Artikel 5:27

1. Om bestuursdwang toe te passen, hebben door het bestuursorgaan aangewezen personen toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
2. Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast bevoegd tot het geven van een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden.
3. Een plaats die niet bij de overtreding is betrokken, wordt niet betreden dan nadat het bestuursorgaan dit de rechthebbende ten minste achtenveertig uren tevoren schriftelijk heeft aangezegd.
4. Het derde lid geldt niet, indien tijdige aanzegging wegens de vereiste spoed niet mogelijk is. De aanzegging geschiedt dan zo spoedig mogelijk.
5. De aanzegging omschrijft de wijze waarop het betreden zal plaatsvinden.
6. Het bestuursorgaan vergoedt de schade die door het betreden van een plaats als bedoeld in het derde lid wordt veroorzaakt, voor zover deze redelijkerwijs niet ten laste van de rechthebbende behoort te komen, onverminderd het recht tot verhaal van deze schade op de overtreder ingevolge artikel 5:25, vijfde lid.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1998 ingevoerd bij wet van 20 juni 1996 Stb. 333 (wetsvoorstel 23 700)

[bron: PG Awb III, p. 373-375]

[Eindtekst] Artikel 5:27 [5.2.8]
1. Om aan een beslissing tot toepassing van bestuursdwang uitvoering te geven, hebben personen die daartoe zijn aangewe­zen door het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast, toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervul­ling van hun taak nodig is.
2. Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast bevoegd tot het geven van een machtiging als bedoeld in arti­kel 2 van de Algemene wet op het binnentreden.
3. Een plaats die niet bij de overtreding is betrokken, wordt niet betreden dan nadat het bestuurs­orgaan dat bestuursdwang toepast dit de rechthebbende ten minste achtenveertig uren tevoren schriftelijk heeft aangezegd.
4. Het derde lid geldt niet, indien tijdige aanzegging wegens de vereiste spoed niet mogelijk is. De aanzegging geschiedt dan zo spoedig mogelijk.
5. De aanzegging omschrijft de wijze waarop het betreden zal plaatsvinden.
6. De rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort, vergoedt de schade die door het betreden van een plaats als bedoeld in het derde lid wordt veroorzaakt, voor zover deze redelijker­wijs niet ten laste van de rechthebbende behoort te komen, onverminderd het recht tot verhaal van deze schade op de overtreder ingevolge artikel 5:25, zesde lid.

Voorontwerp

1. Ten einde bestuursdwang toe te passen kunnen alle plaatsen met uitzondering van woningen zonder toestemming van de over­treder of andere belanghebbenden, bedoeld in artikel 5.2.4, worden betreden.
2. Ten einde bestuursdwang toe te passen kan zonder toestem­ming van de bewoner in een woning worden binnengetreden door met name aangewezen personen die het orgaan dat bestuurs­dwang toepast daartoe bevoegd heeft verklaard. Dat bestuurs­orgaan is bevoegd tot het geven van de machtiging, bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden. Artikel 3, eerste en tweede lid, van die wet is niet van toepassing.

Tekst RvS = VvW, behoudens lid 1 dat in de Tekst RvS luidde: Om aan een besluit tot toepassing van bestuursdwang uitvoering te geven, hebben personen die daartoe zijn aangewe­zen door het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast, toegang tot elke plaats zonder toestemming van de overtreder of van de in artikel 5.2.4, derde lid, bedoelde rechthebbenden, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.

Advies RvS

8.10. De regeling vervat in artikel 127 tweede tot en met vijfde lid, van de Gemeentewet is niet in artikel 5.2.8 overgenomen, omdat die overneming naar het oordeel van de ministers uit een oogpunt van deregulering niet nodig en daarom ongewenst is. De regeling in de Gemeentewet voorziet in het geval dat een derde op grond van het privaatrecht de uitoefening van bestuursdwang zou kunnen verhinderen door toegang te weigeren tot de plaats ten aanzien waarvan hij rechthebbende is. De ministers achten dit geval uitzonderlijk en verwijzen naar andere sanctiemogelijkheden, bijvoorbeeld de oplegging van een dwangsom. De Raad ziet er niet aan voorbij dat uit de praktijk tot dusver slechts één geval van belemmering door een derde is bekend geworden namelijk dat van de plaagstroken te Westerschouwen (Hof ‘s-Gravenhage, 16 oktober 1974, NJ 1975, 302). Dat neemt niet weg dat het doelmatig kan zijn om in de algemene voor alle terreinen van het bestuursrecht geldende regeling rekening te houden met deze eventualiteit. De wetgever heeft dat recentelijk ook gedaan in de artikelen 127 van de Gemeentewet, 125 van de Provinciewet en 63 van de Waterschapswet. Het argument dat naar de dwangsom of een andere sanctiemogelijkheid kan worden uitgeweken overtuigt de Raad niet. Voor bestuursdwang zal immers zijn gekozen omdat die in de gegeven omstandigheden de meest aangewezen sanctie vormde. Het college geeft op grond van het voorgaande in overweging in de Awb alsnog de keus te volgen die de wetgever kort geleden voor de Gemeentewet, de Provinciewet en de Waterschapswet heeft gemaakt.

Nader rapport

8.10. De Raad geeft in overweging de in artikel 127, tweede tot en met vijfde lid, van de Gemeente­wet vervatte «plaag­strokenregeling» alsnog in de Awb op te nemen. Vergelijkbare regelingen heeft de wetgever ook opgenomen in de Provinciewet en Water­schapswet. Het gaat om een tame­lijk uitvoerige rege­ling voor het geval dat een derde op grond van het privaat­recht de uitoefe­ning van bestuurs­dwang zou kunnen verhinderen door toegang te weigeren tot de plaats ten aanzien waarvan hij recht­hebbende is.
Wij hebben aanvankelijk de Commissie wetgeving algemene regels van be­stuursrecht gevolgd in haar voorstel de bedoelde regeling, hoewel van betrekkelijk recente datum, niet in de Awb over te nemen. De reden daarvoor was dat wij met de Commissie de indruk hebben, dat de situatie waarvoor de plaagstrokenregeling een oplossing geeft, zich in de prak­tijk betrekkelijk zelden voordoet. Het advies van de Raad geeft ons echter aanleiding om opnieuw te bezien of aan een derge­lijke rege­ling behoefte bestaat. Zonodig kan de regeling dan bij nota van wijziging alsnog in de Awb worden opgenomen.

Voorstel van wet 

1. Om aan een beslissing tot toepassing van bestuursdwang uitvoering te geven, hebben personen die daartoe zijn aangewe­zen door het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast, toegang tot elke plaats zonder toestemming van de overtreder of van de in artikel 5.2.4, derde lid, bedoelde rechthebbenden, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervul­ling van hun taak nodig is.
2. Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast bevoegd tot het geven van een machtiging als bedoeld in arti­kel 2 van de Algemene wet op het binnentreden.

Memorie van toelichting

Artikel 5.2.8, eerste lid, wijkt enigszins af van de overeenkomsti­ge bepaling in de Gemeente-, Provincie- en Waterschapswet (respectieve­lijk de artikelen 127, 124 en 63). De bevoegd­heid om plaatsen, niet zijnde woningen, zonder de toestem­ming van de rechthebben­den te betreden, is beperkt tot de mogelijkheid zulks te doen zonder de toestem­ming van de over­treder alsmede eventuele andere rechthebbenden als be­doeld in artikel 5.2.4, derde lid. Deze personen zijn immers gewaarschuwd en in de gelegen­heid gesteld de uitvoe­ring van de beschikking te voorkomen door zelf maatregelen te nemen. Zij kunnen dan niet op basis van hun privaatrechte­lijke zeggenschap de uit­voering van de beschikking verhinde­ren. In het zeldzame geval dat bestuurs­dwang alleen kan worden toegepast door terreinen te betreden die toebehoren aan een gerechtigde die niet als rechthebbende in de zin van artikel 5.2.4, derde lid, kan worden be­schouwd, behoeft het bestuursorgaan de toestem­ming van de gerech­tigde of dient in plaats van bestuurs­dwang toe te passen, gekozen te worden voor het opleggen van een last onder dwangsom.
Wij hebben vooralsnog de inhoud van de zogenoemde «plaagstrokenrege­ling» uit de Gemeente-, Provincie- en Waterschapswet niet in de Algemene wet bestuurs­recht overgeno­men (vgl. respectievelijk de artikelen 127, tweede tot en met vijfde lid, 124, tweede tot en met vijfde lid, en 63, tweede tot en met vijfde lid, van die wetten). Deze regeling ziet op het geval dat derden op grond van het privaat­recht de uitoefe­ning van be­stuursdwang zouden kunnen verhinde­ren. De indruk bestaat dat die gevallen betrekkelijk zelden voorkomen. Wij zullen echter nog nader bezien of aan een dergelijke regeling wellicht toch behoefte bestaat.
Wel is in artikel 5.2.8, tweede lid, een bijzondere regeling omtrent het verlenen van een machtiging tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner opgeno­men, omdat het daar gaat om de wel noodzake­lijke bevoegdheid in bepaalde gevallen ter uitoefe­ning van be­stuursdwang in wonin­gen te kunnen binnentre­den. Deze regeling stemt overeen met de tekst van de artikelen 127, tweede lid, Gemeentewet, 124, tweede lid, Provincie­wet en 63, zesde lid, Waterschapswet, zoals deze komen te luiden na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel tot wijziging van binnentredings­bepa­lingen (Kamerstuk­ken I 1993/94, 22 539, nr. 260).

Nota van wijziging

Aan artikel 5.2.8 worden vier leden toegevoegd, luidende:
3. Een plaats die niet bij de overtreding is betrokken, wordt niet betreden dan nadat het bestuurs­orgaan dat bestuursdwang toepast dit de rechthebbende ten minste achtenveertig uren tevoren schriftelijk heeft aangezegd.
4. Het derde lid geldt niet, indien tijdige aanzegging wegens de vereiste spoed niet mogelijk is. De aanzegging geschiedt dan zo spoedig mogelijk.
5. De aanzegging omschrijft de wijze waarop het betreden zal plaatsvinden.
6. De rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort, vergoedt de schade die door het betreden van een plaats als bedoeld in het derde lid wordt veroorzaakt, voor zover deze redelijker­wijs niet ten laste van de rechthebbende behoort te komen, onverminderd het recht tot verhaal van deze schade op de overtreder ingevolge artikel 5.2.5, zesde lid.

Toelichting NvW
Deze wijzigingen strekken er toe, de zogenaamde «plaagstrokenregeling die thans is neergelegd in de artikelen 127 Gemeentewet, 125 Provinciewet en 63 Waterschapswet, met enige redactionele aanpassingen alsnog in de Awb op te nemen. Verwezen zij naar antwoord 6.70.[1]

Tweede nota van wijziging

In artikel 5.2.8, eerste lid, vervalt de zinsnede: zonder toestemming van de overtreder of van de in artikel 5.2.4, derde lid, bedoelde rechthebbenden.

Toelichting Tweede NvW
Deze wijziging herstelt een omissie bij de opneming van de zogenaamde «plaagstrokenregeling» in de eerste nota van wijziging. Ten onrechte is daarbij in het eerste lid van artikel 5.2.8 de zinsnede blijven staan die ertoe strekt dat geen bestuursdwang kan worden toegepast als daarvoor het terrein moet worden betreden van een ander dan de overtreder of rechthebbende op het gebruik van de zaak ten aanzien waarvan bestuursdwang wordt toegepast. Met de schrapping van de bewuste zinsnede wordt de redactie van artikel 5.2.8 geheel in overeenstemming gebracht met de «plaagstrokenregeling» in de artikelen 127 Gemeentewet, 125 Provinciewet en 63 Waterschapswet.

Handelingen II

De heer Schutte (GPV, p. 3643): Voorzitter! Ik heb slechts een enkele korte vraag over de bepalin­gen aangaande bestuursdwang en de daaraan gekoppelde dwangsom. Mijn eerste opmerking betreft het opnemen van de plaagstroken­regelingin de wettekst. Mij is slechts één geval bekend waarin deze wettelijke bepaling haar nut had kunnen bewijzen. Dat ene geval is blijkbaar voor de Raad van State en de VNG voldoende aanleiding geweest om erop aan te dringen om een plaagstrokenregeling in de wettekst op te nemen. Is dat ene geval voor de formele wetgever echter voldoende aanleiding om een regeling op te stellen voor iets wat zich wellicht nooit weer voor zal doen? Ik nodig de regering uit om aan te geven welke andere argumen­ten eventueel een rol hebben gespeeld om de Algemene wet bestuursrecht toch met deze bepaling te verrijken.
Minister Sorgdrager (p. 3657): De heer Schutte heeft gevraagd waarom de plaagstrokenrege­ling alsnog in het wetsvoorstel is opgenomen. Ik wist eerst niet wat de plaagstrokenregeling was, maar daar ben ik inmiddels achter gekomen. Wij hadden haar aanvankelijk niet opgenomen, maar op aandringen van de VNG en, niet te vergeten, de Raad van State hebben wij het alsnog gedaan. Het zijn respectabele instanties. Wij zouden wel van heel goeden huize moeten komen om de regeling niet op te nemen, hoewel het probleem maar een enkele keer is voorgekomen. De regeling staat in de Gemeentewet en wij hebben haar op advies van beide instanties overgenomen.

Dit artikel is met ingang van 1 juli 2009 vervangen bij wet van 25 juni 2009, Stb. 264 (wetsvoorstel 29 702).

[Eindtekst]
1. Om bestuursdwang toe te passen, hebben door het bestuursorgaan aangewezen personen toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
2. Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast bevoegd tot het geven van een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden.
3. Een plaats die niet bij de overtreding is betrokken, wordt niet betreden dan nadat het bestuursorgaan dit de rechthebbende ten minste achtenveertig uren tevoren schriftelijk heeft aangezegd.
4. Het derde lid geldt niet, indien tijdige aanzegging wegens de vereiste spoed niet mogelijk is. De aanzegging geschiedt dan zo spoedig mogelijk.
5. De aanzegging omschrijft de wijze waarop het betreden zal plaatsvinden.
6. Het bestuursorgaan vergoedt de schade die door het betreden van een plaats als bedoeld in het derde lid wordt veroorzaakt, voor zover deze redelijkerwijs niet ten laste van de rechthebbende behoort te komen, onverminderd het recht tot verhaal van deze schade op de overtreder ingevolge artikel 5:25, vijfde lid.

VO Dit artikel was in het VO niet opgenomen.

Tekst RvS

In artikel 5:27, zesde lid, wordt “de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort,” vervangen door: het bestuursorgaan.

Voorstel van wet 

1. Om bestuursdwang toe te passen, hebben door het bestuursorgaan aangewezen personen toegang tot elke plaats, voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
2. Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast bevoegd tot het geven van een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden.
3. Een plaats die niet bij de overtreding is betrokken, wordt niet betreden dan nadat het bestuursorgaan dit de rechthebbende ten minste achtenveertig uren tevoren schriftelijk heeft aangezegd.
4. Het derde lid geldt niet, indien tijdige aanzegging wegens de vereiste spoed niet mogelijk is. De aanzegging geschiedt dan zo spoedig mogelijk.
5. De aanzegging omschrijft de wijze waarop het betreden zal plaatsvinden.
6. Het bestuursorgaan vergoedt de schade die door het betreden van een plaats als bedoeld in het derde lid wordt veroorzaakt, voorzover deze redelijkerwijs niet ten laste van de rechthebbende behoort te komen, onverminderd het recht tot verhaal van deze schade op de overtreder ingevolge artikel 5:25, vijfde lid.

Memorie van toelichting 

[29 702, p. 107]

Artikelen 5:27 en 5:28 Deze artikelen komen overeen met de huidige artikelen 5:27 en 5:28, maar zijn redactioneel aangepast aan de nieuwe terminologie en aan het voorgestelde artikel 1:1, vierde lid.

Tweede nota van wijziging

In artikel I, onderdelen D, E, F, H, I, en W, wordt in de artikelen 4:57, vierde lid, 4.4.1.9, eerste en vierde lid, 4.4.1.11, vijfde lid, 4.4.1.12, onderdeel c, 4.4.2.2, derde lid, 4.4.2.5, 4.4.2.6, derde lid, 4.4.4.1.2, derde lid, 4.4.5.1, eerste en tweede lid, 5.0.2, eerste lid, onderdeel c, 5.0.4, eerste lid, 5.0.5, 5:25, derde en vierde lid, 5:27, eerste en zesde lid, 5:31b, 5:31c, eerste lid, 5:39, eerste lid, 5.4.1.2, 5.4.2.7 en 10:21 «voorzover» telkens vervangen door: voor zover.

Toelichting Tweede NvW
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om het wetsvoorstel in overeenstemming te brengen met de thans geldende spelling (onderdelen A en B van deze nota van wijziging).

 


[1] Bedoeld wordt antwoord 6.70 van NV II, zie PG Awb III, p. 358.

 

 

 

Share This