Artikel 4:13

1. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
2. De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 4 juni 1992 Stb. 315 (wetsvoorstel 21 221)

[bron: PG Awb I, p. 262-266]

[Eindtekst] Artikel 4:13 [4.1.3.1]
1. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
2. De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in artikel 4:14 heeft gedaan.

Voorontwerp

1. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij gebreke daarvan, binnen redelijke termijn  na ontvangst van de aanvraag.
2. De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen twee maanden geen beslissing heeft genomen, tenzij daarvan kennis is gegeven overeenkomstig artikel 4.1.3.2.

Tekst RvS

1. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij gebreke daarvan, binnen redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
2. De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen twee maanden na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in artikel 4.1.3.2 heeft gedaan.

Advies RvS

Naar het de Raad voorkomt, mag in de toelichting op deze bepaling een uiteenzetting over de mogelijke gevolgen ervan voor de bestuurspraktijk niet achterwege blijven, zeker nu het niet‑voldoen aan dit voorschrift een onrechtmatige daad zou kunnen opleveren. Er dient naar gestreefd te worden de bestuurlijke lasten die met de uitvoering van de regeling gemoeid kunnen zijn zoveel mogelijk te beperken (Aanwijzingen inzake terughoudendheid met regel­geving, punt 13).

Nader rapport

In de toelichting is een passage over het door de Raad genoemde punt opgenomen. Daarin is tevens ingegaan op de bestuurlijke lasten bij de uitvoering van de regeling.

Voorstel van wet

1. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
2. De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in artikel 4.1.3.2 heeft gedaan.

Memorie van toelichting

Artikel 4.1.3.1 en 4.1.3.2
Deze afdeling geeft een regeling van de termijn waarbinnen het bestuur moet beslissen op een aanvraag van een beschikking.
Hierboven is er reeds op gewezen dat de burger bij beschikkingen die op een aanvraag worden gegeven, vaak in een afhankelijke positie ten opzichte van de overheid verkeert. Hij heeft er dan groot belang bij dat zijn aanvraag zonder onnodige vertraging door het bestuur wordt afgehandeld. Bovendien zal hij graag tevoren willen weten hoe lang de afhandeling ongeveer zal duren, zodat hij zich daarop kan instellen.
De bepalingen van deze afdeling beogen daarom te bereiken, dat er steeds een termijn voor de beslissing van het bestuur wordt gesteld.
Uit een oogpunt van uniformiteit in de bestuursprocedure zou het uiteraard de voorkeur verdienen indien een vaste termijn zou gelden voor de afhandeling van alle soorten beschikkingsaanvragen. In verband met de grote diversiteit is dat echter niet te realiseren, en ook niet wenselijk. Beschikkingen kunnen immers uiteenlopen van zeer eenvoudig tot uiterst ingewikkeld, terwijl ook de mate van spoedeisendheid voor het geven ervan sterk kan verschillen. Wat voor de ene beschikking een redelijke termijn is, zou voor een andere veel te kort of veel te lang zijn.
Het is daarom gewenst, dat bij iedere soort beschikking afzonderlijk wordt nagegaan wat een goede termijnstelling is. In vele wettelijke regelingen zijn dan ook beslissingstermijnen opgenomen, die zijn toege­spitst op de desbetreffende beschikkingen. Daarbij is in beginsel steeds gezocht naar een aanvaardbaar compromis tussen enerzijds het belang van een snelle beslissing en anderzijds het belang van een gedegen voorbereiding.
De noodzaak termijnen van zeer uiteenlopende lengte te stellen kan worden geïllustreerd aan de hand van een wet, bij voorbeeld de Kampeerwet. In artikel 19 van die wet is bepaald dat Burgemeester en Wethouders binnen drie maanden – met een verdagingsmogelijkheid van nog eens drie maanden – moeten beslissen op een aanvraag voor een kampeerplaatsvergunning. Die termijn is zo gekozen omdat vele belangen tegen elkaar moeten worden afgewogen, en het oordeel van een onafhankelijke adviesraad gevraagd moet worden; de vergunningver­lening heeft immers vele en langdurige gevolgen. Op grond van artikel 33, derde lid, van diezelfde wet moeten Burgemeester en Wethouders echter binnen 24 uur beslissen op een verzoek van de inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, de kampeerplaats te doen ontruimen. Gevaar voor ontwikkeling van ziekten en dergelijke verdraagt uiteraard geen lange besluitvormingstermijn. Beide termijnen zijn goed verdedigbaar. Hetzelfde kan gezegd worden van de meeste specifieke wettelijke termijnen.
Artikel 4.1.3.1 sluit bij dit systeem aan. Uitgangspunt is derhalve dat bij het vaststellen van een regeling waarin een beschikkingsvereiste wordt geïntroduceerd, wordt nagegaan wat een goede termijn voor het beslissen op de aanvraag is. Wel wordt door de formulering van de eerste zinsnede tot uiting gebracht, dat bij een termijnstelling in een bijzondere wet op het bestuur steeds de verplichting rust om binnen die termijn een beslissing te nemen («de beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn»). Men kan dergelijke termijnstellingen dus niet meer beschouwen als «termijnen van orde», die voor het bestuur geen verplichting zouden inhouden. De rechtsgevolgen die verbonden zijn aan het laten verstrijken van die termijn, treden dus steeds in na afloop van de door de bijzondere regelgever vastgestelde termijn. Het betreft hier met name de bevoegdheid van de aanvrager om dan bezwaar te maken of beroep in te stellen, waarop hieronder nog wordt teruggekomen. Dat neemt niet weg dat het bestuursorgaan in beginsel verplicht blijft alsnog een besluit op de aanvraag te nemen (zie artikel 6.2.12a).
Voor het geval een wettelijk bepaalde termijn ontbreekt, doet zich eveneens de vraag voor of deze wet dan met een vaste termijnstelling kan komen. Ook hier gaat het echter om zeer uiteenlopende beslissingen waarvoor een uniforme termijn om de eerder aangegeven redenen niet zodanig te kiezen is dat deze voor alle gevallen aanvaardbaar is. Ander­zijds zou er een grote mate van rechtsonzekerheid blijven bestaan, indien voor dergelijke gevallen slechts bepaald zou worden dat binnen een «redelijke tijd» moet worden beslist (vgl. artikel 3 van de Wet Arob).
Om met beide belangen rekening te houden – enerzijds het belang van flexibiliteit van het bestuur, anderzijds het belang van rechtszekerheid van de bestuurde – wordt het volgende systeem geïntroduceerd voor de gevallen waarin een specifieke wettelijke termijn ontbreekt. De beschikking moet in principe binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag worden gegeven. Dat kan, afhankelijk van de soort beslissing, een termijn van enkele weken of van enkele maanden zijn en alles daar tussen in; in uitzonderlijke gevallen kan zelfs gedacht worden aan een termijn van dagen. Aan de bestuurspraktijk en de jurisprudentie moet worden overgelaten hier de grenzen te trekken. Maar met het oog op de rechtszekerheid wordt bepaald, dat er in ieder geval duidelijkheid over het tijdstip van beslissen moet worden verstrekt indien de beslissing langer dan acht weken op zich laat wachten. Dit wordt bereikt door in artikel 4.1.3.2 voor te schrijven dat het bestuursorgaan in dat geval binnen die termijn moet meedelen wanneer de beslissing wel genomen zal worden.
Het resultaat van dit stelsel voor de gevallen waarin een specifieke termijn ontbreekt is, dat de burger steeds na acht weken weet waar hij aan toe is. Hij moet dan immers of een beschikking op zijn aanvraag hebben gekregen, of een mededeling van het tijdstip waarop die te verwachten is. Heeft hij nog niets ontvangen, dan staat in ieder geval vast dat het bestuursorgaan in verzuim is. Overigens betekent dit niet, dat het bestuursorgaan in alle gevallen acht weken met een beslissing kan wachten. In artikel 4.1.3.1 wordt voorop gesteld dat de beslissing binnen redelijke termijn moet worden genomen. Is die termijn in de gegeven omstandigheden korter, dan kan reeds eerder worden opgetreden, bij voorbeeld door, als dat mogelijk is, beroep in te stellen. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door de woorden «in ieder geval» in het tweede lid van dit artikel. Evenmin behoeft de burger iedere door het bestuur aan hem meegedeelde termijnstelling te accepteren: het vereiste dat de termijn redelijk moet zijn, blijft steeds gelden.
Voor bestuursorganen kan de bepaling een zekere verandering ten opzichte van de huidige situatie met zich brengen. Maar de verplichting om binnen de bij de wet bepaalde termijn te beslissen, of bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn, geldt thans ook reeds. Nieuw is de verplichting om in het geval niet binnen acht weken op de aanvraag kan worden beslist, dit voor de afloop van die termijn aan de indiener te berichten. Dit kan voor bestuursorganen enige extra belasting geven, al kan men ervan uitgaan dat veelal in een dergelijk geval ook reeds thans bericht wordt gezonden. De Nationale ombudsman acht het achterwege laten van een dergelijk bericht in strijd met de behoorlijkheid, en de tweede ondergetekende heeft in aansluiting daarop aan de gehele rijksdienst aanbevolen binnen drie weken na ontvangst van een aanvraag of ander geschrift enige reactie te zenden. Voor bestuurs­organen die zich aan deze behoorlijkheidsnorm houden, betekent de bepaling derhalve geen verzwaring van bestuurslasten.
Indien het bestuur de regels van deze afdeling niet naleeft, kan dat verschillende gevolgen hebben. In deze wet wordt één gevolg uitdruk­kelijk geregeld: op grond van artikel 6.1.3 wordt aan de burger de bevoegdheid gegeven om op dezelfde wijze als tegen een afwijzend besluit bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag van een belanghebbende. Het daar gehan­teerde begrip «niet tijdig beslissen» is, voor zover het de beschikking betreft, uitgewerkt in de onderhavige afdeling.
Voor het overige kan een bijzondere wettelijke regel eventueel andere rechtsgevolgen aan het niet tijdig beslissen verbinden. Men denke aan regelingen volgens welke na een bepaalde termijn een verzoek om een vergunning geacht wordt te zijn ingewilligd. Een dergelijke regeling komt echter voor een algemene wet als deze niet in aanmerking, omdat deze oplossing lang niet in alle gevallen bevredigend is.
In hoeverre de overschrijding van de beslistermijn een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad ten gevolge kan hebben, zal uit de jurisprudentie van de gewone rechter moeten blijken. Het vereiste dat de wetsovertreding ook schade moet hebben veroorzaakt, brengt in ieder geval wel met zich, dat in het algemeen geen schade gevorderd kan worden indien niet vaststaat dat de beslissing die binnen de termijn genomen had moeten worden, ook positief voor de aanvrager zou zijn uitgevallen.
Resumerend komt de regeling op het volgende neer. Indien in een specifieke wettelijke regel een bepaalde termijn is genoemd, dient de beschikking binnen die termijn te worden gegeven. Overschrijding van die termijn, zonder dat een beslissing is genomen, heeft nu tot gevolg dat tegen dit «niet tijdig beslissen» bezwaar of beroep kan worden ingesteld als ware wel een beschikking gegeven.
Bij ontbreken van een specifieke termijn dient de beschikking binnen redelijke termijn te worden gegeven; overschrijding van die redelijke termijn wordt met het oog op bezwaar en beroep weer gelijkgesteld met een uitdrukkelijk besluit. De rechtsgang staat echter in ieder geval open wanneer acht weken zijn verstreken en het bestuur noch zijn beslissing noch een mededeling van uitstel van de beslissing heeft doen uitgaan. Dat neemt uiteraard niet weg dat onder omstandigheden de redelijke termijn reeds veel eerder overschreden kan zijn (denk aan een op korte termijn aangevraagde demonstratievergunning); het is uiteindelijk aan de rechter om te bepalen of zulks het geval is. Ook het stellen van een nieuwe termijn is aan beginselen van behoorlijk bestuur gebonden. De termijn mag niet nodeloos lang zijn; de rechter blijft vrij om te bepalen dat de redelijke termijn korter is.

Voorlopig verslag II

[2.123] Wettelijke bepaalde termijn, danwel redelijke termijn (acht weken): In de AWR zijn termijnen vastgelegd voor de vaststelling van definitieve aanslagen, navorderingsaanslagen en dergelijke, niet echter voor beslis­singen op verzoek om toepassing van de hardheidsclausule, vrijstelling, teruggaaf, verrekening, fiscale eenheid, ruling? Is er al een inventarisatie gemaakt van de categorieën beslissingen waarvoor de redelijke termijn uit de Awb zal gaan gelden? Voor welke categorieën beslissingen zal een andere wettelijke termijn gaan gelden?

Artikel 4.1.3.1 en 4.1.3.2
[2.124] Deze bepalingen met betrekking tot de termijnen zouden een grotere mate van rechtszekerheid geven indien de lengte van de beslistermijn mede zou zijn gebaseerd op de mogelijkheid om binnen de gestelde termijn te beslissen.
Heeft de regering hier enig onderzoek naar gedaan?
– Is de regering niet van mening dat er ook sprake is van een zwak ontwikkeld systeem van sancties op termijnoverschrijding?
– Doet het recht aan het specifieke karakter van de verzoeken wanneer in beginsel een uniforme termijn wordt gesteld voor de beslissing op een grote verscheidenheid van verzoeken?
[2.125] De voorgestelde algemene beslistermijn van acht weken is illusoir voor belastingbeschikkingen.
Is het wenselijk voor de belastingbeschikkingen een eigen regime voor termijnen op te nemen, zo vroegen de commissies?
[2.126] De leden van de fractie van de V.V.D. hebben de voorkeur voor een algemene beslistermijn van acht weken.
[2.127] De leden van de G.P.V.-fractie stemden ermee in, dat dit artikel dwingend is geformuleerd. Daardoor worden termijnen in wettelijke voorschriften welke tot nu toe het karakter van termijnen van orde hebben minder vrijblijvend. In hoeverre ze echter werkelijk dwingend zijn zal sterk afhangen van het realiteitsgehalte van de termijnen.
Onder de huidige omstandigheden wordt de termijn van acht weken, waarbinnen een beschikking dient te worden gegeven met betrekking tot beslissingen in pensioenzaken, reeds ruimschoots overschreden. Dat ligt met name aan het feit dat verschillende instanties betrokken zijn bij de aanvrage voor deze beschikkingen.
[2.128] Als bij de uitvoering van de sociale verzekeringswetten uitgegaan zou moeten worden van de Awb, dat wil zeggen van het begrip «redelijke termijn», dan zal van geval tot geval die termijn kunnen verschillen. De commissies stelden de volgende vragen:
Zou niet de voorkeur moeten worden gegeven aan gedifferentieerde, maar wel vastgelegde termijnen?
[2.129] Zou het niet noodzakelijk zijn om voor bepaalde begunstigende, ambtshalve, beslissingen, beslistermijnen in het leven te roepen?
[2.130] Zou het niet wenselijk zijn om de regeling van behandelingstermijnen bij ministerieel besluit te regelen? Deze besluiten kunnen, indien noodza­kelijk eenvoudiger worden aangepast dan een wet in formele zin. De leden van de V.V.D.-fractie wezen erop dat zij er voorstander van zijn om de regeling van behandelingstermijnen wél bij wet in formele zin en niet bij ministerieel besluit te regelen.
[2.131] De leden van de G.P.V.-fractie vroegen of aan deze bepaling zal zijn voldaan als een bestuursorgaan laat weten een beschikking te zullen nemen binnen x weken na ontvangst van het advies van Y., zijnde een extern adviseur van het bestuursorgaan.

Memorie van antwoord II

(2.123) De Algemene wet inzake rijksbelastingen kent een regeling van de termijn waarbinnen de belastingaanslag moet zijn opgelegd; na verloop van die termijn is de inspecteur niet meer bevoegd. Voor beschikkingen die op aanvraag worden genomen wordt door middel van de Aanpassingswetgeving in de AWR opgenomen dat daarvoor een termijn geldt van een jaar.
Artikel 4.1.3.1 en 4.1.3.2
(2.124) Er blijkt sprake te zijn van een misverstand over de reikwijdte van artikel 4.1.3.1. Dat artikel bepaalt dat een beschikking moet worden gegeven binnen de bij (specifiek) wettelijk voorschrift bepaalde termijn. Alleen als zo’n specifiek wettelijk voorschrift ontbreekt, geldt de – aanvullende – termijn van de Awb. Alsdan moet de beschikking worden gegeven binnen een redelijke termijn, welke in ieder geval is verstreken na acht weken. Mocht in een bepaald geval, waarin een specifieke termijn ontbreekt, de termijn van acht weken te kort zijn, dan biedt artikel 4.1.3.2 de mogelijkheid de termijn te verlengen. Alleen moet in dat geval de aanvrager wel in kennis worden gesteld van de nieuwe termijn. Onzes inziens kan dan ook niet worden volgehouden dat bij de opzet van deze artikelen geen rekening is gehouden met de feitelijke mogelijkheden om binnen een bepaalde termijn te beslissen.
Het systeem van sancties op termijnoverschrijding wordt door de onderhavige bepalingen verbeterd ten opzichte van het huidige systeem. Nu is vaak nog sprake van termijnen «van orde», wat er soms toe leidt dat de belanghebbende geen enkel middel heeft om tegen overschrijding op te komen. Daarvan kan inderdaad gezegd worden dat sprake is van een «zwak ontwikkeld systeem». Artikel 4.1.3.1 in samenhang met artikel 6.1.3, onderdeel b, heeft echter tot gevolg dat de belanghebbende voortaan, na termijnoverschrijding door het bestuur, een rechtsmiddel kan instellen als ware de aanvraag afgewezen. Daarmee heeft hij uiteraard nog niet het door hem beoogde gevolg dat zijn aanvraag geheel wordt ingewilligd, maar het systeem wordt hierdoor stellig verbeterd.
(2.125) Voor belastingbeschikkingen geldt op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een eigen systeem. De bevoegdheid tot het opleggen van een aanslag verloopt drie (wat betreft navorderings- en naheffingsaanslagen vijf) jaar na het jaar waarop de aanslag betrekking heeft. Voor beschikkingen op aanvraag wordt door middel van de Aanpassingswet in de AWR een termijn van een jaar ingevoerd, omdat een termijn van acht weken daarvoor inderdaad onvoldoende is. Artikel 4.1.3.1, tweede lid, heeft derhalve geen betekenis voor de belastingwetgeving.
(2.126) Het doet ons genoegen dat de leden van de V.V.D.-fractie de keuze voor een algemeen aanvullende termijn van acht weken onderschrijven.
(2.127) Bij de pensioenwetgeving is sprake van specifieke beslistermijnen, zodat de aanvullende regeling van artikel 4.1.3.1 niet van toepassing is.
(2.128) Verwezen zij naar de beantwoording van vraag 2.124 hierboven.
(2.129) Alhoewel de figuur van de «begunstigende ambtshalve beslissing» een zeldzaamheid is beantwoorden wij de vraag in beginsel bevestigend. Indien zich de situatie voordoet dat een begunstigende beslissing niet op aanvraag maar ambtshalve genomen moet worden, is het nuttig dat daarvoor een termijn wordt gesteld. Zo’n termijnstelling kan evenwel niet in algemene zin in de Awb worden opgenomen, maar zal per geval in de bijzondere wetgeving moeten worden geregeld. Een goed voorbeeld vormt de ambtshalve toekenning van een WAO-uitkering indien de betrokkene aansluitend aan de uitkering van ziekengeld krachtens de Ziektewet daarvoor in aanmerking komt (artikel 34, tweede lid, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, Stb. 1987, 89).
Door middel van de aanpassingswetgeving wordt die wet zodanig gewijzigd dat voor het nemen van zo’n beslissing een wettelijke termijn gesteld kan worden. In samenhang met het bij nota van wijziging gewijzigde artikel 6.1.3 van de Awb (zie punt 2 150) wordt nu bereikt dat betrokkene na het verstrijken van de termijn zijn rechtsmiddelen tegen het niet tot stand komen van de ambtshalve beslissing kan aanwenden. Hierdoor wordt de procedure verbeterd.
(2.130) Beide suggesties hebben voor- en nadelen. Regeling bij ministerieel besluit verhoogt de flexibiliteit maar biedt tegelijkertijd minder zekerheid voor de burger: van de ene op de andere dag kan een termijn worden gewijzigd. Anderzijds gaat het in zijn algemeenheid te ver om steeds regeling bij wet in formele zin te eisen, al spreekt daarbij het voordeel van rechtszekerheid. Een nadeel hiervan zou ook zijn dat de centrale overheid zou regelen binnen welke termijn bijvoorbeeld een gemeentebestuur een beslissing moet nemen die geheel binnen de gemeentelijke sfeer valt. Gezien de grote verscheidenheid aan besluitvormingsprocedures spreekt artikel 4.1.3.1 daarom van «wettelijk voorschrift». Dit houdt voor de centrale overheid in dat dit bij formele wet moet geschieden, maar dat de wetgever mag delegeren aan de Kroon of aan de minister. Bij andere overheden zal het orgaan dat tot wetgeving bevoegd is, een regeling kunnen treffen.
(2.131) Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. Het artikel spreekt immers over een termijn waarop de beschikking tegemoet kan worden gezien. Het bestuursorgaan zal er, gelet ook op de mogelijkheden van artikel 3.3.2, voor moeten zorgen dat het advies binnen een bepaalde termijn wordt uitgebracht en dat binnen een bepaalde termijn daarna wordt beslist. Bij termijnoverschrijding door het adviesorgaan ligt het in de rede dat het bestuursorgaan, in overleg met de belanghebbende, ofwel een nieuwe termijn noemt ofwel een beslissing neemt zonder te beschikken over het advies.

UCV

De heer Korthals (VVD, p. 13): Na de uitvoerige schriftelijke gedachtenwisseling wil ik mij beperken tot enkele onderwerpen. Is het juist om in het kader van die aanpassingswet een eigen regime van termijnen in de Algemene wet rijksbelastingen op te nemen? In de Algemene wet rijksbelastingen zijn termijnen vastgelegd voor de vaststelling van definitieve aanslagen, navorderingsaanslagen en dergelijke. Voor beslissingen op een verzoek om toepassing van hardheidsclausules, vrijstellingen, teruggave, verrekening etcetera bestaan geen termijnen. Dientengevolge gaat artikel 4.1.3.1 gelden, waarvan lid 1 bepaalt: “Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.” Lid 2 bepaalt: “De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in artikel 4.1.3.2 heeft gedaan.” Dit houdt in dat zonder aanpassing inspecteur der belastingen gebonden is aan een termijn van acht weken. Voor de beschikkingen die op aanvraag worden genomen, wordt door middel van de aanpassingswetgeving via de Algemene wet bestuursrecht in de AWR opgenomen dat hiervoor een termijn van een jaar geldt. Indien een eigen regime wordt gecreëerd, lijkt het mij dat financiële deskundigen erover moeten oordelen, ook in de Tweede Kamer. Het gaat mijns inziens wat ver, dit en marge van de Algemene wet bestuursrecht te doen. Een uitzondering vereist duidelijke motivering. Deze ontbreekt. Ik vermag niet in te zien waarom niet binnen acht weken beslist kan worden op een verzoek tot teruggave.
De commissie-Van Vugt wijst op het veelal eigen karakter van de beschikkingen van de belastingen: deze zijn meestal belastend. Dit is echter ten dele waar. Bij loonbeschikkingen of beschikkingen tot teruggave zal de belastingdienst zich meestal in een gevende rol bevinden. Trouwens, hoe kan een burger bewerkstelligen dat de inspecteur op korte termijn een loonbeschikking geeft, indien de termijn van een jaar gaat gelden? Kwaliteit van wetgeving houdt ook in dat de uitvoering behoorlijk kan geschieden. Dit brengt mee dat termijnen niet onnodig lang zijn. Hiermee lijkt een termijn van een jaar voor alle categorieën van beschikkingen op aanvragen in strijd te zijn.  Mijn vraag aan de regering is, toe te zeggen deze aanpassing op korte termijn te herzien.
De heer Scheltema (p. 56): De heer Korthals had nog een vraag over de fiscale termijnen. Het was naar mijn mening toch een beetje merkwaardig, dat bij de bespreking van de algemene wet dit punt aan de orde was. Men moet echter bedenken dat juist voor het vaststellen van termijnen voor de primaire besluitvorming ingevolge de algemene wet wel een regeling moet worden getroffen welke primair is overgelaten aan de betreffende beleidsterreinen. De regeling in afdeling 4.1.3 van de algemene wet is subsidiair; er moet een regeling zijn maar in beginsel moet de specifieke wetgever daarvoor zorgen, omdat de benodigde termijn voor het beslissen op aanvragen zo verschillend kan zijn dat het moeilijk is om daarvoor een algemene regel op te stellen. Het is in die zin een aansporing voor de bijzondere wetgever om een regeling te treffen.

Dit artikel is met ingang van 1 april 2002 gewijzigd bij wet van 24 januari 2002 Stb. 53 (wetsvoorstel 26 523)

[Eindtekst] In artikel 4:13, tweede lid, wordt na «artikel 4:14» ingevoegd:, derde lid,.

VvW =Eindtekst

Memorie van toelichting

(p.4-5) Voor het geven van beschikkingen worden in beginsel door de bijzondere wetgever in de wet beslistermijnen opgenomen. Voor die gevallen waarin geen beslistermijn bij wettelijk voorschrift is voorgeschreven, regelt de Awb in artikel 4:13 dat dan binnen een redelijke termijn moet worden beslist. Onder «redelijke termijn» wordt in ieder geval een termijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag verstaan. Artikel 4:14 schrijft voor dat bij dreigende overschrijding van de redelijke termijn van acht weken de aanvrager daarvan in kennis moet worden gesteld en dat daarbij een andere redelijke termijn moet worden genoemd. Deze bepaling geldt dus alleen indien de bijzondere wetgeving zelf geen termijn heeft gesteld.
Uit de evaluatie is evenwel gebleken dat in de praktijk het beleid bestaat om, hoewel de Awb daartoe niet verplicht, belanghebbenden ook in kennis te stellen van dreigende overschrijdingen van uit de bijzondere wet voortvloeiende beslistermijnen. Deze handelwijze verdient naar onze mening navolging. Het is een leemte dat de Awb beperkt is tot de situatie waarin geen bij wettelijk voorschrift bepaalde beslistermijn geldt (zie ook het kabinetsstandpunt: blz. 19, 20). Onderdeel C voegt aan artikel 4:14 een nieuw eerste en tweede lid toe. Het nieuwe eerste lid regelt dat de verplichting tot kennisgeving van dreigende termijnoverschrijding en mededeling van de (nieuwe) termijn waarbinnen het besluit is te verwachten, ook geldt voor de situatie waarin een bij bijzondere wetsbepaling vastgestelde beslistermijn geldt. Hiermee willen wij overigens geenszins aangeven dat wij het overschrijden van wettelijke termijnen sanctioneren. Naar onze mening zullen bestuursorganen er altijd naar moeten streven binnen de wettelijke termijnen besluiten te nemen. Om die reden hebben wij dan ook het woord «redelijke» vervangen door «zo kort mogelijke», omdat wij van mening zijn dat de termijn na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn door bestuursorganen zo kort mogelijk dient te worden gehouden. In aansluiting op het nieuwe eerste lid is een tweede lid geformuleerd. Sommige wettelijke beslistermijnen zijn namelijk fatale termijnen. Aan de overschrijding van die termijnen zijn door de wetgever gevolgen verbonden, zoals bijvoorbeeld het verval van de bevoegdheid voor een bestuursorgaan om een besluit te nemen. Uit dit voorbeeld volgt dan ook dat het dan geen zin meer heeft om een kennisgeving van verlate besluitvorming te zenden. Voorbeelden van dergelijke fatale termijnen zijn te vinden in artikel 16, vijfde lid, van de Monumentenwet 1988 en artikel 46, vierde lid, van de Woningwet; indien burgemeester en wethouders de beslistermijn laten verstrijken wordt de monumentenvergunning resp. de bouwvergunning geacht (van rechtswege) te zijn verleend. De bestaande tekst van artikel 4:14 is opgenomen als derde en laatste lid, omdat wij het wenselijk vinden dat de meest voorkomende situatie, die van de wettelijke beslistermijn, voorop staat. Wij tekenen overigens uitdrukkelijk aan dat de tekst van het eerste lid van artikel 4:14 onverlet laat dat de aanvrager van het besluit c.q. de indiener van een bezwaarschrift bij overschrijding van de wettelijke termijn bezwaar kan maken c.q. beroep kan instellen zodra het orgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen (artikel 6:12, tweede lid). In onderdeel B wordt een wijziging van artikel 4:13, tweede lid, voorgesteld die samenhangt met de wijziging van artikel 4:14. Anders dan voor de huidige onder artikel 4:14 vallende beschikkingen het geval is – waarbij de acht-wekentermijn kan worden verlengd en daarmee ook de termijn voor bezwaar en beroep wordt opgeschort – heeft voor gevallen waarin wel een wettelijke beslistermijn geldt, artikel 4:14 niet het gevolg dat de beslistermijn wordt verlengd. Slechts de kennisgeving op grond van het nieuwe derde lid van artikel 4:14 heeft derhalve het rechtsgevolg dat de beslistermijn wordt verlengd. Ook al zullen naar onze mening – evenals hierboven is aangegeven voor de wettelijke beslistermijnen – bestuursorganen er altijd naar moeten streven binnen de binnen de de acht-weken termijn besluiten te nemen en zullen verlengingen zoveel mogelijk moeten worden vermeden.

Nota naar aanleiding van het verslag

De fractieleden van de PvdA vragen of met de zinsnede «zo kort mogelijke termijn» ook acht weken wordt bedoeld, en of dit niet beter terug kan worden gebracht tot vier weken. Met de aanduiding «zo kort mogelijke termijn» wordt niet op een termijn van acht weken gedoeld en evenmin van vier weken. De termijn van acht weken geldt volgens het tweede lid van artikel 4:13 indien in de bijzondere wetgeving geen termijn is opgenomen waarbinnen een beschikking dient te worden gegeven. Alsdan wordt acht weken als een redelijke termijn beschouwd. De voorgestelde wijziging is bedoeld voor die gevallen waarin een wettelijke termijn is gesteld, bijvoorbeeld vier, zes of tien weken, maar het bestuursorgaan niet in staat blijkt binnen die termijn te beslissen. In dat geval dient hij bij de kennisgeving daarvan aan de aanvrager een nieuwe termijn te stellen die «zo kort mogelijk is». De vraag «hoe kort, zo kort mogelijk is» hebben wij bewust niet willen beantwoorden, omdat dit van situatie tot situatie zal verschillen. De leden van de GPV- en RPF-fracties vragen zich af of met het oog op de rechtszekerheid ook niet mededeling moet worden gedaan van termijnoverschrijdingen als het fatale wettelijke termijnen betreft en dat dan tevens mededeling wordt gedaan van verstrekking van de beschikking van rechtswege. Het bekendmaken van de termijnoverschrijding ook in het geval van fatale termijnen ligt vanuit het oogpunt van rechtszekerheid van de burger inderdaad voor hand, maar daar staat tegenover dat bestuursorganen zich niet altijd bewust zijn van het verlopen van een beslistermijn. Om die reden heeft de bijzondere wetgever het in sommige gevallen noodzakelijk geacht om aan het verlopen van die termijn het gevolg te verbinden dat de gevraagde beschikking, doorgaans een vergunning, van rechtswege wordt verleend. Van die verlening van rechtswege moet dan door het bestuursorgaan melding worden gemaakt (zie bijvoorbeeld artikel 58 van de Woningwet).

Wetgevingsoverleg

Zie algemeen

Handelingen II

Zie algemeen

Dit artikel is met ingang van 1 oktober 2009 gewijzigd bij wet van 28 augustus 2009 Stb. 383  (wetsvoorstel 30 435, opgegaan in wetsvoorstel 29 934)
Voorstel van wet

[30 435]

In artikel 4:13, tweede lid, wordt «kennisgeving» vervangen door: mededeling.

Memorie van toelichting

[30 435]

Onderdelen A en B (artikelen 4:13 en 4:14)
De redactie van de artikelen 4:13 en 4:14 wordt geharmoniseerd door voortaan overal het begrip mededeling te bezigen in plaats van kennisgeving.

Amend. nr. 16, II onderdeel Ba (29 934) (ter vervanging van nr. 12) (Fierens en Van Schijndel)

In artikel 4:13, tweede lid, wordt «kennisgeving» vervangen door: mededeling.

Toelichting
Dit amendement strekt ertoe het wetsvoorstel 30 435 «beroep bij niet-tijdig beslissen» te incorporeren in wetsvoorstel 29 934 «dwangsom bij niet-tijdig beslissen». Beide wetsvoorstellen geven de aanvrager van een beschikking die niet binnen de daarvoor gestelde termijn wordt gegeven een middel om het bestuursorgaan alsnog tot (sneller) beslissen aan te zetten. Voor zover de onderdelen van wetsvoorstel 30 435 daarbij ongewijzigd konden blijven, worden ze hierna niet meer inhoudelijk toegelicht, daar dat al gebeurd is in de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 30 435. Een belangrijk verschil met wetsvoorstel 30 435 is wel, dat de burger door middel van dit amendement bij de rechter meteen een dwangsom kan krijgen; in wetsvoorstel 30 435 was daarvoor een tweede gang naar de rechter noodzakelijk, hetgeen ons nodeloos omslachtig voorkomt. Bij aanvaarding van dit amendement zal de burger bij een termijnoverschrijding niet alleen recht hebben op een dwangsom, maar ook de mogelijkheid hebben om beroep in te stellen bij de rechter. Dat is in tenminste drie situaties nuttig: – als er, nadat de maximale dwangsom van € 1260 is verbeurd, nog steeds geen besluit is; – als in het concrete geval, gelet op de belangen die op het spel staan, een hogere dwangsom dan € 1260 nodig is; – als het besluit zo spoedeisend is, dat niet kan worden afgewacht of de dwangsom effectief zal zijn.

Onderdelen II en III
De in onderdeel II voorgestelde wijzigingen zijn grotendeels overgenomen uit wetsvoorstel 30 435. De daarin aanvankelijk voorgestelde twee nieuwe leden van artikel 4:15 (zie onderdeel Bc, onder 2) voorzien in tijdelijke opschorting van de beslistermijn in bepaalde gevallen. Die gevallen komen deels overeen met gevallen waarin in wetsvoorstel 29 934 ook al was voorzien in het daarin voorgestelde artikel 4:17, vijfde lid, maar daar in de vorm van een uitzondering op de verplichting om een dwangsom te betalen. Opschorting is inderdaad zuiverder indien het slechts om een tijdelijke onderbreking van de beslistermijn gaat. De dwangsomverplichting moet daarna immers – zo nodig – alsnog kunnen gaan gelden. Daarom is dit onderdeel van wetsvoorstel 30 435 gehandhaafd, zij het met enkele technische aanpassingen, en is in onderdeel III van het amendement een aanpassing opgenomen van het voorgestelde artikel 4:17, vijfde lid, dat daardoor aanzienlijk eenvoudiger kan worden: als uitzondering op de dwangsomverplichting blijven alleen die gevallen over waarin duidelijk is dat definitief geen dwangsom verschuldigd behoort te zijn.
Een verwijzing naar artikel 4:15 is in artikel 4:17, vijfde lid, daarnaast niet noodzakelijk. Opschorting van de beslistermijn heeft immers tot gevolg dat de termijn even niet meer doorloopt, maar dat die wel weer door gaat lopen zodra de oorzaak van de opschorting niet meer bestaat. Zolang de beslistermijn is opgeschort of nog loopt, kan geen sprake zijn van niet tijdig beslissen en is het bestuursorgaan dus ook niet in gebreke. Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt om het eerste lid van artikel 4:17 redactioneel te verbeteren.
Tevens is aan artikel 4:15 een vierde lid toegevoegd, dat het bestuursorgaan opdraagt om de burger te informeren als de opschorting eindigt, behoudens in de gevallen waarin de burger daar uit de aard der zaak al van op de hoogte is.

Stemming 27 juni 2006, p. 95-5844

In stemming komt het gewijzigde amendement Fierens-Van Schijndel (stuk nr. 16, II) tot het invoegen van de onderdelen Ba tot en met Bc.
De voorzitter: Ik constateer dat de aanwezige leden van de fractie van GroenLinks tegen dit gewijzigde amendement hebben gestemd en die van de overige fracties ervoor, zodat het is aangenomen.
Ik stel vast dat door de aanneming van dit gewijzigde amendement de overig op stuk nr. 16 voorkomende gewijzigde amendementen als aangenomen kunnen worden beschouwd.

Share This