Artikel 7:4

1. Tot tien dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken indienen.
2. Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage.
3. Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen.
4. Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen.
5. Voor zover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het tweede lid achterwege worden gelaten.
6. Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten, voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan.
7. Gewichtige redenen zijn in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een verzoek om informatie, vervat in deze stukken, in te willigen.
8. Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een gemachtigde die hetzij advocaat hetzij arts is.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 4 juni 1992 Stb. 315 (wetsvoorstel 21 221)

[bron: PG Awb I, p. 337-340] 

[Eindtekst] Artikel 7:4 [6.3.9]
1. Tot tien dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere schrifturen of bewijsstukken indienen.
2. Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage. Bij de oproeping voor het horen wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen.
3. Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen.
4. Voor zover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het tweede lid achterwege worden gelaten.
5. Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belangheb­bende, toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten, voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan.
6. Gewichtige redenen zijn in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een verzoek om informatie, vervat in deze stukken, in te willigen.
7. Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een gemachtigde die hetzij advocaat hetzij arts is.

Voorontwerp

1. Tot tien dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere schrifturen of bewijsstukken indienen.
2. Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende tenminste een week voor belanghebbenden ter inzage. Bij de oproeping voor het horen wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage liggen.
3. Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van de kosten afschriften verkrijgen.
4. Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, toepassing van het tweede lid achterwege laten, voorzover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan.
5. Gewichtige redenen zijn in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een verzoek om informatie, vervat in deze stukken, in te willigen.
6. Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een gemachtig­de die hetzij advocaat hetzij arts is.

Tekst RvS

1. Tot tien dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere schrifturen of bewijsstukken indienen.
2. Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende tenminste een week voor belanghebbenden ter inzage. Bij de oproeping voor het horen wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage liggen.
3. Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van de kosten afschriften verkrijgen.
3a. Voor zover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het tweede lid achterwege worden gelaten.
4. Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten, voor zover geheimhou­ding om gewichtige redenen is geboden. Van de toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan.
5. Gewichtige redenen zijn in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een verzoek om informatie, vervat in deze stukken, in te willigen.
6. Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een gemachtigde die hetzij advocaat hetzij arts is.

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

In het eerste lid van dit artikel is bepaald, dat belanghebbenden tot een week voor het horen schriftelijke stukken kunnen indienen. Het bestuurs­orgaan en andere betrokkenen kunnen dan nog tijdig voor de hoorzitting daarvan kennisnemen. Deze stukken moeten immers overeenkomstig het tweede lid ter inzage worden gelegd. Niet is aangegeven, wat er moet gebeuren met stukken die later worden ingediend. Dat kan als een bezwaar gevoeld worden. Het verdient echter de voorkeur voor de bezwaarschriftprocedure niet met een te strak geformaliseerde regeling te komen. Aan het bestuursorgaan staat ter beoordeling of in het kader van een goede procesorde toezending van nader ingekomen stukken aan de andere belanghebbenden gewenst moet worden geacht. Het kan van de omstandigheden afhangen of daarmee nog rekening kan worden gehouden. Met deze stukken kan in redelijkheid geen rekening meer worden gehouden indien daardoor belanghebbenden in hun verweermo­gelijkheden worden geschaad. Zie evenwel ook artikel 6.3.14 en de toelichting daarop. Alvorens een hoorzitting wordt gehouden, dient de bezwaarde de gelegenheid te hebben om de stukken die op zijn zaak betrekking hebben en die hij misschien nog niet alle kent in te zien. Eventuele derde-belanghebbenden worden in staat gesteld van het bezwaarschrift en de overige stukken kennis te nemen.
Het inzagerecht, geregeld in het tweede lid, is als een van de funda­mentele waarborgen voor een goed verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Zoveel mogelijk moet vermeden worden dat het bestuursorgaan zijn beslissing doet steunen op informatie welke de betrokken belanghebbenden niet hebben kunnen kennen. Ongewenst ook is de situatie dat pas in een latere fase (bijvoorbeeld bij de administra­tieve rechter) een belanghebbende kennis kan nemen van stukken die voor hem in een eerdere fase ontoegankelijk waren. De consequentie daarvan zou immers kunnen zijn dat geschilpunten die in de bezwaarfase definitief beslist hadden kunnen worden indien alle stukken bekend waren geweest, zonder voldoende noodzaak tot een procedure voor de administratieve rechter leiden. In beginsel dient het bestuursorgaan daarom rapporten, adviezen en beleidsnota’s die aan de beroepsinstantie plegen te worden toegezonden, ook reeds in de bezwaarschriftprocedure voor belanghebbenden ter inzage te leggen. De bepaling eist derhalve niet meer, dan dat stukken die de belanghebbende in een eventuele procedure voor de rechter toch al zou kunnen inzien, reeds in de bezwaarschriftprocedure voor hem ter kennisneming beschikbaar zijn.
In aansluiting op het inzagerecht wordt in het derde lid bepaald dat belanghebbenden van de ter inzage gelegde stukken, tegen vergoeding van ten hoogste de kosten, afschrift kunnen verkrijgen. Hiermee wordt derhalve geen plicht tot het vragen van een kostenvergoeding in het leven geroepen: eventuele bestaande praktijken waarbij afschriften van de stukken om niet ter beschikking worden gesteld, kunnen blijven bestaan. De bepaling biedt evenwel een voorziening voor die gevallen waarin thans nog geen afschrift wordt toegestaan.
In het vierde lid wordt de mogelijkheid geboden dat met toestemming van de belanghebbenden toepassing van het tweede lid achterwege kan blijven.
Het staat voorts vast dat niet steeds alle stukken aan alle belangheb­benden ter inzage kunnen worden gegeven. Zowel stukken die binnen het bestuur zelf zijn opgesteld als ook die welke afkomstig zijn van belang­hebbenden, kunnen een dermate gevoelig of vertrouwelijk karakter dragen dat zij niet ter inzage voor (alle) belanghebbenden behoren te worden gelegd. Men denke aan medische of psychologische rapporten of aan concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens. In het vijfde lid wordt daarom aan het bestuursorgaan de bevoegdheid gegeven om het geven van inzage of het maken van afschriften te beperken, voor zover dit om gewichtige redenen geboden is. Het bestuursorgaan kan dit ambtshalve doen of op verzoek van een belanghebbende. Uit het gebruik van de term «voor zover» vloeit voort dat het bestuursorgaan dient te onderzoeken in hoeverre deze beperking noodzakelijk is, en of belanghebbenden wellicht op andere wijze kunnen worden geïnformeerd, bij voorbeeld door terinza­gelegging van een «geschoond» rapport of een samenvatting ervan (zie ook Afd. rechtspraak 14 november 1980, AB 1981, 351, m.n.). Ingevolge de tweede zin van dit lid dient het bestuursorgaan aan belang­hebbende mededeling te doen van het feit dat stukken worden achterge­houden.
In navolging van artikel 109 van de Provinciewet en artikel 153 van het ontwerp-Gemeentewet wordt het achterhouden van stukken slechts mogelijk gemaakt voor zover dit om «gewichtige» redenen geboden is. De bedoeling daarvan is om aan te geven, dat voor de weigering van inzage een sterkere grond aanwezig moet zijn dan de redenen waarom krachtens de Wet openbaarheid van bestuur een verzoek om informatie kan worden geweigerd (zie de toelichting op artikel 153 van het ontwerp ­Gemeentewet, Kamerstukken II 19 403, nr. 3). Dit verschil berust op het feit dat het bij laatstgenoemde wet gaat om een recht van iedere burger, terwijl het hier een burger betreft die een procedure voert over een hem direct rakende aangelegenheid.
Ten einde deze bedoeling ook in de wetstekst duidelijk neer te leggen is in het zesde lid bepaald dat in ieder geval geen inzage geweigerd mag worden indien de Wet openbaarheid van bestuur verplicht tot het verstrekken van de informatie waarover het gaat.
Het zevende lid geeft een speciale voorziening voor gevallen waarin bij voorbeeld medische of psychiatrisch/psychologische rapporten werden uitgebracht. In die gevallen behoort niet alleen inzage aan eventuele derden geweigerd te worden, maar kan in het belang van de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de betrokkene ook besloten worden het rapport niet rechtstreeks aan de belanghebbende zelf ter inzage te geven, maar uitsluitend aan een gemachtigde indien die advocaat of arts is (vergelijk artikel 87, derde lid, van de Ambtenarenwet 1929 en artikel 111, vierde lid, van de Beroepswet).

Voorlopig verslag II

[2.201] Zou de tekst van het eerste lid niet aangevuld moeten worden met de zinsnede «in ieder geval» zodat duidelijk wordt dat het bestuur dan wel de instelling van administratief beroep later ingekomen stukken niet zonder meer terzijde hoeft te leggen (geldt ook voor artikel 6.4.9, eerste lid)? Verdient het aanbeveling, terwille van de duidelijkheid, in het tweede lid te bepalen dat ook eventuele interne adviezen ter inzage worden gelegd (geldt ook voor 6.4.9, tweede lid) zo vroegen de commissies met uitzondering van de C.D.A.-fractie.
[2.202] Het lid van de R.P.F.-fractie was het opgevallen dat de memorie van toelichting terzake van het eerste lid niet overeenkomt met de wettekst (termijn van een week tegenover een termijn van 10 dagen).
[2.203] De commissies vroegen of het tweede lid van dit artikel onverkort van toepassing is op het belastingrecht. Impliceert dit artikel dat ook bijvoorbeeld de echtgenoot van een belastingplichtige die een bezwaarschrift heeft ingediend inzagerecht heeft? Zou dat onder omstandigheden geen ongewenste gevolgen kunnen hebben? Vervalt het recht op inzage van op de zaak betrekking hebbende stukken indien men verklaard heeft geen gebruik te maken van het recht om gehoord te worden?
[2.204] Zou de werking van het vierde lid (uitzondering op het ter inzage leggen van stukken) moeten worden uitgebreid tot het eerste lid (tien dagen voor het horen indienen van nadere stukken) waaruit een verplichting kan worden afgeleid tot het hanteren van een termijn van tien dagen tussen indiening van nadere stukken en hoorzitting?
[2.205] De leden van de S.G.P.-fractie wezen er op dat uit het eerste lid de verplichting kan worden afgeleid tot het hanteren van een termijn van tien dagen tussen indiening van stukken en hoorzitting. Zij vroegen of het derhalve geen aanbeveling verdient in lid 4 ook de mogelijkheid tot het achterwege laten van de toepassing van het eerste lid op te nemen. Deze leden waren verder van oordeel dat het bestuursorgaan in beginsel ook interne adviezen die op de zaak betrekking hebben ter inzage moet leggen.

Memorie van antwoord II

(2.201) Wij achten het niet wenselijk in de wettekst de zinsnede «in ieder geval» op te nemen, omdat daarmee afbreuk wordt gedaan aan het karakter van de tien-dagen-termijn als hoofdregel. Het bestuursorgaan (beroepsorgaan) kan met later ingediende stukken onder omstandigheden weliswaar nog rekening houden, maar alleen voor zover daardoor geen procesbelang wordt geschaad. Opneming van de woorden «in ieder geval» zou te zeer de indruk wekken dat ook na verloop van de termijn nog zonder bezwaar stukken kunnen worden overgelegd.
Voor opneming van de plicht tot terinzagelegging van interne adviezen zien wij geen aanleiding, nu uitdrukkelijk is bepaald dat alle voor de zaak relevante stukken terinzage dienen te liggen, behalve wanneer een van de leden 4, 5 of 6 van artikel 6.3.9 van toepassing is.
(2.202) De in de memorie van toelichting genoemde termijn van een week is inderdaad onjuist nu de wettekst een termijn van tien dagen noemt.
(2.203) De in het tweede lid geformuleerde hoofdregel geldt weliswaar ook voor het belastingrecht, maar het is waarschijnlijk dat in de praktijk van het belastingrecht de terinzagelegging achterwege blijft. Veelal zal sprake zijn van privacygevoelige gegevens. De belastingplichtige zal dan geen behoefte hebben aan een terinzagelegging. Alsdan zal toepassing worden gegeven aan het vierde, vijfde of zesde lid van artikel 6.3.9 en blijft de terinzagelegging achterwege.
De terinzagelegging van stukken maakt realisering van het beginsel van hoor en wederhoor mogelijk en is om die reden gekoppeld aan de hoorzitting. Wordt er niet gehoord, dan is ook geen sprake van een verplichte terinzagelegging.
(2.204) Artikel 6.3.9 sluit op zichzelf niet uit dat ook de bezwaarde nog nadere stukken indient nadat de termijn van het eerste lid al is verstreken. Het gevolg daarvan is alleen dat met die stukken onder omstandigheden geen rekening meer kan worden gehouden wanneer een ander daardoor in zijn procesbelang wordt geschaad. In gevallen waarbij in beginsel slechts sprake is van één belanghebbende speelt dit alles een minder grote rol dan bij besluiten waarbij de belangen van meer personen zijn betrokken.
(2.205) Wat betreft de vraag over het achterwege laten van de toepasselijkheid van het eerste lid zij verwezen naar punt 2.204. Wanneer belanghebbenden instemmen met de afwijking kan worden aangenomen, dat (derde-)belanghebbenden niet in hun verweermogelijkheden worden geschaad. Instemming van belanghebbenden is echter geen voorwaarde voor afwijking van de termijn. Die suggestie zou echter kunnen ontstaan bij verwijzing in het vierde lid naar het eerste lid.
Goed denkbaar is inderdaad dat ook interne adviezen die op de zaak betrekking hebben, ter inzage worden gelegd. Krachtens het vijfde lid is het bestuursorgaan evenwel bevoegd om ten aanzien van bepaalde stukken af te zien van terinzagelegging.

Het eerste lid is gewijzigd en het tweede en derde lid zijn ingevoegd bij wet van 16 december 1993 Stb. 650 (wetsvoorstel 22 495).

[bron: PG Awb II, p. 366]

[Eindtekst] Artikel 7:4 [6.3.9]
1. Tot tien dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken indienen.
2. Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage.
3. Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen.
4. Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen.
5. Voor zover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het tweede lid achterwege worden gelaten.
6. Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belangheb­bende, toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten, voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan.
7. Gewichtige redenen zijn in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een verzoek om informatie, vervat in deze stukken, in te willigen.
8. Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een gemachtigde die hetzij advocaat hetzij arts is.

Tekst RvS = VvW

Voorstel van wet

Artikel 6.3.9 wordt als volgt gewijzigd:
Het derde tot en met zevende lid worden vernummerd tot vierde tot en met achtste lid.
Het eerste tot en met derde lid komen te luiden:
1. Tot tien dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken indienen.
2. Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage.
3. Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen.

Memorie van toelichting

Artikelen 6.3.9, 6.3.18 en 6.4.9 De wijzigingen vloeien voort uit artikel 8.2.5.3, tweede lid. Daar is bepaald dat partijen in de uitnodiging voor de zitting worden gewezen op de bevoegdheid, tot tien dagen voor de zitting nog nadere stukken in te dienen. De artikelen 6.3.9 en 6.4.9 en de verwijzing in artikel 6.3.18 worden hiermee in overeenstemming gebracht.

Nota van wijziging

In de aanhef van onderdeel I wordt «6.3.9» vervangen door: 7:4.

 

 

Share This