Artikel 6:10

1. Ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening:
a. wel reeds tot stand was gekomen, of
b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.
2. De behandeling van het bezwaar of beroep kan worden aangehouden tot het begin van de termijn.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 4 juni 1992 Stb. 315 (wetsvoorstel 21 221)

[bron: PG Awb I, p. 296-298]

Voorontwerp

1. Ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening:
a. nog niet tot stand was gekomen, maar de belanghebbende redelij­kerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was, of
b. reeds was tot stand gekomen, maar de termijn voor bezwaar of beroep nog niet was ingegaan.
2. De behandeling van het bezwaar of beroep kan worden aangehouden tot het begin van de termijn.

Tekst RvS

1. Ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening:
a. nog niet tot stand was gekomen, maar de belanghebbende redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was, of
b. reeds was tot stand gekomen, maar de termijn voor bezwaar of beroep nog niet was ingegaan.
2. De behandeling van het bezwaar of beroep kan worden aangehouden tot het begin van de termijn.

Voorstel van wet [6.2.4]

1. Ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening:
a. wel reeds tot stand was gekomen, of
b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kor menen dat dit wel reeds het geval was.
2. De behandeling van het bezwaar of beroep kan worden aange­houden tot het begin van de termijn.

Memorie van toelichting

In de praktijk komt het regelmatig voor dat beroep wordt ingesteld of bezwaar wordt gemaakt voor de aanvang van de daarvoor gestelde termijn. Dit kan het geval zijn, indien de belanghebbende reeds heeft gehoord dat een hem onwelgevallig besluit zal worden genomen voordat de formele besluitvorming of bekendmaking heeft plaats gehad. Ook komt het voor dat de termijn voor bezwaar of beroep niet aanstonds na het nemen van een besluit ingaat.
Door de meeste rechters en ook door de Kroon wordt het standpunt ingenomen dat een dergelijk voortijdig ingesteld beroep niet tot niet-ontvankelijkheid moet leiden; zo bij voorbeeld HR 12 oktober 1977, AB 1978, 104; m.n., KB 7 februari 1977, nr. 61, AB 1977, 197, m.n., en CRvB 20 oktober 1983, AB 1984, 2, m.n. Soms wordt ook langs meer informele weg een oplossing gezocht. De Afdeling rechtspraak heeft echter verschillende malen een voortijdig ingesteld beroep (of bezwaar) niet-ontvankelijk geoordeeld.
Het is gewenst om dit punt op ondubbelzinnige wijze te regelen. Daarbij wordt hier aansluiting gezocht bij de benadering van de meeste rechters. Als uitgangspunt wordt voorop gesteld dat de bezwaar- of beroepstermijn vooral de functie heeft om zekerheid te brengen over het tijdstip waarop een besluit rechtens onaantastbaar wordt. De rechtsze­kerheid wordt aldus gediend door het niet-ontvankelijk verklaren van een te laat ingesteld beroep.
Ten aanzien van een te vroeg ingesteld beroep geldt dit niet. Er bestaat daarom geen groot bezwaar tegen het ontvankelijk achten van een dergelijk beroep (zie de duidelijke overweging in dezelfde zin in HR 14 oktober 1975, AB 1976,126). Daarentegen kan het voor een belangheb­bende die te vroeg is met het indienen van een beroep- of bezwaar­schrift, grote problemen opleveren indien dit tot niet-ontvankelijkheid leidt. Veelal zal hij immers – in de mening dat hij een procedure aanhangig heeft gemaakt – nalaten nogmaals in beroep te gaan wanneer de termijn is aangevangen. Hij verliest dan zijn rechtsmiddel terwijl hij heeft aangegeven daarvan juist wel gebruik te willen maken. Veelal is ook begrijpelijk dat hij reeds beroep heeft ingesteld. Men denke aan het gebruik om een schriftelijke vooraankondiging van een nog te nemen beschikking toe te zenden, zoals bij de belastingdienst en bij subsidiebe­sluiten regelmatig gebeurt, of aan ingewikkelde termijnregelingen die tot gevolg hebben dat de termijn eerst enige tijd na het nemen van een besluit ingaat (zie artikel 9, derde lid, van de Wet Arob).
In het eerste lid wordt in aansluiting bij de jurisprudentie van verschil­lende rechters omschreven wanneer de niet-ontvankelijkverklaring achterwege moet blijven.
De bepaling in onderdeel a heeft betrekking op de situatie, dat het besluit al wel is genomen, maar de termijn nog niet is aangevangen. Dit kan zich voordoen doordat de toezending of officiële bekendmaking van het besluit nog niet heeft plaatsgehad. Gedacht kan worden aan de regeling van artikel 9, derde lid, van de Wet Arob, krachtens welke voor sommige belanghebbenden de termijn aanzienlijk later kan ingaan. Ook valt te denken aan de praktijk in fiscale zaken, waarin een aanslag wordt opgelegd waartegen pas vanaf een later moment bezwaar of beroep kan worden aangetekend.
De bepaling in onderdeel b handelt over het geval dat het besluit waartegen het bezwaar of beroep zich richt, nog niet tot stand is gekomen, doch de belanghebbende in de mening kan verkeren dat dit wel het geval was. Te denken valt aan de situatie, dat men een concept of de voordracht voor een besluit heeft aangezien voor het besluit zelf. Ook komt het voor dat een belanghebbende op grond van minder nauwkeurige berichten in de pers of op grond van een mededeling van een ambtenaar heeft geconcludeerd dat reeds een besluit tot stand is gebracht, terwijl dit (nog) niet het geval is. (Vgl. HR 12 oktober 1977, AB 1978, 104, m.n., hierboven reeds genoemd.)
De bepaling in onderdeel b geldt alleen voor het geval de belangheb­bende kon menen dat er reeds een besluit was genomen. Het komt bij voorbeeld voor dat een belastingplichtige bij zijn aangifte verklaart reeds bezwaar te maken voor het geval de inspecteur van zijn aangifte afwijkt. Indien men nog in het geheel niet kan weten in welke mate en waarom een besluit voor de betrokkene negatief uitvalt, kan nog niet op goede gronden van een rechtsmiddel gebruik worden gemaakt (vgl. in die zin gerechtshof ‘s-Gravenhage 8 juni 1977, BNB 1979/222).
Het tweede lid bepaalt dat de procedure eerst werkelijk behoeft aan te vangen wanneer de termijn is ingegaan. Eerst dan zal de nauwkeurige inhoud van het besluit op schrift bekend zijn. Van de indiener kan worden gevraagd op de voet van artikel 6.2.0a het besluit alsnog na te zenden. De bepaling is mede van belang voor het geval een termijn is gesteld voor de afhandeling van het bezwaar of beroep: die loopt niet zolang de behandeling niet is begonnen.
De bevoegdheid om de behandeling aan te houden tot het begin van de termijn heeft geen betrekking op de ontvangstbevestiging die krachtens artikel 6.2.7 gedaan moet worden.
Uiteraard kan, indien blijkt dat het betrokken besluit toch anders uitvalt dan de klager had gedacht, in ieder stadium aan de klager worden gevraagd of hij het bezwaar of beroep handhaaft; dit om een onnodige behandeling te voorkomen.

Nota van wijziging 

In artikel 6.2.4, eerste lid, onderdeel b, wordt het woord «kor» vervangen door: kon.

Toelichting NvW
Deze wijziging betreft het herstel van een kennelijke misstelling bij het ingediende ontwerp.

Share This