Artikel 5:15

1. Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner.
2. Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm.
3. Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1998 ingevoerd bij wet van 20 juni 1996 Stb. 333 (wetsvoorstel 23 700)

[bron: PG Awb III, p. 342-344]

VO = VvW, behoudens lid 1 dat in het VO luidde: Een toezichthouder is bevoegd elke plaats met uitzon­de­ring van een woning zonder toestemming van de bewoner te betreden.

Tekst RvS = VvW, behoudens lid 1 dat in de Tekst RvS luidde: Een toezichthouder is bevoegd elke plaats te betreden met uitzon­de­ring van een woning zonder toestemming van de bewoner.

Advies RvS

8.6.1. De toelichting op artikel 5.1.5 gaat in op de verhouding tussen dat artikel en artikel 12 van het voorstel voor de Algemene wet op het binnentreden. De Raad adviseert, in die toelichting aan te kondigen dat het daar gestelde ook in de kamerstukken over dat wetsvoorstel dan wel in de toelichting op de wetgeving ter aanpassing van wetten aan de derde tranche tot uitdrukking zal worden gebracht.
8.6.2. In artikel 5.1.5 is, aldus de toelichting, niet (meer) geregeld dat toezichthouders plaatsen kunnen betreden «met hun apparatuur», aangezien het vanzelfsprekend moet worden geacht dat toezichthouders de voor bijvoorbeeld het nemen van monsters benodigde apparatuur mee kunnen nemen. Bij het college is de vraag gerezen of dit in alle gevallen vanzelf spreekt of door de betrokken burger voor vanzelfspre­kend zal worden gehouden, met name wanneer de apparatuur groot van omvang is en bijvoorbeeld uit een grondboorvoertuig bestaat. Het college adviseert, het achterwege laten van een regeling voor het meenemen van apparatuur opnieuw te overwegen.
8.6.3. Krachtens artikel 5.1.5, derde lid, zal de toezichthouder bevoegd zijn zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen. De toelichting geeft voorbeelden die aanspreken. De Raad acht het voorschrift in zijn huidige vorm echter te bezwarend wegens de onbepaaldheid ervan en dringt erop aan, de bevoegdheid in het derde lid te betrekken op daarin te vermelden categorieën van metgezellen.

Nader rapport

8.6.1. Wij zeggen toe dat in de toelich­ting op de aanpassingswetgeving aandacht zal worden geschonken aan de aanbeveling van de Raad om bij die gelegenheid nogmaals in te gaan de verhouding tussen artikel 5.1.5 Awb en artikel 12 van de Algemene wet op het binnentreden.
8.6.2. Het advies van de Raad heeft aanleiding gegeven om zekerheids­halve alsnog uitdrukkelijk te bepalen dat toezichthouders ook bevoegd zijn tot medeneming van de benodigde apparatuur.
8.6.3. Van geval tot geval en per wettelijk voorschrift waarop het toezicht betrekking heeft, kan het sterk verschillen welke categorieën van personen de toezichthouder vergezellen. Het is daarom niet goed mogelijk aan het advies van de Raad tegemoet te komen door een nauw­keurige omschrijving te geven van de personen die daartoe kunnen worden aangewezen. Dit blijkt zelfs in de tot nu toe bestaande wetge­ving waarin deze bevoegdheid is opgeno­men – en die dus steeds betrek­king heeft op een specifiek onderwerp – niet te (kunnen) gebeuren. Wel geldt ingevol­ge artikel 5.1.3 dat uitsluitend die personen mogen worden meegenomen die redelijkerwijs nodig zijn voor een goede taakvervulling door de toezichthouder. Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad is daarop in de memorie van toelichting nog uitdrukke­lijk gewezen.

VvW = Eindtekst [5.1.5]

Memorie van toelichting 

Artikel 5.1.5 verschaft de bevoegdheid tot het betreden van plaatsen. Onder «plaatsen» kunnen niet alleen erven en andere terreinen worden begre­pen, maar ook gebouwen en woningen. Een uitzondering geldt voor het binnen­treden in een woning zonder toestem­ming van de bewoner. Uitgangspunt is namelijk dat deze bevoegdheid in het kader van toezicht slechts in uitzon­deringsge­vallen dient te bestaan (zie hierover ook de uiteenzetting in paragraaf 2 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de binnen­tredingsbepalingen (Kamerstukken II 1991/92, 22 539, nr. 3, blz. 3/4)). Voor de bevoegdheid om een woning zonder toestemming van de bewoner binnen te treden zal steeds – inge­volge artikel 12, eerste lid, van de Grondwet – een grond­slag moeten bestaan in een bijzonde­re wet. Dit betekent dat in de Algemene wet be­stuursrecht slechts in algemene zin de toegang wordt verzekerd tot be­drijfs­panden, bedrijfsterrei­nen en dergelij­ke, ook zonder toestemming van de rechthebben­de, en tot woningen voor zover het binnentre­den niet zonder de toe­stemming van de bewoner geschiedt. Wat deze laatste categorie betreft, gelden de procedureregels van artikel 1 van de Algemene wet op het binnentreden.
Wat betreft de redactie van dit artikel is aanslui­ting gezocht bij de Algemene wet op het binnentreden en de aanpas­singswetgeving daarbij. In dit ver­band zij nog gewezen op artikel 12 van de Algemene wet op het binnen­treden. Dat artikel heeft betrek­king op het betreden van enkele bijzondere plaat­sen, te weten vergader­ruim­ten van algemeen vertegen­woordi­gende organen, plaatsen waar godsdienstoefe­ningen of bezinningssamen­komsten van le­vensbe­schouwelij­ke aard worden gehouden en ruimten waarin terechtzit­tingen worden gehouden. Gedurende de tijden dat deze ruimten als zodanig in gebruik zijn, is het binnentreden van die plaatsen ingevolge artikel 12 van de Algemene wet op het binnentre­den slechts in zeer beperkte mate toege­staan. Het eerste lid van artikel 5.1.5 beoogt vanzelfsprekend niet om deze beperking de doorbreken.
De bevoegdheid tot het betreden van plaatsen houdt niet het «doorzoe­ken» van die plaatsen in. De Algemene wet bestuursrecht geeft toezichthou­ders dus niet de bevoegd­heid om willekeurig kasten, laden en andere bergplaatsen te openen. In gevallen waarin die bevoegdheid desalniettemin noodzakelijk is, dient deze te worden verschaft door de bijzondere wetge­ver. Wij verwijzen daarvoor naar hetgeen daarover in de inleiding op deze artikelsgewijze toelichting is vermeld. Indien het betrokken toezicht daarop specifiek betrekking heeft, is het overigens wel mogelijk dat bijvoorbeeld een kast en de inventaris zelf voorwerp zijn van onderzoek in de zin van artikel 5.1.8. Zo zal in het kader van het toezicht op de naleving van de Warenwetgeving in de keuken van een restaurant de hygiëni­sche staat van keukenkasten en daarin aanwezig keukengerei kunnen worden onderzocht.
In een aantal gevallen is in de bijzondere wetgeving uit­drukkelijk geregeld dat toezichthouders plaatsen kunnen betre­den «met hun apparatuur». Bijvoorbeeld kan worden gewezen op artikel 18.5, derde lid, van de Wet milieubeheer en op artikel 31d van de Vleeskeuringswet. Deze toevoeging is in artikel 5.1.5 overgenomen om volledig zeker te stellen dat toezichthouders die de desbe­treffen­de plaatsen betreden ten einde aldaar bijvoorbeeld zaken te onder­zoeken of monsters te nemen (vgl. artikel 5.1.­8), de daarvoor benodig­de apparatuur mee kunnen nemen, ook als die appara­tuur groot van omvang is. Overigens is ook de bevoegdheid tot medeneming van apparatuur vanzelfspre­kend onderworpen aan het in artikel 5.1.3 neergelegde evenredig­heidsbegin­sel.
Het derde lid van artikel 5.1.5 maakt het mogelijk dat een toezicht­hou­der zich bijvoorbeeld laat vergezellen door tech­nisch deskundigen. De vergezellende personen kunnen ook deskundigen zijn die ter uitvoering van de bevoegdheden van de toezichthouder hun deskundigheid kunnen aanwen­den. Men denke bijvoorbeeld aan deskundigen op het gebied van het nemen van monsters. Voorts maakt deze bepaling het mogelijk dat nationale toezicht­hou­ders worden vergezeld door EG-ambtenaren aan wie in een EG-regeling is opgedragen toe te zien op de toepassing en handhaving van die regeling. Deze bevoegdheid tot «controle op controle» houdt dus niet het recht in om zelf rechtstreeks toezicht uit te oefenen op burgers en bedrijven. Met nadruk zij er ten slotte op gewezen dat uit deze bepaling niet voort­vloeit dat ook aan de personen die de toezicht­houder vergezellen, de bevoegdheden toekomen die aan de toezichthou­der zijn toegekend. Bovendien mogen ingevol­ge artikel 5.1.3 geen andere personen worden meegenomen dan redelijkerwijs voor het uitvoeren van de taak door de toezichthouder nodig zijn.

Verslag II

6.51 De leden van de PvdA-fractie vragen de regering hoe de zogenaamde huis­bezoeken in de sfeer van het toezicht op de naleving van de voorschriften op grond van de Abw moe­ten worden beoordeeld. Acht de regering het met de Afdeling geschillen van bestuur van de Raad van State toegelaten dat uit de medewerkingsplicht de verplichting ­voortvloeit een toezichthouder in de woning toe te laten, hem eventueel te laten rondkij­ken en wellicht ook om hem deze woning te laten doorzoeken? Acht de regering het – gelet op de kennelijke wens om over een dergelijke bevoegdheid te beschikken – niet aangewezen een dergelijke bevoegdheid uitdrukkelijk in de Awb op te nemen? Acht de regering het – gelet op het uitzonderlijke karakter van de bevoegdheid – niet wenselijk om in de Algemene wet be­stuursrecht op te nemen dat de toezichthouder niet bevoegd is woningen te betreden, tenzij bij wet in formele zin anders is bepaald?

Nota naar aanleiding van het verslag II

6.51 Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de (hui­dige) Algemene Bijstandswet strekt het on­derzoek dat aan een beslissing inzake de verle­ning van bijstand voorafgaat, zich niet verder uit dan tot datgene, wat van belang is voor de verlening van bijstand. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is de per­soon te wiens behoeve bijstand is gevraagd of wordt ver­leend, verplicht om van al datgene wat van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting van verleende bijstand mede­deling te doen, zo mogelijk onder over­leg­ging van bewijsstukken. Naar het oordeel van de Afde­ling voor de geschillen van be­stuur van de Raad van State is het in het algemeen niet in strijd met arti­kel 30 ABW te achten, dat medewer­king wordt gevraagd om een huisbe­zoek af te leggen teneinde de woon- en leef­situatie te beoorde­len (Afd. geschillen 5 februari 1992, AB 1992, 397). Van een bevoegdheid om een woning te «doorzoe­ken» is hier overigens geen sprake. Blijkens deze uitspraak kon de Gemeen­telijke Sociale Di­enst i.c. een huis­bezoek verlan­gen gelet op het karak­ter van een onderzoek naar de woon- en leefsituatie en mede in aanmer­king geno­men dat betrok­kene andere relevan­te omstan­dighe­den niet uit eigen beweging had doorge­geven aan de dienst. De door de Afde­ling geschil­len uit artikel 30, tweede lid, ABW afgeleide mede­werkings­plicht heeft slechts betrekking op onderzoek naar de woon- en leefsituatie in het kader van de ABW; de uitspraak van de Afdeling be­perkt zich dus tot een uitleg van de reikwijd­te van artikel 30 ABW. Daar­bij zij er overi­gens op gewezen dat artikel 30 ABW meer omvat dan alleen toe­zicht op de naleving. Gelet op het voren­gaande, kan en mag uit de uit­spraak van de Afde­ling ge­schil­len niet wor­den afge­leid dat in het kader van toezicht op de nale­ving gere­gelde onderzoeksbevoegdheden of medewerkingsplichten, zoals thans voor­zien in artikel 5.1.8 en 5.­1.10 Awb, de bevoegd­heid inhou­den om een woning binnen te treden zonder de toe­stem­ming van de bewo­ner. Wat afdeling 5.1 Awb betreft, blijkt overigens reeds uit artikel 5.1.5, eerste lid, dat deze opvat­ting niet als juist kan worden aanvaard. Het toekennen van een dergelijke bevoegd­heid achten wij een zaak van de bijzondere wetgever.
Evenmin achten wij het wenselijk om in de Awb een «doorzoekingsbevoegdheid» op te nemen. Dit is een dermate ingrijpende be­voegdheid, dat deze niet als algemene be­voegdheid in de Awb kan wor­den geregeld. In voor­komende geval­len is het aan de bij­zondere wetgever om, als daarvoor zwaar­wegende redenen zijn, een der­gelijke be­voegdheid toe te kennen. Wij wij­zen in dit verband op hetgeen in de MvT op p. 137[1] is betoogd ten aanzien van de be­voegdheid om kasten, laden en andere berg­plaatsen te ope­nen.
De door de leden van de PvdA-frac­tie ge­wenste regel dat een toezichthouder niet bevoegd is woningen binnen te treden, tenzij bij wet in formele zin anders is bepaald, vloeit reeds voort uit het voorgestelde artikel 5.1.5, eerste lid, in samenhang met de Alge­mene wet op het binnentreden. Deze regeling beperkt zich, overeenkomstig artikel 12, eerste lid, van de Grondwet, tot het binnen­tre­den zon­der toestemming van de bewoner. Wij mogen deze leden verder verwijzen naar de eerste alinea van de toelichting op dit artikel (MvT p. 143).[2]
 


[1] Zie PG Awb III, p. 330.
[2] Zie PG Awb III, p. 343.

 

 

 

Share This