Artikel 4:35

1.De subsidieverlening kan in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:
a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;
b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.
2. De subsidieverlening kan voorts in ieder geval worden geweigerd indien de aanvrager:
a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of
b. failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.
3. De subsidieverlening wordt voorts geweigerd indien de verstrekking van subsidie naar het oordeel van het bestuursorgaan niet verenigbaar is met het bepaalde in de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1998 ingevoegd bij wet van 20 juni 1996 Stb. 333 (wetsvoorstel 23 700)

[bron: PG Awb III, p. 221-223]

Voorontwerp

1. Een subsidie kan in ieder geval worden geweigerd indien gegronde vrees bestaat dat:
a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvin­den;
b. de aanvrager in strijd met de aan de subsidie verbon­den verplich­tin­gen zal handelen;
c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoor­ding zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.
2. Een subsidie kan voorts in ieder geval worden gewei­gerd indien de aanvrager
a. in het kader van de aanvraag gegevens heeft verstrekt waarvan hij wist of behoorde te weten dat deze onjuist of onvolledig waren en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of
b. failliet is verklaard of aan hem surséance van beta­ling is verleend, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

Tekst RvS

1. De subsidieverlening kan in ieder geval worden gewei­gerd indien gegronde vrees bestaat dat:
a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvin­den;
b. de aanvrager in strijd met de aan de subsidie verbon­den verplich­tin­gen zal handelen;
c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoor­ding zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.
2. De subsidieverlening kan voorts in ieder geval worden gewei­gerd indien de aanvrager:
a. in het kader van de aanvraag gegevens heeft verstrekt waarvan hij wist of behoorde te weten dat deze onjuist of onvolledig waren en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of
b. failliet is verklaard of aan hem surséance van beta­ling is verleend, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

Advies RvS

6.15. De Raad adviseert, de tekst van artikel 4.2.3.7, eerste lid in twee opzichten meer te objectiveren. In plaats van «indien gegronde vrees bestaat dat» ware te lezen: indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat. In onderdeel b ware niet te spreken van handelen in strijd met verplichtingen maar van niet voldoen aan verplichtingen. Het tweede lid maakt in zijn aanhef en onderdeel a weigering mogelijk bij verstrekking van onjuiste gegevens door de aanvrager. In de toelichting is uiteengezet dat de weigeringsgrond ook het geval dekt waarin de subsidieverlening voor het geheel geweigerd wordt terwijl de aanvrager had hij de juiste gegevens verstrekt, wel een – zij het lagere – subsidie zou hebben verkregen. Naar het oordeel van de Raad ligt een dergelijke weigering in de rede, aangezien de verschafte gegevens niet kunnen leiden tot inwilliging van de aanvraag. Die aanvraag kan immers niet worden geacht mede het verzoek in te houden, de subsidie te bepalen op zoveel als op grond van de verstrekte gegevens verantwoord zou zijn. Als overbodig beschouwt de Raad daarom de in de toelichting gevolgde constructie als zou de weigering in gevallen als deze voor een gedeelte het karakter van een sanctie op verwijtbaar handelen dragen. De kwalificatie als sanctie kan onnodig moeilijkheden oproepen in zoverre zij het bestuursorgaan noodzaakt, in de beschikking te laten zien dat evenredigheid bestaat tussen de door aanvrager gepleegde onzorgvuldigheid en de niet-toekenning van de subsidie voor het geheel. De Raad adviseert de toelichting in de aangegeven zin te vereenvoudigen. Overigens is bij de Raad de vraag gerezen, of ook op het hier besproken onderdeel van artikel 4.2.3.7 niet beter voor een objectieve redactie kan worden gekozen. Voldoende grond voor een weigering is immers, dat de verstrekte gegevens onjuist of onvolledig zijn, te zamen met de overweging dat het als correct aannemen van de gegevens tot een verkeerde beslissing op de aanvraag zou hebben geleid. Aldus wordt ook alle discussie over de aanwezigheid van opzet en over de mate van verwijtbaarheid afgesneden. De Raad geeft in overweging een redactie van die strekking te bezigen. De Raad adviseert tenslotte in de toelichting de verhouding van de bepaling tot artikel 4:7 Awb te bespreken.

Nader rapport

6.15. Aan het advies van de Raad is in al zijn onderdelen gevolg gegeven.

VvW = Eindtekst [4.2.3.7]

Memorie van toelichting

Eerste lid
In welke gevallen een subsidie geweigerd kan worden, wordt in het algemeen bepaald door de concrete subsidierege­ling. De weigeringsgronden hangen immers nauw samen met aard en doel van de betreffende subsidie. Aan een beperkt aantal weigeringsgron­den bestaat echter bij vrijwel iedere subsidie behoefte. Uit oogpunt van harmonisatie van wetgeving is het gewenst, deze gronden in de Algemene wet bestuursrecht neer te leggen. Artikel 4.2.3.7 voorziet daarin.
De in deze bepaling neergelegde weigeringsgronden zijn aanvullend: zij gelden naast de eventueel in de concrete subsidieregeling neergelegde weigeringsgronden. Dit is in de aanhef van zowel het eerste als het tweede lid tot uitdrukking gebracht door de woorden «in ieder geval».
De in het eerste lid neergelegde weigeringsgronden komen in de bestaande subsidieregelingen maar in beperkte mate voor. Het gaat om situaties, die in thans geldende regelingen vaak wel aanlei­ding kunnen zijn tot het intrekken van de subsidieverlening (vgl. ook artikel 4.2.6.1) of het lager vaststellen van de subsidie (vgl. artikel 4.2.5.5).
Het intrekken of lager vaststellen van de subsidie is uit de aard der zaak pas na de subsidieverlening moge­lijk. In een aantal gevallen is het dan al te laat: de subsidiegelden zijn reeds uitgegeven, en terugvordering is niet altijd praktisch mogelijk omdat de ontvanger niet altijd verhaal biedt. Om een doelmatig subsidiebeleid mogelijk te maken en misbruik van subsidie­gelden tegen te gaan is het daarom gewenst dat het bestuursorgaan beschikt over de be­voegdheid om preventief op te treden, in dier voege dat de gevraagde subsidie kan worden geweigerd indien met een grote mate van waarschijnlijkheid vast staat dat zich later een intrek­kingsgrond zal voordoen. Daarin voorziet het eerste lid van artikel 4.2.3.7. Daarbij zij opgemerkt, dat artikel 4:7, in verbinding met het voorgestelde artikel 4:12, tweede lid, veelal zal meebrengen dat de aanvrager in de gelegenheid moet worden gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen alvorens de subsidie op grond van artikel 4.2.3.7 kan worden geweigerd.
De bevoegdheid tot «preventieve weigering» van de subsi­die bestaat niet reeds indien een zeker risico bestaat dat zich één van de in het eerste lid genoemde situaties zal voordoen. Een dergelijk risico bestaat altijd wel in meer of mindere mate. Het eerste lid stelt de eis dat een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de daar bedoelde situaties zich zullen voordoen. Om op grond van het eerste lid een subsidie te kunnen weigeren zal het be­stuursorgaan derhalve moeten beschikken over concre­te, op de individuele subsidie-ontvanger betrekking hebbende aanwij­zin­gen, die het oordeel kunnen dragen dat zich waar­schijnlijk («misschien» is niet voldoende) een intrek­kings­grond zal voordoen.
Het in artikel 3.6.1 neergelegde vereiste van een deugde­lijke motive­ring brengt mee, dat in de beschikking tot weige­ring van de subsidie uiteengezet zal moeten worden waarop het bestuur dat waar­schijnlijkheids­oordeel baseert. Het feit dat de subsidie voor het voorgaan­de jaar op dezelfde grond lager moest worden vastgesteld kan een concrete aanwij­zing zijn, maar is niet zonder meer voldoende. Het kan immers zijn, dat de situa­tie van de ontvan­ger inmiddels zodanig is gewijzigd dat voor «vrees voor herhaling» geen grond bestaat.
In het eerste lid, onder a, gaat het om het geval dat het bestuur concrete aanwijzingen heeft dat de subsidie-ontvanger de activiteit waarvoor subsidie is gevraagd niet of niet geheel zal verrichten of zal kunnen verrichten. Dat kan zich bijvoor­beeld voordoen indien subsidie wordt gevraagd voor een activi­teit die in financiële of organisatorische zin of uit oogpunt van benodigde deskundigheid de mogelijkheden van de aanvrager kennelijk te boven gaat. In sommige gevallen zal de aanvrager in dergelijke situaties niet voldoen aan een bij wettelijk voorschrift gestelde voorwaar­de om voor de subsidie in aanmer­king te komen; dat is echter niet steeds het geval, en voor die gevallen is een algemene weigeringsgrond noodzake­lijk.
Het onder b bedoelde geval ligt in het verlengde van het onder a genoemde. Hier gaat het om de aan de subsidie verbon­den verplichtingen, die immers ook zekere capaciteiten of bekwaam­heden van of voorzieningen bij de subsidie-ontvanger kunnen veronderstellen. Ook dan kan het voorkomen, dat de aanvrager kennelijk onvoldoende waarborgen biedt voor de nakoming van deze verplichtingen. Datzelfde geldt voor de onder c genoemde, meer specifieke verplichting. Laatstgenoemde weigeringsgrond kan uiteraard alleen gehanteerd worden indien de aanvrager, indien de subsidie zou worden verleend, ook daadwerkelijk verplicht zou zijn om rekening en verantwoor­ding af te leggen.
De vraag kan zich voordoen, of ook het gedrag van de aanvrager in het verleden een rol kan spelen bij het oordeel dat hij waarschijnlijk zijn verplichtingen niet zal nakomen. Dat kan in ieder geval, indien uit dat gedrag blijkt van het ontbreken van kwaliteiten die onmis­baar zijn om de verplich­tingen na te komen, en voorts vaststaat dat in deze kwalitei­ten geen wijziging is gekomen.
Het enkele feit, dat de aanvrager zich in het verleden aan misbruik van een subsidie heeft schuldig gemaakt is onvol­doende grond om de subsidie op grond van artikel 4.2.3.7, eerste lid, te weigeren. Dat feit kan echter wel van belang zijn, indien uit bijkomende omstandigheden blijkt, dat herha­ling te vrezen valt, bijvoorbeeld wanneer het gaat om recent, groot­schalig of herhaald misbruik.

Tweede lid
De in het tweede lid van artikel 4.2.3.7 genoemde weige­ringsgronden hebben, anders dan die van het eerste lid, geen «preventief» karakter. Het gaat om gebeurtenissen, die zich reeds hebben voorgedaan en nog voor de  beslissing op de aanvraag bekend worden.
In het tweede lid onder a gaat het om het verstrekken van onjuiste inlichtingen die van materieel belang zijn voor de beslissing op de aan­vraag. Dit kan leiden tot het geheel of gedeeltelijk weigeren van de subsidie. Ook wanneer de aanvrager, indien hij de juiste gegevens zou hebben ver­strekt, wel een – zij het lagere – subsidie zou hebben gekre­gen, kan het verstrekken van onjuiste inlichtingen leiden tot het geheel weigeren van de subsidie. De aanvraag kan immers niet worden geacht mede het verzoek in te houden, de subsidie te bepalen op zoveel als op grond van de juiste gegevens verantwoord zou zijn.
Geformuleerd als weigeringsgrond komt de onder a bedoelde grond in bestaan­de subsidieregelingen niet veel voor; de overeenkomstige intrekkingsgrond is echter heel gebruike­lijk.
Bij de onder b genoemde weigeringsgrond is uitsluitend beslissend het daadwerkelijk bestaan van de staat van faillis­sement of sursé­ance, dan wel het ingediend zijn van een verzoek daartoe. Dan is er in het algemeen reden om aan te nemen dat de subsidie haar doel niet zal kunnen bereiken, omdat het risico bestaat dat de subsidiegel­den uiteinde­lijk bij de schuldeisers van de ontvanger terecht zouden komen.
Dit bezwaar geldt bij surséance in mindere mate dan bij faillisse­ment. Daarom is overwogen om in geval van surséance te volstaan met het opschorten van de termijn voor de beslis­sing op de aanvraag. Dit zou echter tot een aanzienlijk gecom­pliceerdere regeling leiden, maar geen duidelijke voordelen hebben. Ook bij de thans gekozen regeling kan het bestuursor­gaan in concreto besluiten dat er geen aanleiding is de subsi­die te weigeren, terwijl anderzijds de aanvrager in geval van weigering na een eventuele opheffing van de surséance een nieuwe aanvraag kan indienen. Deze opheffing kan immers gelden als een nieuw feit, naar aanleiding waarvan het bestuurs­orgaan zijn beslissing ook inhoudelijk zal moeten heroverwegen (vgl. artikel 4:6).

Dit artikel is met ingang van 1 december 1998 gewijzigd bij wet van 1 juli 1998 Stb. 448 (wetsvoorstel 25 961)

[Eindtekst] In artikel 4:35, tweede lid, onderdeel b, worden de woorden «surséance van betaling is verleend» vervangen door: surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard.

Dit artikel is met ingang van 1 april 2002 gewijzigd bij wet van 24 januari 2002 Stb. 53 (wetsvoorstel 26 523)

[Eindtekst] In artikel 4:35, tweede lid, onderdeel a, wordt «zouden» vervangen door: zou.

VvW =Eindtekst

Memorie van toelichting

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om een redactionele misstelling in artikel 4:35, tweede lid, te herstellen.

Wetgevingsoverleg

Zie algemeen

Handelingen II

Zie algemeen

Dit artikel is met ingang van 1 juli 2018 gewijzigd bij wet van 21 februari 2018, Stb. 75 (wetsvoorstel 31 418).
Voorstel van wet

Aan artikel 4:35 wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. De subsidie wordt voorts geweigerd indien de Commissie van de Europese Gemeenschappen met toepassing van artikel 88, tweede lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.

Memorie van toelichting

Onderdeel Aa (wijziging artikel 4:35 Awb)
Artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht bevat een aantal algemene weigeringsgronden voor subsidies. Dit zijn weigeringsgronden die bij iedere subsidie kunnen worden ingeroepen. Op advies van de Raad van State wordt voorgesteld dit artikel aan te vullen met een bevoegdheid om de subsidie te weigeren indien de Commissie heeft vastgesteld dat de subsidie een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steunmaatregel oplevert.

Share This