Artikel 3:18

1. Indien het een besluit op aanvraag betreft, neemt het bestuursorgaan het besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag.
2. Indien de aanvraag een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft, kan het bestuursorgaan, alvorens een ontwerp ter inzage te leggen, binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de in het eerste lid bedoelde termijn met een redelijke termijn verlengen. Voordat het bestuursorgaan een besluit tot verlenging neemt, stelt het de aanvrager in de gelegenheid zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.
3. In afwijking van het eerste lid neemt het bestuursorgaan het besluit uiterlijk twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerp, indien het een besluit betreft:
a. inzake intrekking van een besluit;
b. inzake wijziging van een besluit en de aanvraag is gedaan door een ander dan degene tot wie het te wijzigen besluit is gericht.
4. Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, doet het bestuursorgaan daarvan zo spoedig mogelijk nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, mededeling op de wijze, bedoeld in artikel 3:12, eerste en tweede lid. In afwijking van het eerste of derde lid neemt het bestuursorgaan het besluit in dat geval binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoegd bij wet van 14 oktober 1993 Stb. 581 (wetsvoorstel 22 601)

[bron: PG Awb II, p. 337]

[Eindtekst] Artikel 3:18 [3.4A.2.3]
1. Van de in artikel 4:5 geregelde bevoegdheid om de aanvraag wegens onvolledigheid niet te behandelen, kan slechts gebruik worden gemaakt indien de aanvrager binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen.
2. Van verzoeken tot aanvulling van de aanvraag en van besluiten om de aanvraag niet te behandelen, wordt mededeling gedaan aan de betrokken andere bestuursorganen.
3. Indien het bestuursorgaan de aanvraag ondanks onvolledigheid ervan in behandeling neemt, stelt het op het geschrift waarbij de aanvraag is ingediend, een aantekening waaruit dat blijkt. Indien de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, vermeldt het bestuursorgaan in die aantekening de daarvoor ingevolge artikel 4:5 gestelde termijn.

Voorstel van wet

1. Van de in artikel 4.1.1.5 geregelde bevoegdheid om de aanvraag wegens onvolledig­heid niet te behandelen, kan slechts gebruik worden gemaakt indien de aanvrager binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen.
2. Van verzoeken tot aanvulling van de aanvraag en van besluiten om de aanvraag niet te behandelen, wordt mededeling gedaan aan de betrokken andere bestuursorganen.
3. Indien het bestuursorgaan de aanvraag ondanks de onvolledigheid ervan in behandeling neemt, stelt het op het geschrift waarbij de aanvraag is ingediend, een aantekening waaruit dat blijkt. Indien de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, vermeldt het bestuursorgaan in die aantekening de daarvoor ingevolge artikel 4.1.1.5 gestelde termijn.

Memorie van toelichting

Dit artikel geeft een aanvulling op artikel 4.1.1.5 van de Awb. Uit de artikelen 4.1.1.5 jo. 4.1.3.3 van de Awb vloeit voort dat het bestuurs­orgaan bij een onvolledige aanvraag binnen de beslistermijn om de ontbrekende gegevens kan verzoeken. Artikel 3.4A.2.3 bepaalt dat dit verzoek binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag moet worden gedaan. Voor het aanvullen van de onvolledige aanvraag dient het bestuursorgaan ingevolge artikel 4.1.1.5, eerste lid, de aanvrager aan een termijn te binden.
Het bestuursorgaan kan ook zonder verzoek om aanvullende gegevens of bescheiden een onvolledige aanvraag in behandeling nemen. Het zal dan gaan om gegevens of bescheiden die op zichzelf niet essentieel zijn voor de oordeelsvorming over de vraag of een besluit op aanvraag al dan niet kan worden genomen. Het derde lid van artikel 3.4A.2.3 verplicht het bestuursorgaan om in dat geval daarvan een aanteke­ning te maken.
Er zij nog op gewezen dat op grond van artikel 4.1.3.3 van de Awb de termijn waarbinnen op de aanvraag moet worden beslist (ingevolge artikel 3.4A.5.2: zes maanden) wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan de aanvrager uitnodigt om zijn aanvraag aan te vullen. De opschorting eindigt op de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Nota van wijziging

In artikel 3.4A.2.3 worden de volgende wijzigingen aange­bracht:
a1°. In het eerste lid wordt «na datum van ontvangst» vervangen door: na ontvangst.
a2°. In het eerste en derde lid wordt «artikel 4.1.1.5» vervangen door: artikel 4:5.

Toelichting NvW
Sub a1 Deze wijziging is van strikt redactionele aard.
Sub a2 Na de indiening van het onderhavige wetsvoorstel is de tekst van de eerste tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met de definitieve nummering in het Staats­blad geplaatst (Stb. 1992, 315). De onderhavige wijzigingen strekken ertoe de in het wetsvoorstel opgenomen verwijzingen naar de eerste tranche aan de definitieve tekst van de Awb aan te passen.

Dit artikel is met ingang van 1 juli 2005 gewijzigd bij wet van 24 januari 2002 Stb. 54 (wetsvoorstel 27 023)

[Eindtekst] Artikel 3:18
1. Indien het een besluit op aanvraag betreft, neemt het bestuursorgaan het besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag.
2. Indien de aanvraag een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft, kan het bestuursorgaan, alvorens een ontwerp ter inzage te leggen, binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de in het eerste lid bedoelde termijn met een redelijke termijn verlengen. Voordat het bestuursorgaan een besluit tot verlenging neemt, stelt het de aanvrager in de gelegenheid zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.
3. In afwijking van het eerste lid neemt het bestuursorgaan het besluit uiterlijk twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerp, indien het een besluit betreft:
a. inzake intrekking van een besluit;
b. inzake wijziging van een besluit en de aanvraag is gedaan door een ander dan degene tot wie het te wijzigen besluit is gericht.
4. Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, doet het bestuursorgaan daarvan zo spoedig mogelijk nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, mededeling op de wijze, bedoeld in artikel 3:12, eerste en tweede lid. In afwijking van het eerste of derde lid
neemt het bestuursorgaan het besluit in dat geval binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken.

VvW = Eindtekst, behoudens lid 4 dat in de VvW niet was opgenomen.

Memorie van toelichting

In § 5.3 van het algemeen deel van deze memorie is ingegaan op het belang van beslistermijnen. Het eerste en tweede lid van het nieuwe artikel 3:18 sluiten aan op de huidige artikelen 3:28 en 3:29 uit de 3.5-procedure.
In laatstgenoemd artikel is ook een verlengingsmogelijkheid opgenomen voor zeer ingewikkelde of omstreden onderwerpen. In het voorgestelde tweede lid is duidelijkheidshalve bepaald dat zo’n verlengingsbesluit moet worden genomen voordat er een ontwerp ter inzage wordt gelegd. Dit is ook de praktijk, gelet ook op het voorschrift dat een verlengingsbesluit reeds binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag moet zijn genomen. Voorts is geregeld dat de aanvrager eerst over een verlengingsbesluit moet worden gehoord. Verder moet van een verlengingsbesluit melding worden gemaakt bij de kennisgeving van het ontwerp. Dit laatste wordt geregeld in het nieuwe artikel 3:12, derde lid. Zoals reeds vermeld in § 5.10 van het algemeen deel van deze memorie, moet een verlengingsbesluit ook worden gerekend tot de stukken die op basis van het nieuwe artikel 3:11, eerste lid, ter inzage moeten worden gelegd. Gelet op het voorgaande behoeft het huidige artikel 3:29, derde lid, waarin de openbare mededeling en terinzagelegging van het verlengingsbesluit zijn geregeld, niet in het nieuwe artikel 3:18 te worden overgenomen. Volledigheidshalve zij nog vermeld dat een verlengingsbesluit op de gebruikelijke, in artikel 3:41 Awb geregelde wijze aan de aanvrager moet worden bekendgemaakt.
Het derdelid van het nieuwe artikel 3:18 sluit aan op artikel 3:33 uit de huidige 3.5-procedure met inachtneming van de vereenvoudigingen die voortvloeien uit ons voorstel om de zgn. voornemenprocedure niet meer wettelijk te regelen en de keuze om voor ambtshalve te nemen besluiten het opnemen van beslistermijnen aan de bijzondere wetgever over te laten. Hierop is in § 5.2 onderscheidenlijk § 5.3 van het algemeen deel van deze memorie reeds ingegaan. De afwijkende, immers kortere beslistermijn in het derde lid heeft als reden dat de geadresseerde van het eventueel te wijzigen of in te trekken besluit (meestal de houder van een vergunning) snel duidelijkheid krijgt over de beslissing van het bestuursorgaan op een aanvraag die strekt tot wijziging of intrekking van zijn vergunning. Alleen als het gaat om een aanvraag tot wijziging die door de vergunninghouder zelf wordt gedaan, is het aangewezen om deze te behandelen als ware het een aanvraag om een nieuw besluit, dus met inachtneming van de reguliere beslistermijn van maximaal zes maanden. In zo’n geval is een wijzigingsbesluit namelijk materieel gelijk te stellen met een geheel nieuw besluit. De hier gekozen systematiek komt overeen met die van afdeling 8.1.2 van de Wet milieubeheer (Wijziging of intrekking van vergunningen). In de overige gevallen, waarin sprake is van een ambtshalve te nemen besluit tot wijziging of intrekking, is uiteraard evenzeer zo snel mogelijkheid duidelijkheid gewenst over de door het bestuursorgaan te nemen beslissing. Zoals aangegeven in § 5.3 van het algemeen deel van deze memorie is het voor het nemen van ambtshalve besluiten niet goed mogelijk om een vaste beslistermijn in de Awb op te nemen. Het moet aan de bijzondere wetgever worden overgelaten om te bepalen voor welke gevallen ambtshalve te nemen besluiten aan een beslistermijn kunnen worden gebonden.
De in het derde lid nieuw gekozen beknoptere formulering «een besluit inzake wijziging of intrekking» komt inhoudelijk overeen met hetgeen in het huidige artikel 3:33 is aangeduid als «een besluit tot wijziging of intrekking of een besluit inhoudende de beslissing dat niet tot wijziging of intrekking wordt overgegaan». Voor de betekenis van de zinsnede «degene tot wie het te wijzigen besluit is gericht» wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3:15, vierde lid.

Share This