Artikel 4:52

1. Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de subsidievaststelling betaald.
2. Indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, kan bij de subsidieverlening, of, indien geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven, bij de subsidievaststelling een van artikel 4:87, eerste lid, afwijkende termijn voor de betaling van het subsidiebedrag worden vastgesteld. 

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1998 bij wet van 20 juni 1996 Stb. 333 (wetsvoorstel 23 700)

[bron: PG Awb III, p. 252]

[Eindtekst] Artikel 4:52 [4.2.7.1]
1. Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de subsi­die­vaststelling betaald, onder verrekening van de betaalde voor­schotten.
2. Het subsidiebedrag wordt binnen vier weken na de subsi­die­vaststel­ling betaald, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
3. Indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, kan bij de subsidieverlening, of, indien geen beschik­king tot subsidieverlening is gegeven, bij de subsidievast­stelling, een andere termijn worden bepaald waar­bin­nen het subsi­die­bedrag wordt betaald.

Voorontwerp

1. Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de subsi­die­vaststelling betaald.
2. Het subsidiebedrag wordt binnen vier weken na de subsi­die­vaststel­ling betaald, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
3. Indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, kan bij de subsidievaststelling een andere termijn worden bepaald waarbin­nen het subsidiebedrag wordt betaald.

Tekst RvS = VvW

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

Door de vaststelling van de subsidie verplicht het be­stuursorgaan zich tot daadwerkelijke uitbetaling van het vastgestelde bedrag. Dit is uitgedrukt in het eerste lid van artikel 4.2.7.1.
Het spreekt vanzelf dat bij de uitbetaling eventuele voorschotten met de subsidie verrekend worden. Het zal veelal het meest praktisch zijn om bij de vaststelling van de subsidie ook het saldo van subsidiebedrag en reeds betaalde voorschotten te bepalen. Het is echter niet juist om de subsidie vast te stellen op het bedrag dat overeenkomt met de subsidiever­lening minus de verleende voor­schotten. De vaststelling dient te geschie­den op het met de verlening overeenkomende bedrag. Pas bij de uitbetaling worden de reeds betaalde voorschotten op dat bedrag in minde­ring gebracht.
Ook is het mogelijk dat het bedrag van de betaalde voor­schotten het bedrag van de vastgestelde subsidie te boven gaat. In dat geval kan het saldo, als zijnde onverschuldigd­ betaald, van de subsidie-ontvanger worden teruggevorderd.
De rechtszekerheid vereist, dat de subsidie-ontvanger weet wanneer hij de betaling van de subsidie tegemoet kan zien. Derhalve dient de betalingsver­plichting van het bestuursorgaan aan een termijn te worden gebon­den. Daarin voorziet het tweede lid. In het algemeen moet een termijn van vier weken voldoende worden geacht. Voor bepaalde gevallen zou deze termijn echter te kort kunnen zijn. Zo is het mogelijk dat de subsidie-ontvanger bepaalde uitgaven pas na de vaststelling daadwerke­lijk behoeft te doen. Het kan dan redelijk zijn, dat de over­heid pas op dat moment ver­plicht wordt de gelden over te maken. Daarom is de mogelijkheid geboden om bij wettelijk voor­schrift een andere termijn te stellen.
Omdat ook bij subsidies die niet op een wettelijk voor­schrift berusten de termijn van vier weken in bijzondere gevallen te kort kan zijn, voorziet het derde lid ook voor die subsidies in de mogelijkheid een andere termijn te bepalen. Met het oog op de rechtsze­kerheid dient dit zo enigs­zins mogelijk reeds bij de subsidieverle­ning te geschieden. Slechts indien geen beschikking tot subsidieverlening wordt gegeven, kan bij de subsidie­vaststelling nog een afwijkende beta­lingster­mijn worden bepaald.
Het spreekt vanzelf, dat de te bepalen termijn een rede­lijke dient te zijn. Uitgangspunt is, dat zo spoedig mogelijk na de subsidievaststelling moet worden betaald. Alleen indien daarvoor bijzondere redenen zijn, kan de betaling voor langere tijd worden uitgesteld.
Met het verstrijken van de betalingstermijn wordt de verbintenis tot betaling van het vastgestelde subsidiebedrag opeisbaar. Dit betekent dat het bestuursorgaan, indien het niet tijdig betaalt, zonder ingebrekestel­ling de wettelijke rente verschuldigd is vanaf het tijdstip waarop de termijn verstreken is. Dit volgt uit de artikelen 6:119 jo. 6:83 BW.

Verslag II

10.11 In het derde lid zou tot uitdrukking kunnen worden gebracht dat de daargenoem­de «andere termijn» een redelijke termijn moet zijn. De memorie van toelichting ver­meldt dit als vanzelfsprekend.

Nota naar aanleiding van het verslag II

10.11 Er is van afgezien om in het derde lid tot uitdrukking te brengen dat het een redelij­ke betalingster­mijn moet zijn. In de systema­tiek van de Awb betreft de regel van artikel 4.2.7.1 (betaling binnen vier weken na de subsidievaststelling) regelend recht, en kan daarvan, indien noodzakelijk of gewenst, bij wettelijk voorschrift en – in dit geval ook –  bij beschikking worden afgeweken. De Awb pleegt de bijzondere wetgever of het bestuur bij het gebruik van deze afwijkingsmogelijk­heid vrij te laten.

Dit artikel is met ingang van 1 juli 2009 ingevoegd bij wet van 25 juni 2009, Stb. 264 (wetsvoorstel 29 702).

[Eindtekst] Artikel 4:52
1. Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de subsidievaststelling betaald.
2. Indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, kan bij de subsidieverlening, of, indien geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven, bij de subsidievaststelling een van artikel 4.4.1.3, eerste lid, afwijkende termijn voor de betaling van het subsidiebedrag worden vastgesteld.

Voorontwerp

Artikel 4:52 wordt gewijzigd als volgt:
1. Het tweede lid vervalt onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.
2. In het tweede lid (nieuw) wordt na “termijn” ingevoegd: dan die, bedoeld in artikel 4.4.1.3, eerste lid,.

Tekst RvS  = VvW

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting 

[29 702, p. 27]

De regeling inzake bestuursrechtelijke geldschulden brengt mee dat de bestaande bepalingen over de betaling van subsidies (artikel 4:52 e.v.) kunnen worden vereenvoudigd. Het huidige artikel 4:52, eerste lid, bepaalt onder meer dat voorschotten op subsidies kunnen worden verrekend met het subsidiebedrag. Deze zinsnede kan vervallen, omdat de verrekening van voorschotten in meer algemene zin wordt geregeld in het voorgestelde artikel 4.4.1.11, vierde lid, eerste volzin. Het huidige tweede lid van artikel 4:52 regelt een betalingstermijn en kan vervallen in verband met het voorgestelde artikel 4.4.1.3. Het voorgestelde tweede lid komt overeen met het huidige derde lid. Het geeft bij subsidies die niet opeen wettelijk voorschrift berusten de mogelijkheid om in de subsidiebeschikking een afwijkende betalingstermijn vast te stellen. Dat is een aanvulling op– of eigenlijk: een toepassing van – artikel 4.4.1.3, tweede lid, die daarom met enige redactionele aanpassingen wordt gehandhaafd.

 

 

Share This