Artikel 5:12

1. Bij de uitoefening van zijn taak draagt een toezichthouder een legitimatiebewijs bij zich, dat is uitgegeven door het bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is.
2. Een toezichthouder toont zijn legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds.
3. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de toezichthouder en vermeldt in ieder geval diens naam en hoedanigheid. Het model van het legitimatiebewijs wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie.

 

Dit artikel is, met uitzondering van het derde lid, 2e volzin,met ingang van 1 januari 1998 ingevoerd bij wet van 20 juni 1996 Stb. 333 (wetsvoorstel 23 700). Het derde lid, 2e volzin, is met ingang van 1 januari 2001 bij besluit van 11 december 1997, 581 in werking getreden.

[bron: PG Awb III, p. 337]

VO = VvW, behoudens lid 2 dat in het VO luidde: Onverminderd artikel 1, eerste en tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden (Stb. …., …) toont hij zijn legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds, tenzij het met het toezicht beoogde doel daardoor niet zou worden bereikt. In dat laatste geval toont hij zijn legitimatiebewijs zodra dat redelijker­wijs mogelijk is.

Tekst RvS = VvW, behoudens lid 2 dat in de Tekst RvS luidde: Onverminderd artikel 1, eerste en tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden toont hij zijn legitimatiebe­wijs desgevraagd aanstonds.

Advies RvS

8.5. De aanhef van artikel 5.1.2, tweede lid, «Onverminderd … »), is naar de toelichting op het artikel vermeldt duidelijkheidshalve opgenomen. De Raad merkt op dat opneming geschiedt in afwijking van wat gebruikelijk is in andere gevallen waarin een bijzondere wet zal blijven afwijken van de Awb. De aangewezen weg lijkt de Raad in dit geval, in de kamerstukken over het wetsvoorstel voor een Algemene wet op het binnentreden of in de toelichting op de aanpassingswetgeving die uit de invoering van de derde tranche zal voortvloeien te motiveren waarom de Algemene wet op het binnentreden op dit punt niet met de Awb in overeenstemming wordt gebracht. Overigens blijkt die motivering ook reeds uit de nu voorliggende toelichting op hoofdstuk 5.

Nader rapport

8.5. De opmerking van de Raad heeft ons aanleiding gegeven de zinsnede «Onvermin­derd artikel 1, eerste en tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden» in artikel 5.1.2, tweede lid, te schrappen. In de toelichting bij artikel 5.1.2 is ingegaan op de verhouding tussen beide artikelen.

VvW = Eindtekst [5.1.2]

Memorie van toelichting

Een verplichting tot legitimatie door toezichthouders treft men ook thans reeds aan in een aantal bijzondere, met name meer recente, wetten. Een voorbeeld is artikel 15 van de Wet structurele sanering binnen­vaart. Voorts moet worden gewezen op artikel 1, eerste lid, van het wetsvoorstel Algemene wet op het binnentreden (Kamerstukken I 1993/94, 19 073, nr. 259), dat deze verplich­ting aan onder andere toezicht­houders oplegt waar het binnentreden in woningen betreft. Anders dan bij het binnen­treden in woningen het geval is, geldt de in artikel 5.1.2 neergeleg­de legitima­tieplicht alleen indien het tonen van het legitimatiebewijs wordt verzocht. De aard van de toezichthoudende werkzaamheden brengt met zich mee dat het telkens ongevraagd moeten tonen van het legitimatiebe­wijs geen redelijk doel dient. Veelal zal de toezichthouder immers reeds bekend zijn bij degene ten aanzien van wie toezicht wordt uitgeoefend of zal de toezichthouder zijn bezoek reeds tevoren hebben aangekondigd.
Het bovenstaande betekent dat de stringentere regeling van de Algemene wet op het binnentreden – verplichting tot legitimatie ook ongevraagd indien het gaat om het binnentreden in een woning – geldt in aanvulling op de algemene regeling in de Algemene wet bestuursrecht. Dit geldt ook voor de in artikel 1, tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden gemaakte uitzonderingen op de verplichting om zich bij het binnentreden in een woning te legitimeren.
Ten einde de herkenbaarheid van toezichthouders te bevor­de­ren, zal door de Minister van Justitie een model van een legitimatiebewijs worden vastgesteld. In het eerste lid van artikel 5.1.2 is bepaald dat de uitgifte van het legitimatiebewijs geschiedt door het bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is. In redactioneel opzicht is hier aangesloten bij de artikelen 3:5 en 7:13, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht. Ingevolge het derde lid van artikel 5.1.2 bevat het legitimatiebewijs een foto en vermeldt het in ieder geval naam en hoedanigheid van de toezicht­houder. Daarbij is aansluiting gezocht bij het soortgelijke voorschrift in artikel 1, derde lid, van de Algemene wet op het binnentreden.

Verslag II

6.45 In de toelichting is vermeld dat de Minister van Justitie een model van een legitimatiebewijs voor toezichthouders zal vaststellen. De leden van de D66-fractie vragen of er al een concept-legitimatiebewijs voorhanden is en bovenal of de regering ervoor zorg zal dragen dat dit bewijs bij inwerkingtreding van deze wet beschikbaar is.

Nota naar aanleiding van het verslag II

6.45 Op dit moment is een concept-legitimatiebewijs nog niet voorhanden. Wij zullen bevorderen dat het legitimatiebewijs tijdig beschikbaar is.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd bij wet van 12 juli 2012, Stb. 2012, 316 (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012) (alleen eindtekst opgenomen)

[Eindtekst] In de artikelen 5:12, derde lid, en 5:19, vijfde lid, wordt «Onze Minister van Justitie» telkens vervangen door: Onze Minister van Veiligheid en Justitie.

Share This