Artikel 6:19

1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
2. Het eerste lid geldt ook indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft ingetrokken, gewijzigd of vervangen.
3. Het bestuursorgaan stelt het nieuwe besluit onverwijld ter beschikking aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.
4. Indien een ander orgaan een bezwaar- of beroepschrift tegen het nieuwe besluit ontvangt, zendt het dit met toepassing van artikel 6:15, eerste en tweede lid, door.
5. De bestuursrechter kan het beroep tegen het nieuwe besluit echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.
6. Intrekking of vervanging van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft. 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 4 juni 1992 Stb. 315 (wetsvoorstel 21 221)

[bron: PG Awb I, p. 308-310]

[Eindtekst] Artikel 6:19 [6.2.12]
1. Indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, wordt het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.
2. De beslissing op het bezwaar of beroep tegen het nieuwe besluit kan echter worden verwezen naar een ander orgaan waarbij bezwaar of beroep tegen dat nieuwe besluit aanhangig is, dan wel kan of kon worden gemaakt.
3. Intrekking van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernie­tiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

Voorontwerp

1. Indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6.2.11, wordt het bezwaar of beroep geacht mede gericht te zijn tegen het nieuwe besluit.
2. De beslissing op het bezwaar of beroep tegen het nieuwe besluit kan echter worden verwezen naar een ander orgaan, indien blijkt dat bij dat orgaan bezwaar of beroep tegen dat nieuwe besluit aanhangig is gemaakt.
3. Het bestreden besluit kan na de intrekking ervan alsnog worden vernietigd indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

Tekst RvS

1. Indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6.2.11, wordt het bezwaar of beroep geacht mede gericht te zijn tegen het nieuwe besluit.
2. De beslissing op het bezwaar of beroep tegen het nieuwe besluit kan echter worden verwezen naar een ander orgaan waarbij bezwaar of beroep tegen dat nieuwe besluit aanhangig is, kan of kon worden gemaakt.
3. Het bestreden besluit kan na de intrekking ervan alsnog worden vernietigd indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

Advies RvS

Artikel 6.2.12, eerste lid Het is de Raad opgevallen dat deze bepaling heel algemeen luidt en derhalve ook van toepassing is, indien bij het nieuwe besluit de wensen van de bezwaarde worden ingewilligd. Dit is onjuist: beoor­deling door het op bezwaar of in beroep beslissende orgaan van een nieuw besluit van bedoelde strekking kan de bezwaarde nooit voordelen brengen. De in concreto altijd te bezigen constructie van een verwerping van het beroep wegens het ontbreken van belang is hier oneigenlijk en omslachtig. Voor het zoeken van een oplossing in het vragen van intrekking van het (niet ingestelde) beroep geldt hetzelfde. Het is de wetgever die hier een zo bruikbaar mogelijke (algemene) regel dient te geven. Derhalve ware het eerste lid aan te vullen.

Artikel 6.2.12, derde lid Als er nog een belang is bij vernie­tiging van het bestreden besluit ondanks intrekking, zal altijd een beoordeling van dit besluit moeten plaatsvinden. Naar het oordeel van de Raad is dit in deze bepaling niet juist geformuleerd.

Nader rapport

Artikel 6.2.12, eerste lid Aan de suggestie van de Raad is gevolg gegeven, in overeenstemming met de bedoeling van het voorontwerp zoals die uit de toelichting op dat ontwerp blijkt.

Artikel 6.2.12, derde lid De Raad gaat er klaarblijkelijk van uit dat «kan» in de wettekst impli­ceert dat het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist, geheel vrij is ondanks gebleken onrechtma­tigheid of onjuistheid niet tot vernie­tiging over te gaan. De bedoeling van deze bepaling is evenwel, vast te leggen dat het orgaan, indien de indiener daarbij belang heeft, na gebleken onjuistheid of onrechtma­tigheid toch tot vernietiging mag, en in beginsel ook dient, over te gaan, hoewel het bestreden besluit al is ingetrokken. De wettekst is op dit punt verduidelijkt.

Voorstel van wet

1. Indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6.2.11, wordt het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.
2. De beslissing op het bezwaar of beroep tegen het nieuwe besluit kan echter worden verwezen naar een ander orgaan waarbij bezwaar of beroep tegen dat nieuwe besluit aanhangig is, kan of kon worden gemaakt.
3. Intrekking van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernie­tiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroep­schrift daarbij belang heeft.

Memorie van toelichting

Teneinde te voorkomen dat rechtsbeschermingsmogelijkheden verloren gaan als gevolg van de besluiten, genoemd in artikel 6.2.11, bevat dit artikel drie voorzieningen.
In de eerste plaats wordt bepaald dat het bezwaar of beroep mede die andere besluiten zal betreffen (eerste lid). Daarmee wordt voorkomen dat zij bij gebrek aan nieuwe activiteit van de kant van de appellant rechtens onaantastbaar worden. In de procedure kan nu het geheel van samen­hangende besluiten worden beoordeeld. Het heeft geen zin het nieuwe besluit in de beoordeling te betrekken, indien dat volledig tegemoet komt aan hetgeen de indiener met zijn bezwaar of beroep wilde bereiken. Daarom is uitdrukkelijk bepaald dat in dit geval het bezwaar of beroep niet geacht wordt mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit. Dat stemt overeen met de strekking van het voorontwerp, zoals die uit de memorie van toelichting bleek; in de tekst van het voorontwerp zelf kwam deze uitzondering niet uitdrukkelijk voor.
In het tweede lid wordt een voorziening geboden voor het geval dat tegen een besluit beroep is aangetekend, welk besluit tijdens dat beroep wordt gewijzigd; indien nu door een belanghebbende bijvoorbeeld een bezwaarschriftprocedure tegen die wijziging wordt begonnen, zijn tegelij­kertijd twee procedures – bezwaar en beroep – aanhangig over inhou­delijk een en dezelfde zaak. In dat geval kan het beroepsorgaan de behandeling van de zaak verwijzen naar het orgaan dat op het bezwaar beslist; daarna kan dan eventueel het geheel aan de orde komen in de beroepsfase. Ook in andere gevallen – bijvoorbeeld in geval van hoger beroep of beroep in cassatie – kan een goede rechtsbedeling erbij gebaat zijn, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, dat verwijzing naar het primair bevoegde orgaan plaatsvindt. Het tweede lid geeft hiervoor de ruimte.
Het derde lid tenslotte maakt het mogelijk de procedure tegen het oorspronkelijke besluit voort te zetten, ook al is dat inmiddels ingetrokken. Daaraan kan behoefte bestaan. Men denke aan het geval waarin een vergunning voor een café met onmiddellijke ingang wordt ingetrokken en waarin met bestuursdwang wordt gedreigd om een en ander kracht bij te zetten. Wordt hangende de procedure het besluit tot intrekking weer ingetrokken, dan mag het café uiteraard weer open. Maar de appellant kan er groot belang bij hebben dat de onjuistheid van de intrekking van de vergunning alsnog wordt vastgesteld. Alleen in dat geval kan hij bij voorbeeld schadevergoeding toegekend krijgen, hetzij van de administratieve rechter (art. 58b, vierde lid, jo. 99, derde lid, van de Wet op de Raad van State), hetzij van de gewone rechter. Daarom bepaalt het derde lid dat intrekking tijdens de procedure niet aan vernie­tiging in de weg staat. Vernietiging zal in beginsel steeds dienen plaats te vinden indien de onjuistheid of onrechtmatigheid van het ingetrokken besluit is vastgesteld en de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

Derde nota van wijziging

In artikel 6.2.12, tweede lid, wordt na «aanhangig is,» ingevoegd: dan wel.

Toelichting Derde NvW
Deze wijziging betreft een redactionele verbetering.

Voorlopig verslag I

Kan een belang dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift heeft bij de vernietiging van een inmiddels ingetrokken besluit – zie artikel 6.2.12 sub 3 – ook uitsluitend gelegen zijn in zijn wens vergoeding van proceskosten en/of enig vast recht te verkrijgen?

Memorie van antwoord I

Inderdaad kan het belang van bij vernietiging van een reeds ingetrokken besluit gelegen zijn in de in verband met een procedure gemaakte kosten (vgl. bijv. CBB 29-7-1983, SEW 1984, blz. 560). Wat het griffierecht betreft zij er overigens op gewezen dat dit ook aan appellant wordt vergoed indien hij zijn beroep intrekt omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan zijn bezwaren tegemoet is gekomen (vgl. bijv. art. 73, vijfde lid, Wet op de Raad van State en art. 56, vijfde lid, Wet Arbo).

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd bij wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682 (Wet aanpassing bestuursprocesrecht; kamerstukken 32 450)

[Eindtekst]
1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
2. Het eerste lid geldt ook indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft ingetrokken, gewijzigd of vervangen.
3. Het bestuursorgaan doet onverwijld mededeling van het nieuwe besluit aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.
4. Indien een ander orgaan een bezwaar- of beroepschrift tegen het nieuwe besluit ontvangt, zendt het dit met toepassing van artikel 6:15, eerste en tweede lid, door.
5. De bestuursrechter kan het beroep tegen het nieuwe besluit echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.
6. Intrekking of vervanging van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

Voorontwerp

Artikel 6:19 komt te luiden:
1. Indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, heeft het bezwaar of beroep mede betrekking op het nieuwe besluit, tenzij het bestuursorgaan daarmee geheel aan het bezwaar of beroep tegemoet komt.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het bezwaar of beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18.
3. Indien een ander orgaan een bezwaar- of beroepschrift tegen het nieuwe besluit ontvangt, zendt het dit met toepassing van artikel 6:15, eerste en tweede lid, door.
4. De bestuursrechter kan het beroep tegen het nieuwe besluit echter verwijzen naar een ander orgaan, indien de behandeling van de zaak door dat orgaan gewenst wordt geacht.
5. Intrekking van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

Advies RvS

4. Intrekkings- en wijzigingsbesluiten hangende bezwaar, beroep en hoger beroep
Ingevolge artikel 6:19 Awb wordt het bezwaar of beroep mede geacht te zijn gericht tegen het na de vernietiging genomen besluit, tenzij dat aan betrokkene geheel tegemoetkomt. Dit bezwaar of beroep ontstaat van rechtswege. Het is aan de instantie waar het bezwaar of beroep wordt behandeld, om het van rechtswege gegenereerde bezwaar of beroep zelf te behandelen, dan wel te verwijzen.
a. De NVvR heeft bepleit de artikelen 6:18 en verder slechts van toepassing te verklaren in beroep en hoger beroep en die bepalingen naar hoofdstuk 8 over te brengen, zodat de procesrechtelijke functie ervan meer centraal zou komen te staan. Daarnaast heeft zij erop gewezen dat de formulering van de huidige en voorgestelde regeling niet op de bezwaarschriftprocedure is toegesneden. De Raad adviseert hieraan nadere aandacht te besteden.
b. Het voorgestelde artikel 6:19, tweede lid, strekt tot codificatie van bestaande jurisprudentie en bepaalt dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is, indien het bezwaar of beroep is ingesteld, nadat het nieuwe besluit is genomen. Omdat deze regel reeds volgt uit het eerste lid en uit de voorgestelde redactie bovendien niet blijkt dat vereiste voor toepassing ervan is dat het rechtsmiddel tegen het eerste besluit ontvankelijk is, adviseert de Raad de bepaling achterwege te laten.
c. Volgens de toelichting, paragraaf 2.2.5, roept de huidige redactie van artikel 6:19, eerste lid, vragen op, indien het bestuursorgaan hoger beroep instelt tegen de uitspraak van de rechtbank, waarbij zijn besluit is vernietigd. Daarom is voor een meer neutrale redactie gekozen. De bepaling is van overeenkomstige toepassing in hoger beroep (artikel 6:24). Daarnaast geeft het voorgestelde artikel 8:102, eerste lid, een regeling voor het geval het desbetreffende besluit hangende hoger beroep wordt genomen. Nu volgens het voorstel het hoger beroep in titel 8.5 wordt geregeld, adviseert de Raad te volstaan met artikel 8:102, eerste lid.
d. Het voorgestelde artikel 8:102 bepaalt dat het beroep tegen het nieuwe besluit wordt behandeld door de instantie, waar het hoger beroep dient, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Het voorstel roept vragen op. Niet duidelijk is, wie met “partijen” wordt bedoeld, omdat ook anderen dan de insteller van het hoger beroep of het bestuursorgaan belang kunnen hebben bij een voorziening tegen het vervangende besluit. Hoewel het niet de bedoeling zal zijn om een beroep van rechtswege te genereren ten behoeve van een derde die zelf geen hoger beroep heeft ingesteld, sluit de bepaling dat niet uit. Evenmin is duidelijk, aan welke belangen moet worden gedacht en waarom is gekozen voor een van het huidige artikel 6:19 afwijkende formulering van de bepaling. Voorts wordt niet toegelicht, waarom de bestaande bevoegdheid van de appelrechter om het beroep aan de rechtbank ter behandeling door te sturen, indien hij dat wenselijk acht, vervalt. In de praktijk wordt van deze bevoegdheid, die wel is voorzien voor de rechtbank (het huidige artikel 6:19, tweede lid), regelmatig gebruik gemaakt. Er is dus reden om aan te nemen dat zij in een behoefte voorziet.
e. Ingevolge artikel 8:13a van het initiatiefvoorstel-Wet bestuurlijke lus Awb verwijst de rechtbank de bij haar aanhangige zaak naar de bestuursrechter die toepassing aan artikel 8:51a heeft gegeven.[1] Deze bepaling wijkt, zowel wat plaats als wat formulering betreft, af van het voorstel. De Raad adviseert het voorstel daarmee af te stemmen. De conclusie is dat het voorstel weinig overzichtelijk is. De Raad adviseert de voorgestelde regeling te vervangen door een alomvattende regeling voor het zogenoemde meeliftberoep[2] en het beroep van rechtswege.

Nader rapport

4a. Onder punt 1b heb ik reeds toegelicht waarom de huidige artikelen 6:18 en 6:19 (artikel 6:19 nieuw) ook bij de afwikkeling van bestuurlijke voorprocedures een toegevoegde waarde kunnen hebben. Doordat de bepalingen gelden voor zowel bezwaar als beroep is hun formulering inderdaad niet specifiek toegesneden op de bezwaarschriftprocedure, maar dat nadeel weegt niet op tegen de voordelen van een beknopte en overkoepelende regeling.
4b. Aan de Raad kan worden toegegeven dat de formulering van het huidige eerste lid van artikel 6:19 kennelijk niet in de weg heeft gestaan aan de jurisprudentie die het voorgestelde tweede lid beoogt te codificeren. Dat neemt echter de wenselijkheid van de met het tweede lid beoogde verduidelijking niet weg.
Artikel 6:19 (nieuw) is op zichzelf ook van toepassing indien het bezwaar of (hoger) beroep niet-ontvankelijk is, maar een niet-ontvankelijk bezwaar kan niet leiden tot een inhoudelijke heroverweging (in bezwaar) of toetsing (in beroep) van het ‘6:19-besluit’. Deze regel geldt zowel voor het eerste als het tweede lid.
4c. Zoals ik al vermeldde in mijn reactie op onderdeel 1b, heeft het advies mij aanleiding gegeven om alsnog een alomvattende regeling voor te stellen voor het zogenoemde meeliftberoep en het beroep van rechtswege. Die regeling (artikel 6:19 nieuw) vervangt onder andere het aanvankelijk voorgestelde artikel 8:102.
4d. Wat betreft hoger beroep bedoelt artikel 6:19, eerste lid (nieuw), met “partijen”: de partij die een bestuursrechtelijk rechtsmiddel (zoals beroep of hoger beroep) tegen het vervangende besluit heeft aangewend, het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen, alsmede de personen die op grond van artikel 8:26, eerste lid, aan het geding in hoger beroep deelnemen (zoals degene wiens vergunning ter discussie staat).
Artikel 6:19, eerste lid (nieuw), bedoelt met “belang”: procesbelang. Hierbij moet met name worden gedacht aan een tweepartijengeschil waarin het bestuursorgaan alsnog geheel tegemoetkomt aan hetgeen de belanghebbende in het beroep bij de rechtbank heeft gevraagd. Immers, in zo’n geval heeft de belanghebbende gekregen wat hij wil (bijvoorbeeld: de gevraagde uitkering of subsidie), terwijl de hogerberoepsrechter – als ook het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld – redelijkerwijs slechts kan oordelen dat het bestuursorgaan zijn grieven tegen de aangevallen uitspraak heeft laten varen (anders had het bestuursorgaan de afwijzing van de aanvraag van de belanghebbende nogmaals in stand gelaten).
Het onderbrengen van de regeling van artikel 8:102 in artikel 6:19, eerste lid (nieuw), komt tegemoet aan de opmerking van de Raad over het verschil in formulering.
Voor het overige verwijs ik naar mijn reactie op hetgeen de Raad hierna, onder punt e, heeft opgemerkt.
4e. Het advies van de Raad over artikel 8:13a is gevolgd, door de inhoud van dat artikel onder te brengen in artikel 6:19 (nieuw). Met die bepaling geef ik tevens gevolg aan het advies van de Raad om een alomvattende regeling voor te stellen voor het meeliftberoep en het beroep van rechtswege. Artikel 6:19 (nieuw) vervangt de huidige artikelen 6:18, 6:19 en 8:13a, en maakt het eerder voorgestelde artikel 8:102 overbodig.

Voorstel van wet 

Artikel 6:19 komt te luiden:
Artikel 6:19
1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
2. Het eerste lid geldt ook indien het bezwaar of beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft ingetrokken, gewijzigd of vervangen.
3. Het bestuursorgaan deelt de intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit onverwijld mee aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.
4. Indien een ander orgaan een bezwaar- of beroepschrift tegen het nieuwe besluit ontvangt, zendt het dit met toepassing van artikel 6:15, eerste en tweede lid, door.
5. De bestuursrechter kan het beroep tegen het nieuwe besluit echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.
6. Intrekking of vervanging van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

Memorie van toelichting

2. Vervangende besluiten hangende bezwaar of beroep (artikel 6:19 nieuw)
Het komt vaak voor dat een bestuursorgaan een besluit hangende bezwaar of beroep wijzigt. Voor zover dit – bijvoorbeeld – gebeurt om een fout te herstellen of om rekening te houden met inmiddels gewijzigde omstandigheden, kan deze handelwijze bijdragen aan een definitieve geschilbeslechting binnen een redelijke termijn. Vóór de invoering van de Awb leidde een dergelijke handelwijze echter regelmatig tot verlies van rechtsbescherming, doordat belanghebbenden zich niet altijd bewust waren dat het nodig was om tegen het nieuwe besluit afzonderlijk opnieuw bezwaar te maken of beroep in te stellen. Daarom bevat de Awb in de artikelen 6:18 en 6:19 een belangrijke voorziening voor dit soort gevallen.
De belanghebbende tegemoetkomt. Op deze wijze behoudt het bestuursorgaan de vrijheid tot het terugnemen of wijzigen van een besluit zonder afbreuk te doen aan rechtsbescherming van belanghebbenden.
Uit de eerste evaluatie van de Awb bleek dat de artikelen 6:18 en 6:19 Awb in de praktijk regelmatig leidden tot complicaties. Het leek de onderzoekers toen nog te vroeg om over te gaan tot wetswijziging. Zij betwijfelden het nut van de voorschriften niet, maar adviseerden wel een nadere studie naar de werking van deze artikelen te verrichten. Na enige jaren zou dan een wetswijziging ter hand kunnen worden genomen.[3] De Evaluatiecommissie Awb I (Commissie-Polak) nam deze aanbevelingen over.[4] In het kader van de tweede evaluatie van de Awb is uitgebreid onderzoek gedaan naar de werking van de artikelen 6:18 en 6:19 in de fase van het hoger beroep.[5] Op basis hiervan deed de Evaluatiecommissie Awb II (Commissie-Boukema) in haar eindrapport enkele aanbevelingen.[6]

Inmiddels heeft de jurisprudentie voor veel van de in de praktijk gesignaleerde knelpunten passende oplossingen gevonden. Daarom is thans het moment aangebroken om – mede op basis van de bevindingen uit de beide evaluaties – over te gaan tot verduidelijking en vereenvoudiging van de wettekst. Daartoe wordt een nieuw artikel 6:19 voorgesteld, dat de huidige artikelen 6:18, 6:19 en 8:13a vervangt. Daarnaast bevat dit wetsvoorstel een wijziging van artikel 8:81. Deze voorstellen sluiten aan bij de ontwikkelingen in de jurisprudentie. Zij hebben dus een codificerend karakter en betreffen met name de toepassing in hoger beroep. Voor een inhoudelijke bespreking zij verwezen naar de artikelsgewijze toelichting. Aan het slot van de toelichting bij artikel 6:19 (nieuw) wordt nog aandacht geschonken aan enkele vragen bij de toepassing van de huidige artikelen 6:18 en 6:19 die niet goed door middel van wetswijziging oplosbaar zijn.

P (artikel 6:19)
Artikel 6:19 (nieuw) vervangt de huidige artikelen 6:18, 6:19 en 8:13a. De wijzigingen strekken tot verduidelijking en vereenvoudiging en tot codificatie van de rechtspraak, met name over de toepassing in hoger beroep (artikel 6:24).
Aan het slot van onderstaande toelichting bij artikel 6:19 (nieuw) wordt ingegaan op enkele vragen bij de toepassing van de huidige artikelen 6:18 en 6:19 die niet goed door middel van wetswijziging oplosbaar zijn.

Eerste lid
Als een bestuursorgaan een besluit waartegen bezwaar of (hoger) beroep aanhangig is, intrekt, wijzigt of vervangt, dan heeft het al aanhangige bezwaar of (hoger) beroep in beginsel en van rechtswege ook betrekking op het nieuwe besluit. Dit geldt als het bestuursorgaan het nieuwe besluit uit eigen beweging neemt, maar ook als het nieuwe besluit wordt genomen ter uitvoering van een (tussen)uitspraak van de (hogerberoeps)rechter, bijvoorbeeld bij toepassing van de bestuurlijke lus. Het eerste lid voorkomt verlies van rechtsbescherming (de belanghebbende hoeft niet afzonderlijk te ageren tegen het nieuwe besluit), maar voorkomt ook dat hetzelfde geschil tegelijkertijd wordt behandeld door twee organen: door het bestuursorgaan en de rechter, of door de rechtbank en de hogerberoepsrechter.
Het eerste lid geldt ook als uitsluitend het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld. Met het oog daarop is de zinsnede “tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoetkomt” uit het huidige artikel 6:19, eerste lid, niet overgenomen. Zo’n regel is immers niet passend als uitsluitend het bestuursorgaan hoger beroep instelt en hangende de procedure in hoger beroep – ter uitvoering van de aangevallen uitspraak van de rechtbank – een nieuw besluit neemt. Een dergelijk besluit kan geheel tegemoetkomen aan de wens van degene die beroep tegen het oorspronkelijke bestreden besluit had ingesteld. Het bestuursorgaan blijft echter ook in die situatie belang houden bij het betrekken van het nieuwe besluit bij de lopende procedure. De hogerberoepsrechter kan namelijk oordelen dat het eerder genomen besluit geen gebreken vertoont, en in het verlengde hiervan dat geen reden voor het nemen van het nieuwe besluit bestaat. Dit oordeel leidt tot vernietiging van zowel de aangevallen uitspraak van de rechtbank als het nieuwe besluit van het bestuursorgaan.
Met het begrip “belang” wordt in het eerste lid bedoeld: procesbelang. Hierbij valt met name te denken aan een tweepartijengeschil waarin het bestuursorgaan alsnog geheel tegemoetkomt aan hetgeen de belanghebbende in het beroep bij de rechtbank heeft gevraagd. Immers, in zo’n geval heeft de belanghebbende gekregen wat hij wil (bijvoorbeeld: de gevraagde uitkering of subsidie), terwijl er geen andere belanghebbenden zijn.
Uit het eerste lid, in samenhang met artikel 6:24, volgt onder meer dat als een besluit hangende[7] hoger beroep wordt gewijzigd, het hoger beroep mede betrekking heeft op het wijzigingsbesluit. De hogerberoepsrechter is bevoegd en dus ook gehouden om over het wijzigingsbesluit te oordelen, zodat niet tevens de rechtbank of het bestuursorgaan bevoegd kan zijn. Dit is slechts anders als de hogerberoepsinstantie besluit tot verwijzing naar een lagere instantie, bijvoorbeeld als de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft geoordeeld en daardoor niet aan de inhoud van het geschil is toegekomen. Die bevoegdheid tot verwijzing (nu artikel 6:19, tweede lid) is te vinden in het nieuwe vijfde lid.
Het voorontwerp bevatte een aparte bepaling voor de situatie dat het bestuursorgaan hoger beroep instelt tegen de uitspraak van de rechtbank waarbij zijn besluit is vernietigd, maar intussen wel een nieuw besluit neemt ter voldoening aan de opdracht van de rechtbank om een nieuw besluit te nemen. Artikel 8:95 van het voorontwerp regelde, in navolging van de rechtspraak, dat het hoger beroep in dat geval mede betrekking heeft op het nieuwe besluit. De nu voorgestelde tekst van het eerste lid maakt die aparte bepaling overbodig. Mede met het oog daarop is in het eerste lid een verwijzing toegevoegd naar een besluit ter vervanging van het bestreden (en in dit geval inmiddels vernietigde) besluit.
Het eerste lid, gecombineerd met het vierde lid, vervangt tevens het huidige artikel 8:13a, dat regelt dat de rechtbank een beroep tegen een besluit dat is genomen na toepassing van de bestuurlijke lus in hoger beroep, moet doorverwijzen naar de hogerberoepsrechter. Die verplichting voor de rechtbank blijft dus gewoon bestaan, maar valt nu onder de meer algemene verwijzingsplicht van artikel 6:19, vierde lid.

Tweede lid
Dit lid codificeert de bestaande jurisprudentie waarin de huidige artikelen 6:18 en 6:19 ook worden toegepast als een bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend tegen een besluit dat buiten medeweten van de belanghebbende reeds is ingetrokken, gewijzigd of vervangen. Het is evident dat ook in dergelijke gevallen behoefte bestaat aan de bescherming van belanghebbenden.

Derde lid
Dit lid vervangt het huidige tweede lid van artikel 6:18. Het doen van een mededeling van het nieuwe besluit aan het orgaan waarbij het bezwaar aanhangig is, is geschrapt, aangezien het in beide gevallen gaat om hetzelfde (bestuurs)orgaan.

Vierde lid
De – ingevolge het eerste of tweede lid – onbevoegde (lagere) instantie moet het door haar ontvangen bezwaar- of beroepschrift met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, doorzenden aan de wel bevoegde (hogere) instantie. Na doorzending kan de hogere instantie eventueel besluiten om de zaak met toepassing van het vijfde lid (nieuw) terug te verwijzen naar de lagere instantie. Als bijvoorbeeld bij de rechtbank, al dan niet door een derde, beroep wordt ingesteld tegen het nieuwe besluit, terwijl dat besluit dient ter uitvoering van een tussenuitspraak van de hogerberoepsrechter, dan regelt het vierde lid, in samenhang met het eerste lid, dat de hogerberoepsrechter ook het bij de rechtbank ingestelde beroep behandelt.
Een ander voorbeeld is de situatie waarin het oorspronkelijke besluit gunstig is voor aanvrager X (zijn vergunning is bij de eerste beslissing op bezwaar in stand gebleven) maar ongunstig voor omwonende Y (die daarom beroep bij de rechtbank heeft ingesteld), terwijl het nadere besluit (dat strekt tot herroeping en weigering van de vergunning) ongunstig is voor X maar gunstig voor Y (aangezien hij immers heeft gekregen wat hij met het instellen van beroep wilde bereiken). Als X het nieuwe besluit in rechte wil aanvechten, garandeert het vierde lid, in samenhang met het eerste lid, dat de regie over het meerpartijengeschil tussen X, Y en B&W in handen blijft van de rechtbank, waaraan het geschil reeds was voorgelegd.
Gelet op artikel 3:45 en artikel 6:19 (nieuw) moet het bestuursorgaan bij de bekendmaking van een “artikel 6:19-besluit” vermelden dat hiertegen geen afzonderlijk rechtsmiddel openstaat, en dat het betreffende besluit met toepassing van artikel 6:19, vierde lid, zal worden toegezonden aan de bestuursrechter waarbij het beroep tegen het oorspronkelijke besluit aanhangig is.

Vijfde lid
Het vijfde lid vervangt het huidige tweede lid. Op grond van het vijfde lid kan de (hogerberoeps)rechter de behandeling van de zaak verwijzen naar het orgaan dat hij daartoe meer geschikt acht. Zo kan de rechtbank het beroep verwijzen naar de bezwaarschriftprocedure om het (eerst) te doen behandelen als bezwaar, bijvoorbeeld als de zaak niet rijp is voor behandeling door de rechter. Pas na verwijzing op grond van het vijfde lid verkrijgen de bestuursrechter in eerste aanleg of het bestuursorgaan de bevoegdheid het nadere besluit te toetsen onderscheidenlijk te heroverwegen.

Zesde lid
Het zesde lid vervangt het huidige derde lid.
Vragen bij de toepassing van de huidige artikelen 6:18 en 6:19 die niet goed door middel van wetswijziging oplosbaar zijn:

1. Wanneer is sprake van een artikel 6:18-besluit?
In de praktijk rijst soms de vraag of een nieuw besluit dat hangende een bezwaar- of beroepsprocedure wordt genomen, wel een intrekkings- of wijzigingsbesluit in de zin van artikel 6:18 is. Als hoofdlijn geldt dat een besluit op een nieuwe aanvraag tot herziening, verlenging of vervanging van het bestreden besluit in de regel geen besluit in de zin van artikel 6:18 is. Het verwerend bestuursorgaan komt dan immers niet terug van een eerder genomen besluit, maar voldoet slechts aan de verplichting om op een nieuwe aanvraag een primair besluit te nemen op basis van een nieuwe besluitvorming. Een ander uitgangspunt is dat het nieuwe besluit moet vallen binnen de feitelijke grondslag en de reikwijdte van het eerder genomen besluit. Als een besluit wordt herzien op basis van een substantieel nieuw feitencomplex, is in het algemeen geen sprake van een besluit in de zin artikel 6:18, maar van een geheel nieuw besluit.
Onder omstandigheden kunnen uitzonderingen op deze regel gewenst zijn, in die zin dat een besluit op een nieuwe aanvraag toch wordt “meegenomen” in een lopende procedure. Van belang is onder meer in hoeverre het nieuwe besluit feitelijk afwijkt van het oorspronkelijke besluit, op een andere bevoegdheidsgrondslag berust of andere rechtsgevolgen in het leven roept. De bestuursrechter dient aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval te beoordelen of het nieuwe besluit kan worden meegenomen in de procedure van het oude besluit.

2. Besluiten van een ander bestuursorgaan
Een besluit dat is genomen door een ander bestuursorgaan dan het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen, is in beginsel geen besluit in de zin van artikel 6:19 (nieuw). Indien hangende het beroep tegen een op een administratief beroep genomen besluit het in primo bevoegde orgaan zijn oorspronkelijke besluit wijzigt, is laatstgenoemd besluit dus geen besluit in de zin van artikel 6:19.[8]

Artikel 6:19 is voorts niet toepasselijk als een door een onbevoegd orgaan genomen besluit vervolgens door het wel bevoegde orgaan wordt bekrachtigd.
Ook in dit geval is niet ondenkbaar dat in bijzondere gevallen een uitzondering op deze regel moet worden gemaakt. Ook hiervoor zijn echter moeilijk algemene criteria te geven. Het verdient de voorkeur de bestuursrechter voldoende vrijheid te laten om – rekening houdend met de concrete omstandigheden van het geval – hierover te oordelen.

3. Toepasselijkheid van artikel 6:19 in de bezwaarfase
Wil een bestuursorgaan naar aanleiding van een bezwaarschrift terugkomen op een primair besluit, dan kan dit op basis van artikel 6:19 (nieuw primair besluit) of op basis van artikel 7:11 (heroverweging en beslissing op bezwaar). Het komt in deze situatie in de praktijk met enige regelmaat voor dat een nieuw primair besluit wordt genomen. Het nieuwe primaire besluit wordt dan als een herstelbesluit aangemerkt dat op grond van artikel 6:19 kan worden meegenomen, met het gevolg dat nog sprake is van een bezwaar waarop nog steeds niet is – maar wel moet worden – beslist.
Als regel behoort de intrekking of wijziging van een primair besluit op grondslag van een bezwaar te geschieden in een beslissing op bezwaar als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid. Deze bepaling is immers speciaal voor dergelijke situaties geschreven, met als doel om aan belanghebbenden zo snel en effectief mogelijk finale duidelijkheid over hun rechtsposities te verschaffen. In ieder geval dient de bestuursrechter zo’n besluit normaliter als een beslissing op bezwaar te kwalificeren, als onderdeel van zijn plicht om ambtshalve onderzoek naar zijn eigen bevoegdheid en de ontvankelijkheid van het beroep te verrichten.
Het bestuursorgaan kan echter onder omstandigheden een goede reden hebben om het primaire besluit reeds voorafgaand aan het besluit op bezwaar te wijzigen, bijvoorbeeld op een bepaald aspect – zoals de verlenging van een in een bestuursdwangbeschikking opgenomen begunstigingstermijn – teneinde een voorlopige-voorzieningsprocedure te voorkomen.
Met enige regelmaat neemt het bestuursorgaan naar aanleiding van een bezwaar een besluit met een element dat niet langer is te beschouwen als het resultaat van de heroverweging van het primaire besluit, met andere woorden: een afzonderlijk besluit dat qua feitencomplex onvoldoende samenhang met het primaire besluit vertoont. Twee voorbeelden:
Voorbeeld 1. B&W leggen een last onder dwangsom op, om A te bewegen tot het staken van de permanente bewoning van een schuur (strijd met het “gebruiksvoorschrift” van een bestemmingsplan). A maakt bezwaar. Naar aanleiding hiervan nemen B&W een besluit waarbij – met ongegrondverklaring van het bezwaar – A wordt gelast de in de schuur aangebrachte woonvoorzieningen te verwijderen (strijd met artikel 40, eerste lid, Woningwet). Het nieuwe besluit behelst niet alleen een heroverweging van het primaire besluit (ongegrondverklaring van het bezwaar, met instandlating van het primaire besluit), maar ook een nieuw primair besluit waartegen afzonderlijk bezwaar moet worden gemaakt (lastgeving tot verwijdering van voorzieningen).[9]

Voorbeeld 2. Het UWV kent aan C een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering toe. C maakt bezwaar, met het argument dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Naar aanleiding hiervan verklaart het UWV het bezwaar ongegrond, met de toevoeging dat het dagloon wordt verhoogd wegens een ambtshalve geconstateerde rekenfout. De verhoging van het dagloon is te beschouwen als een nieuw primair besluit.
Het bestuursorgaan moet dus per individueel geval nagaan of het besluit (slechts) is te kwalificeren als een beslissing op bezwaar waartegen beroep op de bestuursrechter mogelijk is, dan wel (tevens) als een primair besluit waartegen eerst bezwaar moet worden gemaakt. Het is dan ook van belang dat het bestuursorgaan onder elk besluit een correcte rechtsmiddelenclausule plaatst (artikelen3:45 en 6:23), en dat de bestuursrechter in een zo vroeg mogelijk stadium van de beroepsprocedure nagaat of het bestreden (deel)besluit vatbaar is voor beroep of bezwaar.

Verslag

Vervangen besluiten hangende bezwaar en beroep
De leden van de SP-fractie begrijpen dat niet iedere wijziging van een besluit hangende bezwaar of beroep er toe moet leiden dat met de procedure helemaal opnieuw moet worden begonnen. Anderzijds is het ook niet de bedoeling dat een besluit ingrijpend wordt gewijzigd met als gevolg dat belanghebbenden de bezwaarfase of zelfs beroepsfase moeten missen. Kan zelfs in hoger beroep het oorspronkelijke besluit nog stevig worden gewijzigd? Hoe ingrijpend mag de wijziging van het besluit of het vervangen besluit zijn? Hoe wordt het verlies van instanties (bezwaar of beroep) voorkomen? De regering stelt wel dat verlies van rechtsbescherming wordt voorkomen, maar het oorspronkelijke bezwaar- of beroepschrift heeft zich toch niet kunnen richten op het nieuwe (gewijzigde of vervangende) deel van het besluit?
Ook signaleren voornoemde leden het gevaar dat het bestuursorgaan strategisch gebruik maakt van deze bevoegdheid tot wijzigen, vervangen of intrekken om belanghebbenden op het verkeerde been te zetten. Op welke wijze wordt er in voorzien dat bij een vervangend besluit alle belanghebbenden ook weer opnieuw de kans hebben bezwaar of beroep aan te tekenen als het vervangende besluit extra nadeel berokkent? Geldt dit ook voor diegenen die op het oorspronkelijke besluit geen bezwaar of beroep aantekenden? Leidt het nieuwe artikel 6:19, vierde lid, Awb er niet toe dat iemand die bezwaar maakt naar aanleiding van het gewijzigde of vervangende besluit, deze persoon direct doorverwezen wordt naar hoger beroep, en dus maar bij een instantie de bezwaren naar voren kan brengen?

Artikel 6:19
De leden van de PvdA-fractie nemen kennis van de voornemens ten aanzien van het verbeteren van de instrumenten die de rechter beter in staat moeten stellen om een geschil definitief te beslechten. Zij hebben in het kader van het wetsvoorstel over de bestuurlijke lus al eerder aandacht gevraagd voor het feit dat de bestaande instrumenten om een geschil definitief te beslechten weinig door rechters werden gebruikt. In dit kader kunnen deze leden zich vinden in het nieuw voorgesteld artikel 6:19 Awb waarin onder andere wordt bepaald dat in geval een bestuursorgaan een nieuw besluit neemt vanwege een (tussen)uitspraak van een rechter, dat dan het al eerder aanhangige bezwaar of beroep tegen het oorspronkelijke besluit ook betrekking heeft op het nieuwe besluit.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering schrijft dat een aantal problemen met de vigerende artikelen 6:18 en 6:19 Awb ook nog niet volledig is opgelost met het nieuwe artikel 6:19. Kan de regering aangeven welke problemen nu wel zijn opgelost met het nieuwe artikel en voor welke problemen nog geen oplossing is gevonden?

Nota naar aanleiding van het verslag

Vervangen besluiten hangende bezwaar en beroep
20 De leden van de SP-fractie begrijpen dat niet iedere wijziging van een besluit hangende bezwaar of beroep er toe moet leiden dat met de procedure helemaal opnieuw moet worden begonnen. Anderzijds is het ook niet de bedoeling dat een besluit ingrijpend wordt gewijzigd met als gevolg dat belanghebbenden de bezwaarfase of zelfs beroepsfase moeten missen. Kan zelfs in hoger beroep het oorspronkelijke besluit nog stevig worden gewijzigd? Hoe ingrijpend mag de wijziging van het besluit of het vervangen besluit zijn? Hoe wordt het verlies van instanties (bezwaar of beroep) voorkomen? De regering stelt wel dat verlies van rechtsbescherming wordt voorkomen, maar het oorspronkelijke bezwaar- of beroepschrift heeft zich toch niet kunnen richten op het nieuwe (gewijzigde of vervangende) deel van het besluit? Ook signaleren voornoemde leden het gevaar dat het bestuursorgaan strategisch gebruik maakt van deze bevoegdheid tot wijzigen, vervangen of intrekken om belanghebbenden op het verkeerde been te zetten. Op welke wijze wordt er in voorzien dat bij een vervangend besluit alle belanghebbenden ook weer opnieuw de kans hebben bezwaar of beroep aan te tekenen als het vervangende besluit extra nadeel berokkent? Geldt dit ook voor diegenen die op het oorspronkelijke besluit geen bezwaar of beroep aantekenden? Leidt het nieuwe artikel 6:19, vierde lid, Awb er niet toe dat iemand die bezwaar maakt naar aanleiding van het gewijzigde of vervangende besluit, deze persoon direct doorverwezen wordt naar hoger beroep, en dus maar bij een instantie de bezwaren naar voren kan brengen?

In hoeverre een besluit hangende beroep of hoger beroep mag worden gewijzigd, wordt niet bepaald door het voorgestelde artikel 6:19, maar door de materiële wetgeving die het besluit beheerst en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij de voorbereiding en bekendmaking van het wijzigingsbesluit hebben belanghebbenden precies dezelfde positie als bij het oorspronkelijke besluit; zij kunnen dus niet door het bestuursorgaan «op het verkeerde been gezet» worden. Ook aan de lopende beroepsprocedure tegen het oorspronkelijke besluit kunnen deze eventuele andere belanghebbenden deelnemen, hetzij door zelf beroep in te stellen, hetzij doordat zij daartoe op de voet van artikel 8:26 Awb door de rechter worden uitgenodigd. Artikel 6:19 voorkomt dus juist dat belanghebbenden in de problemen komen doordat zij vergeten ook tegen het nieuwe besluit beroep in te stellen. Wel kan zowel het huidige als het voorgestelde artikel 6:19 ertoe leiden dat over het wijzigingsbesluit in minder instanties kan worden geprocedeerd dan over het oorspronkelijke besluit. Dat nadeel – dat overigens door partijen niet eens altijd als een nadeel wordt ervaren – is bewust op de koop toe genomen om een voortvarende en doelmatige procedure mogelijk te maken. Daarnaast behoudt de rechter bij wie de zaak aanhangig is altijd de bevoegdheid om het beroep tegen het wijzigingsbesluit terug te wijzen naar een «lagere» instantie, indien hij in het concrete geval behandeling in meer instanties nodig acht (artikel 6:19, vijfde lid).

Artikel 6:19
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering schrijft dat een aantal problemen met de vigerende artikelen 6:18 en 6:19 Awb ook nog niet volledig is opgelost met het nieuwe artikel 6:19. Kan de regering aangeven welke problemen nu wel zijn opgelost met het nieuwe artikel en voor welke problemen nog geen oplossing is gevonden?

Het nieuwe artikel 6:19 verduidelijkt onder meer dat het ook van toepassing is op besluiten die zijn genomen ter vervanging van een door de rechtbank vernietigd besluit, alsook op wijzigingsbesluiten die zijn genomen nog voordat beroep werd ingesteld. Het verduidelijkt voorts dat artikel 6:19 ook van toepassing is in hoger beroep als uitsluitend het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld. In de memorie van toelichting zijn op blz. 36 en 37 enige voorbeelden genoemd van problemen die niet goed door wetgeving kunnen worden opgelost. Het belangrijkste voorbeeld daarvan is de soms lastige afgrenzing tussen een wijzigingsbesluit in de zin van artikel 6:19 en een geheel nieuw besluit. Wat dat betreft merken wij nog op dat artikel 6:19 ook van toepassing is als het bestuursorgaan een herstelbesluit neemt ter uitvoering van een tussenuitspraak (bestuurlijke lus). Een dergelijk besluit vervangt immers het bestreden besluit. Als constructieve afspraken op een (regie)zitting leiden tot een nieuw besluit, dan is dat in beginsel een 6:19-besluit, ook als aan het nieuwe besluit een gewijzigde aanvraag voorafgaat. Belangen van derden zijn daarbij gewaarborgd doordat de bestuurlijke lus niet mag worden toegepast als dat kan leiden tot onevenredige benadeling van belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen (artikel 8:51a, eerste lid) en doordat de rechter het beroep tegen het nieuwe besluit kan verwijzen naar een ander orgaan, bijvoorbeeld naar het bestuursorgaan, dat het beroepschrift dan eerst moet behandelen als bezwaarschrift (artikel 6:19, vijfde lid).

Nota van wijziging

In onderdeel P wordt artikel 6:19 gewijzigd als volgt:
1. In het tweede lid wordt «indien het bezwaar of het beroep is ingesteld» vervangen door: indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld.

3. Het derde lid komt te luiden:
3. Het bestuursorgaan doet onverwijld mededeling van het nieuwe besluit aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.

Het tweede lid is aangepast aan de terminologie van artikel 1:5 Awb. De formulering van het derde lid is vereenvoudigd.

Dit artikel is met ingang van 12 juni 2017 gewijzigd bij wet van 13 juli 2016, Stb. 2016, 288 (wetsvoorstel 34 059)

[Eindtekst] In artikel 6:19, derde lid, wordt «doet onverwijld mededeling van het nieuwe besluit» vervangen door: stelt het nieuwe besluit onverwijld ter beschikking.

VO=VvW

Memorie van Toelichting

De oorspronkelijke tekst van het derde lid verplichtte het bestuursorgaan om onverwijld mededeling te doen van een nieuw genomen besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, aan het orgaan waarbij het beroep tegen het bestreden besluit aanhangig is. De onverwijlde mededeling heeft als functie te waarborgen dat het geadresseerde orgaan toepassing kan geven aan het eerste lid. Praktisch gezien kan het geadresseerde orgaan alleen zinvol toepassing geven aan het eerste lid, indien het ook daadwerkelijk over het nieuw genomen besluit beschikt. Om deze reden is bepaald dat het bestuursorgaan het nieuwe besluit voortaan ter beschikking moet stellen van het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.

 


[1] Kamerstukken II 2007/08, 31 352, nr. 5.
[2] Zie bijvoorbeeld ABRvS 19 juli 2006, nr. 200505837/1, JB 2006, 256.
[3] J.B.J.M. ten Berge e.a., Ervaringen met de Awb. Het bestuursprocesrecht, Deventer 1996, blz. 218-220.
[4] Toepassing en effecten van de Algemene wet bestuursrecht 1994-1996, Den Haag 1996, te vinden op www.justitie.nl, onder Thema’s/Wetgeving/Dossiers/Awb/Diversen.
[5] R.J.G.M. Widdershoven e.a., Algemeen bestuursrecht 2001: hoger beroep, Den Haag 2001, blz. 145-165.
[6] Toepassing en effecten van de Algemene wet bestuursrecht 1997-2001, Den Haag 2002, blz. 41.
[7] ABRS 12 december 2001, AB 2002, 323 m.nt. A.T. Marseille.
[8] ABRS 29 juni 1999, AB 1999, 341.
[9] Zie ook Kamerstukken II 2007/08, 31 352, nr. 3, blz. 8.

 

 

 

Share This