de vereiste belangenafweging, onder omstan­digheden, het meest doeltreffend plaatsvindt indien degene op wie de stukken betrekking hebben, vooraf over het al dan niet ter inzage leggen wordt gehoord (vergelijk de toelichting op artikel 4 van het Besluit openbaarheid van bestuur).
Het derde lid betreft het recht afschriften te verkrijgen van de stukken. Bepalingen over het verstrekken van afschriften van stukken worden wel aangetroffen in wettelijke regelingen over terinzagelegging van stukken (bij voorbeeld artikel 17, derde lid, van de Wabm en artikel 10, tweede lid, van de Monumentenwet). Met betrekking tot bezwaar en beroep bevat deze wet eveneens een regeling hieromtrent (artikel 6.3.9, derde lid, en artikel 6.4.9, derde lid). Een dergelijke bepaling dient eveneens te gelden voor de op grond van deze afdeling ter inzage gelegde stukken. De bepaling maakt het mogelijk dat gratis of tegen gereduceerd tarief afschriften worden verstrekt. Mede om die reden wordt ook niet gesproken over «betaling» maar over «vergoeding».
In het vierde lid van dit artikel wordt als hoofdregel neergelegd dat de terinzagelegging in ieder geval ten kantore van het bestuursorgaan moet geschieden. Deze hoofdregel komt overeen met hetgeen veelal in wettelijke regelingen wordt bepaald (zie artikel 17, tweede lid, van de Wabm, artikel 9, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet, artikel 10, tweede lid, van de Kampeerwet).
In sommige gevallen kan het kantoor van het bestuurorgaan echter minder goed bereikbaar zijn dan een andere plaats, of andere nadelen hebben. De bepaling zou haar doel voorbij schieten, wanneer ook in die gevallen terinzagelegging ten kantore van het bestuursorgaan zou moeten plaatsvinden.
Daarom is de mogelijkheid geboden, bij wettelijk voorschrift van de hoofdregel af te wijken.

Nota van wijziging

Artikel 3.4.2 wordt gewijzigd als volgt:
– In het eerste lid wordt het woord «gedurende» vervangen door: voor een periode van.
– In het tweede lid vervalt de komma achter het woord «wordt».
– In het derde lid vervalt het woord «zullen».

Toelichting NvW
In artikel 4.3.2 worden twee redactionele verbeteringen aangebracht en wordt een kennelijke misstelling gecorrigeerd. Dit laatste is ook het geval met de wijziging van artikel 3.4.4.

Het tweede lid is gewijzigd bij wet van 16 december 1993, Stb. 650 (wetsvoorstel 22 495).

[bron: PG Awb II, p. 334]

[Eindtekst] Artikel 3:11 [3.4.2]
1. Het bestuursorgaan legt de aanvraag tot het nemen van het besluit of het ontwerp van het ambtshalve of op aanvraag te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken, voor een periode van ten minste vier weken ter inzage voor hen aan wie ingevolge artikel 3:13 de gelegenheid wordt geboden hun zienswijze naar voren te brengen.
2. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkom­stige toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.
3. Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten wordt afschrift van de ter inzage gelegde stukken verstrekt.
4. Voor zover niet bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, geschiedt de terinzagelegging in ieder geval ten kantore van het bestuursorgaan.

Tweede nota van wijziging

In artikel 3:11, tweede lid, wordt «Artikel 4 van de Wet openbaarheid van bestuur» vervangen door: Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur.

Dit artikel is met ingang van 1 juli 2005 gewijzigd bij wet van 24 januari 2002 Stb. 54 (wetsvoorstel 27 023)

[Eindtekst] Artikel 3:11
1. Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.
2. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.
3. Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten verstrekt het bestuursorgaan afschrift van de ter inzage gelegde stukken.
4. De stukken liggen ter inzage gedurende de in artikel 3:16, eerste lid, bedoelde termijn.

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

Het eerste tot en met derde lid komen goeddeels overeen met het eerste tot en met derde lid van het huidige artikel 3:11 zoals dat is opgenomen in de huidige 3.4-procedure. Wel moet daarbij worden aangetekend dat de nieuwe bepaling alleen uitgaat van de terinzagelegging van een ontwerpbesluit en dus niet de mogelijkheid biedt om in plaats daarvan de aanvraag ter inzage te leggen. Op dit verschil is ingegaan in § 5.6 van het algemeen deel van deze memorie. Verder is niet meer overgenomen de bepaling uit de huidige 3.5-procedure (artikel 3:22, eerste lid) betreffende de tijdstippen van terinzageligging en het verstrekken van een kosteloze mondelinge toelichting. Hiervoor zij verwezen naar § 5.12 van het algemeen deel van deze memorie.
Evenmin is in het nieuwe eerste lid de thans nog in artikel 3:11, eerste lid opgenomen clausule overgenomen dat de terinzagelegging plaatsvindt voor degenen die zienswijzen naar voren kunnen brengen. Deze beperking lijkt in het bijzonder van belang indien dit recht niet aan een ieder toekomt, maar bijvoorbeeld alleen aan belanghebbenden. In de praktijk is een dergelijke beperking echter niet of nauwelijks hanteerbaar en ook niet wenselijk. Juist de mogelijkheid om het ontwerp-besluit en de bijbehorende stukken in te zien stelt burgers immers in staat om te beoordelen of zij al dan niet gerechtigd zijn om hun zienswijze naar voren te brengen. Dit brengt met zich mee dat het inzagerecht de facto aan een ieder toekomt. In § 5.10 van het algemeen deel van deze memorie is ingegaan op de betekenis van de woorden «die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp» in het nieuwe eerste lid.
Het vierde lid geeft aan dat de stukken ter inzage moeten liggen gedurende de termijn voor het inbrengen van zienswijzen, in beginsel dus zes weken. Hierbij hebben wij het advies van de VNG overgenomen om de
inzageverplichting niet nog na die termijn te laten doorlopen, zoals in het huidige artikel 3:22 nog is voorgeschreven. Pas op het tijdstip waarop het definitieve besluit wordt genomen, moeten dat besluit, het ontwerpbesluit en de andere relevante stukken opnieuw ter inzage worden gelegd, ditmaal met het oog op het eventueel instellen van beroep (zie het nieuwe artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a).

Share This