Artikel 4:71

1. Indien dit bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald, behoeft de subsidie-ontvanger de toestemming van het bestuursorgaan voor:
a. het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon;
b. het wijzigen van de statuten;
c. het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren van registergoederen, indien zij mede zijn verworven door middel van de subsidiegelden, dan wel de lasten daarvoor mede worden bekostigd uit de subsidiegelden;
d. het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen of tot huur, verhuur of pacht daarvan, indien deze goederen geheel of gedeeltelijk zijn verworven door middel van de subsidie dan wel de uitgaven daarvoor mede zijn bekostigd uit de subsidie;
e. het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeenkomsten van geldlening;
f. het aangaan van overeenkomsten waarbij de subsidie-ontvanger zich verbindt tot zekerheidsstelling met inbegrip van zekerheidsstelling voor schulden van derden of waarbij hij zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk maakt;
g. het vormen van fondsen en reserveringen;
h. het vaststellen of wijzigen van tarieven voor door de subsidie-ontvanger in de gewone uitoefening van zijn gesubsidieerde activiteiten te verrichten prestaties;
i. het ontbinden van de rechtspersoon;
j. het doen van aangifte tot zijn faillissement of het aanvragen van zijn surséance van betaling.
2. Het bestuursorgaan beslist binnen vier weken omtrent de toestemming.
3. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd.
4. Paragraaf 4.1.3.3 is van toepassing.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1998 ingevoegd bij wet van 20 juni 1996 Stb. 333 (wetsvoorstel 23 700)

[bron: PG Awb III, p. 269-271]

[Eindtekst] Artikel 4:71 [4.2.8.4.4]
1. Indien dit bij wettelijk voor­schrift of bij de subsi­dieverlening is bepaald, behoeft de subsi­die-ontvanger de toestem­ming van het bestuursor­gaan voor:
a. het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtsper­soon;
b. het wijzigen van de statuten;
c. het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren van registergoederen, indien zij mede zijn verworven door middel van de subsidiegelden, dan wel de lasten daarvoor mede worden bekostigd uit de subsidiegelden;
d. het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen of tot huur, verhuur of pacht daarvan, indien deze goederen geheel of gedeeltelijk zijn verworven door middel van de subsidie dan wel de uitgaven daarvoor mede zijn bekostigd uit de subsidie;
e. het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeen­komsten van geldlening;
f. het aangaan van overeenkomsten waarbij de subsidie-ontvanger zich verbindt tot zekerheidsstelling met inbegrip van zekerheidsstelling voor schulden van derden of waarbij hij zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk maakt;
g. het vormen van fondsen en reserveringen;
h. het vaststellen of wijzigen van tarieven voor door de subsidie-ontvanger in de gewone uitoefening van zijn gesubsi­dieerde activiteiten te verrichten prestaties;
i. het ontbinden van de rechtspersoon;
j. het doen van aangifte tot zijn faillissement of het aanvragen van zijn surséance van beta­ling.
2. Het bestuursorgaan beslist binnen vier weken omtrent de toestem­ming.
3. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd.
4. Indien omtrent de toestemming niet tijdig is beslist, wordt de toestemming geacht te zijn verleend.

VO Dit artikel was in het VO niet opgenomen.

Tekst RvS = VvW, behoudens lid 1 dat in de Tekst RvS luidde: Tenzij bij wettelijk voorschrift of bij de subsidie­verlening anders is bepaald, behoeft de subsidie-ontvanger toestem­ming van het bestuursorgaan voor:
a. het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtsper­soon;
b. het wijzigen van de statuten;
c. het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren van registergoederen, indien zij mede zijn verworven door middel van de subsidie, dan wel de lasten daarvoor mede worden bekostigd uit de subsidie;
d. het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot verkrijging, bevreemding of bezwaring van registergoederen of tot huur, verhuur of pacht daarvan, indien deze goederen geheel of gedeeltelijk zijn verworven door middel van de subsidie dan wel de uitgaven daarvoor mede zijn bekostigd uit de subsidie;
e. het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeen­komsten van geldlening;
f. het aangaan van overeenkomsten waarbij de subsidie-ontvanger zich verbindt tot zekerheidsstelling met inbegrip van zekerheidsstelling voor schulden van derden of waarbij hij zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk maakt;
f. het vormen van fondsen en reserveringen;
g. het vaststellen of wijzigen van tarieven voor door de subsidie-ontvanger in de gewone uitoefening van zijn gesubsi­dieerde activiteiten te verrichten prestaties;
h. het ontbinden van de rechtspersoon;
i. het aanvragen van het eigen faillissement of de eigen al dan niet voorlopige surséance van betaling.

Advies RvS

6.28. Artikel 4.2.8.4.4, eerste lid, schept een ver gaande afhankelijkheid van de subsidie-ontvanger. De Raad onderkent dat het nodig kan zijn deze te binden aan het vragen van toestemming voor handelingen als vermeld onder a tot en met i. Dat zal echter lang niet altijd voor alle opgesomde handelingen nodig zijn. De ministers zien dat in blijkens de aanhef van de bepaling. Die bewerkstelligt immers gelding van de verplichting tenzij bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening anders is bepaald. De Raad is van oordeel dat de geboden soberheid van en terughoudendheid met regelgeving hier doorbroken zijn. Aan de doelstellingen, vermeld in de toelichting kan evenzeer worden voldaan door in artikel 4.2.8.4.4 eerste lid, voor te schrijven dat in de meergenoemde gevallen een vereiste van toestemming geldt indien dit bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald.

Nader rapport

6.28. Het advies van de Raad is gevolgd.

Voorstel van wet

1. Indien dit bij wettelijk voor­schrift of bij de subsi­dieverlening is bepaald, behoeft de subsi­die-ontvanger de toestem­ming van het bestuursor­gaan voor:
a. het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtsper­soon;
b. het wijzigen van de statuten;
c. het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren van registergoederen, indien zij mede zijn verworven door middel van de subsidiegelden, dan wel de lasten daarvoor mede worden bekostigd uit de subsidiegelden;
d. het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot verkrijging, bevreemding of bezwaring van registergoederen of tot huur, verhuur of pacht daarvan, indien deze goederen geheel of gedeeltelijk zijn verworven door middel van de subsidie dan wel de uitgaven daarvoor mede zijn bekostigd uit de subsidie;
e. het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeen­komsten van geldlening;
f. het aangaan van overeenkomsten waarbij de subsidie-ontvanger zich verbindt tot zekerheidsstelling met inbegrip van zekerheidsstelling voor schulden van derden of waarbij hij zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk maakt;
f. [g.] het vormen van fondsen en reserveringen;
g. [h.] het vaststellen of wijzigen van tarieven voor door de subsidie-ontvanger in de gewone uitoefening van zijn gesubsi­dieerde activiteiten te verrichten prestaties;
h. [i.] het ontbinden van de rechtspersoon;
i. [j.] het doen van aangifte tot zijn faillissement of het aanvragen van zijn surséance van beta­ling.
2. Het bestuursorgaan beslist binnen vier weken omtrent de toestem­ming.
3. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd.
4. Indien omtrent de toestemming niet tijdig is beslist, wordt de toestemming geacht te zijn verleend.

Memorie van toelichting

Deze bepaling somt een aantal rechtshandelingen op waarvan het verrichten van invloed kan zijn op de aanwending van subsidiegelden, op de hoogte van later ingediende subsidie-aanvragen, of op de kwaliteit en omvang van de activiteiten. Bij wettelijk voorschrift of bij de subsidie­verlening kan worden bepaald dat de subsidie-ontvanger voor het verrichten van een of meer van deze rechtshandelin­gen toestemming behoeft van het subsidiërende bestuursorgaan.
In verband met de vaak noodzakelijke slagvaardigheid bij de in dit artikel opgesomde rechtshandelingen is in het tweede lid bepaald dat het bestuursorgaan ten hoogste vier weken – met de mogelijkheid van een eenmalige verlenging met vier weken – de tijd heeft om op het verzoek om toestemming te reageren.
Het zal niet altijd in de rede liggen om toestemming te eisen voor de in dit artikel genoemde rechtshandelingen. Indien bijvoor­beeld de activiteiten van de subsidie-ontvanger omvangrijk zijn en zeer veel personele, materiële en financiële middelen vergen, zou de verplich­ting om voor al de in deze bepaling opgesomde handelingen toestemming te vragen een miskenning kunnen betekenen van de bij dergelijke instellingen aanwezige professionaliteit. Ook vanuit de gedachte dat subsidie wordt verleend ter ondersteuning van particulier initiatief, dat niet meer dan nodig is moet worden geconfronteerd met regelgeving, kan er aanlei­ding zijn om bij wettelijk voorschrift of bij de subsidie­verlening deze bepaling, of onderdelen ervan, niet van toepassing te verklaren.
In het bijzonder bij budgetsubsidiëring is het niet vanzelfsprekend dat de subsidie-ontvanger voor (alle) hier opgesomde rechtshandelingen toestemming moet vragen. Het toestemmingsvereiste is er immers vooral op gericht het bestuursorgaan een zekere invloed te geven op de omvang van het met subsidie te bekostigen exploitatietekort.
Er zij op gewezen, dat het ontbreken van de vereiste toestemming slechts gevolgen heeft in de verhouding tussen subsidiegever en subsidie-ontvanger. De werking van de zonder toestemming verrichte rechtshandeling tegenover de wederpartij van de ontvanger wordt niet aangetast. Evenmin behoeft, in het geval genoemd in onderdeel i, de rechtbank na te gaan of de toestemming is verleend.

Nota van wijziging

In artikel 4.2.8.4.4, eerste lid, onderdeel d, wordt «bevreemding» vervangen door: vervreem­ding.

Toelichting NvW
Deze wijzigingen betreffen correcties van misstellingen.

Dit artikel is met ingang van 28 januari 1999 gewijzigd bij wet van 17 februari 1999 Stb.  30 (wetsvoorstel 25 836) (alleen eindtekst opgenomen)

[Eindtekst] In artikel 4:71, eerste lid, onderdeel d, wordt «bekostigigd» vervangen door: bekostigd.

Share This