Artikel 6:9

1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 4 juni 1992 Stb. 315 (wetsvoorstel 21 221)

[bron: PG Awb I, p. 294-296]

[Eindtekst] Artikel 6:9 [6.2.3]
Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen of, bij verzending binnen Nederland, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd.

Voorontwerp

Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn binnen Nederland ter post is bezorgd.

Tekst RvS = VvW

Advies RvS

Bij de Raad is de vraag gerezen of het beperkende element «binnen Nederland» in dit artikel noodzakelijk is.

Nader rapport

Wij zijn van mening dat de beperking «binnen Nederland» niet gemist kan worden. De hoofdregel is dat het bezwaar- of beroepschrift binnen de gestelde termijn dient te zijn ontvangen. In de toelichting is uiteengezet op welke gronden op die hoofdregel een uitzondering is gemaakt voor verzending per post binnen Nederland. Voorts is in de toelichting aangegeven op welke gronden de beperking «binnen Nederland» niet gemist kan worden en op welke wijze eventuele nadelige gevolgen daarvan voorkomen of verholpen kunnen worden.

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

Belanghebbenden dienen er in beginsel voor te zorgen dat hun bezwaar- of beroepschrift binnen de termijn is ontvangen door het orgaan waarbij het bezwaar- of beroepschrift moet worden ingediend. Deze hoofdregel is in het onderhavige artikel neergelegd met de woorden «indien het voor het einde van de termijn is ontvangen». Deze hoofdregel heeft uiteraard betrekking op alle wijzen van indiening: verzending per post, verzending per bode, afgifte aan de balie van een bestuursorgaan en dergelijke.
Met betrekking tot verzending per post kan indiening volgens deze zogenoemde ontvangsttheorie evenwel tot onduidelijkheden leiden. Daarom hanteren de meeste administratiefrechtelijke colleges tegen­woordig op dit punt de zogenaamde verzendtheorie. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven, dat vroeger een ander standpunt innam, heeft zich in 1981 in het belang van een uniforme toepassing van termijnbepalingen bij die opvatting aangesloten (CBB 3 juni 1981, AB 1981, 506, m.n.). De Afdeling rechtspraak, de Kroon en de Centrale Raad van Beroep huldigen hetzelfde standpunt. Ook in de literatuur pleegt de verzendtheorie te worden verdedigd.
In de verzendtheorie is de afstempeling door de PTT in het algemeen bepalend voor de vraag of een bezwaar- of beroepschrift tijdig ter post is bezorgd. Vertragingen in de postbezorging komen daardoor niet voor rekening van de afzender. Met het poststempel van de PTT als uitgangspunt doen zich in de praktijk nauwelijks problemen voor. In enkele gevallen kan echter twijfel ontstaan ten aanzien van de dag van terpostbezorging. De indiener stelt bij voorbeeld dat hij het beroepschrift op de laatste dag van de termijn ter post heeft bezorgd, terwijl het poststempel op de envelop een latere datum aangeeft. De Afdeling rechtspraak stelt zich in dergelijke gevallen iets strenger op dan andere administratieve rechters. Terwijl de meeste rechters in het algemeen aan de appellant het voordeel van de twijfel laten, eist de Afdeling recht­spraak dat de appellant aantoont dat hij het beroepschrift eerder ter post heeft bezorgd dan op de dag van het poststempel. Vertragingen in de postverzending voor de stempeling, komen in het standpunt van de Afdeling rechtspraak al gauw voor risico van de afzender.
Nu men echter in de meeste gevallen welhaast gedwongen is van de postdienst gebruik te maken, zouden fouten van die dienst, of die nu de postverzending of -bezorging betreffen, niet tot verlies van het beroeps­recht moeten leiden. De voorgestelde bepaling sluit daarom aan bij de verzendtheorie zoals deze door de meeste administratieve rechters wordt gehanteerd (zie bijvoorbeeld CBB 5 oktober 1982, SEW 1984, 461, m.n.; KB 1 april 1982 nr. 3, AB 1982, 373, m.n., en CRvB 26 maart 1980, RSV 1980, 241). De bepaling betekent meer in het algemeen een wijziging voor de belastingrechtspraak, waar tot nu toe de ontvangst­theorie gehanteerd wordt.
Vanzelfsprekend is een appellant nimmer verplicht van de post gebruik te maken. Zoals hierboven vermeld, kan hij zijn geschrift ook zelf binnen de termijn bij het bevoegde orgaan afgeven.
Bij postbezorging vanuit het buitenland geldt niet dat het voldoende is indien het bezwaar- of beroepschrift binnen de termijn ter post is bezorgd. De verzendtheorie zou in dat geval tot te grote onduidelijk­heden leiden. Immers de duur van de verzending kan per land en per wijze van vervoer (lucht-, trein- of zeepost) sterk verschillen, terwijl in sommige gevallen voor Nederlandse organen moeilijk zal zijn vast te stellen op welk moment het bezwaar- of beroepschrift ter post is bezorgd. De nadelen van de omstandigheid dat in dit geval de verzend­theorie niet geldt, zijn overigens goed te ondervangen. Iemand die in het buitenland verblijft of woont en rekening moet houden met voor hem relevante besluiten van Nederlandse bestuursorganen, zal er wijs aan doen een gemachtigde in Nederland aan te stellen. Mocht hij die oplossing niet hebben gekozen, dan is nog altijd denkbaar, dat komt vast te staan dat het te laat ontvangen bezwaar- of beroepschrift zo spoedig is ingediend als redelijkerwijs verlangd kon worden en het bezwaar of beroep derhalve op grond van artikel 6.2.5 toch ontvankelijk is.

Voorlopig verslag II

[2.166] Dit artikel bepaalt dat een bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen (ontvangsttheorie) of, bij verzending binnen Nederland, het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd (verzendtheorie). Is in het geval van verzending binnen Nederland de datum van het poststempel doorslaggevend?
[2.167] De G.P.V.-fractie wenste deze vraag niet te stellen.
De voorgestelde bepaling betekent voor de belastingrechtspraak een wijziging van de ontvangsttheorie naar de verzendtheorie. De Vereniging voor Belastingwetenschap heeft daartegen bezwaren geuit: voor fiscus en belastingrechter zou het een oordeel over de vraag of een bezwaar- of beroepschrift tijdig is binnengekomen bemoeilijken.
Hoe denkt de regering over dit bezwaar?

Memorie van antwoord II

(2.166) De bepaling dat een bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn binnen Nederland ter post is bezorgd, betekent dat de datum van het poststempel doorgaans beslissend zal zijn voor het vaststellen van de datum van verzending. Zoals in de memorie van toelichting is uiteengezet, zal die datum echter niet in alle gevallen volledig bepalend zijn. Indien de indiener van een stuk stelt dat hij het op de laatste dag van de termijn ter post heeft bezorgd, doch het stempel een dag later aangeeft, zal de rechter moeten beoordelen of indiening nog tijdig is geweest. Dit zal bijvoorbeeld wel het geval zijn, indien stukken die op een bepaalde dag worden gepost, eerst de volgende dag vroeg van een stempelafdruk worden voorzien.
(2.167) Zoals in de memorie van toelichting is vermeld, is in de rechtspraak een ontwikkeling in de richting van de verzendtheorie waar te nemen. Daarvoor zijn ook verschillende, in de memorie van toelichting aangegeven, argumenten te noemen.
In die memorie is tevens aangegeven dat de bepaling voor het belastingrecht een wijziging betekent: daar geldt nu de ontvangsttheorie. Een commissie uit de Vereniging voor Belastingwetenschap heeft daartegen (op de bladzijden 42 en 43 van haar rapport) bezwaar geuit. Wij vermogen echter niet in te zien in welk opzicht deze problematiek zich in het belastingrecht zou onderscheiden van die in de andere delen van het bestuursrecht. Zouden tegen de nu voorgestelde regel wel doorslaggevende bezwaren bestaan, dan zouden die naar alle waarschijnlijkheid ook voor de rest van het bestuursrecht gelden, en zou de Awb voor de ontvangsttheorie behoren te kiezen. Wij zien echter op dit moment geen argumenten een ander standpunt in te nemen dan in het wetsvoorstel is neergelegd.

Eindverslag

De leden van de SGP-fractie waren bevreesd dat het hanteren van de verzendtheorie tot misverstanden en onzekerheden aanleiding zou geven. Zij vroegen of de regering deze vrees deelde en met hen van mening is dat het hanteren van de ontvangsttheorie ook bij verzending binnen Nederland deze risico's uitsluit. Zij waren van mening dat de faciliteiten die de posterijen bieden en daarenboven de mogelijkheden die bijvoor­beeld de telefax biedt de burger voldoende in staat stellen zijn bezwaar- ­of beroepschrift op tijd in te dienen, zodat de burger niet of nauwelijks in zijn beroepsmogelijkheden wordt geschaad.

Nota naar aanleiding van het eindverslag

Wij betreuren het dat de leden van de SGP-fractie ook na de uiteenzettingen in de memorie van toelichting (blz.127/128 )[1] en de memorie van antwoord (blz. 88)[2] nog vrezen dat de verzendtheorie tot teveel misverstanden en onzekerheden aanleiding zou geven. Hoewel de verzendtheorie een element van onzekerheid in zich bergt, geldt dit evenzeer, zo niet sterker, voor de ontvangsttheorie. Bezwaar- of beroepschriften kunnen immers ook bij de posterijen of bij de ontvangende instantie zoekraken.
De ontvangsttheorie heeft bovendien het nadeel, dat zij de onzekerheid die bij voorbeeld door een fout van de posterijen kan ontstaan, eenzijdig ten laste van de burger brengt. Op hem rust dan immers in beginsel de taak aannemelijk te maken dat hij niet in verzuim is geweest. Hoe goed de faciliteiten die de posterijen in Nederland bieden ook zijn, gelet op de zeer grote hoeveelheden poststukken zullen fouten waarmee de verzender geen rekening behoefde te houden zich wel steeds blijven voordoen.
Ook de verwijzing van deze leden naar de mogelijkheid bezwaar te maken of beroep in te stellen per telefax achten wij minder overtuigend. Vooralsnog hebben lang niet alle burgers gemakkelijk toegang tot een telefax-apparaat, terwijl bovendien deze wijze van verzending aanzienlijk duurder is dan verzending per gewone post.
Anders dan de leden van de SGP-fractie menen wij derhalve dat een keuze voor de ontvangsttheorie de burger wel in zijn bezwaar- en beroepsmogelijkheden zou schaden. Wij wijzen er bovendien op, dat de verzendtheorie voor het overgrote deel van het bestuursrecht reeds geldend recht is zonder dat blijkt dat de door deze leden gevreesde onzekerheden een probleem vormen. In de literatuur wordt deze benadering vrijwel unaniem verdedigd.

UCV  

De heer Van den Berg (SGP, p 22): Ik zal kort zijn over de verzendtheorie. Uit de schriftelijke voorbereiding  is duidelijk dat mijn fractie niet onverdeeld juichend staat tegenover de thans voorgestelde bepalingen. Ik ga daar nu niet verder op in. Wij zijn nu bereid om de keuze voor de verzendtheorie te accepteren. Wij verzoeken de bewindslieden wel om bij de evaluatie uitdrukkelijk aandacht te schenken aan de praktijk die op dit punt zal ontstaan.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 gewijzigd bij wet van 23 december 1993 Stb. 690 (wetsvoorstel 23 258).

[bron: PG Awb II, p. 359-360]

[Eindtekst] Artikel 6:9 [6.2.3]
1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

NvW = Eindtekst

Toelichting NvW
Artikel 6:9 Awb bepaalt, dat een bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, of, indien het binnen Nederland wordt verzonden, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd (de zgn. «verzendtheorie»). Bij nader inzien zouden de woorden «binnen Nederland» op gespannen voet kunnen staan met het communautaire recht. Dat eist immers, dat vorderingen ter handhaving van uit communautaire recht voortvloeiende rechten niet ongunstiger worden behandeld dan vergelijkbare «nationale» vorderingen (vgl. HJEG zaak 33/76, Jur. 1976, 1989 [Rewe]; HJEG zaak 45/76, Jur. 1976, 2043 [Comet]. Nu «communautaire» beroepen relatief vaker vanuit het buitenland zullen worden ingesteld, en appellanten daarbij dus relatief vaker niet de voordelen van de verzendtheorie zullen kunnen profiteren, zou de huidige tekst van artikel 6:9 met dit vereiste in strijd kunnen komen.
Gelijke behandeling van vanuit Nederland en vanuit het buitenland verzonden geschriften kan echter niet worden gerealiseerd door zonder meer de verzendtheorie uit te breiden. Binnen Nederland is de overgrote meerderheid van de geschriften binnen een of twee dagen na verzending te bestemder plaatse.
Bij verzending vanuit het buitenland kunnen geschriften soms wekenlang onderweg zijn. Het onverkort hanteren van de verzendtheorie zou dan de periode van onzekerheid omtrent de rechtmatigheid van een besluit te zeer verlengen en daarmee afbreuk doen aan de functie van de bezwaar- en beroepstermijn.
Daarom wordt thans gekozen voor een enigszins gemitigeerde variant van de verzendtheorie: vereist is niet alleen dat het geschrift binnen de termijn ter post is bezorgd, maar tevens dat het uiterlijk een week na afloop van de termijn is ontvangen. Door het stellen van deze laatste eis is het mogelijk de oorspronkelijke gestelde eis van terpostbezorging binnen Nederland te laten vervallen. Het gevolg is dat de verzendtheorie algemeen gaat gelden, waar de terpostbezorging ook plaats vindt, mits een wijze van verzending wordt gekozen die bezorging binnen een week na afloop van de termijn garandeert. Het risico van te late bezorging wordt nog wel door de afzender gedragen, maar bij verzending binnen de termijn is het voldoende dat het stuk binnen een week na afloop van de termijn is ontvangen. Voor verzending uit het buitenland is deze regeling gunstiger: op grond van de oude tekst moest het geschrift binnen de termijn zelf zijn ontvangen.
Voor verzending binnen Nederland zal de nu voorgestelde bepaling in de praktijk geen wijziging ten opzichte van de oorspronkelijke tekst betekenen. Voorop blijft staan dat het geschrift binnen de termijn ter post moet zijn bezorgd; indien dat is geschied zal aan de tweede eis – bezorging binnen een week – welhaast altijd zijn voldaan.
Bij verzending uit het buitenland geldt precies hetzelfde. De eis van bezorging binnen een week heeft daar voor de praktijk echter meer betekenis. Zij dwingt de indiener tijdstip en wijze van verzending zodanig te kiezen, dat tijdige aankomst verzekerd is. Bovendien beperkt zij het belang van bewijsproblemen voor het geval niet eenvoudig valt vast te stellen of een vanuit het buitenland afkomstig geschrift tijdig is gepost: bij te late ontvangst is dit punt niet meer van belang.
De voorgestelde regeling voldoet aan de eisen die het EG-recht stelt, maar is niet tot het gebied van de Europese Gemeenschap beperkt. Daartoe bestaat onvoldoende aanleiding. 
Ten overvloede zij opgemerkt, dat ook een geschrift dat binnen de termijn is verzonden maar langer dan een week onderweg is, onder omstandigheden ontvankelijk kan zijn, namelijk als de termijnoverschrijding verschoonbaar is (art. 6:11). Dat zal echter in het algemeen niet het geval zijn, als de gekozen wijze van verzending een niet te verwaarlozen risico in zich draagt dat het geschrift langer dan een week onderweg is.

Verslag

In de voorgestelde wijziging wordt de verzendtheorie aangepast aan het communautaire recht. De leden van de CDA-, PvdA- en VVD-fractie vroegen of bij binnenlandse en buitenlandse verzendingen onder «ter post» moet worden verstaan dat van de officiële PTT-diensten gebruik gemaakt moet worden. Onder de oude bepaling werd dit in de daarbij horende memorie van toelichting wel gesteld. Verder vroegen zij de regering aan te geven waarom gekozen is voor de termijn van één week.

Nota naar aanleiding van het eindverslag

De voorgestelde wijziging van artikel 6:9 brengt geen wijziging in de betekenis van de uitdrukking «ter post bezorgen». Daaronder wordt verstaan verzending via de officiële postdienst van het land van verzending. Anders zou immers onvoldoende gewaarborgd zijn dat de datum van verzending met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld. Officiële postdiensten zijn die diensten waarmee de PTT bij de verzorging van het internationaal postverkeer samenwerkt.
De termijn van een week na het verstrijken van de bezwaar- of beroepstermijn, binnen welke het geschrift moet zijn ontvangen, is een compromis tussen twee overwegingen. Enerzijds moet deze termijn zo kort mogelijk zijn om de werking van de bezwaar- en beroepstermijn niet te ondermijnen. Anderzijds moet er bij handhaving van de verzendtheorie ook een reële mogelijkheid zijn om een op de laatste dag van de termijn verzonden geschrift tijdig ter bestemder plaatse te krijgen. Een week is daarvoor in het algemeen voldoende, in aanmerking nemend dat van buitenlandse appellanten in redelijkheid gevergd kan worden dat zij hun geschriften zonodig per expresse of op een andere bijzondere wijze verzenden.

 


[1] Zie PG Awb I, p. 295.
[2] Zie PG Awb I, p. 295-296.

 

 

 

Share This