Artikel 6:5

1. Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;
d. de gronden van het bezwaar of beroep.
2. Bij het beroepschrift wordt zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft, overgelegd.
3. Indien het bezwaar- of beroepschrift in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van het bezwaar of beroep noodzakelijk is, dient de indiener zorg te dragen voor een vertaling.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 4 juni 1992 Stb. 315 (wetsvoorstel 21 221)

[bron: PG Awb I, p. 285-288]

VO Dit artikel was in het VO niet opgenomen.

Tekst RvS

Het bezwaar- of beroepschrift is ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep zich richt;
d. de gronden van het bezwaar of beroep.

Advies RvS

Dit artikel bevat een aantal formele voorschriften met betrekking tot het bezwaar- of beroepschrift. Naar het oordeel van het college verdient het aanbeveling aan deze voorschriften toe te voegen dat bij het geschrift zo mogelijk het besluit, waarop het geschil betrekking heeft, wordt overgelegd, zoals bij voorbeeld is voorgeschreven in artikel 32, tweede lid, en artikel 72, eerste lid, van de Wet op de Raad van State. Dat verschaft de geadresseerde sneller en gemakkelijker inzicht in de merites van de zaak. Voorts rijst de vraag of anderstaligen hun bezwaar- ­of beroepschrift in het Nederlands moeten opstellen of dat een voorziening analoog aan artikel 4.1.1.5, tweede lid, zal gelden. Tekst en toelichting van het wetsvoorstel dienen hieromtrent opheldering te verschaffen.

Nader rapport

De aanbeveling van de Raad, aan dit artikel het voorschrift toe te voegen dat bij het geschrift zo mogelijk het besluit waarop het geschil betrekking heeft wordt voorgelegd, is voor zover het het beroepschrift betreft gevolgd. Op advies van de Raad is een bepaling opgenomen over bezwaar- en beroepschriften die in een vreemde taal zijn ingediend.

Voorstel van wet [6.2.0a]

Het bezwaar- of beroepschrift is ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;
d. de gronden van het bezwaar of beroep.
2. Bij het beroepschrift wordt zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft, overgelegd.
3. Indien het bezwaar- of beroepschrift in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van het bezwaar of beroep noodzakelijk is, dient de indiener zorg te dragen voor een vertaling.

Memorie van toelichting

Het eerste lid van dit artikel bevat een aantal voor de hand liggende eisen met betrekking tot de indiening van een bezwaar- of beroepschrift. Zij zijn dan ook in verschillende wettelijke regelingen en in de jurispru­dentie terug te vinden.
Ten aanzien van de vermelding van de datum zij het volgende opgemerkt. De dagtekening van een bezwaar- of beroepschrift is voor de ontvankelijkheid ervan weliswaar van minder belang dan de datum van ontvangst c.q. verzending, maar kan toch een nuttige aanduiding bevatten, zowel indien de dagtekening en de datum van ontvangst sterk uit elkaar liggen als indien uit de dagtekening reeds een termijnover­schrijding blijkt. Daarom dient de dagtekening vermeld te worden.
Het bezwaar- of beroepschrift dient uiteraard de gronden voor het bezwaar of beroep te bevatten. De eisen die in dit opzicht kunnen worden gesteld, zullen onder meer samenhangen met de aard van de motivering die het bestuursorgaan voor zijn bestreden besluit heeft gegeven. Is deze summier of ontbreekt zij geheel, zoals bij voorbeeld bij een fictieve weigering het geval zal zijn, dan zal ook het bezwaar- of beroepschrift summier gemotiveerd kunnen zijn.
In het tweede lid wordt, in afwijking van het voorontwerp, voorge­schreven dat zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft, bij het beroepschrift wordt overgelegd. Een dergelijke verplichting is thans reeds te vinden in ondermeer artikel 32, tweede lid, en artikel 72, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, in artikel 86, tweede lid, van de Beroepswet, in artikel 28, eerste lid, van de AWR en in artikel 109, tweede lid, van de Algemene Wet inzake Douane en Accijnzen. De woorden «zo mogelijk», die ook in de genoemde bepalingen van de Wet op de Raad van State voorkomen, houden rekening met het geval dat de indiener van het beroepschrift niet de beschikking heeft over de tekst van het besluit. Dit doet zich met name voor indien het beroep is gericht tegen het uitblijven van een besluit.
De verplichting een afschrift van het besluit over te leggen geldt niet bij het indienen van een bezwaarschrift. Het bestuursorgaan waarbij dit geschrift wordt ingediend, moet immers reeds beschikken over een exemplaar van het besluit, dat van het orgaan zelf afkomstig is. In het bezwaarschrift behoort wel een zodanige aanduiding van het bestreden besluit te worden gegeven, dat het bestuursorgaan dit goed kan traceren; vermelding van datum en kenmerk is daarvoor in het algemeen zeer geschikt.
In het derde lid is een bepaling opgenomen over bezwaar- en beroep­schriften die in een vreemde taal zijn gesteld. Zij is analoog aan de regeling in artikel 4.1.1.5, tweede lid, en houdt in dat de indiener voor een vertaling moet zorgen indien dit voor een goede behandeling noodzakelijk is. Is geen vertaling overgelegd terwijl deze wel nodig is, dan zal overeenkomstig artikel 6.2.0b de gelegenheid worden geboden, alsnog een vertaling over te leggen. Geschiedt dit niet, dan kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. In de jurispru­dentie wordt thans ook wel eenzelfde lijn gevolgd (vgl. Vz Afd. recht­spraak14 april 1983, Gem. St. 6759, en Hoge Raad 6 april 1977, BNB 1977/120.)
Verwezen zij voorts naar de toelichting bij artikel 4.1.1.5, tweede lid. Ook hier geldt dat soms geschriften in een vreemde taal op grond van het communautaire of internationale recht moeten worden geaccepteerd.

Voorlopig verslag II

[2.155] De aan een bezwaarschrift te stellen vormvereisten gaan verder dan nu voor bezwaarschriften in fiscale procedures is voorgeschreven. Onder omstandigheden zou dat kunnen leiden tot een geringere toeganke­lijkheid tot de bezwaar- en beroepsprocedures.
Wat is de inschatting van de regering op dit punt? Zal de in fiscale procedures gehanteerde soepele werkwijze op dit punt gehandhaafd kunnen blijven?
[2.156] De VUGA adviseert de volgende tekst: Artikel 6.2.0: toevoegen: lid 4: «In plaats van een bezwaar- of beroepschrift in te dienen kan ook een verklaring worden afgelegd ten overstaan van een persoon die daartoe door het bestuursorgaan, het beroepsorgaan of de rechter is aange­wezen. Van de verklaring wordt een proces-verbaal opgemaakt». De commissies, met uitzondering van de fracties van S.G.P. en G.P.V. vroegen of de regering dit voorstel over wil nemen.
[2.157] Artikel 6.3.0a: toevoegen: lid 4: « Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op het proces-verbaal bedoeld in artikel 6.2.0, vierde lid». Voor deze toevoeging geldt dezelfde vraag.
[2.158] Het R.P.F.-fractielid vroeg of het eerste lid van dit artikel, in samenhang met art. 6.2.1. er aan in de weg staat dat pro forma bezwaarschriften worden ingediend om zodoende langs indirecte weg de termijn te verlengen. Het leek dit lid niet wenselijk om in dit soort gevallen steeds de toevlucht te nemen tot de hardheidsclausule; pro forma bezwaarschriften zouden mogelijk moeten zijn op zijn minst in die gevallen waarin het bestuursorgaan daarmee instemt. Om welke reden is de weg terzake, namelijk het stellen van een termijn voor het aanvullen van een bezwaarschrift, zoals op blz. 1261 Memorie van Toelichting verwoord, niet in de wettekst opgenomen?

Memorie van antwoord II

(2.155) De in artikel 6.2.0a opgenomen eisen voor bezwaar- en beroepschriften kunnen beschouwd worden als minimale eisen die voor een doelmatige behandeling van zulke geschriften door bestuur of rechter nodig zijn. Het algemeen vastleggen van deze eisen kan de bekendheid daarvan vergroten en kan daardoor leiden tot een efficiëntere afhandeling.
Een geringere toegankelijkheid van de bezwaar- en beroepsprocedures in fiscale zaken is van een en ander niet te vrezen. De in fiscale zaken gehanteerde, voor belanghebbende soepele werkwijze op dit punt kan uiteraard gehandhaafd blijven. De Awb verplicht niet tot het buiten behandeling laten van gebrekkige bezwaarschriften, maar biedt het bestuursorgaan de bevoegdheid daartoe, nadat gelegenheid is gegeven tot herstel van het gebrek
(2.156) en (2.157) Het treffen van een speciale regeling voor het instellen van bezwaar of beroep ten behoeve van degenen die zich niet schriftelijk in de Nederlandse taal kunnen uitdrukken, vergt de nodige voorzieningen bij bestuursorganen en rechterlijke instanties. Wij betwijfelen of daaraan een zodanige behoefte bestaat dat deze voorzieningen gerechtvaardigd zijn; in de praktijk is daarvan, voor zover ons bekend, niet gebleken. In het algemeen zal degene die zich onvoldoende schriftelijk kan uitdrukken, zich voor het voeren van een procedure wenden tot iemand die wel over die vaardigheid beschikt; artikel 2.1.1 voorziet in de bevoegdheid tot bijstand en vertegenwoordiging. Veelal zal het bestuursorgaan of de rechter daartoe minder geschikt zijn dan een persoon uit de omgeving van de belanghebbende. Om deze redenen zouden wij de suggestie dan ook niet willen volgen.
(2.158) De Awb sluit niet uit dat pro-forma-bezwaarschriften worden ingediend (d.w.z bezwaarschriften die de gronden voor het bezwaar nog niet bevatten en die derhalve niet voldoen aan de eisen van artikel 6.2.0a). Wellicht zal de verlenging die in een aantal gevallen optreedt (van 30 dagen naar zes weken) er in een aantal gevallen toe kunnen leiden dat daartoe minder aanleiding bestaat. Anders dan in de vraag van de R.P.F.-fractie besloten lijkt te liggen, is in de wettekst wel degelijk de mogelijkheid van het stellen van een termijn opgenomen, waarbinnen het bezwaarschrift moet worden aangevuld: men zie artikel 6.2.0b.

Nota van wijziging

In artikel 6.2.0a wordt voor de eerste volzin de aanduiding «1.» geplaatst; daarin worden de woorden «is ondertekend» vervangen door: wordt ondertekend.

Toelichting NvW 
De vermelding van het lidnummer «1.» was abusievelijk achterwege gelaten in artikel 6.2.0a; tevens wordt in redactioneel opzicht geharmoniseerd met artikel 4.1.1.1.

Eindverslag

(2.155 en 2.159) Mag worden verondersteld dat de in fiscale proce­dures gehanteerde soepele werkwijze met betrekking tot aan bezwaarschriften te stellen vormvereisten ook in die zin wordt gecontinueerd dat aan de belastingdienst instructie wordt gegeven de huidige op doelmatigheid en klantvriendelijkheid gerichte werkwijze ongewijzigd voort te zetten?
Het voorstel van de VUGA inzake het treffen van een speciale regeling voor het instellen van bezwaar en beroep ten behoeve van degenen die zich niet schriftelijk in de Nederlandse taal kunnen uitdrukken is niét door de regering overgenomen (blz. 84, memorie van toelichting2). Is de regering van mening dat het niet overnemen van dit voorstel een juiste beslissing is en waarop baseert de regering haar veronderstellingen?
De SGP-fractie wordt geacht bovenstaande vragen niet gesteld te hebben. Acht de regering het denkbaar dat een indiener van een gebrekkig bezwaar- of beroepschrift aan wie een onredelijk korte termijn is gegund om het verzuim te herstellen, niet-ontvankelijk wordt verklaard?
Zou het ter voorkoming van zo’n situatie niet de voorkeur verdienen, alsnog het advies van de Raad van State, om in de tekst van de wet tot uitdrukking te brengen dat de termijn waarbinnen het verzuim   hersteld kan worden een redelijke dient te zijn, over te nemen?

Nota naar aanleiding van het eindverslag

(2.155 en 2.159) Inderdaad mag worden verondersteld dat de fiscale procedures op doelmatigheid gericht blijven. Namens de Staatssecretaris van Financiën kunnen wij mededelen dat de huidige werkwijze met betrekking tot de aan de bezwaarschriften te stellen vormvereisten, zal worden gecontinueerd. Het ligt uiteraard niet in de bedoeling de belastingdienst minder klantvriendelijk te maken.
Het in punt 2.156 aan de orde gestelde voorstel in het VUGA-commentaar om een bijzondere regeling te treffen voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep door personen die zich moeilijk schriftelijk in de Nederlandse taal kunnen uitdrukken is, hoe sympathiek ook, niet overgenomen. De reden daarvoor is, dat ons  op geen enkele wijze is gebleken dat in de praktijk aan een dergelijke regeling behoefte bestaat, mede gelet op de mogelijkheden die artikel 6.2.0b biedt voor het aanvullen van gebrekkige bezwaar- of beroepschriften.
Voor een dergelijke regeling, die voor bestuursorganen en rechterlijke instanties niet te verwaarlozen uitvoeringslasten met zich zou brengen, bestaat derhalve vooralsnog onvoldoende rechtvaardiging.
Het spreekt vanzelf dat de termijn voor het aanvullen van een gebrekkig bezwaar- of beroepschrift een redelijke dient te zijn. De bevoegdheid om terzake een termijn te stellen dient immers, als alle bestuursbevoegdheden, in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te worden uitgeoefend. Wij achten het daarom niet goed denkbaar dat de indiener van een gebrekkig bezwaar- of beroepschrift, aan wie een onredelijk korte termijn is gesteld om het verzuim te herstellen, bij overschrijding van die termijn niet-ontvankelijk wordt verklaard. Een dergelijke niet-ontvankelijkverklaring zal in beroep bij de rechter geen stand kunnen houden. Het is derhalve niet nodig uitdrukkelijk te bepalen dat een redelijke termijn dient te worden gesteld. Hoe lang de redelijke termijn moet zijn, is niet in het algemeen aan te geven. Dit hangt onder meer af van de aard van het verzuim, in relatie tot het gewicht van de belangen die gemoeid zijn met een spoedige beslissing op het bezwaar of beroep.

Share This