Artikel 4:15

1. De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan:
a. de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, of
b. de aanvrager mededeelt dat voor de beschikking op de aanvraag redelijkerwijs noodzakelijke informatie aan een buitenlandse instantie is gevraagd, tot de dag waarop deze informatie is ontvangen of verder uitstel niet meer redelijk is.
2. De termijn voor het geven van een beschikking wordt voorts opgeschort:
a. gedurende de termijn waarvoor de aanvrager schriftelijk met uitstel heeft ingestemd,
b. zolang de vertraging aan de aanvrager kan worden toegerekend, of
c. zolang het bestuursorgaan door overmacht niet in staat is een beschikking te geven.
3. In geval van overmacht deelt het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk aan de aanvrager mede dat de beslistermijn is opgeschort, alsmede binnen welke termijn de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
4. Indien de opschorting eindigt, doet het bestuursorgaan daarvan in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of het tweede lid, onderdelen b en c, zo spoedig mogelijk mededeling aan de aanvrager, onder vermelding van de termijn binnen welke de beschikking alsnog moet worden gegeven.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 4 juni 1992 Stb. 315 (wetsvoorstel 21 221)

[bron: PG Awb I, p. 267]

VO = VvW

Tekst RvS = VvW

Voorstel van wet [4.1.3.3]

De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan krachtens artikel 4.1.1.5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Memorie van toelichting

Indien het bestuur niet over voldoende gegevens beschikt omdat de aanvrager van een beschikking niet heeft voldaan aan de vereisten voor het indienen van een aanvraag, kan van het bestuur niet gevergd worden een beslissing te nemen. Daarom biedt artikel 4.1.1.5 het bestuur de mogelijkheid de aanvrager uit te nodigen aanvullende gegevens te verschaffen of de aanvraag anderszins te completeren binnen een door het bestuur aan te geven termijn.
Artikel 4.1.3.3 dient ertoe, de termijn waarbinnen het bestuur moet beslissen, op te schorten gedurende de periode dat het wacht op de aanvullende gegevens. Zodra de gegevens binnen zijn, of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, gaat de aan het bestuur gestelde termijn weer verder lopen.

Dit artikel is met ingang van 1 oktober 2009 gewijzigd bij wet van 28 augustus 2009 Stb. 383 (wetsvoorstel 30 435, opgegaan in wetsvoorstel 29 934)

[Eindtekst] Artikel 4:15 komt te luiden:
Artikel 4:15
1. De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan:
a. de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, of
b. de aanvrager mededeelt dat voor de beschikking op de aanvraag redelijkerwijs noodzakelijke informatie aan een buitenlandse instantie is gevraagd, tot de dag waarop deze informatie is ontvangen of verder uitstel niet meer redelijk is,
2. De termijn voor het geven van een beschikking wordt voorts opgeschort:
a. gedurende de termijn waarvoor de aanvrager schriftelijk met uitstel heeft ingestemd,
b. zolang de vertraging aan de aanvrager kan worden toegerekend, of
c. zolang het bestuursorgaan door overmacht niet in staat is een beschikking te geven.
3. In geval van overmacht deelt het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk aan de aanvrager mede dat de beslistermijn is opgeschort, alsmede binnen welke termijn de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
4. Indien de opschorting eindigt, doet het bestuursorgaan daarvan in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of het tweede lid, onderdelen b en c, zo spoedig mogelijk mededeling aan de aanvrager, onder vermelding van de termijn binnen welke de beschikking alsnog moet worden gegeven.

Voorstel van wet

[30 435]

Artikel 4:15 wordt gewijzigd als volgt:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
2. De termijn voor het geven van een beschikking wordt voorts opgeschort:
a. gedurende de termijn waarvoor de aanvrager met het uitstel heeft ingestemd;
b. voor zover het uitstel aan de aanvrager moet worden toegerekend;
c. voor zolang het bestuursorgaan door overmacht niet in staat is een beschikking te geven, mits het bestuursorgaan van de opschorting en de duur daarvan mededeling heeft gedaan aan de aanvrager. De opschorting vangt aan op de dag na die waarop het bestuursorgaan de mededeling heeft verzonden.
3. De termijn voor het geven van een beschikking wordt eveneens opgeschort indien noodzakelijke informatie uit het buitenland niet tijdig wordt ontvangen en uitstel op die grond niet onredelijk is. De opschorting vangt aan op de dag na die waarop het bestuursorgaan de mededeling daarvan heeft verzonden aan de aanvrager en eindigt op de dag waarop de informatie is ontvangen of verder uitstel niet meer redelijk is.

Memorie van toelichting

[30 435]

Het instellen van bezwaar of beroep wegens niet tijdig beslissen kan onredelijk zijn in gevallen waarin het niet tijdig beslissen niet aan het bestuursorgaan is te wijten. In het nieuwe tweede en derde lid van artikel 4:15 is bepaald dat de beslistermijn in bepaalde gevallen van rechtswege of door een kennisgeving van het bestuursorgaan wordt opgeschort.
Het betreft de volgende gevallen:
• de aanvrager is met uitstel akkoord gegaan;
• de dreigende termijnoverschrijding is toe te rekenen aan de aanvrager;
• het bestuursorgaan is feitelijk verhinderd een beschikking te geven als gevolg van overmacht; of
• het bestuursorgaan heeft ter voorbereiding van de beschikking bij een of meer instanties in het buitenland verzocht om informatie en die informatie is niet tijdig beschikbaar.
Hoewel het voor zich lijkt te spreken dat een bezwaar of beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is indien de aanvrager akkoord is gegaan met uitstel van de beslissing, bevat de wet nog geen voorziening dat de beslistermijn in die gevallen wordt opgeschort of verlengd. In die gevallen wordt de beslistermijn voortaan opgeschort (tweede lid, onderdeel a). De instemming met uitstel zal uiteraard wel uitdrukkelijk moeten zijn gegeven of zonder twijfel moeten kunnen worden afgeleid uit de gang van zaken.
In de tweede plaats wordt de termijn opgeschort indien het niet tijdig beslissen aan de aanvrager moet worden toegerekend (tweede lid, onderdeel b). De situatie kan zich voordoen dat het bestuursorgaan niet tijdig zal kunnen beslissen omdat de aanvrager enkele dagen voor afloop van de beslistermijn nog omvangrijke pakketten nadere gegevens opstuurt, of omdat de aanvrager zelf bij herhaling om uitstel van een hoorzitting of om nader onderzoek heeft gevraagd en het bestuursorgaan daarmee heeft ingestemd. Dergelijke sitiuaties zouden er niet toe mogen leiden dat de beslistermijn verstrijkt en het bestuursorgaan te laat is met het geven van een beschikking. Overigens wordt de beslistermijn in gevallen van dreigende termijnoverschrijding die wordt veroorzaakt door een verzuim van de aanvrager, opgeschort op grond van het eerste lid van artikel 4:15.
In de derde plaats kan zich de uitzonderlijke situatie voordoen dat een bestuursorgaan wegens overmacht geen beschikking kan geven. Ook in die gevallen kan de termijn worden opgeschort (tweede lid, onderdeel c).
Het instellen van bezwaar en beroep heeft immers geen zin als daarmee het doel niet kan worden bereikt doordat het bestuursorgaan zich in een overmachtsituatie bevindt (vergelijk, maar dan voor de omgekeerde situatie: voorzitter ABRvS 25 februari 1999, JM 1999/66). Van overmacht zal niet snel sprake zijn. Het zal dan in ieder geval moeten gaan om een onmogelijkheid om te beslissen die veroorzaakt wordt door abnormale en onvoorziene omstandigheden buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten zijn risicosfeer liggen. Daarvan zal bijvoorbeeld sprake kunnen zijn wanneer het gemeentehuis is afgebrand of onder water gelopen. Uit de jurisprudentie inzake termijnoverschrijdingen kan echter worden afgeleid dat ziekteverzuim en administratieve of organisatorische problemen binnen de invloedssfeer van het bestuursorgaan niet een beroep op overmacht rechtvaardigen, ook niet als zij van structurele aard zijn (bijvoorbeeld vz CBb 28 april 1995, JB 1995/136, en Rechtbank Roermond 9 februari 1996, JB 1996/102), evenmin als het niet tijdig ter beschikking komen van informatie van een ander bestuursorgaan (CBb 25 november 2003, LJN AO1044), het willen afwachten van een rechterlijke beslissing in een andere zaak (ABRvS 5 november 2003, JB 2004/11) of een verzoek van de Europese Commissie (vz CBb 30 januari 2004, JM 2004/87 en JB 2004/ 138). In een andere uitspraak nam de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zonder meer aan dat aan de eis van een integrale beoordeling in onderlinge samenhang van ruim tweeduizend bezwaarschriften, onmogelijk binnen de wettelijke termijn kon worden voldaan (ABRvS 19 november 2003, JB 2004/19). Het bestuursorgaan moet van de opschorting wegens overmacht mededeling doen aan de aanvrager. Doet het bestuursorgaan dat niet, dan verstrijkt de termijn, is het bestuursorgaan te laat en kan bezwaar of beroep wegens niet tijdig beslissen worden ingesteld.
Het nieuwe derde lid biedt het bestuur de mogelijkheid de beslistermijn op te schorten indien het in het kader van een zorgvuldige voorbereiding informatie moet inwinnen in het buitenland, maar die informatie niet tijdig beschikbaar is. Bij beschikkingen op het gebied van de sociale zekerheid kan het bijvoorbeeld relevant zijn of de aanvrager een vrouw of kinderen heeft in Marokko of dat hij daar onroerende zaken bezit. De praktijk leert dat dergelijke informatie vrijwel nooit binnen de wettelijke beslistermijn of de termijn van acht weken van artikel 4:13 Awb beschikbaar is. Het uitstel mag echter niet onredelijk lang duren. In eerste instantie dient het bestuursorgaan er zelf op toe te zien dat het uitstel niet onredelijk lang duurt. Het eindoordeel daarover ligt echter bij de rechter. Indien de aanvrager van mening is dat verder uitstel niet meer redelijk is, kan hij bezwaar maken wegens niet tijdig beslissen.
De opschorting op grond van het tweede lid, onderdeel c, en het derde lid werkt pas als het bestuursorgaan daarvan mededeling gedaan. De mededeling moet voor het verstrijken van de beslistermijn worden verzonden. Doet een bestuursorgaan dat niet, dan is de beschikking niet tijdig gegeven en kan bezwaar of beroep worden ingesteld bij de rechtbank. Indien een bestuursorgaan na afloop van de beslistermijn in gebreke wordt gesteld en binnen twee weken na de ingebrekestelling een mededeling van opschorting verzendt, is het bestuursorgaan te laat. De belanghebbende kan dan twee weken na de ingebrekestelling beroep instellen bij de rechtbank.
De mededeling van opschorting is een beschikking. Tegen de mededeling kan echter niet afzonderlijk bezwaar en beroep worden ingesteld, omdat het een voorbereidingshandeling betreft in de zin van artikel 6:3 Awb. Dat lijdt uitzondering indien de mededeling de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.

Verslag

[30 435]

Artikel I Onderdeel C (artikel 4:15)
De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze het hier bedoelde overmacht criterium wordt omschreven. Is dit ter beoordeling en vaststelling van het betreffende bestuursorgaan of wordt hier een door het bestuursrecht (bijvoorbeeld d.m.v. jurisprudentie) nader ingeperkt begrip overmacht gehanteerd?

Brief minister 16 mei 2006

Artikel I Onderdeel C (artikel 4:15)
De leden van de CDA-fractie vragen of het criterium van overmacht ter beoordeling en vaststelling van het betreffende bestuursorgaan is, of dat het hier gaat om een door het bestuursrecht (bijvoorbeeld d.m.v. jurisprudentie) nader ingeperkt begrip overmacht.
In eerste instantie is het natuurlijk aan het bestuursorgaan om een beroep te doen op overmacht. Maar het oordeel of inderdaad sprake is van overmacht, is uiteindelijk aan de rechter.

Amendement nr. 16, II onderdeel Bc (ter vervanging van nr. 12) (Fierens en Van Schijndel)

[29 934]

Artikel 4:15 komt te luiden:
1. De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan
a. de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is ingevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, of
b. de aanvrager mededeelt dat voor de beschikking op aanvraag redelijkerwijs noodzakelijke informatie aan een buitenlandse instantie is gevraagd, tot de dag waarop deze informatie is ontvangen of verder uitstel niet meer redelijk is.
2. De termijn voor het geven van een beschikking wordt voorts opgeschort:
a. gedurende de termijn waarvoor de aanvrager schriftelijk met uitstel heeft ingestemd,
b. zolang de vertraging aan de aanvrager schriftelijk met uitstel heeft ingestemd,
c. zolang het bestuursorgaan door overmacht niet in staat is een beschikking te geven.
3. In geval van overmacht deelt het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk aan de aanvrager mede dat de beslistermijn is opgeschort, alsmede binnen welke termijn de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
4. Indien de opschorting eindigt, doet het bestuursorgaan daarvan in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of het tweede lid, onderdelen b en c, zo spoedig mogelijk mededeling aan de aanvrager onder vermelding van de termijn binnen welke de beschikking alsnog moet worden gegeven.

Toelichting
Zie toelichting op artikel 4:13.

Stemming 27 juni 2006, p. 95-5844

In stemming komt het gewijzigde amendement Fierens-Van Schijndel (stuk nr. 16, II) tot het invoegen van de onderdelen Ba tot en met Bc.
De voorzitter: Ik constateer dat de aanwezige leden van de fractie van GroenLinks tegen dit gewijzigde amendement hebben gestemd en die van de overige fracties ervoor, zodat het is aangenomen.
Ik stel vast dat door de aanneming van dit gewijzigde amendement de overig op stuk nr. 16 voorkomende gewijzigde amendementen als aangenomen kunnen worden beschouwd.

Dit artikel is met ingang van 1 oktober 2009 gewijzigd bij wet van 18 juni 2009 Stb. 384 (wetsvoorstel 31 751)

[Eindtekst] Op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, wordt in artikel 4:15, eerste lid, de komma aan het slot van onderdeel b vervangen door een punt.

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om een technische onvolkomenheid in artikel 4:15 Awb (Wet dwangsom) te herstellen.

Dit artikel is met ingang van […] gewijzigd bij wet van […], Stb. […] (wetsvoorstel 31 418; staatssteun).
Voorstel van wet

Artikel 4:15, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:
1. In onderdeel a wordt «, of» vervangen door een puntkomma.
2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door «, of» wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
c. de aanvrager mededeelt dat voor de beschikking op de aanvraag op grond van artikel 88, derde lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap het oordeel van de Commissie van de Europese Gemeenschappen omtrent de verenigbaarheid met artikel 87 van genoemd verdrag is gevraagd, tot de dag waarop zij haar beslissing heeft bekendgemaakt.

Memorie van toelichting

Onderdeel A (wijziging artikel 4:15 Awb)
Op grond van artikel 4:13, eerste lid, Awb wordt de beslissing op een aanvraag om een beschikking gegeven binnen de in het wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij gebreke van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Artikel 4:14 Awb biedt een regeling voor verlenging van de beslistermijn door het bestuursorgaan indien de beslistermijn van artikel 4:13, eerste lid, te kort blijkt. Het bestuursorgaan deelt de aanvrager in dat geval mede wanneer de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. Daarnaast is in artikel 4:15 een regeling gegeven voor opschorting van de beslistermijn. Deze regeling is in het wetsvoorstel Dwangsom bij niet tijdig beslissen (Kamerstukken I 2005/06, 29 934, A) aanzienlijk uitgebreid, onder andere met de bepaling dat de beslistermijn wordt opgeschort indien noodzakelijke informatie aan een buitenlandse instantie is gevraagd (artikel 4:15, eerste lid, onder b). In aansluiting hierop wordt voorgesteld om aan het eerste lid van artikel 4:15 een onderdeel toe te voegen, waarin wordt bepaald dat de beslistermijn eveneens wordt opgeschort indien het bestuursorgaan het voornemen om een positieve beschikking te geven die als een steunmaatregel in de zin van het EG-verdrag zou kunnen worden aangemerkt ter goedkeuring heeft aangemeld bij de Commissie.
Deze bepaling zal in de praktijk onder andere voor subsidies van belang zijn. Het aanmelden van een individuele subsidieverlening bij de Commissie kan noodzakelijk zijn wanneer deze niet op een goedgekeurde subsidieregeling berust, maar ook indien de Commissie aan de goedkeuring van een subsidieregeling de voorwaarde heeft verbonden dat de individuele aanvragen bij haar moeten worden gemeld. Ingevolge het nieuw voorgestelde onderdeel deelt het bestuursorgaan de aanvrager mede dat voor de beschikking op de aanvraag om het oordeel van de Commissie is gevraagd. De beslistermijn is vervolgens opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan deze mededeling heeft gedaan, tot de dag waarop de Commissie haar beslissing – in de vorm van een beschikking – heeft bekendgemaakt.
Met deze wijziging wordt gevolg gegeven aan de aanbeveling terzake in het eerder genoemde evaluatierapport «De Europese agenda van de Awb».

Share This