Artikel 5:19

1. Een toezichthouder is bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft.
2. Hij is bevoegd vervoermiddelen waarmee naar zijn redelijk oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft, op hun lading te onderzoeken.
3. Hij is bevoegd van de bestuurder van een vervoermiddel inzage te vorderen van de wettelijk voorgeschreven bescheiden met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft.
4. Hij is bevoegd met het oog op de uitoefening van deze bevoegdheden van de bestuurder van een voertuig of van de schipper van een vaartuig te vorderen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hem aangewezen plaats overbrengt.
5. Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt bepaald op welke wijze de vordering tot stilhouden wordt gedaan.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1998 ingevoerd bij wet van 20 juni 1996 Stb. 333 (wetsvoorstel 23 700)

[bron: PG Awb III, p. 350-351]

VO = VvW, behoudens lid 3 dat in het VO luidde: Hij is bevoegd van de bestuurder van een vervoermiddel inzage te verlangen van de wettelijk voorgeschreven bescheiden met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft.

Tekst RvS = VvW

VvW = Eindtekst [5.1.9]

Memorie van toelichting 

Het eerste respectievelijk tweede lid bevatten de be­voegd­heid tot onderzoek van vervoermiddelen respectievelijk de lading daarvan. Als zodanig gaat het hier om een specifieke bevoegdheid ten opzichte van de in artikel 5.1.8 vermelde bevoegdheid tot het onderzoeken van zaken. Een specifieke regeling is noodzakelijk, omdat deze relatief vergaande be­voegd­heid met meer uitdrukkelijke waarborgen dient te worden omringd. Uitdrukke­lijk is bepaald dat slechts vervoer­middelen met betrekking waartoe de toe­zichthouder een toezichthoudende taak heeft object van onderzoek kunnen zijn. De lading mag slechts worden onderzocht als met het vervoermiddel «naar zijn redelijk oordeel» zaken worden vervoerd met betrekking waartoe de toezichthouder een toezichthoudende taak heeft. Op deze wijze is een expliciete uitwerking gegeven aan het in artikel 5.1.3 neergelegde evenre­digheidsbeginsel. Er zij nog op gewezen dat de hier geregelde bevoegdheid zich niet beperkt tot situaties waarbij steeds de bestuurder of een andere betrokkene in of bij het vervoermiddel verkeert. Ook indien het vervoermid­del in onbeheerde staat wordt aangetroffen, kan de bevoegdheid worden uitgeoefend. Wel brengt artikel 5.1.3 met zich mee dat dan eerst pogingen in het werk gesteld moeten worden om de beheerder van het vervoermiddel op te sporen.
In de meeste gevallen zal het onderzoek door de toezicht­hou­der zich toespitsen op de lading van het betrokken vervoer­mid­del. In een aantal gevallen kan het evenwel ook noodzake­lijk zijn het vervoermiddel zelf aan een onderzoek te onder­werpen. Dit is het geval indien het toezicht betrek­king heeft op naleving van voorschriften waaruit voortvloeit dat het ver­voermiddel zelf aan bepaalde eisen moet voldoen. Hiervan is bijvoor­beeld sprake in de Diergeneesmid­delenwet (vgl. artikel 54, onder c) en de Wet personenver­voer (vgl. artikel 83, derde lid). Ook is het soms noodzakelijk om met de aard van de lading verband houdende hulpmidde­len te onderzoeken, die deel uitmaken van het ver­voermiddel (vgl. artikel 27, eerste lid, van de Warenwet). De bevoegdheid tot onderzoek van het vervoermiddel zelf maakt dit in beginsel mogelijk.
Het derde lid heeft betrekking op gevallen waarin toe­zicht­houders bijvoorbeeld dienen toe te zien of bestuurders in het bezit zijn van vervoersbewijzen, taxivergunningen e.d. Het moet gaan om wettelijk voorge­schreven bescheiden.
Als het toezicht op een andere wijze dan door stilhouding en/of over­brenging even doelmatig kan worden uitgeoefend, vloeit uit het beginsel van subsidiariteit, dat mede besloten ligt in artikel 5.1.3, voort dat de relatief vergaande be­voegdheden opgenomen in het vierde lid, niet worden uitgeoe­fend. Zo zal het belang van uitoefenen van steekproefgewijs toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften niet het ophouden van onderweg zijnde bestuurders rechtvaardigen, indien het benodigde toezicht even zo goed of zelfs beter op andere wijze kan worden uitgeoefend. Een uitdrukkelijke bepa­ling ter zake, zoals thans bijvoorbeeld nog is opgenomen in artikel 16, tweede lid, van de Tabakswet is niet noodzake­lijk in het licht van de hiervoor aan artikel 5.1.3 gegeven uitleg.
In enkele bijzondere wetten is een delegatiebepaling opgeno­men die ertoe strekt dat door de betrokken minister met mede­betrokkenheid van de Minister van Justitie regels (kunnen) worden gesteld over de wijze waarop vorderin­gen tot stilhou­den moeten worden gedaan. Als voorbeelden kunnen worden genoemd de artikelen 16, derde lid, van de Warenwet, 27, derde lid, van de Tabaks­wet, en 83, vierde lid, van de Wet personenvervoer. In het vijfde lid van artikel 5.1.9 wordt thans een wettelijke grondslag geschapen voor één uniforme ministeriële regeling op dit punt. Daarbij zal aanslui­ting worden gezocht bij de thans bestaande regelingen.
Er zij nog op gewezen dat de term «ver­voermiddel» in dit artikel niet slechts voertuigen omvat, maar ook vaar- en luchtvaartuigen. Om voor de hand liggende redenen is met betrekking tot het doen stilhouden van vervoermiddelen (vierde lid) een uitzondering gemaakt voor luchtvaartuigen.

Handelingen II

De voorzitter (p. 3782): Artikel 5.1.9 wordt zonder stemming aangenomen.

Voorlopig verslag I

Artikel 5.1.9 in combinatie met het wetsvoorstel tot herziening van het gerechtelijk vooronderzoek, had bij deze leden de vraag opgeroepen of met de term «onderzoeken» in het tweede lid ook bedoeld is het «doorzoeken» van vervoermidde­len. En moet een vervoermiddel niet, conform eerdergenoemd wetsvoorstel, als een plaats in plaats van als een zaak worden beschouwd?

Memorie van antwoord I

Zie Memorie van antwoord I bij artikel 5:18.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd bij wet van 12 juli 2012, Stb. 2012, 316 (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012) (alleen eindtekst opgenomen)

[Eindtekst] In de artikelen 5:12, derde lid, en 5:19, vijfde lid, wordt «Onze Minister van Justitie» telkens vervangen door: Onze Minister van Veiligheid en Justitie.

Share This