Artikel 6:15

1.  Indien het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde bestuursrechter, wordt het, onder vermelding van de datum van ontvangst, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien in plaats van een bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd.
3. Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan is bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 4 juni 1992 Stb. 315 (wetsvoorstel 21 221)

[bron: PG Awb I, p. 304-306]

[Eindtekst] Artikel 6:15 [6.2.8]
1. Indien het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde administratieve rechter, wordt het, nadat daarop de datum van ontvangst is aange­tekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien in plaats van een bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd.
3. Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan is bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend indien:
a. geen juiste toepassing aan artikel 3:45 of artikel 6:23 is gegeven,
b. het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, of
c. de onbevoegdheid van het orgaan voor de indiener van het geschrift op een andere grond onduidelijk kon zijn.

Voorontwerp

1. Indien een bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde administratieve rechter, wordt het, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan de bevoegde instantie, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien in plaats van een bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd.
3. Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan is beslissend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, tenzij sprake is van grove nalatigheid of misbruik van procesrecht.

Tekst RvS

1. Indien een bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde administratieve rechter, wordt het, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan de bevoegde instantie, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien in plaats van een bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd.
3. Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan is beslissend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, tenzij sprake is van kennelijke nalatigheid of misbruik van procesrecht.

Advies RvS

De clausule «tenzij sprake is van kennelijke nalatigheid of misbruik van procesrecht» zal door haar vage karakter, naar het de Raad voorkomt in de praktijk tot problemen leiden. Ter bescherming van de belangen van derden zou de in deze bepaling neergelegde uitzondering alleen van toepassing dienen te zijn, indien bij het besluit geen of een verkeerde rechtsgang is vermeld.[1]

Nader rapport

Het bezwaar van de Raad overtuigt ons. Het heeft ons gebracht tot concretisering van de wettekst en aanpassing van de toelichting.[2]

Voorstel van wet

1. Indien het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde administratieve rechter, wordt het, nadat daarop de datum van ontvangst is aange­tekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan de bevoegde instantie, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien in plaats van een bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd.
3. Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan is bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend indien:
a. geen juiste toepassing aan artikel 3.5.5 of artikel 6.2.15 is gegeven,
b. het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag, of
c. de onbevoegdheid van het orgaan voor de indiener van het geschrift op een andere grond onduidelijk kon zijn.

Memorie van toelichting

In ons pluriforme stelsel van administratieve rechtsbescherming kan het gemakkelijk voorkomen dat een rechtzoekende bij een verkeerde administratieve rechter of een verkeerd beroepsorgaan beroep instelt. Weliswaar zal men doorgaans kunnen afgaan op de vermelding van de mogelijkheid van beroep of bezwaar bij de bekendmaking van besluiten door het bestuur, zoals dat in de artikelen 3.5.5 en 6.2.15 wordt voorge­schreven, maar niet voor alle denkbare situaties biedt de verplichting tot vermelding van openstaande rechtsmiddelen soelaas. Het kan voorkomen dat het bestuur dit (ten onrechte) vergeet, bijvoorbeeld omdat men het karakter van een besluit niet onderkend heeft. Denkbaar is ook dat het bestuur zich vergist en een foutieve beroepsmogelijkheid vermeldt. In geval van het uitblijven van een besluit biedt de genoemde verplichting vanzelfsprekend in het geheel geen oplossing.
Artikel 6.2.8 legt op alle bestuursorganen en administratieve rechters waarbij een beroep- of bezwaarschrift wordt ingediend, de verplichting om dit door te zenden naar het wel bevoegde orgaan. De verplichting geldt derhalve niet alleen voor bestuursorganen, maar ook voor administratiefrechterlijke colleges waarbij ten onrechte een bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend.
Dit voorschrift sluit aan bij bepalingen die reeds op verschillende plaatsen in de wetgeving voorkomen. Zo bevatten de artikelen 32a van de Wet op de Raad van State, 15 van de Wet Arob, 91 van de Beroepswet, 66 van de Ambtenarenwet en 6 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken voorschriften over het doorzenden van bij onbevoegde organen ingediende bezwaar- of beroepschriften.
Naast de door de wetgever opgelegde verplichtingen blijkt ook in de jurisprudentie wel het standpunt te worden ingenomen dat het een algemeen beginsel van behoorlijk procesrecht is dat foutief geadres­seerde bezwaar- of beroepschriften dienen te worden doorgezonden naar het juiste orgaan. Men zie bij voorbeeld Afd. rechtspraak 23 februari 1984, AB 1984, 362 m.n., waarin het ging om doorzending naar een ander orgaan van hetzelfde openbare lichaam. Ook daarbuiten wordt wel een verplichting tot doorzending aangenomen, waarbij mede een beroep wordt gedaan op de analoge toepassing van artikel 15 van de Wet Arob en artikel 68, tweede lid, Wet op de Raad van State. Men zie bijvoorbeeld Afd. rechtspraak 14 augustus 1980, tB/S jur. II, nr. 80.
Het is gewenst deze doorzendverplichting ten aanzien van bezwaar- en beroepschriften in algemene zin in de Awb te regelen. De achtergrond van de in wetgeving en jurisprudentie voor deelgebieden ontwikkelde regel is immers, dat de burger niet het slachtoffer dient te worden van de ingewikkelde bevoegdheidsregeling op het terrein van de rechtsbe­scherming. Het karakter van deze wet biedt de gelegenheid een derge­lijke regel op te nemen; een andere plaats is daarvoor moeilijk te vinden. In de toespraak van de eerste ondergetekende, waarbij de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht werd ingesteld (Stcrt. 1983, nr. 192), is dit dan ook als voorbeeld van een regeling genoemd die van de Awb wordt verwacht. Ook in de literatuur is een dergelijke algemene doorzendverplichting bepleit (zie bijvoorbeeld het rapport van de commissie-ABAR, blz. 421, Ten Berge-Tak, Nederlands administratief procesrecht, Zwolle 1983, nrs. 85 e.v.).
De bepaling regelt niet op welke wijze door het ten onrechte benaderde orgaan de beslissing dat er sprake is van onbevoegdheid moet worden vastgelegd. Dit zal door het desbetreffende orgaan zelf uitgemaakt moeten worden. Bij rechterlijke instanties is denkbaar dat ingeval van kennelijke onbevoegdheid de voorzitter of de griffier voor de doorzending zorg draagt. Bij lastiger zaken kan een uitspraak van het rechterlijk college noodzakelijk zijn. Ook dan zal in het vervolg niet meer volstaan kunnen worden met de uitspraak, dat het college niet bevoegd is om over de zaak te oordelen, maar zal tevens voor doorzending naar een andere rechter of een bestuursorgaan zorg gedragen moeten worden. De redactie van de bepaling houdt rekening met de mogelijkheid dat in gecompliceerde gevallen de beslissing tot onbevoegdverklaring goed voorbereid en gemotiveerd moet zijn, hetgeen tijd zal vergen. Anders dan in artikel 2.1.3, waar onverwijlde doorzending wordt voorge­schreven voor geschriften tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, wordt hier bepaald, dat de doorzending zo spoedig mogelijk geschiedt, dat wil zeggen zo spoedig als in het licht van een goede beslissing over de bevoegdheid verantwoord is.
De verplichting om de datum van ontvangst op een door te zenden beroepschrift aan te tekenen heeft betekenis voor de beoordeling van de vraag of het geschrift tijdig is ingediend. Ingevolge het derde lid dient namelijk de bevoegde instantie het doorgezonden geschrift in de drie in dat lid vermelde gevallen als tijdig ingediend te beschouwen, indien de indiening bij de onbevoegde instantie tijdig is geschied. Daarvoor is primair van belang de datum van ontvangst. Met het oog op de toepassing van de verzendtheorie, bedoeld in artikel 6.2.3, zal het in geval van twijfel aanbeveling verdienen, niet alleen het bezwaar- of beroepschrift maar ook de enveloppe mee te zenden. In de praktijk pleegt de enveloppe overigens ook thans veelal reeds deel uit te maken van het dossier van een zaak.
Er is reden een bij een onbevoegd orgaan tijdig ingediend geschrift te beschouwen als tijdig ingediend bij het bevoegde orgaan, indien de onjuiste indiening niet aan de indiener te wijten is. In het voorontwerp was dit als volgt tot uitdrukking gebracht. Het geschrift werd in beginsel als tijdig ingediend aangemerkt, tenzij de indiener nalatigheid of misbruik van procesrecht kon worden verweten. Deze uitzonderingsgronden zouden door hun te vage karakter in de praktijk evenwel tot problemen aanleiding kunnen geven. Ze zouden tot onnodige benadeling kunnen leiden van die belanghebbenden die niet op de hoogte zijn van bij een onbevoegd orgaan ingediend bezwaar- of beroepschrift en die daarom na afloop van de bezwaar- of beroepstermijn vertrouwen op de onaan­tastbaarheid van het besluit.
Daarom hebben wij ervoor gekozen, de bescherming van het derde lid concreter te formuleren. Het artikellid bevat niet meer een algemene regel met twee uitzonderingen, maar geeft in de onderdelen a, b en c de drie gevallen aan waarin de indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend is.
Dat is ingevolge onderdeel a in de eerste plaats het geval, indien het orgaan tegen welks beslissing het bezwaar of beroep zich richt, belang­hebbenden onjuist of in het geheel niet op de voorgeschreven wijze omtrent de bezwaar- en beroepsmogelijkheden heeft geïnformeerd. Bijvoorbeeld indien de indiener alleen mondeling geïnformeerd is of indien een verkeerde of zelfs in het geheel geen bezwaar- of beroepsmoge­lijkheid is vermeld.
De bescherming van het derde lid is ingevolge onderdeel b evenzeer van toepassing indien het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag beslist heeft. Ook dan immers kan de betrokkene moeilijk verweten worden dat hij zijn bezwaar- of beroepschrift bij een onbevoegd orgaan heeft ingediend.
Ten slotte zijn gevallen mogelijk waarin de bezwaar- of beroepsmoge­lijkheid weliswaar op de voorgeschreven wijze is vermeld, maar op een wijze die voor de betrokkenen toch nog onvoldoende duidelijk kan zijn. Zo zal de mededeling dat beroep mogelijk is bij de raad van beroep binnen welks rechtsgebied de betrokkene zijn woonplaats heeft, in sommige gevallen onvoldoende duidelijkheid verschaffen, omdat het in zijn geval voor twijfel vatbaar is wat zijn woonplaats is. Ook in dat geval zal, ingevolge onderdeel c, het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend zijn.
Wanneer het derde lid geen toepassing vindt, is de ontvangst bij het bevoegde orgaan beslissend.

Voorlopig verslag II

Zie Voorlopig verslag II bij artikel 6:14.

Memorie van antwoord II

Zie Memorie van antwoord II bij artikel 6:14.

Nota van wijziging

Artikel 6.2.8 wordt gewijzigd als volgt:
In het eerste lid worden de woorden «de bevoegde instantie» vervangen door: het bevoegde orgaan.
In het derde lid, onderdeel b, worden de woorden «het niet tijdig beslissen op een aanvraag» vervangen door: het niet tijdig nemen van een besluit.

Toelichting NvW 
In hoofdstuk 6 worden de woorden «orgaan» en «instantie» door elkaar gebruikt, waar steeds hetzelfde bedoeld is, namelijk een orgaan waarbij bezwaar of beroep kan worden ingesteld: het oorspronkelijk beslissende bestuursorgaan, of het orgaan waar administratief beroep wordt ingesteld of het rechterlijk orgaan, belast met administratieve rechtspraak. De terminologie is intern gestroomlijnd.

Dit artikel is met ingang van 1 april 2002 gewijzigd bij wet van 24 januari 2002 Stb. 53 (wetsvoorstel 26 523)

[Eindtekst] Artikel 6:15 [3]
Artikel 6:15, derde lid, komt te luiden:
3. Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan is bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

VvW [4]=Eindtekst

Memorie van toelichting

Artikel 6:15 regelt de zgn. doorzendplicht. Indien een bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of onbevoegde administratieve rechter, moet het ingevolge het eerste lid van artikel 6:15 «zo spoedig mogelijk» worden doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Ingevolge het derde lid van artikel 6:15 is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend indien: a. geen juiste toepassing aan artikel 3:45 (vermelding rechtsmiddelen door bestuursorgaan) of artikel 6:23 (vermelding mogelijkheid van beroep) is gegeven, b. het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, of c. de onbevoegdheid van het orgaan voor de indiener van het geschrift op een andere grond onduidelijk kon zijn. In de jurisprudentie is de plicht om zo spoedig mogelijk door te zenden een centrale rol gaan spelen bij de vraag of een beroep tijdig is ingediend, althans een termijnoverschrijding verschoonbaar is, en wordt onder zo spoedig mogelijk verstaan: doorzending binnen twee weken na ontvangst (Vz. ABRS 4 januari 1996, AB 1996, 213 en ABRS 24 april 1996, JB 1996, 156). De Commissie beval aan om met het oog op de kenbaarheid de jurisprudentiële invulling van het begrip zo spoedig mogelijk, in het eerste lid van artikel 6:15 Awb te codificeren, door die woorden aan te vullen met «, maar in elk geval binnen veertien dagen». In het kabinetsstandpunt is deze aanbeveling van de Commissie niet overgenomen, maar gekozen voor een verdergaande oplossing. Artikel 6:15 Awb is destijds opgenomen om de burger niet het slachtoffer te laten worden van de vaak ingewikkelde bevoegdheidsregelingen op het terrein van de rechtsbescherming. De aanbeveling van de Commissie zou de werking van dit artikel verduidelijken en past daardoor op zichzelf in deze gedachtegang, maar geeft aanleiding voor nieuwe complicaties (zie: N. Verheij, «Over snel doorzenden en snel appelleren», annotatie bij ABRS 24-4-1996, in: L.J.A. Damen e.a. (red.), Rechtspraak bestuursrecht: de annotaties 1995/1996, Den Haag 1997, blz. 121). Het is bij nader inzien beter de onderdelen a tot en met c van het derde lid van artikel 6:15 te laten vervallen, hetgeen via de thans voorgestelde wijziging wordt geregeld (zie ook het kabinetsstandpunt: blz. 43, 44). Dit onderdeel laat de onderdelen a tot en met c van het derde lid van artikel 6:15 vervallen. Hierdoor wordt het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan zonder meer bepalend voor de vraag of het bezwaar of beroepschrift tijdig is ingediend, tenzij sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Wij achten deze verruiming verantwoord, omdat uit de praktijk blijkt dat het merendeel van de bezwaar- en beroepschriften wordt ingediend bij het juiste orgaan. Voor de veel kleinere restcategorie vinden wij het niet noodzakelijk om de strikte formulering van de gronden in artikel 6:15, derde lid, te handhaven. Het bezwaar- of beroepschrift zal na wijziging dus bijna altijd ontvankelijk zijn, tenzij er sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Voor dit laatste kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie dat bij herhaling en willens en wetens een bezwaar-of beroepschrift bij het verkeerde orgaan wordt ingediend. De term «kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht» is ontleend aan artikel 8:75 en is opgenomen als een soort veiligheidsklep om misbruik van de geboden verruiming in artikel 6:15 Awb tegen te gaan. Wij achten deze wijziging voorts verantwoord in verband met de verplichting voor bestuursorganen om de rechtsmiddelen te vermelden op hun besluiten (waaronder het juiste orgaan waar een bezwaar- of beroepschrift kan worden ingediend; art. 3:45 Awb), waarbij volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze rechtsmiddelverwijzing zo concreet mogelijk moet zijn (ABRS 19-12-1997, nr. H01.96 1212). Hierdoor kan het aantal ingediende bezwaar- of beroepschriften bij onbevoegde organen gering zijn en zal niet vaak een beroep hoeven te worden gedaan op het (gewijzigde) derde lid van artikel 6:15 Awb. Een enkele keer gaat het ondanks de juiste rechtsmiddelvermelding fout, bijvoorbeeld indien in de haast de stukken in verkeerde enveloppen worden gestopt. (p. 16) De meeste wijzigingen in dit wetsvoorstel krijgen vanaf het moment van inwerkingtreding onmiddellijke werking. Dit laatste geldt niet voor de wijzigingen van artikel I, onderdelen D en G. Ten aanzien van artikel 6:15, derde lid, Awb (onderdeel D) wordt aldus voorkomen dat bestuursorganen op basis van het oude recht een bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk hebben verklaard, maar dat de bestuursrechter in beroep deze beslissing op het bezwaarschrift de niet-ontvankelijkheidsverklaring– moet vernietigen op basis van het dan geldende nieuwe recht.

Verslag

De leden van de PvdA-fractie vragen welke termijn precies wordt verstaan onder «zo spoedig mogelijk». Gelet op het ondoorzichtige karakter van de rechtsmachtsverdeling in het bestuursrecht is in de Awb een artikel 6.15 opgenomen. Deze doorzendplicht verplicht het bestuursorgaan waarbij bezwaar of beroep wordt ingesteld terwijl dat bij een ander orgaan dient te gebeuren, dit bezwaar of beroepsschrift door te zenden naar het orgaan dat op dit bezwaar of beroep dient te beslissen. Tot nu toe dient dit, op grond van jurisprudentie, binnen veertien dagen te gebeuren. Niet helemaal duidelijk is of de regering aan dit uitgangspunt een eind wil maken en de termijn voor doorzending niet meer zal gelden. De regering stelt als verdergaand voorstel voor om iedere indiening bij een onbevoegd orgaan thans te accepteren onder dezelfde voorwaarden die tot nu toe gelden voor de situaties onder 6.15 lid 3 a tot en met c. De leden van de VVD-fractie zouden graag toegelicht zien waarom het voorstel van de regering gelijktijdige codificatie van de jurisprudentie op artikel 6:15 in de weg zou staan. Deze leden vragen hoe de regering bij haar voorstel ten aanzien van artikel 6:15 de rechtszekerheidsbelangen van de ene belanghebbende afweegt tegen de rechtszekerheidsbelangen van een andere belanghebbende bij hetzelfde besluit waartegen bezwaar of beroep is ingesteld. Leidt het voorstel niet juist tot langduriger onzekerheid voor de andere belanghebbenden en verlenging van de procedures alvorens besluiten formele rechtskracht krijgen?
De door de regering voorgestelde verruiming van de regeling vervat in art. 6:15, derde lid, vormt naar de mening van de leden van de CDA-fractie tevens een vereenvoudiging en verduidelijking. Voor de niet talrijke gevallen van indiening van bezwaar- of beroepsschrift bij een «verkeerd» orgaan, wordt de termijn gesauveerd, doordat het tijdstip van indiening als bepalend wordt aangemerkt voor de vraag of het geschrift tijdig is ingediend. De clausule «behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht» achten deze leden juist, hoewel zij zich nauwelijks een situatie kunnen voorstellen dat iemand er belang bij heeft om een schriftuur bij het «verkeerde» orgaan in te dienen. Wellicht kan de bedoeling om tijd te rekken een motief vormen voor dergelijk gedrag. Is het juist, vragen deze leden, dat op het (bevoegde) orgaan, dat dus de schriftuur krijgt doorgezonden, de bewijslast rust van dit «kennelijk onredelijk gebruik». De leden van de SGP-fractie zouden graag een nadere motivering zien van de voorgestelde wijziging van artikel 6:15, derde lid, die tot gevolg heeft dat het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan zonder meer bepalend is voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend. Is het ook uit het oogpunt van rechtszekerheid voor derdebelanghebbenden juist om zo soepel om te gaan met gevallen van onjuiste toezending, ondanks goede rechtsmiddelvoorlichting?

Nota naar aanleiding van het verslag

De fractieleden van de PvdA vragen welke termijn precies wordt verstaan onder «zo spoedig mogelijk». De leden van de VVD-fractie vragen waarom het voorstel gelijktijdige codificatie van de jurisprudentie op artikel 6:15 in de weg zou staan. Uit de jurisprudentie volgt dat onder «zo spoedig mogelijk» wordt verstaan een termijn van twee weken. Wij hebben afgezien van het codificeren van deze termijn, omdat daarmee de indruk kan ontstaan dat bestuursorganen twee weken de tijd hebben om de stukken door te zenden. Naar onze mening moet dit in de meeste gevallen sneller kunnen. Voorts vragen de leden van de VVD-fractie hoe de regering de rechtszekerheidsbelangen van de ene belanghebbende afweegt tegen die van de andere belanghebbende, nu het voorstel volgens hen leidt tot langduriger onzekerheid en verlenging van procedures. De leden van de SGP-fractiestellen de vraag of het uit een oogpunt van rechtszekerheid voor derde-belanghebbenden bezien juist is om zo soepel om te gaan met gevallen van onjuiste toezending ondanks goede rechtsmiddelvoorlichting. De rechtszekerheid van de belanghebbende die niet in bezwaar of beroep komt, wordt door ons voorstel niet minder dan bij het huidige artikel 6:15. Thans kan er evenzeer onzekerheid bestaan over de rechtskracht van besluiten, zolang de ontvankelijkheid van een bezwaar- of beroepschrift niet is vastgesteld. Door ons voorstel daarentegen is een bij het verkeerde orgaan ingediend bezwaar of beroepschrift bijna altijd ontvankelijk, tenzij er sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. De fractieleden van het CDA kunnen instemmen met de voorgestelde wijziging van artikel 6:15. Zij vragen zich alleen af of de bewijslast voor het «kennelijk onredelijke gebruik van het procesrecht» rust op het bevoegde orgaan dat de schriftuur ingevolge artikel 6:15, eerste lid, krijgt doorgezonden. De bewijslast voor het «kennelijk onredelijke gebruik van het procesrecht» ligt inderdaad bij degene die het geschrift krijgt doorgezonden. Dit bevoegde orgaan zal namelijk de ontvankelijkheid van het bezwaar- of beroepschrift moeten vaststellen. De leden van de SGP-fractie zouden graag een nadere toelichting van «kennelijk onredelijke gebruik van het procesrecht» zien, mede in het licht van de jurisprudentie over artikel 8:75, eerste lid. Wij hebben afgezien van een nadere invulling van het begrip «kennelijk onredelijke gebruik van het procesrecht», omdat de betekenis van dit begrip van situatie tot situatie zal kunnen verschillen. Op het eerste gezicht lijkt het voor de hand te liggen dat dit begrip wordt ingevuld overeenkomstig de jurisprudentie over artikel 8:75, eerste lid, omdat daarin hetzelfde begrip wordt gehanteerd. Bij nadere beschouwing zien beide artikelen op verschillende situaties. Het kennelijk onredelijk beroep instellen (8:75) is iets anders dan het kennelijk onredelijk indienen van een bezwaar- of beroepschrift bij het verkeerde orgaan (6:15).

Aanvullend verslag

De regering stelt voor om artikel 6:15 (de zogenaamde doorzendplicht) zodanig te wijzigen dat het tijdstip voor indiening bij het onbevoegde orgaan zonder meer bepalend is voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, tenzij sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. De leden van de fractie van D66 merken op dat door deze wijziging de indiener in geval van bewust verkeerde indiening, niet zijnde kennelijk onredelijk gebruik, maar wel een correct procesverloop, wordt beschermd. Is dat wel redelijk? Voorts is het naar de mening van deze leden moeilijk om een «kennelijk onredelijk gebruik» te bewijzen. Voorziet de regering geen bewijsproblemen? Kan deze vage terminologie niet in de praktijk tot problemen leiden? Deze leden verzoeken de regering een aantal voorbeelden te geven van kennelijk onredelijk gebruik. Indien een burger gebruik maakt van een advocaat, is er dan bij verkeerd ingediende stukken altijd sprake van kennelijk onredelijk gebruik?

Nota naar aanleiding van het aanvullend verslag

De leden van de D66-fractie vroegen of het redelijk was dat ook iemand die een beroepschrift bewust verkeerd indient, maar niet kennelijk onredelijk handelt, door de voorgestelde wijziging van artikel 6:15 wordt beschermd. Ik meen van wel, daargelaten dat dergelijke gevallen in de praktijk zeldzaam zullen zijn. De strekking van de voorgestelde wijziging is om discussies over de al dan niet verwijtbaarheid van verkeerde indiening tot het absolute minimum te beperken. Dat is verantwoord, omdat uit de evaluatie is gebleken dat verkeerde indiening in de overgrote meerderheid van de gevallen niet verwijtbaar is. De uitzondering voor kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht is slechts bedoeld als «noodrem» voor gevallen van evident misbruik. Bij wijze van hypothetisch voorbeeld kan men denken aan een rechtshulpverlener die zou besluiten om op portokosten te besparen door alle bezwaar- en beroepschriften maar bij het gemeentehuis in zijn woonplaats te bezorgen. In dergelijke evidente gevallen zal van bewijsproblemen geen sprake zijn. Uit het voorgaande volgt, dat de vraag of verkeerde indiening door een advocaat altijd kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht oplevert, uitdrukkelijk met «neen» moet worden beantwoord. Ook advocaten maken vergissingen waarvan hun cliënten niet de dupe behoren te worden.

Wetgevingsoverleg

Zie algemeen

Handelingen II

Zie algemeen

Voorlopig verslag

(p.7) 1. Ten aanzien van de doorzending van een bezwaar- of beroepschrift tegen een besluit dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is bekendgemaakt, blijft artikel 6:15, derde lid, van de Algemene wet van bestuursrecht zoals dat luidde voor dat tijdstip van toepassing.

Memorie van antwoord

In antwoord op de desbetreffende vraag van de leden van de CDA-fractie merk ik op dat de voorgestelde wijziging van artikel 6:15 niet berust op de opvatting, dat de eigen verantwoordelijkheid van de burger in het bestuursrecht principieel anders zou moeten worden gezien dan in het privaatrecht. De voorgestelde wijziging is uitsluitend ingegeven door praktische overwegingen. Het komt voor dat een bezwaar- of beroepschrift ondanks een correcte rechtsmiddelverwijzing bij het verkeerde orgaan wordt ingediend. Uit de evaluatie van de Awb blijkt, dat dit in de praktijk zelden of nooit het gevolg is van «verregaande onachtzaamheid en slordigheid» aan de zijde van de burger, zoals deze leden vrezen, maar vrijwel steeds van eenvoudige administratieve vergissingen. Op een druk secretariaat van een advocatenkantoor wordt bijvoorbeeld per ongeluk een verkeerde adressticker op een envelop geplakt. Onder die omstandigheden is niet-ontvankelijkheid van het bezwaar of beroep soms een onevenredig zware sanctie. Daarbij komt, dat het huidige artikel 6:15 en de daarover gevormde jurisprudentie, hoewel principieel verdedigbaar, onevenredig gecompliceerd zijn in verhouding tot de geringe ernst van het probleem. Daarom achten wij de voorgestelde regeling, al is zij principieel gezien wellicht aan de royale kant, gewenst en verantwoord.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd bij wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682 (Wet aanpassing bestuursprocesrecht; kamerstukken 32 450)

[Eindtekst] In artikel 6:15, eerste lid, wordt «bij een onbevoegde administratieve rechter» vervangen door: bij een onbevoegde bestuursrechter.

VO = VvW

Voorstel van wet

In artikel 6:15, eerste lid, wordt “bij een onbevoegde administratieve rechter” vervangen door: bij een onbevoegde bestuursrechter.

Memorie van toelichting

Zie Memorie van toelichting bij artikel 4:125.

Dit artikel is met ingang van 12 juni 2017 gewijzigd bij wet van 13 juli 2016, Stb. 2016, 288 (wetsvoorstel 34 059)

[Eindtekst] In artikel 6:15, eerste lid, wordt «nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend» vervangen door: onder vermelding van de datum van ontvangst.

VO=VvW

Memorie van toelichting

Artikel 6:15 regelt de verplichting om onjuist geadresseerde en ingezonden bezwaar- of beroepschriften door te zenden naar het wel bevoegde orgaan. In de oorspronkelijke tekst stond dat het orgaan dat het bezwaar- of beroepschrift doorzendt, daarop de datum van ontvangst van het bezwaar- of beroepschrift dient aan te tekenen. Bij doorzending van digitaal ontvangen bezwaar- of beroepschriften ligt dit niet in de rede. Daarom wordt in het artikel techniek-neutraal bepaald dat bij de doorzending wordt vermeld op welke datum het document is ontvangen. Bij bezwaar- en beroepschriften die per gewone post worden doorgezonden kan de datum derhalve nog steeds op het papieren exemplaar worden aangetekend. Overigens kan hierbij nog worden opgemerkt dat onjuiste adressering zich niet goed meer laat denken bij beroepschriften die op een centraal digitaal adres van de rechtspraak moeten worden ingediend.

 


[1] Zie tevens Advies RvS bij artikel 2:3.
[2] Zie tevens Nader rapport bij artikel 2:3.
[3] Ten aanzien van de doorzending van een bezwaar- of beroepschrift tegen een besluit dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is bekendgemaakt, blijft artikel 6:15, derde lid, van de Algemene wet van bestuursrecht zoals dat luidde voor dat tijdstip van toepassing.
[4] Ten aanzien van de doorzending van een bezwaar- of beroepschrift tegen een besluit dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is bekendgemaakt, blijft artikel 6:15, derde lid, van de Algemene wet van bestuursrecht zoals dat luidde voor dat tijdstip van toepassing.

 

 

 

Share This