Artikel 6:12

1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden.

2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

3. Indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

4. Het beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 4 juni 1992 Stb. 315 (wetsvoorstel 21 221)

[bron: PG Awb I, p. 301-302]

[Eindtekst] Artikel 6:12 [6.2.6]
1. Indien het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is het niet aan een termijn gebonden.
2. Het bezwaar- of beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.
3. Het bezwaar of beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het bezwaar- of beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

Voorontwerp

1. Indien het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig beslissen op een verzoek, is het niet aan een termijn gebonden.
2. Het bezwaar- of beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig op het verzoek te beslissen.
3. Het bezwaar- of beroepschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het onredelijk laat is ingediend.

Tekst RvS = VvW, behoudens lid 3 dat in de Tekst RvS luidde:
Het bezwaar- of beroepschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het onredelijk laat is ingediend.

Advies RvS

Uit de toelichting op dit artikel valt niet af te leiden of rekening is gehouden met het feit dat in vele wetten een termijn van orde of een fatale termijn is voorgeschreven binnen welke het bestuursorgaan op een aanvraag moet beslissen. Daarop ware in te gaan.

Nader rapport

Naar aanleiding van het advies van de Raad is de toelichting op dit artikel verduidelijkt. Thans wordt uitdrukkelijk aangegeven dat net als bij artikel 6.1.3, aanhef en onderdeel b, van niet tijdig beslissen sprake is als het bestuursorgaan niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij gebreke daarvan, niet binnen redelijke termijn heeft beslist. Tevens is hierin aanleiding gevonden de toelichting op artikel 6.1.3, aanhef en onderdeel b, op een enkel punt te verduidelijken. Voorts is in beide onderdelen van de toelichting een onjuistheid bij het verwijzen hersteld.

Voorstel van wet

1. Indien het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag, is het niet aan een termijn gebonden.
2. Het bezwaar- of beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig op de aanvraag te beslissen.
3. Het bezwaar of beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het bezwaar- of beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

Memorie van toelichting

Aan dit artikel ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het niet nodig en ook niet erg redelijk is om de rechtzoekende slechts gedurende een betrekkelijk korte periode (bij voorbeeld zes weken) de gelegenheid te geven een rechtsmiddel aan te wenden tegen het uitblijven van een beslissing welke door het bestuur genomen behoort te worden. Wanneer het bestuur nalatig blijft tijdig te besluiten, moet de rechtzoekende wel de mogelijkheid hebben een rechtsmiddel aan te wenden, maar er is geen goede reden hem te verplichten zulks binnen de termijn te doen. Verkiest de rechtzoekende nog te wachten in de hoop of het vertrouwen dat – zij het tardief – het bestuur nog zal besluiten, dan dient de wet hem deze keuze mogelijk te maken. Waar (nog) geen behoefte gevoeld wordt aan het aanwenden van een rechtsmiddel, dient de wet niet tot het instellen van beroep of het indienen van een bezwaarschrift te prikkelen.
Voor de voorgestelde bepaling is daarom aansluiting gezocht bij artikel 33 van de Wet administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie en niet bij de oplossing die de wetgever in de Wet Arob koos (artikel 3 jo. artikel 9).
Net als voor de toepassing van artikel 6.1.3, aanhef en onderdeel b, is – overeenkomstig het in artikel 4.1.3.1, eerste lid, neergelegde beginsel ­ook van niet tijdig beslissen sprake, indien het bestuursorgaan niet binnen de bij wettelijke voorschrift bepaalde termijn of, bij gebreke daarvan, niet binnen redelijke termijn heeft beslist.
Omdat het noch gewenst noch nodig is de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen het uitblijven van een beslissing oneindig te doen zijn, schrijft het derde lid voor dat het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het onredelijk laat is ingesteld. Deze regel biedt daarmee tevens een afdoende waarborg tegen eventueel misbruik van procesrecht.

Voorlopig verslag II

[2.172] Bestaat niet het risico van dubbele procedures, doordat nadat tegen een fictieve weigering beroep is aangetekend een materiële beslissing (uitspraak op bezwaarschrift) wordt genomen, waartegen ook beroep wordt aangetekend? Op welke wijze zou kunnen worden bevorderd dat beide procedures kunnen worden samengevoegd, zo vroegen de commissies behoudens de leden van de P.v.d.A.‑fractie.
[2.173] Hoe moet in fiscalibus de term «onredelijk laat» worden opgevat?
[2.174] De leden van de S.G.P.-fractie vroegen of het geen aanbeveling verdient om in het derde lid een maximale termijn op te nemen. Het achterwege laten daarvan heeft immers een bepaalde onzekerheid tot gevolg.

Memorie van antwoord II

(2.172) Het risico van dubbele procedures, doordat na een beroep tegen een fictieve weigering een materiële beslissing (bijvoorbeeld een uitspraak op een bezwaarschrift) wordt genomen, waartegen eveneens beroep wordt ingesteld, wordt voorkomen door het vierde lid van artikel 6.2.12a. Dat bepaalt immers dat het bezwaar of beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag mede geacht wordt te zijn gericht tegen de materiële beslissing. Op die wijze wordt bereikt dat nog resterende bedenkingen tegen de alsnog genomen beslissing aan de orde komen bij het reeds ingestelde bezwaar of beroep tegen het niet tijdig beslissen. Er behoeft derhalve geen tweede procedure te worden ingezet.
(2.173) De term «onredelijk laat» in het derde lid van artikel 6.2.6 beoogt te voorkomen dat een bezwaar of beroep nog ontvankelijk is nadat de belanghebbende zolang heeft stilgezeten dat een ieder erop mocht vertrouwen dat hij van beroep zou afzien. Zonder deze bepaling zou de termijn voor bezwaar en beroep tegen het niet beslissen op een aanvraag geen einde nemen. Wanneer gezegd kan worden dat het bezwaar of beroep onredelijk laat is, zal van de omstandigheden afhangen. Het zal echter niet vlug worden aangenomen: men kan de belanghebbende in het algemeen niet verwijten dat hij stilzit omdat hij erop vertrouwt dat het bestuur nog wel zal voldoen aan zijn verplichting een besluit te nemen.
Het vorenstaande geldt uiteraard ook voor de fiscale procedures. Nu de termijn waarbinnen op een bezwaarschrift in belastingzaken moet worden beslist op 12 maanden is gesteld, zal men het beroep van de belastingplichtige niet onredelijk laat oordelen indien hij nog geruime tijd daarna op een beslissing van het bestuur blijft wachten.
(2.174) Het opnemen van een vaste maximumtermijn zou onzes inziens onvoldoende recht doen aan de diversiteit in de gevallen waarvoor de onderhavige regeling een rol kan spelen, om welke reden wij van oordeel zijn dat opneming daarvan geen aanbeveling verdient.

Nota van wijziging

Artikel 6.2.6 wordt gewijzigd als volgt:
In het eerste lid worden de woorden «het niet tijdig beslissen op een aanvraag» vervangen door: het niet tijdig nemen van een besluit.
In het tweede lid worden de woorden «tijdig op de aanvraag te beslissen» vervangen door: tijdig een besluit te nemen.

Toelichting Nota van wijziging
De vervanging van de term «het niet tijdig nemen van een beslissing op een aanvraag» door «het niet tijdig nemen van een besluit» hangt samen met de proble­matiek van het stilzitten van de overheid bij begunstigende ambtshalve beschikkingen. Verwezen zij naar het antwoord op vraag 2.149. Tevens wordt door de nieuwe redactie duidelijk dat de gelijkstelling ook geldt voor een beslissing op een bezwaarschrift, waarvoor de term «aanvraag» minder adequaat is. De artikelen 6.2.6, 6.2.8 en 6.2.12a worden hiermee in overeenstemming gebracht.

Dit artikel is met ingang van 1 oktober 2009 gewijzigd bij wet van 28 augustus 2009 Stb. 383  (wetsvoorstel 30 435, opgegaan in wetsvoorstel 29 934)

[Eindtekst]
1. Indien het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is het niet aan een termijn gebonden.
2. Het bezwaar- of beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.
3. Indien tegen het niet tijdig nemen van een besluit beroep openstaat met toepassing van afdeling 8.2.4a, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
4. Indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.
5. Het bezwaar of beroep is niet-ontvankelijk indien het bezwaar- of beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

Voorontwerp

Artikel 6:12 komt te luiden:
1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is het niet aan een termijn gebonden.
2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
3. Indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

Memorie van toelichting

Onderdeel A (artikel 6:12)
In het systeem van de Awb wordt het beroep wegens niet tijdig beslissen mogelijk gemaakt door artikel 6:2, aanhef en onderdeel b. Daar is bepaald dat het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften inzake beroep met een besluit wordt gelijkgesteld. Dit neemt niet weg dat de Awb ook thans reeds enkele bijzondere regels geeft voor een beroep wegens niet tijdig beslissen. Zo bepaalt artikel 6:12, eerste lid, dat een beroep wegens niet-tijdig beslissen niet aan een termijn is gebonden. Deze regel is gehandhaafd, zij het dat de redactie is aangepast aan het gegeven, dat bij niet tijdig beslissen voortaan geen bezwaar maar nog slechts beroep mogelijk zal zijn. Het grote voordeel van deze regel is dat een belanghebbende bij overschrijding van de beslistermijn kan besluiten – al dan niet in overleg met het bestuursorgaan – om het bestuursorgaan nog wat meer tijd te gunnen, zonder daarmee zijn recht te verspelen om later alsnog beroep wegens niet tijdig beslissen in te stellen.
In het nieuwe tweede lid van artikel 6:12 is het vereiste van een schriftelijke ingebrekestelling neergelegd (zie ook paragraaf 5 van het algemeen gedeelte van deze toelichting). Dit tweede lid brengt mee dat het beroep wegens niet tijdig beslissen kan worden ingesteld zodra aan twee voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats dient de beslistermijn inderdaad te zijn verstreken (artikel 6:12, tweede lid, onderdeel a). Indien dit niet het geval is, is het beroep te vroeg ingesteld en derhalve niet-ontvankelijk, tenzij de indiener redelijkerwijs kon menen dat de beslistermijn reeds was verstreken (artikel 6:10, eerste lid, onderdeel b).
In de tweede plaats dient de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk in gebreke te stellen. Daarbij dient hij het bestuursorgaan nog enige tijd te gunnen om alsnog te beslissen, anders heeft de ingebrekestelling immers geen zin. Terwille van de duidelijkheid is deze termijn gefixeerd op twee weken. Indien het beroep wordt ingesteld voordat deze termijn is verstreken, is het in beginsel prematuur en derhalve niet-ontvankelijk.
De termijn van twee weken vangt aan op de dag na die waarop de ingebrekestelling is verzonden. Indien een belanghebbende het bestuur op maandag 11 februari in gebreke stelt, is de eerste dag van de termijn dus dinsdag 12 februari. De laatste dag van de termijn is dan maandag 25 februari, zodat vanaf dinsdag 26 februari beroep wegens niet tijdig beslissen kan worden ingesteld. De ingebrekestelling dient schriftelijk te geschieden. De vraag in hoeverre ingebrekestelling langs elektronische weg mogelijk is,  zal in de toekomst kunnen worden beantwoord aan de hand van de voorgenomen afdeling 2.3 Awb, inzake elektronisch bestuurlijk verkeer (zie het Voorontwerp van Wet elektronisch bestuurlijke verkeer van 18 april 2001, te vinden op www.minjust.nl onder Beleid/Justitiethema’s/Awb).
De belanghebbende kan het bestuursorgaan in gebreke stellen zodra hij redelijkerwijs kan menen dat het bestuursorgaan in gebreke is. Het is dus niet mogelijk om bij een aanvraag of bezwaarschrift het bestuursorgaan al bij voorbaat in gebreke te stellen voor het geval niet tijdig zal worden beslist. Dan zou de ingebrekestelling immers zijn functie niet meer kunnen vervullen. Aan de inhoud van de ingebrekestelling zijn geen specifieke wettelijke eisen gesteld. Het spreekt echter vanzelf dat van een ingebrekestelling in de zin van de wet slechts sprake kan zijn, indien voldoende duidelijk is op welk te nemen besluit zij betrekking heeft.
Als de belanghebbende over het niet tijdig beslissen een schriftelijke klacht als bedoeld in artikel 9:4 Awb indient, is daarmee tevens voldaan aan het vereiste van schriftelijke ingebrekestelling. Het bestuursorgaan is dan in beginsel niet verplicht, maar wel bevoegd, de klacht als zodanig te behandelen, omdat beroep mogelijk is (artikel 9:8, eerste lid, aanhef en onderdeel d, Awb). Een goede behandeling van de klacht kan echter een gang naar de rechter voorkomen. Voorop staat overigens dat zo snel mogelijk alsnog een besluit moet worden genomen. Indien dit geschiedt, zal de klager in veel gevallen geen behoefte meer hebben aan een verdere behandeling van zijn klacht. Een en ander geldt mutatis mutandis ook, als een klacht bij de Nationale ombudsman is ingediend (zie de artikelen 14, aanhef en onderdeel g, en 16, aanhef en onderdeel c, Wet Nationale ombudsman.
Er zijn gevallen denkbaar waarin redelijkerwijs niet van belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan eerst in gebreke stelt. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als de zaak zozeer spoedeisend is, dat een ingebrekestelling niet kan worden afgewacht.
Er zij overigens op gewezen, dat een bestuursorgaan dat de wettelijke termijn voor het geven van een beschikking op aanvraag overschrijdt, ook zelf verplicht is de aanvrager daarop te wijzen en daarbij een zo kort mogelijke termijn te noemen binnen welke de beschikking alsnog zal worden gegeven (artikel 4:14 ). Naar aanleiding van laatstgenoemde informatie kan de belanghebbende beslissen of hij het bestuursorgaan al dan niet in gebreke zal stellen.
Het vierde lid komt, behoudens een redactionele aanpassing, overeen met het huidige artikel 6:12, derde lid. Wanneer een beroep wegens niet tijdig beslissen als onredelijk laat moet worden aangemerkt, hangt sterk van de omstandigheden van het geval af. Daarbij speelt een rol in hoeverre belanghebbende na het verstrijken van de beslistermijn over de zaak in contact is gebleven met het bestuursorgaan. Zo werd in ABRS 12-8-1999, AB 1999, 392 m.nt. MSV een ruim een jaar na het verstrijken van de beslistermijn ingesteld beroep niet als onredelijk laat aangemerkt, onder meer omdat belanghebbenden op grond van correspondentie met het bestuursorgaan gedurende dit jaar mochten verwachten dat alsnog een besluit zou worden genomen. In een zaak echter waarin een belanghebbende na de laatste brief van het bestuursorgaan ruim een jaar lang niets van zich liet horen en toen alsnog beroep instelde, werd dit beroep wel als onredelijk laat aangemerkt en daarom niet-ontvankelijk verklaard (CBb 16-4-1998, AB 1998, 289 m.nt. JHvdV).

Voorstel van wet 

[30 435]

Artikel 6:12 komt te luiden:
1. Indien het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is het niet aan een termijn gebonden.
2. Het bezwaar- of beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.
3. Indien tegen het niet tijdig nemen van een besluit beroep openstaat met toepassing van afdeling 8.2.4.a, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is.
4. Indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.
5. Het bezwaar of beroep is niet-ontvankelijk indien het bezwaar- of beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

Memorie van toelichting 

[30 435]

Artikel 6:12 is aangepast aan de situatie dat in bepaalde gevallen direct beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld wegens niet tijdig beslissen. Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt het vijfde lid technisch aan te passen. Terwille van de duidelijkheid is het artikel opnieuw vastgesteld.
In het systeem van de Awb worden het bezwaar en beroep wegens niet tijdig beslissen mogelijk gemaakt door artikel 6:2, aanhef en onderdeel b. Daar is bepaald dat het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften inzake bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld. Dit neemt niet weg dat de Awb ook thans reeds enkele bijzondere regels geeft voor een beroep wegens niet tijdig beslissen. Zo bepaalt artikel 6:12, eerste lid, dat bezwaar of beroep wegens niet-tijdig beslissen niet aan een termijn is gebonden. Het grote voordeel van deze regel is dat een belanghebbende bij overschrijding van de beslistermijn kan besluiten – al dan niet in overleg met het bestuursorgaan – om het bestuursorgaan nog wat meer tijd te gunnen, zonder daarmee zijn recht te verspelen om later alsnog bezwaar of beroep wegens niet tijdig beslissen in te stellen.
Nieuw in het derde lid is het vereiste van een schriftelijke ingebrekestelling (zie ook paragraaf 6 van het algemeen gedeelte van deze toelichting). Het derde lid brengt mee dat het beroep wegens niet tijdig beslissen kan worden ingesteld zodra aan twee voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats dient de beslistermijn inderdaad te zijn verstreken (artikel 6:12, derde lid, onderdeel a). Indien dit niet het geval is, is het beroep te vroeg ingesteld en derhalve niet-ontvankelijk.
In de tweede plaats dient de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk in gebreke te stellen. Daarbij dient hij het bestuursorgaan nog enige tijd te gunnen om alsnog te beslissen, anders heeft de ingebrekestelling immers geen zin. Terwille van de duidelijkheid is deze termijn gefixeerd op twee weken. Indien het beroep wordt ingesteld voordat deze termijn is verstreken, is het in beginsel prematuur en derhalve niet-ontvankelijk.
De termijn van twee weken vangt aan op de dag na die waarop de ingebrekestelling is verzonden. Indien een belanghebbende het bestuur op maandag 11 februari in gebreke stelt, is de eerste dag van de termijn dus dinsdag 12 februari. De laatste dag van de termijn is dan maandag 25 februari, zodat vanaf dinsdag 26 februari beroep wegens niet tijdig beslissen kan worden ingesteld. De ingebrekestelling dient schriftelijk te geschieden. De vraag in hoeverre ingebrekestelling langs elektronische weg mogelijk is, moet worden beantwoord aan de hand van afdeling 2.3 Awb (verkeer langs elektronische weg).
De belanghebbende kan het bestuursorgaan in gebreke stellen zodra hij redelijkerwijs kan menen dat het bestuursorgaan in gebreke is. Het is dus niet mogelijk om bij een aanvraag of bezwaarschrift het bestuursorgaan al bij voorbaat in gebreke te stellen voor het geval niet tijdig zal worden beslist. Dan zou de ingebrekestelling immers zijn functie niet meer kunnen vervullen. Aan de inhoud van de ingebrekestelling zijn geen specifieke wettelijke eisen gesteld. Het spreekt echter vanzelf dat van een ingebrekestelling in de zin van de wet slechts sprake kan zijn, indien voldoende duidelijk is op welk te nemen besluit zij betrekking heeft.
Als de belanghebbende over het niet tijdig beslissen een schriftelijke klacht als bedoeld in artikel 9:4 Awb indient, is daarmee tevens voldaan aan het vereiste van schriftelijke ingebrekestelling. Het bestuursorgaan is dan in beginsel niet verplicht, maar wel bevoegd, de klacht als zodanig te behandelen, omdat beroep mogelijk is (artikel 9:8, eerste lid, aanhef en onderdeel d, Awb). Naar huidig recht is een klacht die gericht is tegen niet tijdig beslissen, aan te merken als een bezwaarschrift. Indien geen bezwaar meer mogelijk is als gevolg van dit voorstel, zal de klacht voortaan als ingebrekestelling kunnen worden aangemerkt. Een goede behandeling van de klacht kan een gang naar de rechter voorkomen. Voorop staat overigens dat zo snel mogelijk alsnog een besluit moet worden genomen. Indien dit geschiedt, zal de klager in veel gevallen geen behoefte meer hebben aan een verdere behandeling van zijn klacht. Een en ander geldt mutatis mutandis ook, als een klacht bij de Nationale ombudsman is ingediend (zie de artikelen 14, aanhef en onderdeel g, en 16, aanhef en onderdeel c, Wet Nationale ombudsman).
Anders dan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de NVvR, de NOvA en de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs wensen, wordt voorlichting over de nieuwe beroepsmogelijkheid niet verplicht gesteld. Dat zou er immers op neerkomen dat een bestuursorgaan alle aanvragers van een beschikking nog voordat het een beschikking geeft, zou moeten wijzen op de mogelijkheid om bezwaar te maken of, voor de gevallen waarin dit wetsvoorstel van toepassing is, beroep in te stellen wanneer het niet tijdig de beschikking geeft. De Awb kent bij aanvragen echter niet de plicht voor een bestuursorgaan om een ontvangstbevestiging van de aanvraag te sturen. De baten van het doen van een dergelijke afzonderlijke mededeling wegen dan ook niet op tegen de administratieve lasten daarvan.
Indien een bestuursorgaan niet in gebreke is gesteld voordat beroep wordt ingesteld, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet van belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan eerst in gebreke stelt. Voor die gevallen bevat het nieuwe vierde lid een voorziening. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als de zaak zozeer spoedeisend is, dat een ingebrekestelling niet kan worden afgewacht.
Wanneer een beroep wegens niet tijdig beslissen als onredelijk laat moet worden aangemerkt, hangt sterk van de omstandigheden van het geval af. Daarbij speelt een rol in hoeverre belanghebbende na het verstrijken van de beslistermijn over de zaak in contact is gebleven met het bestuursorgaan. Zo werd in ABRS 12-8-1999, AB 1999, 392 m.nt. MSV een ruim een jaar na het verstrijken van de beslistermijn ingesteld beroep niet als onredelijk laat aangemerkt, onder meer omdat belanghebbenden op grond van correspondentie met het bestuursorgaan gedurende dit jaar mochten verwachten dat alsnog een besluit zou worden genomen. In een zaak echter waarin een belanghebbende na de laatste brief van het bestuursorgaan ruim een jaar lang niets van zich liet horen en toen alsnog beroep instelde, werd dit beroep wel als onredelijk laat aangemerkt en daarom niet-ontvankelijk verklaard (CBb16-4-1998, AB 1998, 289 m.nt. JHvdV).

Nota van verbetering

In artikel I, onderdeel D, wordt in artikel 6:12, derde lid, «afdeling 8.2.4.a» vervangen door: afdeling 8.2.4a.

Verslag

[30 435]

Onderdeel D (artikel 6:12)
De leden van de D66-fractie zouden de regering willen verzoeken om uitgebreider uit een te zetten wat de redenen zijn om de suggestie van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak om voorlichting over de beroepsmogelijkheden niet verplicht te stellen niet over te nemen. Voorts vragen zij de regering of zij nader kan beargumenteren waarom zij ervoor heeft gekozen de suggestie van de Nederlandse Orde van Advocaten om het begrip «onredelijk laat» te preciseren niet op te volgen.

Brief minister 16 mei 2006

Onderdeel D (artikel 6:12)
De leden van de D66-fractie zouden de regering willen verzoeken om uitgebreider uiteen te zetten wat de redenen zijn om de suggestie van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (hierna: NVvR) om voorlichting over de beroepsmogelijkheden niet verplicht te stellen niet over te nemen.
Voorts vragen zij de regering of zij nader kan beargumenteren waarom zij ervoor heeft gekozen de suggestie van de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: NOvA) om het begrip «onredelijk laat» te preciseren niet op te volgen.
Het verplicht stellen van voorlichting over beroepsmogelijkheden achten wij niet wenselijk, zo antwoorden wij deze leden. Zoals wij al in de toelichting bij het wetsvoorstel hebben aangegeven, kent de Awb niet de verplichting tot het sturen van ontvangstbevestigingen. Daar zou genoemd voorstel van de NVvR wel op neerkomen. Dat zou een grote administratieve lastenverzwaring betekenen die niet in verhouding staat tot het te dienen doel. Daarbij nemen wij in aanmerking dat overheden vandaag de dag vrijwel allemaal hun eigen internetsites hebben, waarop zij burgers in algemene zin kunnen voorlichten over hun beroepsmogelijkheden.
Het advies van de NOvA om de termijn van onredelijk laat te vertalen in een vaste termijn van vijf jaar is niet overgenomen. Het begrip «onredelijk laat» wordt nu al meer dan tien jaar gehanteerd in het derde lid van artikel 6:12 Awb, zonder dat datin de praktijk tot noemenswaardige problemen heeft geleid. Het fixeren van de termijn heeft als groot nadeel dat de omstandigheden van het geval niet meer bepalend zijn voor de vaststelling
dat sprake is van een onredelijk laat ingediend beroepschrift. In de meeste gevallen zal die termijn reeds eerder verstreken zijn dan na vijf jaar, zo blijkt uit de jurisprudentie (zie o.m. CRvB 4 oktober 2005, JB 2006, nr. 21 (vier jaar is onredelijk laat); ABRS 15 januari 2003, AB 2003/221 (vijfenhalf jaar is onredelijk laat); ABRS 20 februari 2002, JB 2002, nr. 113
(ruim vijf maanden is onredelijk laat); ABRS 16 maart 1999, AB 1999/214 (16 maanden is onredelijk laat); maar ook: ABRS 12 augustus 1999, AB 1999/392 en Vz ABRS 5 september 2002, JB 2002, nr. 318 (ruim twee jaar is niet onredelijk laat)), maar in uitzonderlijke gevallen wellicht ook wel eens later. Beslissend is, of het bestuur er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat de aanvrager geen prijs meer stelde op een besluit. Dit moet aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval worden beoordeeld.

Amend nr. 16, IV onderdeel Ca (29 934) (Fierens-van Schijndel), ter vervanging van nr. 12

Artikel 6:12 komt te luiden:
1. Indien het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is het niet aan een termijn gebonden.
2. Het bezwaar- of beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.
3. Indien tegen het niet tijdig nemen van een besluit beroep openstaat met toepassing van afdeling 8.2.4.a, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is.
4. Indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.
5. Het bezwaar of beroep is niet-ontvankelijk indien het bezwaar- of beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

Toelichting
Dit amendement strekt ertoe het wetsvoorstel 30 435 «beroep bij niet-tijdig beslissen» te incorporeren in wetsvoorstel 29 934 «dwangsom bij niet-tijdig beslissen». Beide wetsvoorstellen geven de aanvrager van een beschikking die niet binnen de daarvoor gestelde termijn wordt gegeven een middel om het bestuursorgaan alsnog tot (sneller) beslissen aan te zetten. Voor zover de onderdelen van wetsvoorstel 30 435 daarbij ongewijzigd konden blijven, worden ze hierna niet meer inhoudelijk toegelicht, daar dat al gebeurd is in de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 30 435. Een belangrijk verschil met wetsvoorstel 30 435 is wel, dat de burger door middel van dit amendement bij de rechter meteen een dwangsom kan krijgen; in wetsvoorstel 30 435 was daarvoor een tweede gang naar de rechter noodzakelijk, hetgeen ons nodeloos omslachtig voorkomt. Bij aanvaarding van dit amendement zal de burger bij een termijnoverschrijding niet alleen recht hebben op een dwangsom, maar ook de mogelijkheid hebben om beroep in te stellen bij de rechter. Dat is in tenminste drie situaties nuttig: – als er, nadat de maximale dwangsom van € 1260 is verbeurd, nog steeds geen besluit is; – als in het concrete geval, gelet op de belangen die op het spel staan, een hogere dwangsom dan € 1260 nodig is; – als het besluit zo spoedeisend is, dat niet kan worden afgewacht of de dwangsom effectief zal zijn.
Onderdeel IV
Deze onderdelen zijn grotendeels ongewijzigd overgenomen uit wetsvoorstel 30 435. Ze hangen samen met de nieuwe afdeling 8.2.4A (zie hierna punt V). Het derde lid van artikel 6:12 bepaalt dat aan het (directe) beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit een ingebrekestelling vooraf dient te gaan. Dit kan dezelfde ingebrekestelling zijn die in de dwangsomregeling is voorzien. Er zijn dus niet twee afzonderlijke ingebrekestellingen nodig. De wijziging van artikel 7:1, eerste lid, bewerkstelligt dat in de gevallen waarin afdeling 8.2.4a van toepassing is, niet meer eerst bezwaar behoeft te worden ingediend. De ingebrekestelling komt daar in die gevallen als het ware voor in de plaats.

Stemming 27 juni 2006, p. 95-5844

De voorzitter: Door de aanneming van het gewijzigde amendement-Fierens/Van Schijndel (stuk nr. 16, IV) worden de onderdelen Ca tot en met Cc ingevoegd.

Dit artikel is met ingang van 1 oktober 2009 gewijzigd bij wet van 27 augustus 2009, Stb. 383 (29 934) juncto artikel XXXIA van wet van 18 juni 2009 Stb. 384 (31 751) (alleen eindtekst opgenomen).

[Eindtekst] Artikel II, lid 2 t/m 5
2. In artikel 6:12, eerste lid, wordt «bezwaar of beroep» vervangen door: beroep.
3. Artikel 6:12, tweede lid, vervalt onder vernummering van het derde tot en met vijfde lid tot tweede tot en met vierde lid.
4. In artikel 6:12, tweede lid (nieuw), wordt de aanhef vervangen door: Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:.
5. In artikel 6:12, vierde lid (nieuw), wordt «bezwaar of beroep» vervangen door «beroep» en wordt «bezwaar- of beroepschrift» vervangen door: beroepschrift.

Zie Losse wijzigingen Artikel II (29 934)

Dit artikel is met ingang van 28 december 2009 gewijzigd bij wet van 12 november 2009 Stb. 2009, 503 (wetsvoorstel 31 579; Dienstenwet)

[Eindtekst] Artikel 6:12, eerste en tweede lid, komen als volgt te luiden:
1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden.
2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

Tegen het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking kan op grond van artikel 8:55f beroep worden ingesteld. Ingevolge artikel 7:1 Awb moet, alvorens beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, als regel eerst een bezwaarschrift worden ingediend bij het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen. Dit gold lange tijd ook in alle gevallen van niet tijdig beslissen. Als een bestuursorgaan te laat op een aanvraag besliste, moest de belanghebbende dus eerst een bezwaarschrift wegens niet tijdig beslissen indienen. Aangezien deze rechtsgang in de praktijk vaak niet bevredigend werkte is in de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (Kamerstukken 29 934) voorzien in de mogelijkheid om in bepaalde gevallen bij overschrijding van de primaire beslistermijn rechtstreeks de rechter te adiëren. Daarbij is artikel 6:12 in die zin aangepast dat beroep instellen wegens het niet tijdig nemen van een besluit eerst mogelijk is indien twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. De reden voor deze het stellen van deze eis was dat het niet meer dan redelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan eerst laat weten dat het bestuursorgaan naar zijn oordeel in gebreke is en dat deze eis ook elders in ons bestuursrechter wordt gesteld. Als voorbeeld kan worden verwezen naar artikel 12 van de Wet Nationale Ombudsman waarin is bepaald dat een klacht in beginsel niet in behandeling wordt genomen indien deze niet eerst aan het bestuur kenbaar is gemaakt.
Op het beroep tegen het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking is afdeling 8.2.4a van overeenkomstige toepassing. Deze afdeling bevat uitsluitend bepalingen over het beroep. Het vereiste van de ingebrekestelling voorafgaand aan het beroep is ten aanzien van beroepen die zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, in artikel 6:12 gesteld. Door de onderhavige wijziging geldt het vereiste van een voorafgaande ingebrekestelling eveneens bij beroepen tegen het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking.

 

 

 

 

Share This