Artikel 5:33

Een verbeurde dwangsom wordt betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1998 ingevoerd bij wet van 20 juni 1996 Stb. 333 (wetsvoorstel 23 700)

[bron: PG Awb III, p. 387-388]

[Eindtekst] Artikel 5:33 [5.3.2]
1. Verbeurde dwangsommen komen toe aan de rechtspersoon waar­toe het bestuursorgaan behoort dat de dwangsom heeft vastge­steld. Het bestuursorgaan kan bij dwangbevel het ver­schuldigde bedrag invorderen.
2. Artikel 5:26, tweede tot en met vierde lid, is van toepas­sing.

VO = VvW, behoudens lid 1 dat in het VO luidde: Verbeurde dwangsommen komen toe aan de rechtspersoon waar­toe het bestuursorgaan behoort, dat de dwangsom heeft vastge­steld. Het bestuursorgaan kan bij dwangbevel het ver­schuldigde bedrag invorderen.

Tekst RvS = VvW

Advies RvS

8.18. Krachtens artikel 5.3.2, tweede lid, in verbinding met artikel 5.2.6, derde lid, staat voor de overtreder tegen een dwangbevel tot invordering van de verbeurde dwangsom verzet open, en wel door dagvaarding van de rechtspersoon waartoe het betrokken bestuursorgaan behoort. De Raad onderkent dat de aldus gemaakte keus voor de dagvaar­dingsprocedure overeenstemt met hetgeen tot dusver in de regelingen over invordering van kosten van bestuursdwang en van verbeurde bestuurlijke dwangsommen voorgeschreven is. Ter gelegenheid van de codificatie van de beide rechtsfiguren zou evenwel. zo meent het college, uitdrukkelijk aan de orde moeten worden gesteld de vraag of niet de doelmatigheid is gediend met gelijksoortigheid van de procedures over een oplegging van bestuursdwang of dwangsom enerzijds en de uit die oplegging gesproten geschillen over invordering anderzijds. De Raad adviseert, de regeling van de rechtsbescherming tegen de invordering rekening houdend met het voorgaande opnieuw te overwegen. Daarbij dient, zo meent het college, ook de positie van de derde-belanghebbende die om de last met dwangsom heeft verzocht en dus belang heeft bij inning van de dwangsom in beschouwing te worden genomen.

Nader rapport

8.18. Het advies van de Raad spreekt ons op zichzelf aan. Geschillen over de uitvaardiging van dwang­bevelen doen zich op bestuursrechtelijk terrein evenwel niet slechts voor bij de invordering van kosten van bestuursdwang en verbeurde dwangsommen. Ook bijvoorbeeld bij de invor­dering van bestuurlijke boeten is dezelfde problema­tiek aan de orde. Het heeft daarom onze voorkeur om hier op een breder terrein dan alleen de bestuursdwang en de dwangsom harmonisatie en systematisering te bereiken. Aan de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht zal worden verzocht om bij gelegenheid van de vierde tranche van de Algemene wet bestuurs­recht, waarin onder andere algemene regels over bestuurlijke boetes zullen worden voorgesteld, tevens een uniforme regeling te ontwerpen die voorziet in bestuursrechtelijke rechtsbe­scher­ming tegen de invordering van geldschul­den door de overheid.

VvW= Eindtekst

Memorie van toelichting

Voor de invordering van verbeurde dwangsommen is de regeling van de invordering van de kosten van bestuursdwang gevolgd. Verwezen zij naar hetgeen hierover in de toelichting op artikel 5.2.6 is opgemerkt.

Verslag II

6.101 De leden van de fracties van PvdA en VVD stellen vast dat dit artikel bepaalt dat verbeurde dwangsommen toekomen aan de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort dat de dwangsom heeft vastgesteld. Dat betekent dat het bestuursorgaan een eigen financieel belang krijgt bij een overtreding en een dwangsombeschik­king. Zouden verbeur­de dwangsommen dienen toe te komen aan ’s Rijks kas?
Ook de leden van de GPV-fractie merken op dat bestuursorganen een eigen financieel belang krijgen bij een overtreding en een dwangsombeschik­king. Is ook over­wogen het verbeurd verklaren van dwang­sommen ten bate van het Rijk te laten ko­men?

Nota naar aanleiding van het verslag II

6.101 Het is ons inziens verantwoord de eventueel verbeurde dwangsommen te doen toekomen aan de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan dat de last onder dwangsom heeft opgelegd behoort. Deze rechtspersoon draagt ook de kosten van handhaving, de kosten van eventuele bezwaar- en beroeps­procedures en de risico’s van schadevergoe­ding indien de rechter achteraf oordeelt dat ten onrechte handhavend is opgetreden. Uit de praktijk zijn tot nu toe geen signalen bekend dat bestuursorganen op een oneigen­lijke wijze van het middel dwangsom gebruik maken.

Handelingen II

De heer De Graaf (D66, p. 3649): In het algemeen overleg over milieuhandhaving en de dwangsom van 24 november jl. heeft mijn collega Jeekel namens de fractie van D66 een vraag gesteld over de juridische status van de beslissing om niet over te gaan tot inning van een verbeurde dwangsom. De minister van VROM heeft bij brief van 31 mei 1995 laten weten dat hierover geen jurisprudentie bestaat. Er is echter een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 januari 1995, waarin zij oordeelt dat de beslissing tot het niet invorderen geen beschikking is. In het bedoelde algemeen overleg heeft noch de minister van VROM, noch de minister van Justitie uitsluitsel gegeven over de door ons gestelde vraag. Wel hebben zij geantwoord dat de inning van een verbeurde dwangsom in de vierde tranche aan de orde zal komen. Voor alle duidelijkheid zou ik graag van de minister vernemen of in deze regeling de rechtsbescherming van derden zal worden meegenomen. Wanneer dat niet het geval is, zouden wij misschien toch bij deze gelegenheid hierover nader van gedachten moeten wisselen.
Minister Sorgdrager (p. 3657): De heer De Graaf lijkt er nog aan te twijfelen of wij in de vierde tranche bij de regeling van de invordering van geldschulden aan de overheid wel aandacht zullen besteden aan de rechtsbescherming van derden. Aanleiding voor zijn vraag is het oordeel van de Afdeling bestuurs­rechtspraak van de Raad van State, dat de beslissing om een verbeurde dwangsom niet in te vorderen geen beschikking is en dus niet vatbaar is voor beroep bij de administratieve rechter. Ik zal het onderwerp meenemen; het is goed om die twijfel weg te nemen.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1998 gewijzigd bij wet van 6 november 1997 Stb. 510 (wetsvoorstel 25 280)

[bron: PG Awb III, p. 387-388]

[Eindtekst]
1. Verbeurde dwangsommen komen toe aan de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort dat de dwangsom heeft vastgesteld. Het bestuursorgaan kan bij dwangbevel het verschuldigde bedrag, verhoogd met de op de invordering vallende kosten,invorderen.
2.Artikel 5:26, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing.

Voorstel van wet

In artikel 5:33, eerste lid, tweede volzin, wordt na «bedrag» ingevoegd: verhoogd met de op de invordering vallende kosten.

Memorie van toelichting

In artikel 5:33, eerste lid, tweede volzin, betreffende de invordering van dwangsommen, is verzuimd om toe te voegen «verhoogd met de op de invordering vallende kosten». Deze toevoeging is wél opgenomen in de invorderingsrege­ling betreffende de kosten van bestuursdwang (artikel 5:26, eerste lid). Doordat artikel 5:33, tweede lid, echter alleen het tweede tot en met vierde lid van artikel 5:26 van toepassing verklaart, is de regeling over de verhoging van de op de invordering vallende kosten bij de invordering van dwangsommen abusievelijk buiten toepassing gebleven. Via de voorgestelde wijziging wordt deze omissie hersteld.

Dit artikel is met ingang van 1 juli 2009 vervangen bij wet van 25 juni 2009, Stb. 264 (wetsvoorstel 29 702).

[Eindtekst] Een verbeurde dwangsom wordt betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd.

Voorontwerp

Artikel 5:33 komt te luiden:
Een verbeurde dwangsom wordt binnen zes weken betaald.

Tekst RvS = VvW

VvW= Eindtekst

Memorie van toelichting 

[29 702, p. 113-114]

Artikel 5:33 wordt vervangen door een nieuwe bepaling. Het nieuwe artikel 5:33 regelt slechts de termijn voor betaling van een dwangsom. Dat is nodig omdat de algemene betalingstermijn van artikel 4.4.1.3 hier niet rechtstreeks van toepassing is. De hoofdregel van artikel 4.4.1.3 geldt voor betalingsverplichtingen die bij beschikking worden vastgesteld. Bij verbeurte van een dwangsom ontstaat de betalingsverplichting echter van rechtswege door de overtreding van de last en niet pas door de latere invorderingsbeschikking. Derhalve moet ook voor de aanvang van de betalingstermijn worden aangeknoopt bij het tijdstip van verbeurte. Voor de lengte van de betalingstermijn – zes weken – is wel aansluiting gezocht bij de hoofdregel van artikel 4.4.1.3. Nadat de verplichting om de verbeurde geldsom te betalen – van rechtswege – is ontstaan en de betalingstermijn is verstreken, zal het bestuursorgaan op grond van artikel 5:37 eerst een invorderingsbeschikking moeten geven, alvorens een aanmaning te kunnen versturen en eventueel een dwangbevel te kunnen uitvaardigen. De huidige tekst van artikel 5:33 kan vervallen. Het huidige eerste lid bepaalt dat verbeurde dwangsommen toekomen aan de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort dat de dwangsom heeft vastgesteld, alsmede dat het bestuursorgaan het verschuldigde bedrag, verhoogd met de op de invordering vallende kosten, bij dwangbevel kan invorderen. Deze bepaling is overbodig in verband met artikel 5.0.10 van de algemene bepalingen over bestuurlijke handhaving en de voorgestelde afdeling 4.4.4, die in een geharmoniseerde dwangbevelprocedure voorziet. Uit artikel 5.0.10 vloeit reeds voort dat voorzover de oplegging van een last onder dwangsom verplicht tot betaling van een geldsom, deze geldsom toekomt aan het bestuursorgaan dat de dwangsom heeft opgelegd, alsook dat deze geldsom bij dwangbevel kan worden ingevorderd. Het huidige tweede lid verwijst naar artikel 5:26, tweede tot en met vierde lid, welke artikelleden betrekking hebben op de dwangbevelprocedure en het verzet tegen het dwangbevel. Het tweede lid kan eveneens vervallen in verband met de voorgestelde afdeling 4.4.4.

Share This