3.5 Samenhangende besluiten (artt. 3:19-3:33)

Afdeling 3.5 Samenhangende besluiten

Deze afdeling is met ingang van 1 juli 2008 ingevoegd bij wet van 29 mei 2008 Stb. 200 (wetsvoorstel 30 980).
Advies RvS

[30 980]

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 17 juli 2006 en het nader rapport d.d. 28 februari 2007, aangeboden aan de Koningin door de minister van Justitie, mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 10 mei 2006, no. 06.001685, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met een regeling over samenhangende besluiten (Wet samenhangende besluiten Awb), met memorie van toelichting.
Het wetsvoorstel bevat een aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met een coördinatieregeling voor de stroomlijning van procedures bij het voorbereiden en het nemen van met elkaar samenhangende besluiten en van de rechtsbescherming daartegen. Deze coördinatieregeling kan van toepassing worden verklaard door de bijzondere wetgever of door het bestuur; ook kan de regeling op verzoek van de aanvrager worden toegepast. Het voorstel voorziet tevens in een inspanningsverplichting voor bestuursorganen om burgers en bedrijven die voor een bepaalde activiteit vergunningen, subsidies en dergelijke aanvragen, zo goed mogelijk in te lichten over andere besluiten die aangevraagd moeten worden om de activiteit uiteindelijk te mogen verrichten.
De Raad van State onderschrijft in hoofdzaak de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt een aantal opmerkingen, op grond waarvan de toelichting naar zijn oordeel aanvulling en het wetsvoorstel op onderdelen heroverweging behoeft.

1. Belang van een regeling in de Awb
Een belangrijke reden om in de Awb een regeling op te nemen voor de coördinatie van diverse besluiten die alle betrekking hebben op één en dezelfde activiteit, kan zijn het bestaan van verschillende regelingen van dit onderwerp in verschillende wetten. Door het opnemen van een algemene regeling in de Awb kan dan – net als bijvoorbeeld het geval is met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure en de regeling voor de aanvullende klachtadviesprocedure van afdeling 9.1.3 – worden bewerkstelligd dat de bijzondere wet kan volstaan met het van toepassing verklaren van de in de Awb geregelde procedure, indien nodig met enkele aanvullende bepalingen.
Dit leidt tot het voorkómen van onnodige verschillen en tot grotere vertrouwdheid bij bestuursorganen en «burgers» met de betrokken figuur en de regeling daarvan. Vereist is dan in elk geval dat het zich laat aanzien dat er voldoende toepassingsmogelijkheden in het verschiet liggen en dat de regeling in de Awb «de beste van de verschillende werelden» is, dat wil zeggen dat ze vrucht is van kritische vergelijking van de bestaande procedureregelingen.
Dit alles dient dan te blijken uit de memorie van toelichting.
Daarover merkt de Raad het volgende op.
a. De toelichting wijst in paragraaf 5 van het algemene deel op een aantal bestaande en in procedure zijnde wetten die coördinatieregelingen kennen van het thans voorgestelde type. Daarnaast valt echter te wijzen op de in voorbereiding zijnde Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), die een verdergaande wijze van coördinatie regelt met betrekking tot toestemmingsvereisten voor activiteiten welke van invloed zijn op de fysieke leefomgeving.
Daar wordt niet volstaan met procedurele coördinatie, zoals in het voorliggende voorstel, maar wordt een groot aantal toestemmingsvereisten ondergebracht in één omgevingsvergunning, met in beginsel één bevoegd gezag; wel blijven er «schotten» bestaan tussen de op verschillende wettelijke regelingen berustende deeltoestemmingen, dat wil zeggen dat ze elk hun eigen regime hebben voor de vraag of en met welke voorschriften en beperkingen de deeltoestemming deel kan uitmaken van de omgevingsvergunning. Volgens de toelichting op dat voorstel ligt het in de bedoeling in de toekomst nog meer toestemmingsvereisten in de omgevingsvergunning onder te brengen.
Indien het voorstel Wabo wordt ingediend en wet wordt, verdwijnt, naar het zich laat aanzien, een aanzienlijk deel van het mogelijke toepassingsbereik van de hier voorgestelde regeling. De Raad adviseert in het licht daarvan nader in te gaan op de vraag of er voldoende debiet zal zijn voor de Awb-regeling Samenhangende besluiten.
b. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat gebruik is gemaakt van de ervaringen die zijn opgedaan met verschillende bestaande coördinatieregelingen. Een analyse ontbreekt echter, zodat niet kan worden nagegaan op welke wijze daarvan is geprofiteerd. In het bijzonder wordt niet duidelijk of deze ervaringen aanleiding hebben gegeven tot specifieke elementen van de thans voorgestelde regeling. Het is van groot belang inzicht te hebben in de vraag in hoeverre bestaande regelingen naar de ervaring van de verschillende categorieën betrokkenen (aanvragers, bestuursorganen en derdebelanghebbenden) bevredigend functioneren, welke factoren bevorderlijk zijn voor de kans op succes en welke een negatief effect hebben. De Raad adviseert deze analyse alsnog te verrichten en de resultaten ervan in de toelichting op te nemen.

2. Een eenvoudige, aantrekkelijke regeling?
Een goede coördinatieregeling bewerkstelligt dat de te verwachten voordelen van gecoördineerde voorbereiding van besluiten (alsmede van gecoördineerde afdoening van bezwaren en beroepen) ruimschoots tegen de mogelijke nadelen opwegen. Alleen dan is het verantwoord dat een wetgever besluit de toepassing van de coördinatieregeling voor te schrijven of dat bestuursorganen haar – doorgaans op verzoek – besluiten toe te passen. Hierbij dienen verschillende gezichtspunten in beschouwing te worden genomen: die van de aanvrager van de toestemmingen of van de subsidies, die van derdebelanghebbenden, en ten slotte die van de betrokken bestuursorganen en de door hen te behartigen belangen. Bij de mogelijke nadelen verdienen beslistermijnen en mogelijkheden van inspraak en rechtsbescherming in elk geval aandacht.
De Raad vraagt in dit verband aandacht voor het volgende.
a. Als wordt besloten (door een wetgever, of door een bestuursorgaan in afzonderlijke gevallen) tot toepassing van de coördinatieregeling, is uitgangspunt dat de aanvrager daarmee gediend zal zijn.
Het voorgestelde artikel 3:23, eerste lid, aanhef en onder b, maakt het mogelijk dat bestuursorganen tot coördinatie besluiten zonder dat dit overeenkomstig de wens van de betrokken aanvrager is. Enerzijds heeft dit iets ongerijmds: de aanvrager wordt iets opgedrongen wat vermoed wordt in zijn voordeel te zijn maar zonder dat hij dat wenst. Anderzijds betekent het dat tegen het besluit om tot coördinatie over te gaan – een procedureel voorbereidingsbesluit in de zin van artikel 6:3 Awb – voor de aanvrager bezwaar en beroep zal moeten openstaan.
Zowel de ongerijmdheid als het risico van bezwaar en beroep tegen het coördinatiebesluit, dus van juridisering, kunnen eenvoudig worden voorkomen door te bepalen dat een besluit ad hoc tot toepassing van de coördinatieprocedure niet wordt genomen zonder de schriftelijke instemming van de aanvrager. Heeft de aanvrager zelf om de coördinatie verzocht, dan geldt dat verzoek vanzelfsprekend als de instemming. Dan is het risico van bezwaar en beroep door de aanvrager uitgesloten. Daarom adviseert de Raad in onderdeel b, bij besluiten om in een afzonderlijk geval de coördinatieregeling toe te passen, te voorzien in het vereiste van schriftelijke instemming van de aanvrager van te coördineren besluiten.
b. Intussen kunnen ook belangen van derden betrokken zijn bij een besluit tot coördinatie. Het betreft dan niet zozeer de belangen die de wettelijke regelingen waarop de toestemmingsvereisten berusten of die de subsidieregelingen willen beschermen: de betrokken wettelijke regelingen worden inhoudelijk onveranderd toegepast. Maar er kunnen consequenties zijn voor de mogelijkheden tot inspraak en voor de inrichting van de rechtsbescherming. Voor de inspraak is een passende regeling getroffen: in geval van coördinatie overeenkomstig afdeling 3.5 Awb worden hooguit meer te nemen besluiten onderworpen aan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, nooit minder (artikel 3:28).
Voor de rechtsbescherming ligt het anders. Volgens het voorgestelde artikel 3:31, tweede lid, zal rechtsbescherming in één aanleg gelden met betrekking tot alle betrokken besluiten, indien dat normaliter ook maar voor één van die besluiten geldt. Dat betekent voor de belanghebbenden verlies van een instantie ten aanzien van de besluiten waartegen anders beroep in twee instanties mogelijk zou zijn.
Om deze reden, en ook omdat in de regel beroep in twee instanties hoort open te staan, acht de Raad het noodzakelijk de regel van artikel 3:31, tweede lid, om te draaien en te bepalen dat beroep in twee instanties openstaat tegen alle betrokken besluiten, indien dat normaliter het geval is bij ten minste één van die besluiten. Alleen als de zaken aldus zijn geregeld, is de keus voor het van toepassing verklaren van de procedure van afdeling 3.5 Awb ad hoc gelegitimeerd. Tevens wordt het dan mogelijk te bepalen dat tegen besluiten tot het toepassen van afdeling 3.5 geen bezwaar en beroep mogelijk is.
De Raad adviseert tot deze aanpassingen.

3. Coördinatie op verzoek
Volgens het voorgestelde artikel 3:23, eerste lid, aanhef en onder c, moet de coördinatieregeling worden toegepast indien de aanvrager daarom heeft verzocht, mits het verzoek betrekking heeft op beschikkingen van bestuursorganen die tot dezelfde rechtspersoon behoren.
Voor beschikkingen van bestuursorganen die niet tot dezelfde rechtspersoon behoren, kan tot coördinatie worden besloten. Ook dan kan de aanvrager op grond van het voorgestelde artikel 3:23, eerste lid, aanhef en onder b, in verband met artikel 5 van de Grondwet, om toepassing van de coördinatieregeling verzoeken. In de toelichting wordt dan ook terecht gesteld «dat niets zich ertegen verzet dat een belanghebbende op eigen initiatief kan vragen om een coördinatiebesluit op basis van onderdeel b van dit artikel te nemen.» Uit de voorgestelde tekst vloeit voort dat aan de bevoegde bestuursorganen ten aanzien van zo’n verzoek beleidsvrijheid toekomt.
Aan de in onderdeel c (verplichte coördinatie) gestelde voorwaarde dat het moet gaan om beschikkingen van bestuursorganen die tot dezelfde rechtspersoon behoren, ligt blijkens de toelichting de veronderstelling ten grondslag dat deze «tot samenwerking kunnen komen» en dat dit daarbuiten moeilijker ligt.
De Raad begrijpt het voorstel aldus, dat gezocht is naar enige vorm van afbakening van de samenwerking waartoe op verzoek van een aanvrager móét worden overgegaan. Dat als aanknopingspunt de rechtspersoon is genomen waartoe de betrokken bestuursorganen behoren, heeft onder meer tot gevolg dat op rijksniveau op verzoek gehoudenheid tot samenwerking zal bestaan tussen een of meer ministers, tussen een of meer ministers met een of meer zelfstandige bestuursorganen zonder eigen rechtspersoonlijkheid, of tot onderlinge samenwerking van dergelijke zelfstandige bestuursorganen. Gezien de diversiteit van deze «gedwongen» samenwerkingsverbanden op rijksniveau, acht de Raad een categorische plicht tot coördinatie op verzoek riskant. Hij geeft in overweging te bepalen dat tot de gevraagde coördinatie moet worden overgegaan tenzij dringende redenen zich daartegen verzetten. Daarnaast kan ook bij samenhangende besluiten die binnen en tussen verschillende bestuurslagen worden voorbereid, coördinatie voor een aanvrager zeer gewenst zijn. Daarmee valt moeilijk te rijmen dat de betrokken bestuursorganen in deze situatie wettelijk volledig vrij zouden zijn in hun keuze om al of niet tot samenwerking over te gaan, vanwege het enkele feit dat zij niet tot één rechtspersoon behoren. Ook hier zou kunnen worden bepaald dat coördinatie desgevraagd verplicht is, tenzij dringende redenen zich verzetten tegen inwilliging van het verzoek.
De Raad adviseert, dit alles overziende, de vraag of desverzocht tot coördinatie moet worden overgegaan, niet te laten afhangen van de vraag of het gaat om beschikkingen van organen van één en dezelfde rechtspersoon, maar van de vraag of er dringende redenen zijn die zich tegen de gevraagde coördinatie van de desbetreffende beschikkingen verzetten. Wel zou dit stelsel meebrengen dat (uitsluitend) de aanvrager wiens verzoek om coördinatie is afgewezen, tegen deze weigering rechtsmiddelen moet kunnen aanwenden; praktisch gezien betekent dit in het bijzonder dat kan worden verzocht om een voorlopige voorziening waarbij wordt bepaald dat afdeling 3.5 Awb moet worden toegepast.
De Raad adviseert tot aanpassing van artikel 3:23, eerste lid.

4. Beroep bij de administratieve rechter
Het nu volgende betreft artikel 3:31 Awb zoals het is voorgesteld; het laat onverlet de bij punt 2, onder b, gedane aanbeveling om de regel van het tweede lid om te keren.
De strekking van het voorgestelde artikel 3:31 Awb begrijpt de Raad aldus, dat verzekerd moet worden dat beroepen tegen de gecoördineerde besluiten ook gecoördineerd zullen worden behandeld. Met dat uitgangspunt stemt de Raad in.
Daartoe wordt allereerst bepaald dat de relatieve competentie zo nodig afhangt van de zetel van het coördinerende bestuursorgaan; daarmee wordt het risico voorkomen dat een deel van de beroepen – technisch gezien gaat het om afzonderlijke beroepen tegen afzonderlijke besluiten – door de ene rechtbank zou worden behandeld, terwijl een ander deel bij een of meer andere rechtbanken zou kunnen terechtkomen. Met toepassing van artikel 8:14, eerste lid, Awb kan de betrokken rechtbank overgaan tot gevoegde behandeling van de zaken.
Staat tegen een of meer van de gecoördineerde besluiten rechtstreeks beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State open, dan is de Afdeling in beginsel ook in de andere zaken in eerste en enige aanleg bevoegd, zo wil het tweede lid blijkbaar bepalen. Maar meent de Afdeling dat het zwaartepunt van de beroepen ligt bij een of meer besluiten waartegen normaliter beroep in twee instanties openstaat, dan kan zij de behandeling van alle beroepen doorverwijzen naar de rechtbank van het eerste lid; in dat geval is die rechtbank ook bevoegd ten aanzien van een besluit dat normaliter onder de rechtstreekse competentie van de Afdeling valt (derde lid). Is ten aanzien van een of meer van de beroepen een gespecialiseerde rechter als het College van Beroep voor het bedrijfsleven normaliter de bevoegde rechter (hetzij in eerste en enige aanleg, hetzij in hoger beroep) en ligt daar het zwaartepunt van de beroepen, dan kunnen rechtbank of Afdeling de behandeling van alle beroepen aan die rechter overdoen (derde lid).

Handelingen II

[20 december 2007]

Dit wetsvoorstel is zonder beraadslaging en, na goedkeuring van de onderdelen, zonder stemming aangenomen.

Voorlopig verslag I

Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Algemeen
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling en waardering kennis genomen van dit wetsvoorstel. Zij beschouwen deze aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht als uitermate zinvol en noodzakelijk. De coördinatieregeling voor stroomlijning van procedures bij het voorbereiden van besluiten en het met elkaar in samenhang nemen van besluiten, zal idealiter leiden tot minder ingewikkelde procedures, snellere besluitvorming en, niet in de laatste plaats, zal de belangen van de aanvrager dienen.
De commissie-Scheltema heeft het voorontwerp «Wet samenhangende besluiten Awb», opgesteld. Dit voorontwerp is op 8 maart 2000 aangeboden aan de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties door de Commissie Wetgeving algemene regels van het bestuursrecht (commissie-Scheltema). Uitgangspunt van het voorontwerp is dat de bestaande bestuursorganen en bevoegdheden gehandhaafd blijven.
Dit wetsvoorstel bevat een nadere uitwerking van het voorontwerp en vormt een aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met twee onderdelen:
• een inspanningsverplichting voor bestuursorganen om burgers en bedrijven die voor een bepaalde activiteit vergunningen, subsidies e.d. aanvragen, zo goed mogelijk in te lichten over andere besluiten die aangevraagd moeten worden om de activiteit uiteindelijk te mogen verrichten;
• een coördinatieregeling voor de stroomlijning van procedures bij het voorbereiden en nemen van met elkaar samenhangende besluiten en van de rechtsbescherming daartegen, die waar wenselijk en nodig van toepassing kan worden verklaard door de bijzondere wetgever of door de tot het nemen van die besluiten bevoegde bestuursorganen.
De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij bezien dit voorstel in uitdrukkelijke samenhang met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)[1] en vragen zich vooral af of een algemene coördinatieregeling ook op het terrein van het omgevingsrecht niet voldoende soelaas zou kunnen bieden. De leden van de VVD-fractie hebben met gemengde gevoelens kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Met name ten aanzien van de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel hebben zij een aantal vragen.

Algemene regeling
De leden van de CDA-fractie waarderen de invoering van een meer uniform model in plaats van steeds wisselende bijzondere regelingen. Het voorstel zal er toe moeten leiden dat wetgeving minder ingewikkeld zal worden en dat interne procedures en werkprocessen vlotter zullen verlopen. Het wekt dan ook enige verbazing dat de voorbereidingen van dit wetsvoorstel maar liefst acht jaar heeft geduurd. In het belang van burger en bestuur ware het beter geweest sneller te handelen.
Deze leden vragen de regering in te gaan op de betekenis van het wetsvoorstel voor de steeds meer toenemende regionale afstemming van beleid en uitvoering. Is het juist, zo vragen deze leden, dat dit voorstel ook regionaal de voorkeur verdient boven bestaande afstemmings- en coördinatieregelingen?

Inlichtingenplicht
De leden van de PvdA-fractie hebben de met de Tweede Kamer gevoerde discussie gevolgd over een resultaatsverplichting in plaats van inspanningsverplichting voor bestuursorganen om burgers en bedrijven in te lichten. De regering heeft daartegen momenteel belangrijke bezwaren. Ziet de regering aanleiding om de inspanningsverplichting in latere instantie wel door een resultaatsverplichting te vervangen? Wordt, in brede zin, gewerkt aan een organisatorische voorziening met het karakter van een dienstverlenend informatiepunt, die door de regering bij een resultaatsverplichting van belang wordt geacht?
Eén van de kernpunten van onderhavig wetsvoorstel betreft naar het oordeel van de leden van de VVD-fractie de informatieverplichting. De regering geeft aan dat veel bestuursorganen zich inspannen om burgers en bedrijven zo goed mogelijk te informeren over de voor voorgenomen activiteiten benodigde besluiten. «Klantgerichtheid en serviceverlening» zijn voor de overheid richtinggevende noties geworden, aldus de regering. Dat klinkt prachtig. Echter, als blijkt dat bijvoorbeeld de Belastingdienst daarin al achterblijft – zie de 3383 emails met klachten die het VVD Tweede Kamerlid Ineke Dezentjé Hamming in de Tweede Kamer aan de staatssecretaris van financiën heeft overhandigd – dan is de regering wel erg optimistisch over de klantgerichtheid van bestuursorganen. Dit optimisme is theoretisch, onrealistisch en daarmee niet terecht, zo laat de dagelijkse praktijk van bestuursorganen zien. Hoe gaat de regering dit hiaat tussen zijn gewenste en theoretisch optimisme en de harde werkelijkheid van de praktijk opheffen? Welke maatregelen treft de regering om van bestuursorganen klantgerichte en serviceverlenende organisaties te maken? Als de regering niets doet, is deze wet overbodig en van generlei waarde.

Coördinatieregeling
Een ander, voor de leden van de CDA-fractie, belangrijk onderdeel van het wetsvoorstel betreft de coördinatieregeling. In de Nota naar aanleiding van het verslag[2] merkt de regering op dat «wordt overwogen» om de regeling van toepassing te verklaren op gevallen waarin de Europese dienstenrichtlijn[3] van toepassing is. Deze leden zijn van mening dat indien de Europese dienstenrichtlijn van toepassing is, ook de coördinatieregeling zal worden toegepast, of zien deze leden dat niet goed? Eenzelfde vraag als hierboven gesteld ten aanzien van de inlichtingenplicht, kan door de leden van de PvdA-fractie met betrekking tot de coördinatieregeling worden gesteld: is de regering bereid om in latere instantie wél het advies van de Raad van State over te nemen, om coördinatie op verzoek van een aanvrager altijd verplicht te stellen tenzij dringende redenen zich daartegen verzetten?
Een ander kernpunt van onderhavig wetsvoorstel betreft voor de leden van de VVD-fractie de coördinatieregeling. In de Nota naar aanleiding van het verslag merkt de regering op dat wordt overwogen om de regeling van toepassing te verklaren op gevallen waarin de Europese dienstenrichtlijn van toepassing is. Wat zou de regering ervan weerhouden om de coördinatieregeling niet van toepassing te verklaren op die gevallen waarin de Europese dienstenrichtlijn van toepassing is?
In hoeverre zal het coördinerend informatiepunt, zoals nu ontwikkeld voor aanbieders van diensten op grond van de Europese dienstenrichtlijn, daarbij een rol spelen, vragen de leden van de fracties van VVD en CDA? Het coördinerend informatiepunt zal samenvallen met het bedrijvenloket zoals dat nu wordt ontwikkeld[4]. Het bedrijvenloket komt maar zeer moeizaam van de grond. De ontwikkeling van het bedrijvenloket is sterk vertraagd en buitengewoon kostbaar. Wat is de impact hiervan op de implementatie van onderhavig wetsvoorstel?

Vrijblijvend karakter
De coördinatieregeling en informatieverplichting hebben een vrijblijvend karakter. Voor de leden van de CDA-fractie en de VVD-fractie is dit een onwenselijke situatie, ondanks de uitleg die de regering aan de Tweede Kamer hierover heeft gegeven. Welke stok heeft de regering achter de deur als bestuursorganen de coördinatieregeling en informatieverplichting niet toepassen, c.q. niet naleven? En welke «stokken» hebben burgers en bedrijven in die gevallen?
De leden van de CDA-fractie stemmen in met het uitsluiten van bezwaar en beroep tegen een coördinatiebesluit (zie de voorgestelde wijziging van artikel 8:4 Awb in het voorstel). Ook met betrekking tot beroep in twee instanties zijn deze leden ingenomen met het voorstel (op basis van het advies van de Raad van State). Tevens verwijzen deze leden in dit kader naar hun inbreng bij wetvoorstel 30 844, de Wabo.

Samenhang met de Wabo

De leden van de CDA-fractie verwijzen met de Raad van State allereerst naar hun uitvoerige inbreng betreffende wetsvoorstel 30 844, de Wabo. Zij wijzen ook in dit verband op de mogelijkheid van toepassing van het voorliggende wetsvoorstel op de procedures rond de omgevingsvergunning. Het zal op basis van het voorliggende voorstel leiden tot een aanzienlijke vereenvoudiging van procedures en besluitvorming. Tevens is de rechtsbescherming van de burger gediend met dit wetsvoorstel. De aan het woord zijnde leden verzoeken de regering de beantwoording van de vragen nauwkeurig af te stemmen met de beantwoording van de uitvoerige beschouwingen betreffende wetsvoorstel 30 844.
De regering heeft naar aanleiding van een vraag naar de samenhang van onderhavig wetsvoorstel met het wetsvoorstel Wabo in de Tweede Kamer aangegeven dat voor zover het wetsvoorstel Wabo bestaande coördinatieregelingen op het terrein van milieu en ruimtelijke ordening in stand laat, wordt bezien in hoeverre de coördinatieregeling van de Wabo hiervoor in de plaats kan treden. Wat is de stand van zaken op dit punt?

ICT
Voor samenwerking en afstemming is een goede informatievoorziening van groot belang. Vooral als het gaat om de toepassing van ICT zijn overheden kwetsbaar. Overheden hebben wat dat betreft lessen te leren uit het verleden. Deze leden verwijzen naar het recente rapport «Lessen uit ICT projecten bij de overheid»[5]. De leden van de CDA-fractie verwijzen in dit verband naar het achterblijven van resultaten van ICT-projecten zoals die over de afhandeling van de zorg- en huurtoeslag door de Belastingdienst en het maar niet op orde krijgen van de modernisering van de GBA. Het digitale loket vervult in dit voorstel ook een belangrijke rol. Welke acties gaat de regering ondernemen om er voor te zorgen dat de informatievoorziening voor de uitvoering van dit wetsvoorstel op orde komt?
Het onderhavig wetsvoorstel veronderstelt dat de betrokken bestuursorganen bereid zijn tot samenwerking en het belang inzien van interbestuurlijke inhoudelijke en procedurele afstemming[6]. Voor samenwerking en afstemming is een goede informatievoorziening van groot belang.
Nu blijkt de overheid daarin bepaald niet uit te blinken. De leden van de VVD-fractie wijzen op de diverse rapporten van de Algemene Rekenkamer over het achterblijven van resultaten van ICT-projecten zoals die over de afhandeling van de zorg- en huurtoeslag door de Belastingdienst en het maar niet op orde krijgen van de modernisering van de GBA door de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken. Wat gaat de regering doen om er voor te zorgen dat de informatievoorziening voor de uitvoering van dit wetsvoorstel wel op orde komt?
Voor een goed functionerende informatievoorziening zullen daarop toegesneden ICT faciliteiten een belangrijke rol spelen. Waarom worden in onderhavig wetsvoorstel bestuursorganen niet verplicht gesteld om in ieder geval ook op elektronische wijze aan de informatieverplichting te voldoen en burgers en bedrijven zoveel mogelijk te stimuleren om hun aanvragen tot besluiten op elektronische wijze in te dienen?

Tot slot
Op het voorontwerp zijn in 2000 adviezen ontvangen van onder meer de VNG, het IPO, VNO/NCW, de NVvR en de NovA. We zijn inmiddels 8 jaar verder. De regering heeft aangegeven dat in de tussenliggende periode prioriteit is gegeven aan andere bestuursrechtelijke wetgeving. Waarom heeft die tussenliggende periode 8 jaar moeten duren? Dat andere prioriteitsstelling tot een vertraging van enkele jaren leidt, is al niet wenselijk, en in het geheel niet in het belang van burgers en bedrijven. Een vertraging van 8 jaar is echter erg lang en niet acceptabel. Graag een reactie hierop van de regering.

Memorie van antwoord I

Met belangstelling hebben wij kennis genomen van het voorlopig verslag van de vaste commissie voor Justitie over het wetsvoorstel. Hieronder gaan wij in volgorde van het verslag in op de gestelde vragen en gemaakte opmerkingen. Wij spreken de hoop uit dat het wetsvoorstel, dat om hierna nog uiteen te zetten redenen een lange voorbereidingstijd heeft gekend, voortvarend in de Eerste Kamer kan worden behandeld en spoedig in werking kan treden.

Algemeen
De leden van de CDA-fractie vatten de doelstellingen van het wetsvoorstel terecht samen onder de noemers: minder ingewikkelde procedures, snellere besluitvorming en het dienen van de belangen van aanvragers van besluiten. Terecht wijzen de leden van de PvdA-fractie op de samenhang met het eveneens bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel Wet algemene bepalingen omgevingsrecht («Wabo»; 30 844, A). Wij hebben vanzelfsprekend tevens kennisgenomen van de vragen die (mede) door deze leden over dit onderwerp zijn gesteld in het voorlopig verslag over dat wetsvoorstel. Hoewel tussen beide wetsvoorstellen raakvlakken bestaan, is er geen sprake van wederzijdse afhankelijkheid in die zin dat gelijktijdige inwerkingtreding en dus gelijktijdige behandeling is vereist. De voortgang van het ene wetsvoorstel is dus niet afhankelijk van het andere wetsvoorstel.
De vraag van deze leden of een algemene coördinatieregeling ook op het terrein van het omgevingsrecht niet voldoende soelaas zou kunnen bieden, wordt niet voor het eerst opgeworpen. In de nota naar aanleiding van het verslag (Tweede Kamer) bij het wetsvoorstel Wabo[7] is onze ambtgenote van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer uitvoerig ingegaan op de verhouding tussen beide regelingen. De in het onderhavige wetsvoorstel geregelde coördinatie en de in de Wabo geregelde (procedurele) integratie zijn loten aan dezelfde stam. Beide bevorderen zij de samenhang van besluitvorming; beide zijn zij daarmee gericht op vereenvoudiging van procedures en versnelling van besluitvorming. De (procedurele) integratie zoals deze is voorzien in de Wabo, gaat echter een stap verder dan de coördinatie uit het onderhavige wetsvoorstel. Het onderhavige wetsvoorstel leidt niet tot één besluit, maar voorziet in een bundeling van de te volgen procedures. De Wabo leidt daadwerkelijk tot één besluit, de omgevingsvergunning. Door het algemene karakter van de Awb kan in deze wet uiteraard niet worden voorzien in één allesomvattend besluit. Het voordeel van een sectorale regeling als de Wabo is dat dat daar wel mogelijk is. Dit is het belangrijkste, principiële verschil tussen beide regelingen. Er zijn meer verschillen, waarvoor wij kortheidshalve verwijzen naar genoemde nota naar aanleiding van het verslag alsmede de bijlage bij die nota, waarin een exacte vergelijking is gemaakt tussen de coördinatieregelingen van de Awb en de Wet ruimtelijke ordening enerzijds en de integratieregeling van de Wabo anderzijds. Als de Wabo er niet zou zijn, zou de coördinatieregeling van de Awb op de door die wet bestreken besluiten kunnen worden toegepast, zo antwoorden wij de leden van de PvdA-fractie. Maar wel zou dan de kans worden gemist om de verdergaande stap van de Wabo te zetten in de vorm van één vergunning, in het perspectief van een meer inhoudelijke integratie. De toegevoegde waarde van het onderhavige wetsvoorstel is er vervolgens in gelegen dat op terreinen waar (nog) geen sprake is van één besluit, de coördinatieregeling uit de Awb kan worden toegepast. Dit geldt dus onder andere voor de coördinatie tussen de omgevingsvergunning en besluiten die niet opgaan in de omgevingsvergunning.
Wij hopen de bedenkingen van de leden van de VVD-fractie aangaande de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel te kunnen wegnemen in het vervolg van deze memorie, waarin wij op de specifieke vragen en opmerkingen van deze leden ingaan.

Algemene regeling
Wij kunnen ons de verbazing van de leden van de CDA-fractie voorstellen over het feit dat er tussen het uitbrengen van het voorontwerp door de commissie Scheltema en het moment dat de Eerste Kamer zich nu over dit wetsvoorstel buigt acht jaren zijn verstreken. Er lagen precies zeven jaren tussen de publicatie van het voorontwerp en de indiening van het wetsvoorstel. De verklaring hiervoor ligt in de grote omvang en intensiteit van het wetgevingsprogramma van het ministerie van Justitie, die dwingen tot het maken van keuzen, ook waar het de staats- en bestuursrechtelijke onderwerpen betreft. Zo moest in de vorige kabinetsperiode veel capaciteit worden ingezet voor de nieuwe inburgeringswetgeving en thans voor de wetgeving in verband met de overgang naar een nieuwe staatkundige structuur voor het Koninkrijk. Op het gebied van de algemene bestuursrechtelijke wetgeving is in de genoemde periode voorrang gegeven aan andere prioritaire projecten, die overigens voor het merendeel evenzeer in het teken stond van dejuridisering en vereenvoudiging en versnelling van procedures. Wij noemen slechts de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures, de Eerste evaluatiewet Awb, de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer, de Wet rechtstreeks beroep, de Wet extern klachtrecht, de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure, de vierde tranche van de Awb, de Wet (dwangsom en) beroep bij niet tijdig beslissen, het voorontwerp aanpassing bestuursprocesrecht en alle bij de genoemde wetten behorende aanpassingswetgeving. Ook met al deze wetgeving zijn de belangen van burger en bestuur gediend. Daarnaast vereisten de periodieke evaluaties van de Awb inzet van capaciteit. Daarbij willen wij overigens niets afdoen aan het belang en het nut van het nu voorliggende wetsvoorstel, welke de leden van de CDA-fractie in hun inleidende betoog treffend hebben gekenschetst. Het belang en het nut van dit wetsvoorstel blijken overigens uit het feit dat het aan dit wetsvoorstel ten grondslag liggende voorontwerp in diverse wetten reeds zijn schaduwen vooruit heeft geworpen, doordat in enkele sectorale wetten coördinatieregelingen zijn ingevoerd die (deels) zijn geënt op de regeling uit het voorontwerp. In dit opzicht kan worden gesteld dat het wetsvoorstel op diverse terreinen een belangrijke voorbeeldwerking heeft gehad en reeds materieel effect teweeg heeft gebracht.
Deze leden vroegen voorts naar de betekenis van het wetsvoorstel voor het regionale niveau. De voorgestelde coördinatieregeling is toepasbaar op alle overheidsniveaus en ziet ook op de coördinatie van besluiten tussen bestuursorganen van decentrale overheden. In hoeverre zij van de mogelijkheid tot coördinatie volgens de Awb gebruik gaan maken, is primair ter beoordeling van die bestuursorganen zelf. Wij verwachten echter met de nu voorliggende regeling een eenvoudig toepasbare regeling te kunnen aanbieden waarin de belangrijkste wettelijke belemmeringen in de vorm van uiteenlopende procedureregels voor de voorbereiding en de rechtsbescherming zijn geëcarteerd.

Inlichtingenplicht
In antwoord op de daartoe strekkende vraag van de leden van de PvdAfractie merken wij op geen voornemens te hebben om op een later moment de inspanningsverplichting om burgers en bedrijven voor te lichten over benodigde besluiten, om te zetten in een resultaatsverplichting. De bezwaren die wij tegen een resultaatsverplichting hebben aangevoerd, welke er in hoofdzaak op neerkomen dat een resultaatsverplichting tot tal van juridische procedures zou leiden en uitgebreide organisatorische voorzieningen zou vergen, wegen naar ons oordeel zwaar en zijn niet gemakkelijk weg te nemen. Dat neemt niet weg dat op zekere terreinen wel organisatorische voorzieningen worden gecreëerd, zo antwoorden wij deze leden. Tal van bestuursorganen werken met «front offices» of «accountmanagers». De komende jaren gaat de rijksoverheid samen met onder andere gemeenten en uitvoeringsorganisaties werken aan «Antwoord». Dit is het dienstverleningsconcept waarin bestuursorganen onderling informatie uitwisselen en koppelen om een groot deel van de vragen aan de overheid direct te kunnen beantwoorden, ongeacht aan welk bestuursorgaan of via welk kanaal de vragen worden gesteld.
Ook kan worden gewezen op de activiteiten van «Antwoord voor bedrijven» (voorheen het digitale Bedrijvenloket). Het is echter onrealistisch te veronderstellen dat deze informatiepunten op de hoogte kunnen zijn van alle besluiten van alle bestuursorganen in ons land. De laagdrempelige en snelle serviceverlening die met deze vormen van contact zijn beoogd, moet naar ons oordeel niet in de wielen worden gereden door deze informatievoorziening bloot te stellen aan het risico van juridische aansprakelijkheden en alle daaruit voortvloeiende juridisering. Het spijt ons te vernemen dat de leden van de VVD-fractie er niet van overtuigd zijn dat klantgerichtheid en serviceverlening bij de overheid de afgelopen tien jaar richtinggevende noties zijn geworden, zoals wij schreven in de nota naar aanleiding van het verslag (Tweede Kamer). Het spreekt vanzelf dat er nog verdere stappen kunnen en moeten worden gezet. Anders dan deze leden zijn wij er echter, gelet op de vele gunstige ervaringen met bestuursorganen van alle overheidsniveaus, van overtuigd dat de overheid op de goede weg is. Wij onderschrijven dan ook geenszins de stelling van deze leden dat wij op dit punt een theoretisch, onrealistisch en daarmee niet terecht optimisme tentoonspreiden. Het onderhavige wetsvoorstel biedt een belangrijk hulpmiddel voor bestuursorganen die op het gebied van klantgerichtheid en serviceverlening voorop lopen en een aansporing voor die bestuursorganen die op dat gebied nog achterblijven. Een dienstbare publieke sector is een van de pijlers van het kabinetsbeleid. In het beleidsprogramma van het kabinet is aangegeven dat de publieke dienstverlening merkbaar moet worden verbeterd. Bij het verbeteren van de dienstverlening en het verminderen van de administratieve lasten wordt de aandacht in eerste instantie gericht op de knelpunten waar de burger het meest last van heeft. Daartoe is een top 10 van knelpunten opgesteld. Veel initiatieven zijn inmiddels genomen en worden nog ontplooid om deze knelpunten weg te nemen: de ontwikkeling van de persoonlijke internetpagina (MijnOverheid.nl) waar de burger 24 uur per dag, 7 dagen per week, zaken kan doen met de overheid, de vereenvoudiging van overheidsformulieren, het slechts één keer verstrekken van persoonlijke gegevens, enz. Voor een uitgebreider overzicht van de door de leden van de VVD-fractie gevraagde maatregelen verwijzen wij naar de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer van 21 september 2007[8] en de website van het ministerie van Binnenlandse Zaken (www.bzk.nl > Onderwerpen > Dienstverlening van de overheid).

Coördinatieregeling
Naar aanleiding van de vragen van de leden van fracties van CDA en VVD over de verhouding tussen de in dit wetsvoorstel voorgestelde coördinatieregeling en de Europese dienstenrichtlijn, merken wij op dat een van de verplichtingen die uit de dienstenrichtlijn voortvloeien is dat dienstverrichters op afstand en met elektronische middelen procedures en formaliteiten moeten kunnen afwikkelen. Hiertoe zal een zogenaamd Eén-loket worden opgericht.[9] De ontwikkeling van het Eén-loket wordt ingebed in de activiteiten van het eerdergenoemde Antwoord voor bedrijven, dat binnen het e-overheidsprogramma fungeert als «front-office» voor het ontsluiten van informatie en procedures aan ondernemers. Het Eén-loket is een dienstverlening in de vorm van een faciliteit voor (voor zover hier relevant) gegevensuitwisseling. Door middel van die gegevensuitwisseling kunnen procedures en formaliteiten met de betrokken bestuursorganen worden afgewikkeld. De verdeling van de taken en bevoegdheden tussen de verschillende bestuursorganen binnen de nationale systemen blijft onverlet (artikel 6, tweede lid, van de dienstenrichtlijn). De coördinatieregeling in de Awb heeft een andere invalshoek. Deze gaat uit van een procedurele bundeling van vergunningen die voor een bepaalde activiteit noodzakelijk zijn en waarvoor verschillende bestuursorganen bevoegd kunnen zijn. Een van de bevoegde bestuursorganen wordt daarbij aangewezen als coördinerend bestuursorgaan (art. 3:22). Het hiervoor genoemde Eén-loket is geen bestuursorgaan in de zin van de coördinatieregeling maar, zoals vermeld, een voorziening voor gegevensuitwisseling met de betrokken bestuursorganen. Het Eén-loket speelt op zichzelf dan ook geen rol bij de toepassing van de coördinatieregeling en de implementatie van onderhavig wetsvoorstel is daarvan dus niet afhankelijk. De coördinatieregeling van de Awb past bij de doelstellingen die de dienstenrichtlijn nastreeft, zoals die betreffende de vereenvoudiging van administratieve procedures. De dienstenrichtlijn zelf verplicht echter niet tot het toepassen van een coördinatieregeling zoals voorzien in dit wetsvoorstel.
Het is aan de desbetreffende sectorwetgever of de betrokken bestuursorganen om te bepalen of de coördinatieregeling op een bepaald terrein van toepassing wordt. In de geest van de dienstenrichtlijn verdient die mogelijkheid extra aandacht bij regelingen met betrekking tot de toegang tot en de uitoefening van diensten in de zin van de dienstenrichtlijn. Dit zal gebeuren bij gelegenheid van de aanpassingswetgeving bij het onderhavige wetsvoorstel. Omdat het als gezegd geen dwingend uit de dienstenrichtlijn voortvloeiende implementatieverplichting betreft, zal dit derhalve geen onderdeel uitmaken van de noodzakelijke implementatiewetgeving voor de dienstenrichtlijn.
De leden van de PvdA-fractie stelden over de coördinatieregeling een soortgelijke vraag als over de informatieregeling: kan deze op een later moment een meer verplichtend karakter krijgen? Om de redenen die wij in het nader rapport en de memorie van toelichting hebben aangegeven, is de coördinatieregeling vormgegeven als een – in de zin van het systeem van de Awb – «facultatieve» regeling. Dit gelet op de (juridische) complicaties die een meer verplichtende regeling, bijvoorbeeld zoals voorgesteld door de Raad van State zou meebrengen. Aangezien de genoemde complicaties niet eenvoudig zullen kunnen worden weggenomen, hebben wij op dit moment geen voornemen de regeling in een later stadium in algemene zin een verplichtend karakter te geven. In de nota naar aanleiding van het verslag (Tweede Kamer) hebben wij, in antwoord op vragen van de partijgenoten van deze leden, gewezen op het bezwaar dat een meer verplichtende regeling kan leiden tot «procedures over procedures». Er zullen immers, zoals ook al bleek uit de door de Raad van State voorgestelde tekst («tenzij dringende redenen zich daartegen verzetten»), uitzonderingen op zo’n algemene verplichting moeten worden gemaakt. Elke uitzondering brengt weer het risico met zich dat over het al dan niet toepassen van die uitzondering procedures ontstaan. Dat is niet in het belang van snelle en eenvoudige besluitvorming waaraan dit wetsvoorstel nu juist een bijdrage wil leveren. In dit verband menen wij ook te mogen wijzen op aanwijzing 12 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, waarin is vastgelegd dat een regeling op zodanige wijze moet worden ingericht dat zij zo weinig mogelijk conflicten oproept. Volgens deze aanwijzing moet daartoe onder meer het aantal beslismomenten waartoe toepassing van de regeling aanleiding geeft, tot een minimum worden beperkt. Wel ligt het in de bedoeling in een aantal meer specifiek omschreven gevallen het volgen van de coördinatieprocedure uit de Awb wettelijk verplicht te stellen. Ook thans zijn reeds in diverse wetten coördinatieverplichtingen opgenomen. Deze worden voor zover mogelijk vervangen door de coördinatieprocedure uit de Awb. In dit opzicht kan een parallel worden getrokken met de eveneens «facultatieve» regeling van afdeling 3.4 Awb (uniforme openbare voorbereidingsprocedure). Deze «facultatieve» procedure is inmiddels in vele tientallen gevallen verplicht voorgeschreven.
Uiteraard geldt ook ten aanzien van onderhavige regeling dat als de bijzondere wetgever de coördinatieregeling bij wettelijk voorschrift van toepassing heeft verklaard, deze ook verplicht moet worden toegepast.

Vrijblijvend karakter
De leden van de fracties van CDA en VVD betitelden het in hun ogen «vrijblijvende karakter» van de informatieverplichting en de coördinatieregeling als ongewenst. Het spijt ons dat de uitleg die wij in de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer hebben gegeven, deze leden kennelijk nog niet kon overtuigen. In antwoord op vragen van de leden van de PvdA-fractie zijn wij hierboven nader ingegaan op de bezwaren die kleven aan een resultaatsverplichting tot informatieverschaffing en een meer verplichtende coördinatieregeling. Die komen er in de kern op neer dat een resultaatsverplichting tot het verstrekken van informatie niet uitvoerbaar zou zijn en in ieder geval uitgebreide organisatorische voorzieningen zou vergen. Wat betreft een meer verplichtende coördinatieregeling is een belangrijk punt dat een algemene verplichting in de Awb onvermijdelijk zou nopen tot uitzonderingen en zou leiden tot geschillen over de toepassing. Er is ons echter veel aan gelegen om een laagdrempelige, snelle en gemakkelijke voorziening te bieden die goed toepasbaar is, zonder dat de toepassing verzandt in juridische procedures en daarmee verwordt tot een «lawyers paradise». Wij hopen daarom oprecht dat de leden van de genoemde fracties uiteindelijk begrip hebben voor de wijze waarop de informatieverplichting en de coördinatieregeling in dit wetsvoorstel zijn vormgegeven.
Overigens zouden wij de voorgestelde voorzieningen niet als «vrijblijvend » willen kenschetsen. In antwoord op de daartoe strekkende vragen van de leden van de CDA-fractie en de VVD-fractie merken wij op dat bestuursorganen voor de toepassing van de informatieverplichting op elk moment verantwoording verschuldigd zijn aan de algemeen vertegenwoordigende lichamen. Daarnaast kunnen de betrokken burgers en bedrijven een beroep doen op de bestaande klachtvoorzieningen indien bestuursorganen tekortschieten op het gebied van de informatieverplichting (het intern klachtrecht en het extern klachtrecht bij een decentrale of de Nationale ombudsman volgens hoofdstuk 9 Awb). Wat de coördinatieregeling betreft, wijzen wij erop dat deze niet het karakter heeft van een inspanningsverplichting, maar zonder meer moet worden toegepast indien dat bij wettelijk voorschrift (op rijksniveau of op decentraal niveau) is bepaald. Niet-toepassing zal ertoe kunnen leiden dat de rechter genomen besluiten vernietigt, omdat de wettelijk voorgeschreven procedure niet is gevolgd. In gevallen waarin toepassing van de coördinatieregeling niet wettelijk is voorgeschreven, kunnen bestuursorganen zelf besluiten om de coördinatieregeling van toepassing te verklaren. Ook het beleid dat op dit punt wordt gevoerd, is uiteraard voorwerp van controle door algemeen vertegenwoordigende lichamen. Naar aanleiding van de vraag naar de mogelijkheden van de regering om toepassing c.q. naleving van de informatieverplichting c.q. coördinatieregeling af te dwingen, merken wij op dat de regering uiteraard zelf verantwoordelijk is voor de toepassing en naleving door bestuursorganen van het Rijk. In ons stelsel van interbestuurlijke verhoudingen is de regering echter niet het aangewezen orgaan om toezicht te houden op de toepassing c.q. naleving door decentrale overheden. Wel zal de toepassing van de informatieverplichting en de coördinatieregeling voorwerp kunnen zijn van de periodieke evaluatie van de Awb, waartoe artikel 11:1 Awb de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verplicht. Mochten uit zo’n evaluatie duidelijke knelpunten naar voren komen, dan is het uiteraard aan de regering om zo nodig wetgevende initiatieven te nemen om die knelpunten te verhelpen. Het verheugt ons dat de leden van de CDA-fractie instemmen met de voorgestelde wijziging van artikel 8:4 Awb en de keuze voor het uitgangspunt van rechtspraak in twee instanties. Deze leden verwijzen wat het laatstgenoemde punt betreft tevens naar hun inbreng in het voorlopig verslag over de Wabo, waarin eveneens de keuze is gemaakt voor rechtspraak in twee instanties. Wij hebben met veel belangstelling kennisgenomen van deze inbreng en het daarin opgenomen pleidooi van deze leden de rechterlijke competentie in eerste aanleg met betrekking tot Wabo-zaken neer te leggen bij alle rechtbanken. Op deze plaats verwijzen wij deze leden naar de door de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer uit te brengen memorie van antwoord, die op dit punt vanzelfsprekend zal worden afgestemd met de eerste ondergetekende.

Samenhang met de Wabo
Ook wat de samenhang tussen het onderhavige wetsvoorstel met de Wabo betreft, verwijzen de leden van de CDA-fractie naar hun inbreng voor het voorlopig verslag over de Wabo. Als gezegd hebben wij daarvan met veel belangstelling kennisgenomen. Hierboven onder «algemeen» zijn wij in antwoord op vragen van de leden van de PvdA-fractie reeds ingegaan op de samenhang tussen de regelingen in beide wetsvoorstellen. De uitvoerige beschouwingen over de Wabo en het door de leden van de CDA-fractie gepresenteerde alternatief zullen vanzelfsprekend primair door onze ambtgenote van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van een reactie worden voorzien, waarbij afstemming met de memorie van antwoord op het onderhavige wetsvoorstel is verzekerd.
In de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer hebben wij aangegeven dat voor zover de Wabo bestaande coördinatieregelingen op het terrein van milieu en ruimtelijke ordening in stand laat, wordt bezien in hoeverre de coördinatieregeling van de Awb (dus niet de Wabo, zoals de leden van de CDA-fractie in het voorlopig verslag abusievelijk vermeldden) daarvoor in de plaats kan treden. Wij kunnen op dit moment nog niet met zekerheid zeggen in hoeverre dat het geval zal zijn. Met het oog op nog op te stellen aanpassingswetgeving (waarvan de inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel overigens niet afhankelijk is), wordt thans geïnventariseerd op welke in formele wetgeving geregelde besluiten de coördinatieregeling van de Awb bij wet van toepassing kan worden verklaard en welke aanvullende voorzieningen daarbij in de bijzondere wetgeving moeten worden gehandhaafd.

ICT
De leden van de fracties van het CDA en de VVD vroegen hoe de regering er voor zorgt dat de informatievoorziening voor de uitvoering van dit wetsvoorstel op orde komt. Daarbij wezen deze leden met name op de kwetsbaarheid van ICT-projecten, zoals ook naar voren kwam in het Rekenkamerrapport «Lessen uit ICT-projecten bij de overheid». Wij stellen voorop dat de informatieverplichting en coördinatieregeling uit het onderhavige wetsvoorstel in principe zonder nadere ICT-voorzieningen kunnen worden uitgevoerd. De opgenomen informatieverplichting vergt op zichzelf geen grootschalige organisatorische voorzieningen in de vorm van een of meer centrale informatiepunten. Natuurlijk is voor een goede uitvoering van de informatieverplichting en ook van de coördinatieregeling een goede afstemming tussen bestuursorganen van belang. Er moet immers ook informatie worden verschaft over besluiten van andere bestuursorganen en de coördinatie kan ook betrekking hebben op besluiten van verschillende bestuursorganen. De wijze waarop die afstemming wordt vormgegeven (elektronisch of anderszins) is echter aan de desbetreffende bestuursorganen zelf. Anders dan de leden van de CDA-fractie veronderstellen, vervult het digitale loket in dit voorstel geen belangrijke rol. Hier ligt ook een verschil met het wetsvoorstel algemene bepalingen omgevingsrecht, waarin het digitale loket wel een belangrijke rol speelt. Voor zover bestuursorganen ter uitvoering van het onderhavige wetsvoorstel ICT-maatregelen treffen, zullen deze naar verwachting relatief bescheiden van aard zijn en niet te vergelijken met grootschalige ICT-projecten als waarop het Rekenkameronderzoek betrekking heeft en welke door de leden van de genoemde fracties zijn genoemd. In dit verband vroegen de leden van de CDA-fractie en de VVD-fractie waarom bestuursorganen niet wettelijk worden verplicht om op elektronische wijze aan de informatieverplichting te voldoen en burgers en bedrijven worden gestimuleerd om hun aanvragen op elektronische wijze in te dienen. Het antwoord hierop is dat hiervoor reeds wettelijke voorzieningen in de Awb zijn opgenomen. De regeling in afdeling 2.3 van de Awb (verkeer langs elektronische weg), in werking getreden op 1 juli 2004, beoogt het elektronisch verkeer tussen bestuur en burger zoveel mogelijk te bevorderen en heeft juridische belemmeringen daarvoor weggenomen. Deze regeling is ook rechtstreeks van toepassing op de kennisgevingen op grond van artikel 3:20 over besluiten die nodig zijn voor een door een aanvrager te verrichten activiteit. Deze kennisgeving kan dus elektronisch geschieden als is voldaan aan de voorwaarden van afdeling 2.3 Awb. Ook het indienen van elektronische aanvragen is mogelijk, mits de bepalingen van afdeling 2.3 Awb in acht worden genomen. Wettelijke belemmeringen voor elektronisch berichtenverkeer tussen bestuur en burger zijn er dus niet. Via de diverse projecten op het terrein van «e-overheid», waarvoor de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de eerste verantwoordelijkheid draagt, wordt gebruikmaking van deze mogelijkheden verder gestimuleerd.

Tot slot
Onder het kopje «algemene regeling» zijn wij in antwoord op vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie reeds ingegaan op het tijdsverloop tussen het uitbrengen van het voorontwerp en de indiening van dit wetsvoorstel. Kortheidshalve mogen wij de leden van de commissie die dezelfde vraag hadden, naar die reactie verwijzen.

Handelingen I

[27 mei 2008]
Het wetsvoorstel is zonder beraadslaging en zonder stemming aangenomen.

 

 


[1] Kamerstukken 30 844.
[2] Kamerstukken II, 2007/08, 30 980, nr. 6.
[3] Richtlijn 2006/123/EG – PbEU L376 van 27 december 2006.
[4] Zie www.bedrijvenloket.nl.
[5] Rapport Algemene Rekenkamer, 29 november 2007.
[6] Zie Kamerstukken II, 2007/08, 30 980, nr. 3, p. 5.
[7] Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 8.
[8] Kamerstukken II 2007/08, 29 362, nr. 125.
[9] Zie hierover nader 3.1.3 van de brief van de minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer van 13 december 2007 over de betekenis van de Dienstenrichtlijn voor Nederland (Kamerstukken II 2007/08, 21 501-30, nr. 172).

 

Share This