Artikel 5:30

1. Indien een meegevoerde en opgeslagen zaak niet binnen dertien weken nadat zij is meegevoerd, kan worden teruggegeven, kan het bestuursorgaan de zaak verkopen.
2. Het bestuursorgaan kan de zaak eerder verkopen, zodra de ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten, vermeerderd met de voor de verkoop geraamde kosten, in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden.
3. Verkoop vindt evenwel niet plaats binnen twee weken na de verstrekking van het afschrift van het
proces-verbaal van meevoeren en opslaan, tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen betreft.

4. Gedurende drie jaren na het tijdstip van verkoop heeft degene die op dat tijdstip eigenaar was, recht op de opbrengst van de zaak onder aftrek van de ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten en de kosten van de verkoop. Na het verstrijken van deze termijn vervalt een batig saldo aan het bestuursorgaan.
5. Indien naar het oordeel van het bestuursorgaan verkoop niet mogelijk is, kan het de zaak om niet aan een derde in eigendom overdragen of laten vernietigen. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1998 ingevoerd bij wet van 20 juni 1996 Stb. 333 (wetsvoorstel 23 700)

[bron: PG Awb III, p. 377-379]

[Eindtekst] Artikel 5:30 [5.2.11]
1. Het bestuursorgaan dat bestuursdwang heeft toegepast, is bevoegd, indien een ingevolge artikel 5:29, eerste lid, meegevoerde en opgeslagen zaak niet binnen der­tien weken na de meevoe­ring kan worden teruggegeven, deze te verkopen of, indien verkoop naar zijn oordeel niet mogelijk is, de zaak om niet aan een derde in eigendom  over te dragen of te laten ver­nietigen.
2. Gelijke bevoegdheid heeft het bestuursorgaan ook binnen die termijn, zodra de ingevolge artikel 5:25 verschul­digde kosten, vermeer­derd met de voor de verkoop, de eigendom­sover­dracht om niet of de vernietiging geraamde kosten, in ver­houding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden.
3. Verkoop, eigendomsoverdracht of vernietiging vindt niet plaats binnen twee weken na de verstrekking van het afschrift, bedoeld in artikel 5:29, tweede lid, tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen betreft.
4. Gedurende drie jaren na het tijdstip van verkoop heeft degene die op dat tijdstip eigenaar was, recht op de opbrengst van de zaak onder aftrek van de ingevolge artikel 5:25 ver­schuldigde kosten en de kosten van de verkoop. Na het ver­strijken van die termijn vervalt het eventuele batige saldo aan de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort.

Voorontwerp

1. Het bestuursorgaan dat bestuursdwang heeft toepast, is bevoegd, indien een ingevolge artikel 5.2.10, eerste lid, opgeslagen zaak niet binnen drie maanden na de opslag kan worden teruggegeven, deze te verkopen of, indien verkoop naar zijn oordeel niet mogelijk is, de zaak om niet aan een derde in eigendom  over te dragen of te laten ver­nietigen.
2. Gelijke bevoegdheid heeft het bestuursorgaan ook binnen die termijn, zodra de kosten, bedoeld in artikel 5.2.5, vermeerderd met de voor de verkoop, de eigendom­soverdracht om niet of de vernietiging geraamde kosten, in ver­houding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden.
3. Verkoop, eigendomsoverdracht of vernietiging vindt niet plaats binnen twee weken na de verstrekking van het afschrift, bedoeld in artikel 5.2.10, tweede lid, tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen betreft.
4. Gedurende drie jaren na het tijdstip van verkoop heeft degene die op dat tijdstip eigenaar was, recht op de opbrengst van het goed onder aftrek van de kosten, bedoeld in artikel 5.2.5, eerste lid, en de kosten van de verkoop.

Tekst RvS

1. Het bestuursorgaan dat bestuursdwang heeft toegepast, is bevoegd, indien een ingevolge artikel 5.2.10, eerste lid, opgeslagen zaak niet binnen drie maanden na de opslag kan worden teruggegeven, deze te verkopen of, indien verkoop naar zijn oordeel niet mogelijk is, de zaak om niet aan een derde in eigendom  over te dragen of te laten ver­nietigen.
2. Gelijke bevoegdheid heeft het bestuursorgaan ook binnen die termijn, zodra de ingevolge artikel 5.2.5 verschul­digde kosten, vermeer­derd met de voor de verkoop, de eigendom­sover­dracht om niet of de vernietiging geraamde kosten, in ver­houding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden.
3. Verkoop, eigendomsoverdracht of vernietiging vindt niet plaats binnen twee weken na de verstrekking van het afschrift, bedoeld in artikel 5.2.10, tweede lid, tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen betreft.
4. Gedurende drie jaren na het tijdstip van verkoop heeft degene die op dat tijdstip eigenaar was, recht op de opbrengst van het goed onder aftrek van de ingevolge artikel 5.2.5 verschuldigde kosten en de kosten van de verkoop.

Advies RvS

8.14.1. De termijn, vermeld in het eerste lid van artikel 5.2.11, gaat in op het tijdstip van de opslag. Dat tijdstip zal in het algemeen niet zo duidelijk te bepalen zijn als dat van de meevoering. De Raad geeft in overweging dit laatste tijdstip als beginpunt van de termijn aan te wijzen.
8.14.2. Bij de Raad is de vraag gerezen waarom – anders dan in artikel 134 tweede lid van de Gemeentewet – in het vierde lid van artikel 5.2.11 niet is voorzien in het vervallen van een eventueel batig saldo aan het openbaar lichaam waartoe het bestuursorgaan dat de bestuursdwang uitoefent behoort. Indien een dergelijke bepaling overbodig wordt geacht ware dat in de toelichting op het artikel te vermelden onder schrapping overigens van het woord «letterlijk» in de eerste alinea van die toelichting.

Nader rapport

8.14.1. Ofschoon er in het algemeen slechts weinig tijd gelegen zal zijn tussen het tijdstip van meevoering en dat van opslag, omdat beide handelingen doorgaans op dezelfde dag geschieden, hebben wij de aanbe­veling van de Raad opge­volgd. Het tijdstip van meevoering dient inder­daad bepalend te zijn. Een bijko­mend argument is dat op deze wijze duidelijk is dat als de opgeslagen zaken van de ene opslagplaats naar een andere worden vervoerd, geen nieuwe termijn gaat lopen.
8.14.2. De bij de Raad gerezen vraag heeft ons aanleiding gegeven artikel 5.2.11, vierde lid, zeker­heidshalve aan te vullen met de zin: «Na het verstrijken van die termijn vervalt het eventuele batige saldo aan de rechtsper­soon waartoe het bestuursorgaan behoort».

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

De tekst van dit artikel komt – afgezien van de verwij­zingen naar artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht – vrijwel letter­lijk overeen met de tekst van de artikelen 134 Gemeentewet, 131 Provinciewet en 69 Waterschapswet.
Van het bestuursorgaan dat bestuursdwang heeft toegepast, mag niet worden verlangd dat het meegevoerde en opgeslagen zaken gedurende onbepaal­de tijd bewaart. Daarom heeft het be­stuurs­orgaan op grond van artikel 5.2.11, eerste lid, het recht van parate executie, wanneer de meegevoerde en opgesla­gen zaken na dertien weken nog niet aan de rechtheb­bende konden worden teruggegeven.
Ten opzichte van de tekst van de Gemeente-, Provincie- en Water­schapswet is in het eerste lid «na de opslag» vervan­gen door «na de meevoering», omdat dat moment met meer zekerheid is te bepalen en als een juister tijdstip van ingang voor de termijn die het bestuur heeft kan worden beschouwd.

Verslag II

6.93 De leden van de SGP-fractie is niet duidelijk geworden in hoeverre in dit artikel rekening wordt gehouden met de mogelijk­heid dat degene jegens wie bestuursdwang is of wordt uitgevoerd, zich tot de rechter wendt en binnen dertien weken geen uit­spraak is gedaan. In dit verband vragen zij bovendien wat rechtens is indien bestuurs­dwang achteraf onrechtmatig blijkt. Het ligt toch voor de hand dat het bestuursorgaan dan in beginsel tot herstel in de oorspronkelijke situatie zal moeten overgaan, onverminderd het recht van de gelaedeerde om schadever­goeding te eisen. Wordt in dit verband een wettelijke regeling overwogen?

Nota naar aanleiding van het verslag II

6.93 In artikel 5.2.11 is evenzeer als in het overeenkomstige artikel 134 van de Gemeen­tewet rekening gehouden met de mogelijk­heid dat degenen jegens wie bestuursdwang is of wordt uitge­oefend, zich tot de rechter wendt en binnen dertien weken geen uit­spraak wordt gedaan. Hierbij is van belang dat het beroep geen schorsende wer­king heeft. De belanghebbende zal er voors­hands van moeten uitgaan dat de bestuurs­dwang rechtmatig is geschied.
Indien achteraf blijkt dat bestuurs­dwang onrechtmatig is geschied is het be­stuursor­gaan gehouden tot herstel in de oude toestand waar redelijker­wijs mogelijk of tot schade­vergoeding. Indien echter toepassing is gege­ven aan artikel 5.2.11, eerste lid, zullen bestuursorgaan en rechter zich op het stand­punt mogen stellen dat dat deel van de scha­de dat het gevolg is van de omstandigheid dat de rechthebbende de meegevoerde zaken niet terug wilde hebben, voor diens rekening komt.
Een wettelijke regeling wordt niet overwogen, omdat van een behoefte daaraan in de praktijk in het geheel niet gebleken is.

Dit artikel is met ingang van 1 juli 2009 vervangen bij wet van 25 juni 2009, Stb. 264 (wetsvoorstel 29 702).

[Eindtekst]
1. Indien een meegevoerde en opgeslagen zaak niet binnen dertien weken nadat zij is meegevoerd, kan worden teruggegeven, kan het bestuursorgaan de zaak verkopen.
2. Het bestuursorgaan kan de zaak eerder verkopen, zodra de ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten, vermeerderd met de voor de verkoop geraamde kosten, in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden.
3. Verkoop vindt evenwel niet plaats binnen twee weken na de verstrekking van het afschrift van het proces-verbaal van meevoeren en opslaan, tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen betreft.
4. Gedurende drie jaren na het tijdstip van verkoop heeft degene die op dat tijdstip eigenaar was, recht op de opbrengst van de zaak onder aftrek van de ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten en de kosten van de verkoop. Na het verstrijken van deze termijn vervalt een batig saldo aan het bestuursorgaan.
5. Indien naar het oordeel van het bestuursorgaan verkoop niet mogelijk is, kan het de zaak om niet aan een derde in eigendom overdragen of laten vernietigen. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 

VO Dit artikel was in het VO niet opgenomen.

Tekst RvS

In artikel 5:30, vierde lid, tweede volzin, wordt “de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort vervangen door: het bestuursorgaan.

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting 

[29 702, p. 107]

Dit artikel komt materieel overeen met het huidige artikel 5:30, maar is redactioneel vereenvoudigd. De regeling is in eerste instantie beperkt tot de verkoop van meegevoerde zaken die niet kunnen worden teruggegeven. De alternatieven van eigendomsoverdracht om niet en vernietiging zijn ondergebracht in een nieuw vijfde lid.

Handelingen II

De heer Van de Camp (CDA) (p. 4059): In artikel 5.30 wordt de parate executie geregeld van goederen die in het kader van bestuursdwang zijn meegevoerd. Mijn vraag is of het bestuursorgaan dat bijvoorbeeld een hond in beslag heeft genomen, die hond of welk dier dan ook, zonder nader besluit kan verkopen of vernietigen. Met name bij huisdieren en andere levende have is dit vaak een emotionele kwestie met alle gevolgen van dien.
Minister Hirsch Ballin (p. 4088): In reactie op de opmerking over de meegevoerde hond of een ander dier en de vraag of het bestuur op grond van artikel 5:30 een dier, dat in het kader van bestuursdwang is meegevoerd, zonder nader besluit kan verkopen of vernietigen, antwoord ik: ja, maar alleen in het uiterste geval. Artikel 5:30 stelt daar wel beperkingen aan.
Het kan bijvoorbeeld pas na 13 weken, tenzij de kosten van bewaring de waarde overtreffen. Bovendien moet het bestuursorgaan bij de beslissing om zoiets te doen natuurlijk wel de normale beginselen van zorgvuldigheid, evenredigheid en subsidiariteit in acht nemen. In de praktijk zal het dus niet zo’n vaart lopen, althans, dat kunnen wij ons niet zo gauw voorstellen. Het antwoord is dat het in het uiterste geval dus kan. De regeling van artikel 5: 30 verschilt op dit punt ook niet van het huidige recht. Ik voeg hier nog even aan toe dat dit inhoudelijk al tien jaar zo geldt en dat hierbij, voor zover mij bekend, van misstanden niet is gebleken.

 

Share This