Artikel 3:44

1. Indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, geschiedt de mededeling, bedoeld in artikel 3:43, eerste lid:
a. met overeenkomstige toepassing van de artikelen 3:11 en 3:12, eerste of tweede lid, en derde lid, onderdeel a, met dien verstande dat de stukken ter inzage liggen totdat de beroepstermijn is verstreken, en
b. door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan het bestuursorgaan:
a. indien de omvang van het besluit daartoe aanleiding geeft, volstaan met een ieder van de daar bedoelde personen de strekking van het besluit mee te delen;
b. indien een zienswijze door meer dan vijf personen naar voren is gebracht bij hetzelfde geschrift, volstaan met toezending van een exemplaar aan de vijf personen wier namen en adressen als eerste in dat geschrift zijn vermeld;
c. indien een zienswijze naar voren is gebracht door meer dan vijf personen bij hetzelfde geschrift en de omvang van het besluit daartoe aanleiding geeft, volstaan met het meedelen aan de vijf personen wier namen en adressen als eerste in dat geschrift zijn vermeld, van de strekking van het besluit;
d. indien toezending zou moeten geschieden aan meer dan 250 personen, die toezending achterwege laten.

 

Dit artikel is per 1 januari 1994 ingevoegd bij wet van 14 oktober 1993 Stb. 581 (wetsvoorstel 22 601)

[bron: PG Awb II, p. 350-352]

[Eindtekst] Artikel 3:44 [3.5.4a]
1. Van besluiten die zijn voorbereid met toepassing van de procedures van afdeling 3.4A, wordt tegelijkertijd met de bekendmaking mededeling gedaan aan de betrokken andere bestuursorganen.
2. Uiterlijk twee weken na de bekendmaking doet het bestuursorgaan mededeling van het besluit:
a. met overeenkomstige toepassing van artikel 3:19, tweede lid, en
b. door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die tegen het ontwerp van het besluit bedenkingen hebben ingebracht.
3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel b, kan het bestuurs­orgaan:
a. indien de omvang van het besluit daartoe aanleiding geeft, volstaan met een ieder van de daar bedoelde personen de strekking van het besluit en hetgeen omtrent zijn bedenkingen is overwogen, mee te delen;
b. indien een bedenking door meer dan vijf personen is ingebracht bij hetzelfde geschrift, volstaan met toezending van een exemplaar aan de vijf personen wier namen en adressen als eerste in dat geschrift zijn vermeld
c. indien een bedenking is ingebracht door meer dan vijf personen bij hetzelfde geschrift en de omvang van het besluit daartoe aanleiding geeft, volstaan met het meedelen aan de vijf personen wier namen en adressen als eerste in dat geschrift zijn vermeld, van de strekking van het besluit en van hetgeen omtrent hun bedenkin­gen is overwogen;
d. indien mededeling zou moeten geschieden aan meer dan 250 personen, die mededeling achterwege laten.
4. Bij de bekendmaking en bij de mededelingen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, vermeldt het bestuursorgaan tevens:
a. het tijdstip waarop een exemplaar van het besluit ter inzage is gelegd en de uren waarop en de plaats waar de stukken ter inzage liggen;
b. of in het besluit wijzigingen zijn aangebracht ten opzichte van het ontwerp;
c. indien toepassing is gegeven aan het derde lid, dat zulks is geschied, onder vermelding van de redenen daarvoor.
5. Indien toepassing is gegeven aan het derde lid, kunnen degenen die bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit hebben ingebracht, het bestuursorgaan verzoeken hun een exemplaar van het besluit toe te zenden. De mogelijkheid hiertoe wordt bij de mededeling van het besluit overeenkomstig het tweede en derde lid vermeld. Aan het verzoek wordt binnen twee weken voldaan, tenzij het bestuursorgaan van mening is dat de toezending redelij­kerwijs niet kan worden verlangd.
6. Gedurende vier weken vanaf de dag waarop een exemplaar van het besluit ter inzage is gelegd, kunnen de stukken worden ingezien tijdens de werkuren. Tevens kunnen de stukken gedurende die periode desge­vraagd ten minste gedurende drie aaneengesloten uren per week buiten de werkuren worden ingezien. Op verzoek wordt binnen die termijn een kosteloze mondelinge toelichting verstrekt. Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten wordt afschrift van de ter inzage gelegde stukken verstrekt.
7. Het tweede lid, onderdeel a, – voor zover dit betreft de toepassing van artikel 3:19, tweede lid, onderdelen b en c, – en het zesde lid, tweede volzin, blijven buiten toepassing ten aanzien van een besluit inhoudende de afwijzing van een verzoek tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 3:30, eerste lid, indien het besluit niet is vooraf­gegaan door een mededeling als bedoeld in dat lid.

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

Afdeling 3.5 van de Awb maakt een onderscheid tussen de bekend­making enerzijds en de mededeling anderzijds van besluiten. Voor een toelichting op dit onderscheid zij verwezen naar blz. 81 van de memorie van toelichting bij de eerste tranche van de Awb (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr.3). In het systeem van de Awb is de bekend­making van besluiten geregeld in de artikelen 3.5.2 en 3.5.3. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op de bekendmaking van besluiten die volgens de procedure van afdeling 3.4A zijn voorbereid. Over de mededeling van besluiten worden algemene regels gegeven in artikel 3.5.4. Het voorgestelde artikel 3.5.4a geeft aan deze regels een nadere invulling met betrekking tot de mededeling van besluiten die zijn voorbereid met toepassing van de procedure van afdeling 3.4A.
Ingevolge het tweede lid liggen er ten hoogste twee weken tussen het tijdstip waarop het besluit wordt bekendgemaakt aan de aanvrager c.q. degene tot wie het besluit is gericht (op grond van artikel 3.5.2) en het tijdstip waarop het besluit ter inzage wordt gelegd, algemene kennis­geving plaatsvindt en het besluit wordt toegezonden aan degenen die bedenkingen hebben ingebracht. Deze termijn van twee weken kan het in daarvoor in aanmerking komende gevallen voor de aanvrager mogelijk maken om, voordat anderen kennis nemen van het besluit, geheim­houding van gegevens te verzoeken, in gevallen waarin hem de bevoegdheid is toegekend om een zodanig verzoek te doen (vgl. artikel 19.3 van de Wm). In beginsel staat het het bestuursor­gaan evenwel vrij de mededelingen aan anderen aanstonds te doen. Dit zal in het algemeen mede van belang zijn met het oog op de aanwending van openstaande rechtsmiddelen: de termijnen daarvoor zijn immers gekoppeld aan de bekendmaking van het besluit.
Met het oog op het beperken van bestuurslasten biedt het derde lid de mogelijkheid om het aantal personen aan wie toezending van het besluit plaatsvindt, te beperken of zelfs met een algemene kennisgeving te volstaan. Dit betekent niet dat de betrokken personen geen kennis meer kunnen nemen van het besluit. Ingevolge het tweede lid, onderdeel a, wordt het besluit immers wel ter inzage gelegd en vindt algemene kennisgeving plaats. Voorts biedt het vijfde lid van het voorgestelde artikel 3.5.4a aan de betrokkenen de mogelijkheid om alsnog om toezending van een exemplaar van het besluit te verzoeken. Er zij nog op gewezen dat aan het vereiste van het derde lid, onderdeel a, kan worden voldaan door een ieder de kennisgeving te zenden, vergezeld van de overwegingen bij het besluit. De overwegingen kunnen voor iedereen afzonderlijk worden gesplitst, maar dit is niet noodzakelijk. Met betrekking tot het in het derde lid, onderdeel d, genoemde aantal van 250 personen wordt nog opgemerkt dat dit aantal ook is opgenomen in de regeling van de Wm.
Met betrekking tot het zesde lid geldt mutatis mutandis hetzelfde als is opgemerkt in de toelichting bij artikel 3.4A.3.4, eerste lid.
Het zevende lid voorziet erin dat de algemene kennisgeving van een besluit, houdende afwijzing van een verzoek tot wijziging of intrekking, achterwege blijft, indien dat verzoek niet tot het voornemen heeft geleid om daadwerke­lijk tot wijziging of intrekking over te gaan. Het besluit wordt uiteraard wel ingevolge artikel 3.5.2 bekendgemaakt en wordt ook ter inzage gelegd. De terinzagelegging blijft in dit geval echter beperkt tot de werkuren. Reden voor deze afwijkingen op het punt van de kennis­geving en terzagelegging is dat een publieke afronding van de zaak in dergelijke gevallen niet nodig is. De situatie met betrekking tot het betrokken besluit blijft immers zoals die was. Omdat er in het bedoelde geval geen voornemen heeft bestaan om tot wijziging of intrekking over te gaan, is er ook geen ont­werp-besluit gepubliceerd waartegen beden­kingen hadden kunnen worden ingebracht. Artikel 3.4A.6.1 is immers in dit geval niet van toepassing. Dit betekent dat er meestal geen sprake zal zijn van bijgaande stukken, waardoor een geringe beper­king van de terin­zagelig­gingsfaciliteiten gerechtvaardigd is.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 gewijzigd bij wet van 23 december 1993 Stb. 690 (wetsvoorstel 23 258)

[bron: PG Awb II, p. 352]

[Eindtekst] Artikel 3:44
In onderdeel E wordt in artikel 3:44, zesde lid, eerste volzin, << vier weken>> vervangen door: zes weken.

Tweede nota van wijziging

In artikel 3:44 zesde lid eerste volzin, wordt vier weken vervangen door: zes weken.

Toelichting Tweede NvW
In het zevende lid van artikel 3:44 (3.5.4 oud) Awb is bepaald dat een besluit dat met toepassing van afdeling 3.5 (3.4A oud) Awb is voorbereid, gedurende vier weken ter inzage ligt. Deze termijn is ontleend aan de regeling in de Wet milieubeheer. Onder het regime van de Wet milieubeheer geldt deze termijn van vier weken, aangezien ook de termijn voor het instellen van beroep tegen het besluit vier weken is. Nu ingevolge de Awb de beroepstermijn evenwel zes weken zal zijn, ligt het in de rede ook de inzagetermijn te stellen op zes weken.

Dit artikel is met ingang van 1 juli 2005 gewijzigd bij wet van 24 januari 2002 Stb. 54 (wetsvoorstel 27 023)

[Eindtekst] Artikel 3:44
1. Indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, geschiedt de mededeling, bedoeld in artikel 3:43, eerste lid:
a. met overeenkomstige toepassing van de artikelen 3:11 en 3:12, eerste of tweede lid, en derde lid, onderdeel a, met dien verstande dat de stukken ter inzage liggen totdat de beroepstermijn is verstreken, en
b. door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan het bestuursorgaan:
a. indien de omvang van het besluit daartoe aanleiding geeft, volstaan met een ieder van de daar bedoelde personen de strekking van het besluit mee te delen;
b. indien een zienswijze door meer dan vijf personen naar voren is gebracht bij hetzelfde geschrift, volstaan met toezending van een exemplaar aan de vijf personen wier namen en adressen als eerste in dat geschrift zijn vermeld;
c. indien een zienswijze naar voren is gebracht door meer dan vijf personen bij hetzelfde geschrift en de omvang van het besluit daartoe aanleiding geeft, volstaan met het meedelen aan de vijf personen wier namen en adressen als eerste in dat geschrift zijn vermeld, van de strekking van het besluit;
d. indien toezending zou moeten geschieden aan meer dan 250 personen, die toezending achterwege laten.

VvW=Eindtekst

Memorie van toelichting

Artikel I, onderdeel C (wijziging artikel 3:44)
Artikel 3:44 Awb regelt de mededeling aan derden van besluiten die zijn voorbereid met toepassing van de huidige 3.5-procedure (de officiële bekendmaking valt onder het regime van de artikelen 3:41 en 3:42 Awb).
Via de voorgestelde wijzigingen wordt dit artikel aangepast aan de systematiek van de nieuwe uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Het artikel bevat aldus een verbijzondering van het algemenere artikel 3:43, eerste lid, dat bepaalt dat van het besluit mededeling moet worden gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Het artikel laat ook het nieuwe tweede lid (huidig derde lid) van artikel 3:43 onverlet, waarin is voorgeschreven dat bij de mededeling tevens moet worden vermeld wanneer en hoe de bekendmaking ervan heeft plaatsgevonden.
In de nieuwe opzet kent artikel 3:44 nog slechts twee leden. Deze leden bevatten, met enkele hierna toe te lichten wijzigingen, de inhoud van het huidige tweede en derde lid. De overige leden die dit artikel thans nog bevat (eerste en vierde tot en met zevende lid) kunnen om de volgende redenen vervallen.
Het huidige eerste lid kan vervallen, omdat deze bepaling louter ziet op interbestuurlijk verkeer (vgl. § 5.4 van het algemeen deel van deze memorie).
In onderdeel a van het huidige vierde lid is bepaald dat in de diverse kennisgevingen mededeling moet worden gedaan van tijdstip en plaats van de terinzagelegging. Dit onderdeel kan vervallen, omdat hierin reeds wordt voorzien doordat in het eerste lid (nieuw) ook artikel 3:12, derde lid, onderdeel a, van toepassing is verklaard. Onderdeel b van het huidige vierde lid schrijft voor dat tevens moet worden vermeld of in het besluit wijzigingen zijn aangebracht ten opzichte van het ontwerp. Deze bepaling wordt met het oog op de gewenste vereenvoudiging geschrapt, aangezien zulks uit de inhoud van het besluit in samenhang met de motivering reeds voldoende duidelijk zal zijn. Onderdeel c van het huidige vierde lid schrijft voor dat als de afwijkende mededelingswijze voor besluiten met een grote hoeveelheid insprekers is toegepast, dit onder opgave van redenen moet worden vermeld in de diverse kennisgevingen. Met het oog op de gewenste versobering in de regelgeving stellen wij voor ook deze bepaling te laten vervallen.
Het huidige vijfde lid geeft personen het recht alsnog om toezending van een exemplaar van het besluit te verzoeken, in gevallen waarin de mededeling op grond van het huidige derde lid wegens een grote hoeveelheid insprekers achterwege is gebleven. Het huidige vijfde lid geeft daarbij ook het recht aan het bestuursorgaan om aan het verzoek niet te voldoen, indien toezending redelijkerwijs niet kan worden verlangd. Ook deze bepaling kan vervallen in het licht van de gewenste versobering. Ook zonder een dergelijke bepaling zullen dergelijke verzoeken kunnen worden gedaan, waaraan bestuursorganen met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur als regel tegemoet zullen komen. De eerste en vierde volzin van het huidige zesde lid bepalen dat de stukken zes weken ter inzage liggen en dat tegen een vergoeding van ten hoogste de kosten een afschrift wordt verstrekt. Deze bepalingen kunnen vervallen omdat dit reeds is geregeld doordat in het eerste lid (nieuw) mede artikel 3:11, derde en vierde lid, van toepassing is verklaard. De tweede en derde volzin van het huidige zesde lid bevatten voorschriften over terinzageligging buiten kantooruren en het verstrekken van een kostenloze mondelinge toelichting. De schrapping van deze bepalingen is reeds toegelicht in § 5.12 van het algemeen deel van deze memorie. Het huidige zevende lid bevat een specifieke voorziening voor gevallen waarin een bestuursorgaan naar aanleiding van een verzoek tot wijziging of intrekking besluit om niet tot wijziging of intrekking over te gaan en geen ontwerp-besluit ter inzage legt. Deze voorziening is in de nieuwe opzet van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure niet meer nodig, omdat de toepasselijkheid van artikel 3:44 in dat geval niet aan de orde is.
Over de wijzigingen die in de twee overgebleven artikelleden worden voorgesteld, wordt het volgende opgemerkt.
In de aanhef van het nieuwe eerste lid (huidige tweede lid) wordt expliciet tot uitdrukking gebracht dat artikel 3:44 een verbijzondering is van artikel 3:43. Onderdeel b is ongewijzigd. Via een aanpassing van de verwijzing in onderdeel a is verzekerd dat er een openbare kennisgeving wordt gepubliceerd van het besluit en dat het besluit met de daarop betrekking hebbende stukken gedurende de beroepstermijn ter inzage ligt. Dit is van belang voor het maken van de keuze om al dan niet beroep in te stellen en ten behoeve van het opstellen van een mogelijk beroepschrift. Onder de op grond van artikel 3:11 en 3:12 in verband met artikel 3:44 ter inzage te leggen stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het besluit, moeten in ieder geval worden begrepen het dossier van het ontwerp-besluit dat tijdens de voorbereidingsprocedure ter inzage heeft
gelegen alsmede de van belang zijnde stukken die pas na afloop van de inspraaktermijn van artikel 3:16, eerste lid, ter beschikking zijn gekomen. In het nieuwe tweede lid (huidige derde lid) is de enige wijziging dat in de onderdelen a en c de zinsnede «en (van) hetgeen omtrent zijn/hun bedenkingen is overwogen» is geschrapt. Deze wijziging vloeit voort uit de omstandigheid dat het huidige artikel 3:27 in de nieuwe regeling niet is overgenomen. Het huidige artikel 3:27 bepaalt dat het bestuursorgaan bij de bekendmaking van besluiten die zijn voorbereid met toepassing van de huidige 3.5-procedure, zijn overwegingen vermeldt omtrent de ingebrachte bedenkingen. Deze bepaling is in de nieuwe uniforme openbare voorbereidingsprocedure niet meer overgenomen, aangezien dit reeds voortvloeit uit de motiveringsplicht, die sedert de inwerkingtreding van de derde tranche van de Awb voor alle besluiten geldt en bij die gelegenheid is opgenomen in artikel 3:46 Awb. Indien naar voren gebrachte zienswijzen buiten beschouwing zijn gelaten omdat zij evident buiten de orde zijn, zal dat in het algemeen in de motivering bij het besluit in een korte passage kunnen worden vermeld. Als sequeel van deze keuze wordt in artikel 3:44 ook niet meer expliciet voorgeschreven dat aan betrokkenen mededeling moet worden gedaan van hetgeen omtrent hun zienswijze is overwogen.

Share This