Artikel 6:6

Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:
a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of
b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,

mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 4 juni 1992 Stb. 315 (wetsvoorstel 21 221)

[bron: PG Awb I, p. 288-290]

[Eindtekst] Artikel 6:6 [6.2.0b]
Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

VO  Dit artikel was in het VO niet opgenomen.

Tekst RvS

Indien niet is voldaan aan artikel 6.2.0a of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar- of beroep­schrift, kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een termijn die daartoe gesteld is door het orgaan, waarbij het bezwaar- of beroepschrift ingevolge artikel 6.2.0 moet worden ingediend.

Advies RvS

In de tekst van dit artikel ware tot uitdrukking te brengen dat de termijn waarbinnen het verzuim hersteld kan worden een redelijke dient te zijn.

Nader rapport

De Raad geeft terecht te kennen, dat de termijn die voor herstel van verzuimen geboden moet worden, een redelijke dient te zijn. Dat is een essentiële eis. Wij zien echter geen aanleiding deze eis in de wettekst neer te leggen. Dat zou alleen praktische betekenis hebben indien de wet concreet zou kunnen aangeven hoeveel weken een redelijke termijn moet worden geacht. Dit is niet goed voor alle gevallen aan te geven, omdat dit mede van de aard van het verzuim afhangt. Bovendien vloeit voor de behandeling in bezwaar en admini­stratief beroep reeds uit artikel 3.2.3, tweede lid, voort dat de geboden termijn jegens de indiener van het bezwaar of beroep niet onredelijk kort mag zijn, noch onredelijk lang gelet op andere af te wegen belangen. Weliswaar geldt artikel 3.2.3 niet voor beslissingen van de rechter, maar uit de rechtspraktijk is niet gebleken van de noodzaak in bij voorbeeld artikel 74 van de Wet op de Raad van State, artikel 66 van de Ambtenarenwet 1929 of artikel 36 van de Wet administratieve recht­spraak bedrijfsorganisatie op te nemen dat de geboden termijn een redelijke dient te zijn.
Het lijkt ons derhalve niet zinvol, in de wettekst de eis dat de termijn redelijk dient te zijn, neer te leggen. Wel hebben wij in het voorstel van de Raad aanleiding gevonden een korte passage in de memorie van toelichting op te nemen.

Voorstel van wet

Indien niet is voldaan aan artikel 6.2.0a of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Memorie van toelichting

In dit artikel wordt een belangrijk aspect van de procedure geharmoni­seerd. Zoals bij administratieve rechtspraak in het algemeen al geldt, behoort ook bij bezwaar en administratief beroep niet aanstonds tot niet-ontvankelijkheid te worden besloten indien niet is voldaan aan eisen die gesteld zijn voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep. In dit artikel wordt dienovereenkomstig bepaald dat bij consta­tering van een vormverzuim bij de indiening van een bezwaar- of beroepschrift tot niet-ontvankelijkheid mag worden besloten mits de indiener van het geschrift de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen. Het gaat hierbij om herstelbare vormverzuimen. Dit verzuim kan bestaan uit het niet naleven van artikel 6.2.0a, van een ander voorschrift van deze wet, zoals de regel dat van een gemachtigde een volmacht kan worden verlangd (artikel 2.1.1, tweede lid), of van een ander bij de wet gesteld vereiste.
Door de formulering van het artikel is in ieder geval zeker gesteld dat zodanige eisen, gesteld voor het indienen van bezwaar- en beroepschriften, slechts in de formele wet gesteld kunnen worden.
De gelegenheid tot herstel zal in het algemeen worden geboden door het orgaan dat op het bezwaar of beroep moet beslissen. Soms blijkt uit de regeling die de werkzaamheden van dat orgaan beheerst, wie is aangewezen om de belanghebbende op zijn verzuim te wijzen. Zo wijst artikel 74, eerste lid, van de Wet op de Raad van State de voorzitter van de Afdeling rechtspraak aan, en artikel 73, vierde lid, de secretaris van de Raad van State. Bij beroep in cassatie volgt uit artikel 19, derde lid, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken dat de griffier van het gerechtshof op verzuimen ten aanzien van het beroepschrift opmerkzaam moet maken, terwijl de griffier van de Hoge Raad moet wijzen op het verzuim griffierecht te betalen. In alle gevallen zal echter een niet-ontvankelijkverklaring bij het niet herstellen van het verzuim slechts uitgesproken kunnen worden door de instantie die op het bezwaar of beroep moet beslissen.
In de jurisprudentie is een regel als voorgesteld, te vinden. (Zie bij voorbeeld CRvB 27 februari 1980, RSV 1980, 163; Afd. rechtspraak 7 mei 1982, AB 1982, 486, m.n.; HR 30 januari 1980, BNB 1980/88 en KB 18 juni 1973, AB 1973, 258). In de modelverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (Blauwe reeks nr. 72) is een voorschrift opgenomen, inhoudende dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift dat niet is gemotiveerd of dat niet is ondertekend, op dit verzuim moet worden gewezen en in de gelegenheid moet worden gesteld dit verzuim binnen veertien dagen na afloop van de indienings­termijn te herstellen (artikel 10 van model I, artikel 4 van Model II en artikel 10 van Model III).
Uit de voorgestelde bepaling is niet af te leiden dat tot niet-ontvanke­lijkheid moet worden besloten indien het verzuim niet wordt hersteld. Het is bij voorbeeld mogelijk, dat het bestuursorgaan ondanks het ontbreken van een motivering in het bezwaarschrift toch zeer goed van de bezwaren van de belanghebbende op de hoogte is, zodat het gebrek een goed verloop van de procedure niet in de weg staat. Maar het bestuurs­orgaan mag slechts tot niet-ontvankelijkheid beslissen indien het een termijn voor het herstel van het verzuim heeft gesteld en deze ongebruikt is verstreken. Men vergelijke de overeenkomstige bepalingen die bij beroep op een administratieve rechter gelden (bij voorbeeld artikel 36 van de Wet administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie).
De termijn die de indiener van het bezwaar of beroep voor herstel van het verzuim wordt geboden, dient uiteraard een redelijke te zijn. Enerzijds dient de indiener een reële mogelijkheid tot herstel te hebben. Anderzijds dient daardoor, gelet op andere belangen, de procedure niet nodeloos vertraagd te worden. Wat betreft bezwaar en administratief beroep vloeit dit rechtstreeks voort uit artikel 3.2.3. Hierbij zij nog opgemerkt, dat de termijn die de Awb stelt voor het beslissen in bezwaar en administratief beroep, wordt opgeschort indien met toepassing van artikel 6.2.0b de mogelijkheid tot herstel is geboden (artikel 6.3.15, tweede lid, en artikel 6.4.15, derde lid).

Voorlopig voorstel II

[2.159] Het advies van de Raad van State om in de tekst van de wet tot uitdrukking te brengen dat de termijn waarbinnen het verzuim hersteld kan worden een redelijke dient te zijn is door de regering niet overge­nomen. De regering oordeelt dat dit slechts praktische betekenis zou hebben indien de wet concreet zou kunnen aangeven hoeveel weken een redelijke termijn moet worden geacht; dit hangt mede van de aard van het verzuim af, een algemene regel is moeilijk te geven.
In samenhang met het voorgaande artikel rijst de vraag bij de commissies of veel bezwaarschriften in aanmerking zouden komen voor terugzending in verband met verzuimherstel. Kan worden aangegeven welke gevolgen in de zin van extra menskrachtbeslag en financiële middelen daaraan verbonden kunnen zijn?

Memorie van antwoord II

(2.159) De in de vraag besloten liggende veronderstelling dat de regeling van artikel 6.2.0b tot een extra beslag op menskracht en financiële middelen zal leiden, is niet juist. Er bestaat geen verplichting om aan de indiener te verzoeken een gebrekkig geschrift te verbeteren. De bepaling stelt dit slechts als vereiste voor het geval de beslissende instantie het bezwaar of beroep vanwege de gebreken niet-ontvankelijk wil verklaren, hetgeen het geval zal zijn indien een goede beoordeling ervan als gevolg van die gebreken wordt bemoeilijkt. Indien het bestuursorgaan het doelmatiger vindt van deze mogelijkheid geen gebruik te maken, is het daarin vrij.
De bepaling zal derhalve daar, waar nog niet de bevoegdheid bestond een gebrekkig bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijk te verklaren, tot enige lastenverlichting kunnen leiden. De regeling geldt overigens op vele terreinen van het bestuursrecht ook op dit moment reeds; verwezen zij naar de memorie van toelichting bij dit artikel.

Eindverslag

Zie Eindverslag bij artikel 6:5.

Nota naar aanleiding van het eindverslag 

Zie Nota naar aanleiding van het eindverslag bij artikel 6:5.

UCV

De heer Wolffensperger (D66, p. 19): Voorzitter! Ik besluit met enkele  korte opmerkingen over verspreide onderwerpen. De eerste betreft de termijn in artikel 6.2.0b, die wordt gegeven voor herstel van een verzuim dat tot niet ontvankelijkheid zou leiden. De Raad van State heeft opgemerkt dat die termijn een “redelijke” zou moeten zijn en voorgesteld om dat in de wet op te nemen. De regering acht dat niet nodig. Ik wil van de bewindslieden de nadrukkelijke garantie horen dat toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur voldoende is de redelijkheid van die termijn te garanderen.
De heer Scheltema (p. 44): De heer Wolffensperger heeft nog een vraag gesteld in verband met artikel 6.2.0b, namelijk of het juist is dat, wanneer aanvulling wordt gevraagd van het bezwaarschrift, in beginsel het bestuursorgaan dat die aanvulling vraagt ook gebonden is aan een redelijke termijn, althans dat bij het bepalen van die termijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet in de wind mogen worden geslagen. Dat is zeker het geval. Die beginselen gelden, zeker wanneer het bestuursorgaan om die aanvulling vraagt, ook in dit geval. Het opnemen van het begrip “redelijke termijn” in de wet leek dus niet erg aangewezen, omdat juist de interpretatie van dat begrip weer dezelfde moeilijkheden met zich brengt als de vraag wat nu precies die beginselen van behoorlijk bestuur in dit geval opleveren.

Dit artikel is met ingang van 1 juli 2004 gewijzigd bij wet van 29 april 2004 Stb. 214 (wetsvoorstel 28 483)

[Eindtekst] Artikel 6:6
Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:
a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Voorontwerp

In artikel 6:6 wordt voor “artikel 6:5” ingevoegd: artikel 2.3.2,.

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting 

Zie Memorie van toelichting bij artikel 4:5.

Share This