[Artikel 4:128]

1. Bij wettelijk voorschrift kan worden bepaald dat van de aanvrager een recht van ten hoogste € 500 kan worden geheven voor het in behandeling nemen van de aanvraag.
2. Het in het eerste lid bedoelde wettelijk voorschrift kan voor bestuursorganen van de centrale overheid bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld.

 

Dit artikel is met ingang van […] ingevoegd bij wet van 31 januari 2013, Stb. 2013, 50 (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten; kamerstukken 32 621).
Voorontwerp [4.5.3]

1. Bij wettelijk voorschrift kan worden bepaald dat van de aanvrager een recht van ten hoogste € 500 kan worden geheven.
2. Het in het eerste lid genoemde bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover het consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.

Voorstel van wet

Artikel 4:128
1. Bij wettelijk voorschrift kan worden bepaald dat van de aanvrager een recht van ten hoogste € 500 kan worden geheven voor het in behandeling nemen van de aanvraag.
2. Het in het eerste lid bedoelde wettelijk voorschrift kan voor bestuursorganen van de centrale overheid bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld.

Memorie van toelichting

Op grond van dit artikel kan bij wettelijk voorschrift worden bepaald dat van de indiener van een aanvraag als bedoeld in artikel 4:126 een recht kan worden geheven. Heffing van een recht kan een doeltreffend middel zijn om te voorkomen dat een bestuursorgaan wordt overspoeld met een overvloed aan lichtvaardig ingediende, onvoldoende onderbouwde, aanvragen. De praktijk heeft geleerd dat dit bij grote projecten geen denkbeeldig verschijnsel is. De afhandeling van een dergelijke overvloed aan aanvragen kost het bestuursorgaan (en daarmee de samenleving) onnodig veel tijd en geld. Heffing van een recht kan dan een nuttige functie vervullen. Burgers of ondernemers met een serieuze aanspraak op een vergoeding zullen zich door het recht niet laten weerhouden van indiening van een aanvraag. Bij gehele of gedeeltelijke toewijzing van het verzoek wordt het recht immers terugbetaald.
Overheden zijn niet verplicht om betaling van een recht te verlangen. Overheden die vaak worden geconfronteerd met verzoeken om nadeelcompensatie of daarmee vanwege de realisatie van een groot project in de nabije toekomst rekening moeten houden, zullen eerder gebruik maken van deze mogelijkheid dan overheden waarvoor dat niet geldt.
Het recht kan alleen worden geheven als dat bij wettelijk voorschrift is bepaald. Het houdt in dat de heffing van het recht moet zijn neergelegd in een voorschrift, gesteld door een orgaan dat op grond van zijn regelgevende bevoegdheid wettelijke voorschriften kan vaststellen. Voor decentrale overheden betekent dit dat zij de heffing van een recht in hun respectievelijke verordeningen kunnen regelen. Voor bestuursorganen van de centrale overheid wordt in het tweede lid een grondslag geboden om dit bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te doen. Het ligt in de bedoeling om bij algemene maatregel van bestuur voor de rijksoverheid één uniform tarief vast te stellen.
De hoogte van het recht is gebonden aan een maximum van € 500. Dit bedrag sluit goed aan bij de bestaande regeling voor planschade in de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 6.4, derde lid, bepaalt dat burgemeester en wethouders van de aanvrager een recht heffen ten bedrage van € 300, welk bedrag bij verordening van de gemeenteraad met ten hoogste twee derde deel kan worden verhoogd of verlaagd. Het daaruit voortvloeiende maximale recht bedraagt derhalve ook € 500.
De aanvrager krijgt het betaalde bedrag terug indien een vergoeding wordt toegewezen (zie artikel 4:129 aanhef en onder c). Laat de aanvrager na de heffing tijdig te voldoen, dan kan het bestuursorgaan de aanvraag op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, Awb buiten behandeling laten. Ingevolge het vierde lid van dat artikel moet een dergelijk besluit aan de aanvrager worden bekendgemaakt binnen vier weken nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Gewijzigd voorstel van wet                      

Artikel 4:128
1. Bij wettelijk voorschrift kan worden bepaald dat van de aanvrager een recht van ten hoogste € 500 kan worden geheven voor het in behandeling nemen van de aanvraag.
2. Het in het eerste lid bedoelde wettelijk voorschrift kan voor bestuursorganen van de centrale overheid bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld.

Voorlopig verslag I

Ook stellen de leden van de CDA-fractie dat artikel 4:128 lid 1 Awb voorziet in de mogelijkheid tot vaststelling van een griffierecht van maximaal 500,00 euro bij wettelijk voorschrift – dus niet bij wet in formele zin. Blijkens de toelichting heeft de regering zich bij de vaststelling van het maximumbedrag aangesloten bij regelgeving op dit gebied met betrekking tot procedures bij de gewone rechterlijke macht. Deze leden zijn van mening dat, gelet op de aard van de procedure, namelijk gericht tegen besluiten dan wel feitelijke handelingen van de overheid, de toegang tot de rechter laagdrempelig behoort te zijn en te blijven. Zij kunnen een beperkt griffierecht echter billijken ter voorkoming van lichtvaardige en nodeloze aanvragen tot schadevergoeding, maar vinden 500,00 euro wel erg hoog. Waarom, zo vragen deze leden, is met betrekking tot de tarifering van de griffierechten niet aangesloten bij artikel 8:41 lid 2 Wet aanpassing bestuursprocesrecht? Vindt de regering ook niet dat uit het oogpunt van toegankelijkheid tot een onafhankelijke rechter, zeker waar het procedures tegen de overheid betreft, slechts een beperkt griffierecht behoort te worden geheven en aansluiting bij de tarifering als bedoeld in de Wet aanpassing bestuursprocesrecht de voorkeur zou behoren te verdienen?
[32 621, B, p. 3]

Memorie van antwoord I

Voorts vragen de leden van de CDA-fractie of uit een oogpunt van toegankelijkheid tot een onafhankelijke rechter met betrekking tot de tarifering van het recht bedoeld in artikel 4:128, eerste lid, Awb niet had behoren te worden aangesloten bij de tarifering in artikel 8:41, tweede lid, Awb.

Vooropgesteld zij dat artikel 4:128, eerste lid, Awb geen betrekking heeft op de toegang tot de bestuursrechter maar een mogelijkheid bevat voor bestuursorganen om een recht te heffen van aanvragers van nadeelcompensatie. Het gaat dus niet om griffierecht maar om leges. De overheid is uitsluitend onder bijzondere omstandigheden verplicht tot vergoeding van een deel van door rechtmatig overheidshandelen veroorzaakte schade. De mogelijkheid die artikel 4:128 biedt, is geïntroduceerd omdat zij een nuttige functie kan vervullen in het voorkomen van al te lichtvaardig ingediende of onvoldoende onderbouwde nadeelcompensatieverzoeken. De praktijk heeft geleerd dat dit bij grote projecten niet denkbeeldig is.[1] De afhandeling van een dergelijke overvloed aan aanvragen kost het bestuursorgaan – en daarmee de samenleving – onnodig veel tijd en geld.

Hieraan kan worden toegevoegd dat bestuursorganen niet verplicht zijn een recht te vragen voor het in behandeling nemen van een aanvraag om nadeelcompensatie. Overheden die vaak worden geconfronteerd met verzoeken om nadeelcompensatie of daarmee vanwege de realisatie van een groot project in de nabije toekomst rekening moeten houden, zullen eerder gebruik maken van deze mogelijkheid dan overheden waarvoor dat niet geldt. Voorts wordt het betaalde recht aan de indiener terugbetaald indien het bestuursorgaan nadeelcompensatie toekent. Dit volgt uit artikel 4:129, aanhef en onder c, Awb. Burgers en ondernemingen met een serieuze aanspraak op een vergoeding zullen zich door het recht dus niet hoeven te laten weerhouden van de indiening van een aanvraag. Artikel 4:128 kadert de mogelijkheid tot het heffen van een recht op twee manieren in. In de eerste plaats moet bij of krachtens wettelijk voorschrift worden bepaald dat een recht wordt geheven. Als er geen wettelijk voorschrift tot stand wordt gebracht, kan er dus ook geen recht worden geheven. In de tweede plaats is de hoogte van het recht gemaximeerd op € 500. Overheden kunnen er dus voor kiezen in hun wettelijk voorschrift een lager bedrag op te nemen.[2] Het maximumbedrag in artikel 4:128, eerste lid, Awb is gekozen omdat het aansluit bij de regeling voor planschade in artikel 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 6.4, derde lid, bepaalt dat burgemeester en wethouders van de aanvrager een recht heffen ten bedrage van € 300, welk bedrag bij verordening van de gemeenteraad met ten hoogste twee derde deel kan worden verhoogd of verlaagd. Ook in het huidige planschaderecht bedraagt het recht dus maximaal € 500.
[32 621, C, p. 3-4]

Handelingen I, nr. 15, item 2

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):
[…]
Een woord nog over het heffen van rechten. In de memorie van antwoord stelt de minister terecht dat ik ten onrechte sprak over griffierechten, maar ik bedoelde leges. In de memorie van toelichting stelt de minister dat is aangesloten bij de regelgeving op dit gebied met betrekking tot aanvragen voor planschade in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Ik constateer dat de minister in artikel 4:128, in tegenstelling tot hetgeen hij beweert, geen aansluiting zoekt bij artikel 6.4 wet RO. Daarin staat namelijk dat B en W een recht mogen heffen van € 300,dat door een geheel andere instantie, namelijk de gemeenteraad, eventueel verhoogd of verlaagd kan worden met twee derde van dat bedrag. In de praktijk wordtin verreweg de meeste gemeenten een recht geheven van€ 300 voor een verzoek om planschade. In artikel 4:128wordt het heffen van rechten gesteld op € 500, weliswaar maximaal, maar dat bedrag wordt genoemd. In de ogen van onze fractie is dit veel te hoog. Dit bedrag is destijds weliswaar door de Raad voor de Rechtspraak gesuggereerd toen de problematiek van de eventueel kostendekkende griffierechten aan de orde waren. Maar dat wetsvoorstel is inmiddels, en niet zonder reden, ingetrokken. Mijn fractie heeft zich daar altijd tegen verzet. Nu blijkende tarieven via een achterdeur toch weer te worden opgelegd, zij het niet als griffierechten, maar als leges. Uiteraard is onze fractie het er van harte mee eens dat ongemotiveerde, lichtvaardig ingediende aanvragen zo veelmogelijk moeten worden geweerd. Dit is thans echter voldoende gewaarborgd door de concretisering van de criteria van artikel 4:126, en die zijn niet gering, en door het heffen van een recht van € 300.
Mijn fractie is bevreesd dat in de praktijk zowel de lagere overheden als de centrale overheid het bedrag van€ 500 niet als maximum, maar als uitgangspunt zullen nemen, omdat dit bedrag nu eenmaal genoemd staat in het artikel. In de praktijk komt dat dan neer op een verhoging met tweederde van het bedrag dat thans betaald wordt voor een aanvraag tot planschade. De minister kan onze vrees wegnemen door te handelen naar de “geest van het wetsvoorstel”. Is hij bereid om toe te zeggen dat het ene bij of krachtens AMvB vast te stellen uniforme tarief voorde rijksoverheid zal worden bepaald op € 300, hetzelfde bedrag dus als thans gebruikelijk is voor aanvragen voorplanschade? Is hij tevens bereid om toe te zeggen dat hij schriftelijk bij de decentrale overheden ervoor zal pleiten dat ze eveneens dit tarief toepassen voor aanvragen, zowel voor nadeelcompensatie als voor planschade? Graag wacht ik het antwoord van de minister op beide vragen af.
[…]

Handelingen I, nr. 15, item 6

Minister Opstelten:
[…]
Ik kom te spreken over de vragen van mevrouw Lokin: de € 300 en vervolgens de € 500. Ik kijk eerst naar wat de rijksoverheid doet. De in artikel 4:128 bedoelde AMvB moet nog worden opgesteld. Mevrouw Lokin zei:bepaal het nu maar op € 300. De AMvB moet nog worden opgesteld, laat staan dat ik de inhoud al in het kabinet heb kunnen bespreken, bijvoorbeeld met de collega van I&M die over Rijkswaterstaat gaat. Het is nu nog te vroeg voor een uitspraak over de hoogte van het landelijk tarief. Artikel 4:128 geeft de bevoegdheid om het tarief te rekenen, maar het is geen verplichting. Dat is het kernpunt. Het voorgestelde artikel 4:128 is gunstiger voor de burger dan de huidige Wet ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld, want voor planschade verplicht de huidige wet tot het rekenen van een tarief van minimaal € 100, namelijk€ 300 min tweederde. Het is zo dat je tweederde naar boven kunt – dan kom je op € 500 uit – en tweederde naar beneden, dan kom je op € 100 uit. Ik ben van mening dat het bevoegde bestuursorgaan het beste zelf kan beoordelen welk bedrag nodig is, uiteraard binnen het wettelijk maximum van € 500, dat gelijk is aan het huidige wettelijke maximum voor planschade. Er zijn nu gemeenten,zoals de gemeente Westland, die voor planschade een tarief van € 100 rekenen, als de aanvrager een laag inkomenheeft. Ik wil het dus gewoon overlaten aan de decentrale overheden, die zelfstandig kunnen variëren van € 0 tot€ 500 en niet zo ingewikkeld hoeven te doen als in de Wetruimtelijke ordening is geregeld voor de planschade. Ik  moet eerlijk zeggen dat dit een betere regeling is dan de daarvoor geldende regeling.
De heer Ruers en mevrouw Lokin hebben duidelijke betogen gehouden over de grondslag van de nadeelcompensatie. Ik zou willen vragen aan professor Scheltema om daarop in te gaan in zijn betoog aan de Kamer in eerste instantie.

 

 


[1] Zie bijv. J.R.C. Tieman en H.H.C. Krans, Nogmaals nadeelcompensatie. Het Voorontwerp nadeelcompensatie bezien vanuit overheidsperspectief, NTB 2010, p. 82.
[2] Bijv. art. 9, vierde lid, Algemene verordening nadeelcompensatie van de gemeente Amsterdam en art. 12, vijfde lid, Verordening lage erfbrug van de gemeente Rotterdam. In deze verordeningen is het recht vastgesteld op € 300.

Share This