Artikel 4:5

1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:
a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of
b. de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of
c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,

mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
2. Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden in een vreemde taal is gesteld en een vertaling daarvan voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een vertaling aan te vullen.
3. Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden omvangrijk of ingewikkeld is en een samenvatting voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een samenvatting aan te vullen.
4. Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 4 juni 1992 Stb. 315 (wetsvoorstel 21 221)

[bron: PG Awb I, p. 242-245]

[Eindtekst] Artikel 4:5 [4.1.1.5]
1. Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, kan het bestuurs­orgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.
2. Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden in een vreemde taal is gesteld en een vertaling daarvan voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een vertaling aan te vullen.
3. Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Voorontwerp

1. Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, kan het bestuursorgaan de aanvrager uitnodigen de aanvraag aan te vullen binnen een bij de uitnodiging te stellen termijn.
2. Indien de aanvraag in een vreemde taal is gesteld, kan het bestuursorgaan de aanvrager uitnodigen binnen een daarbij te stellen termijn de aanvraag aan te vullen met een vertaling, mits zulks voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is.

Tekst RvS

1. Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.
2. Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden in een vreemde taal gesteld is en een vertaling daarvan voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een vertaling aan te vullen.
3. Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager meegedeeld binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Advies RvS

De vraag rijst of in dit artikel voldoende rekening wordt gehouden met het feit dat in vele, pseudorechtelijke, subsidieregelingen voorwaarden staan voor het in behandeling nemen van aanvragen, met name betreffende een uiterste termijn voor indiening daarvan. Blijkens de Arob-jurisprudentie wordt in het algemeen geen herstel na het verstrijken van deze termijn toegestaan van onvolledige of op andere wijze onregelmatige aanvragen. Op grond van dit artikel kan de voor het indienen van aanvragen gestelde termijn evenwel worden overschreden. De Raad acht zulks voor bestuurlijke praktijk en uit een oogpunt van rechtszekerheid onwenselijk. Hieraan ware aandacht te besteden.
Artikel 4.1.1.5, derde lid
Onder verwijzing naar hetgeen de Raad hiervoor heeft opgemerkt met betrekking tot artikel 3.4.2, eerste lid, acht het college het raadzaam de gekozen termijn niet in (vier) weken uit te drukken doch in (dertig) dagen.

Nader rapport

Dit artikel geeft het bestuursorgaan in een aantal gevallen de bevoegdheid een aanvraag niet in te willigen, zonder dat de normaal geldende procedurele eisen nageleefd behoeven te worden. Daarbij is met name te denken aan eisen op het punt van het horen en de motivering. Deze vereenvoudigde afdoening, bestaande uit het buiten behandeling laten van de aanvraag, is mogelijk indien de aanvrager niet aan de aan hem bij wettelijk voorschrift gestelde eisen heeft voldoen. De voorgestelde bepaling ziet op gebreken die naar hun aard herstelbaar zijn. De overschrijding van een termijn is onder omstandigheden weliswaar verontschuldigbaar, maar herstelbaar is zij niet. Dit betekent dat, anders dan de Raad veronderstelt, de voor het indienen van aanvragen gestelde termijn op grond van het bepaalde in dit artikel niet kan worden overschreden. Dit geldt zowel voor termijnen gesteld in pseudo-wettelijke regelingen als in de wettelijke regelingen. Met betrekking tot gebreken die wel herstelbaar zijn, maakt de regeling wel een onderscheid tussen pseudo-wettelijke en wettelijke voorschriften. Wanneer na aanmaning niet aan een wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van een aanvraag is voldaan, kan de aanvraag vereenvoudigd worden afgedaan. Die bevoegdheid heeft het bestuursorgaan niet indien het gaat om een pseudo-wettelijk voorschrift. Dit verschil in rechtsgevolg tussen het niet voldoen aan wettelijke respectievelijk pseudo-wettelijke voorschriften lijkt ons gerechtvaardigd. Meent het bestuur dat het ongewenst is de weg van buiten behandeling laten van de aanvraag te bewandelen, dan kan het de normale procedure volgen. In de memorie van toelichting is aan dit punt aandacht besteed.

Voorstel van wet

1. Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, kan het bestuurs­orgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.
2. Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden in een vreemde taal is gesteld en een vertaling daarvan voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een vertaling aan te vullen.
3. Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager medegedeeld binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Memorie van toelichting

Is de aanvraag of de gegevensverstrekking onvolledig, dan is het bestuursorgaan op grond van dit artikel bevoegd de aanvraag niet in behandeling te nemen. Het artikel verplicht het bestuursorgaan evenwel om de aanvrager eerst op eventuele verzuimen te wijzen voordat tot zodanige beslissing wordt overgegaan. De bepaling noemt naast het verschaffen van onvoldoende informatie het niet voldoen aan enig «wettelijk voorschrift» voor het in behandeling nemen van de aanvraag. Daaruit vloeit voort dat het niet naleven van bij wettelijk voorschrift gestelde eisen niet tot toepassing van artikel 4.1.1.5 (niet in behandeling nemen) kan leiden. Maar het artikel is wel van toepassing indien bij voorbeeld niet is voldaan aan de verplichting een geldbedrag te betalen wanneer dat bij wettelijk voorschrift is voorgeschreven. De bepaling sluit aan bij de jurisprudentie. Zo oordeelde de Afdeling rechtspraak (Afd. rechtspraak 28 augustus 1979, AB 1980, 37, m.n.) dat een zorgvuldige voorbereiding van een beslissing op een aanvraag voor een vergunning met zich bracht dat de aanvrager, nu niet alle voor een beoordeling van de aanvraag noodzakelijk geachte tekeningen e.d. waren overgelegd, in de gelegenheid diende te worden gesteld om de bescheiden alsnog binnen een redelijke termijn te completeren. Zie ook Afd. rechtspraak 18 december 1978, BR 1979, blz. 273, voor een zelfde overweging.
Het artikel geeft ook de bevoegdheid aan het bestuursorgaan om de aanvrager nog aanvullende gegevens te vragen. Hierbij moet uiteraard wel worden bedacht dat die bevoegdheid wordt begrensd door artikel 4.1.1.2, tweede lid, waarin de plicht tot het verschaffen van gegevens en bescheiden beperkt is tot die welke noodzakelijk zijn voor de beslissing op de aanvraag en waarover de aanvrager redelijkerwijs kan beschikken. Ook de bescherming ingevolge artikel 4.1.1.3 (privacy en bedrijfs- en fabricagegegevens) geldt hier uiteraard.
Het buiten behandeling laten van de aanvraag, waartoe het artikel de mogelijkheid opent, is in wezen een vereenvoudigde wijze van afdoen van de aanvraag. De normale procedure voor de beslissing op een aanvraag behoeft niet gevolgd te worden. Een vereiste is echter wel steeds, dat de gelegenheid tot aanvulling wordt geboden. De conse­quentie daarvan is dat, ook indien een aanvraag krachtens een bepaalde (pseudowettelijke) regeling voor een bepaald tijdstip moet zijn ingediend, desondanks een aanvulling moet worden gevraagd, ook al is de onvol­ledige aanvraag op het uiterste tijdstip ingediend. Overigens kan het bestuur steeds de voorkeur geven aan het volgen van de gewone procedure.
De eis dat een aanvraag niet in een vreemde taal gesteld mag zijn, wordt in de wetgeving bijna nooit expliciet gesteld. De achtergrond daarvan is de vanzelfsprekendheid van de eis, zowel voor de overheid als voor belanghebbenden. Dit is in het bestuurlijk verkeer dan ook de hoofdregel. Vastlegging van deze regel zou echter te ver gaan. In een aantal gevallen kan een in een vreemde taal geschreven aanvraag in behandeling worden genomen. Bovendien zou een dergelijke regel in strijd komen met vele verordeningen en richtlijnen van de Europese Gemeenschappen, waarin is voorgeschreven dat bepaalde documenten, in de ene taal gesteld, moeten worden geaccepteerd in een ander land. Te denken is bij voorbeeld aan artikel 12, tweede lid, van de Verordening (EEG), nr. 222/77 van 13 december 1976, betreffende communautair douanevervoer (PbEG1977 L38), waarin onder meer is bepaald dat een douaneformulier wordt ingevuld in een van de officiële talen van de Gemeenschap, aangewezen door de staat van vertrek. Slechts «voor zover nodig» kan een andere lidstaat een vertaling verlangen.
Vastlegging van een regel dat de aanvrager geen vreemde taal mag gebruiken wordt derhalve enerzijds om verschillende redenen niet voorgesteld. Anderzijds is het wel nuttig bestuursorganen uitdrukkelijk de bevoegdheid te geven een vertaling te verlangen van een in een vreemde taal gestelde beschikkingsaanvraag, indien die aanvraag anders onbegrij­pelijk of niet goed te beoordelen is. Indien een belanghebbende iets van een bestuursorgaan verlangt, ligt op die belanghebbende in principe de verantwoordelijkheid dat verlangen op een voor het bestuursorgaan begrijpelijke wijze kenbaar te maken. Er is hier sprake van een glijdende schaal. Aan de ene kant van de schaal staat het geval dat een bestuurs­orgaan geconfronteerd wordt met een schriftelijk stuk in bij voorbeeld de Japanse taal, waarvan de strekking volstrekt onduidelijk is; aan de andere kant staat het geval dat in een aanvraag voor bij voorbeeld een subsidie enkele Engelse termen voorkomen, die voor degene die de aanvraag in behandeling neemt geheel begrijpelijk zijn. In dat laatste geval zal de aanvraag meestal eenvoudig in behandeling genomen kunnen worden, terwijl dat bij het eerstbedoelde stuk in de praktijk niet mogelijk zal zijn.
Artikel 8 van de Wabm verplicht het bestuursorgaan tot niet-ontvankelijkverklaring indien de aanvraag in een vreemde taal gesteld is. Zoals hierboven aangegeven, gaat de Awb niet zo ver. Gekozen is voor het geven van de bevoegdheid aan het bestuursorgaan om de aanvrager te verzoeken de aanvraag aan te vullen met een vertaling, namelijk indien zulks noodzakelijk is voor de beoordeling – ook door derde – belangheb­benden – van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking. Voor de duidelijkheid zij erop gewezen dat de mogelijkheid bestaat dat specifieke wettelijke voorschriften een eigen regeling kennen op het onderhavige punt. Indien een aanvraag krachtens zo’n specifiek voorschrift in een (bepaalde) andere taal gesteld mag worden, geldt de hier geboden regeling derhalve niet. Beide leden van het onderhavige artikel moeten worden gezien in samenhang met de artikelen 4.1.3.1 e.v.: de termijn voor het beslissen op de aanvraag. Deze wordt ingevolge artikel 4.1.3.3 opgeschort totdat op uitnodiging van het bestuursorgaan de aanvraag is aangevuld of de termijn daarvoor is verstreken. Deze regeling is nodig om te voorkomen dat een bestuursorgaan formeel verplicht zou zijn een beschikking te geven ondanks de afwezigheid van wellicht belangrijke gegevens. Dat zou ook in het nadeel van de belang­hebbende zijn. Tegen de schriftelijke weigering een aanvraag in behan­deling te nemen staat beroep open ingevolge artikel 6.1.3, aanhef en onderdeel a.
Indien een verzuim van de aanvrager niet is hersteld ondanks een daartoe strekkend verzoek, kan het bestuur besluiten de aanvraag verder niet te behandelen. Aan deze mogelijkheid bestaat in het bijzonder behoefte, nu er vaak procedurele eisen worden gesteld voor de afhan­deling van aanvragen, zoals het horen van belanghebbenden of het inwinnen van adviezen.
De bepaling sluit aan op bestaande jurisprudentie (zie bij voorbeeld Afd. rechtspraak 18 maart 1983, tB/S III, nr. 451). Soms verplicht de wetgever een aanvraag af te wijzen in geval van onvolledige gegevens­verstrekking. Aldus de artikelen 12, tweede lid, j° 19 van de Wet tot verlening van een eenmalige uitkering met het oog op de koopkrachtont­wikkeling in 1982 (Stb.1982, 568). In het onderhavige artikel wordt aan het bestuur alleen de bevoegdheid gegeven om de aanvraag niet verder te behandelen; het is daartoe echter geenszins verplicht.
Er zij op gewezen dat dit artikel slechts betrekking heeft op de situatie dat de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of aan een verzoek om aanvulling van de gegevens. Het gaat dus om een procedureel verzuim dat in het algemeen te herstellen is. Indien het verzuim niet wordt hersteld, wordt er geen beslissing op de aanvraag gegeven. Anders ligt het, indien reeds aanstonds uit de aanvraag blijkt dat deze niet voor inwilliging vatbaar is, bij voorbeeld doordat de aanvrager niet voldoet aan gestelde eisen op het punt van leeftijd of opleiding. Artikel 4.1.1.5 komt dan niet voor toepassing in aanmerking; er behoort een inhoudelijke beslissing tot afwijzing van de aanvraag te volgen.
In het derde lid is voorgeschreven, dat een besluit de aanvraag niet in behandeling te nemen binnen vier weken na de (onvolledige) aanvulling van de gegevens of na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn aan de aanvrager bekend moet worden gemaakt. Dit dwingt het bestuur om op dit punt tijdig een beslissing te nemen; gebeurt dit niet dan is een buiten behandeling laten van de aanvraag niet meer mogelijk.
Denkbaar is dat de aanvullende gegevens pas binnenkomen na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn. Wat moet er gebeuren wanneer het bestuur nog niet een besluit tot niet verder behandelen van de aanvraag heeft genomen? Wegens het verstrijken van de door het bestuur gestelde termijn kan rechtmatig besloten worden tot niet verdere behandeling. Het zal de belanghebbende dan meestal vrij staan daarna een nieuwe aanvraag in te dienen, die wel volledig is. Juist daarom zal het bestuur kleine termijnoverschrijdingen vaak zonder problemen pardonneren. Zowel belanghebbenden als het bestuur zelf zullen daarbij immers vaak gebaat zijn.
Er zij op gewezen dat het bestuur, indien het er toe overgaat de aanvraag in behandeling te nemen ondanks het feit dat de gegevens te laat zijn aangevuld, die gegevens niet met een beroep op dit artikel buiten beschouwing mag laten. Aldus bij voorbeeld Afd. rechtspraak 7 april 1981, AB 1981, 405, m.n.: de vraag of een vergunningsaanvraag genoegzaam is, moet worden beoordeeld naar het moment waarop de beslissing genomen wordt.
Tegen een beschikking houdende een weigering een aanvraag in te willigen kan in het algemeen bezwaar worden gemaakt of beroep worden ingesteld. Een dergelijke bezwaar- of beroepsmogelijkheid behoort ook te bestaan tegen de beslissing een aanvraag niet in behandeling te nemen. Uit artikel 6.1.3, aanhef en onderdeel a, volgt dat tegen een dergelijke beslissing dezelfde mogelijkheden van bezwaar en beroep openstaan als tegen de beslissing op de aanvraag.

Voorlopig verslag II

[2.101] De leden van de G.P.V.-fractie stemden in met de voorgestelde wijze van vereenvoudigde afdoening van een aanvraag. Zij vroegen echter waarom gesproken wordt over «de aanvraag niet te behandelen» in plaats van «de aanvraag niet ontvankelijk te verklaren». Wordt dit laatste begrip gereserveerd voor procedures van bezwaar of beroep?
[2.102] De leden van de fractie van Groen Links wilden nog opmerken dat de regeling van de ontvankelijkheid verschillend is zowel voor het geval dat onvoldoende gegevens worden verschaft als voor het geval de aanvraag in een vreemde taal is gesteld (zie de artt. 40 C-EVARen art. 4.1.1.5 Awb). Deelt de minister de mening dat hier de strakkere regeling uit de VAR de voorkeur verdient?

Memorie van antwoord II

(2.101) De term «de aanvraag niet behandelen» komt inhoudelijk overeen met wat ook wel genoemd wordt «de aanvraag/de aanvrager niet ontvankelijk verklaren», maar deze laatste term wordt in de Awb inderdaad gereserveerd voor bezwaar- en beroepsprocedures.
(2.102) De regeling van artikel 4.1.1.5 maakt, anders dan in de vraag gesuggereerd wordt, inhoudelijk geen onderscheid tussen een aanvraag die incompleet is en een aanvraag die in een vreemde taal is gesteld. In beide gevallen mag worden besloten tot het buiten behandeling laten van de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen met nadere gegevens of met een vertaling. Er is ook geen goede reden voor een verschillende benadering. In beide gevallen moet het bestuursorgaan de gelegenheid hebben de aanvraag ook in behandeling te nemen zonder nadere aanvulling, bijvoorbeeld indien deze niet strikt noodzakelijk wordt geacht
De regeling van artikel 40c van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne, zoals deze komt te luiden nadat het voorstel tot wijziging van die wet (vergunningen en algemene regels) tot wet is geworden, is wat betreft in een vreemde taal gestelde aanvragen inderdaad strakker. Deze regeling zal evenwel vervallen, nu de Awb op dit punt een algemene regeling kent.

Nota van verbetering

In artikel 4.1.1.5, derde lid, wordt het woord «medegedeeld» vervangen door: bekendgemaakt.

Toelichting NvW
In artikel 4.1.1.5, derde lid, wordt de terminologie aangepast aan die van hoofdstuk 3.5, waarin de term «bekendmaken» wordt gehanteerd voor de handeling die van belang is voor het in werking treden van het desbetreffende besluit. Dat laatst is hier ook bedoeld, zodat de term «mededelen» onjuist is.

Voorlopig verslag I

Is de Friese taal een vreemde taal in de zin van artikel 4.1.1.5 sub 2, zo vroegen de leden van de C.D.A.-fractie.

Memorie van antwoord I

Het Fries is geen vreemde taal in de zin van artikel 4.1.1.5, tweede lid. In dit verband kan worden gewezen op het Voorontwerp Friese taal dat het gebruik van de Friese taal in het bestuurlijk verkeer afzonderlijk beoogt te regelen. Dit voorontwerp is onlangs voor advies aan een aantal adviesorganen toegezonden.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 gewijzigd bij wet van 14 oktober 1993 Stb. 581 (wetsvoorstel 22 601)

[bron: PG Awb II, p. 353-354]

[Eindtekst] Artikel 4:5 [4.1.1.5]
I . Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.
2. Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden in een vreemde taal is gesteld en een vertaling daarvan voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een vertaling aan te vullen.
3. Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden omvangrijk of ingewikkeld is en een samenvatting voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een samenvatting aan te vullen.
4. Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Voorstel van wet

In artikel 4.1.1.5 wordt, onder vernummering van het derde lid tot vierde lid, een nieuw derde lid ingevoegd, luidende:
3. Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden omvangrijk of ingewikkeld is en een samenvatting voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een samenvatting aan te vullen.

Memorie van toelichting

Artikel 4.1.1.5 Awb geeft een regeling in geval de aanvraag onvolledig is. Het bestuursorgaan kan de aanvraag

dan buiten behandeling laten, mits de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen. De onvolledigheid van de aanvraag kan bij omvangrijke en ingewikkelde aanvragen bestaan uit het ontbreken van een samenvatting, zonder welke het desbetreffende stuk met name voor een breed, niet-deskundig publiek, niet goed te beoordelen is. Het wordt aan het redelijk oordeel van het bestuursorgaan overgelaten wanneer aanvragen dermate omvangrijk en ingewikkeld zijn, dat in dat licht een samenvatting niet kan ontbreken. Bij die beoordeling zal het bestuursorgaan in beginsel uitgaan van het belang dat een algemeen publiek bij een samenvatting heeft.

Dit artikel is met ingang van 1 juli 2004 gewijzigd bij wet van 29 april 2004 Stb 214 (wetsvoorstel 28 483)

[Eindtekst] Artikel 4:5, eerste lid, komt te luiden:
1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:
a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of
b. de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of
c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

Voorontwerp

In artikel 4:5, eerste lid, wordt “enig” vervangen door: artikel 2.3.2 of aan enig ander.

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

Artikel I, onderdeel D en E (wijziging artikel 4:5, eerste lid, en 6:6)
De wijziging van artikel 4:5 strekt ertoe te voorkomen dat een aanvraag die niet voldoet aan de vereisten van artikel 2:15, zonder meer wordt geweigerd. Indien langs elektronische weg een aanvraag wordt ingediend die niet voldoet aan de vereisten van artikel 2:15, dan kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Indien het bestuursorgaan de elektronische weg heeft opengesteld, is het aan de indiener of hij de aanvulling verzendt langs elektronische weg of alsnog kiest voor schriftelijke indiening. Met betrekking tot het bezwaar- en beroepschrift is artikel 6:6 in dezelfde zin gewijzigd.

 

Share This