Artikel 8:6

1. Het beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, tenzij een andere bestuursrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift.
2. Bij elk van de bestuursrechters, genoemd in hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, kan beroep worden ingesteld tegen een besluit waarover die rechter in hoger beroep oordeelt, indien hij toepassing heeft gegeven aan artikel 8:113, tweede lid.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 16 december 1993 Stb. 650 (wetsvoorstel 24 295)

[bron: PG Awb II, p. 396-397]

[Eindtekst] Artikel 8:6 [8.1.1.6a]
1. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit waartegen beroep bij een andere administratieve rechter kan of kon worden ingesteld.
2. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit waartegen administratief beroep kan worden ingesteld of door de belanghebbende kon worden ingesteld.

Tekst RvS Dit artikel is in de Tekst RvS niet opgenomen.

VvW [8.1.1.4] = Eindtekst

Memorie van toelichting

Voor de wetstechnische afbakening van de rechtsmacht van de administratieve kamer van de rechtbank in relatie tot de andere admini­stratieve rechters is het systeem van de Wet Arob gevolgd. Dit houdt in, dat de algemene bevoegdheid van de rechtbank, neergelegd in artikel 8.1.1.1, eerste lid, niet geldt indien een andere administratieve rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen (artikel 8.1.1.4, eerste lid). De rechtbank lijkt, zo gezien, aanvullend op te treden. Een dergelijke voorstellingswijze zou echter de werkelijkheid geweld aandoen. Door de integratie van de raden van beroep/Ambtenarengerechten en de rechtbanken en de introductie van de rechtbank als eerste instantie voor de huidige Arob-geschillen en een deel van de TwK- en kroongeschillen dient de rechtbank, zoals hiervoor reeds werd opgemerkt, als de algemene administratieve rechter te worden gekwalificeerd, zij het dat op onderdelen (vooralsnog) een aantal andere, gespecialiseerde administratieve rechters eveneens een taak heeft op het gebied van de rechtsbescherming tegen de overheid.
Er zij op gewezen, dat de uitbreiding van de competentie van de administratieve kamers tot besluiten van algemene strekking anders dan algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels, tot een overeenkomstige aanpassing van de competentie van de overige administratieve rechters heeft geleid en ook moest leiden, voor zover de administratieve kamers aanvullende rechtsbescherming zouden kunnen geven op de gebieden waarvoor deze administratieve rechters competent zijn. Bij het niet aanpassen van de competentie van de andere administratieve rechters zou zonder nadere voorziening de rechtbank immers bevoegd worden te oordelen over besluiten van algemene strekking, niet zijnde algemeen verbindende voorschriften of beleidsregels, op een rechts­gebied waarop overigens de gespecialiseerde administratieve rechter bevoegd is kennis te nemen van geschillen over beschikkingen. Dit achten wij een ongelukkige consequentie, die moet worden vermeden. In het onderhavige wetsvoorstel is er derhalve in voorzien, dat ook de gespecialiseerde administratieve rechter de bevoegdheid krijgt te oordelen over besluiten van algemene strekking, niet zijnde algemeen verbindende voorschriften of beleidsregels.
Uit het eerste lid volgt, dat indien beroep is opengesteld bij een andere administratieve rechter, de rechtbank niet bevoegd is van een dergelijk geschil kennis te nemen, ook niet indien beroep zou worden ingesteld door een belanghebbende voor wie geen beroep openstond op die gespecialiseerde rechter. In heel bijzondere omstandigheden is het denkbaar dat de beroepsgerechtigdheid bij de gespecialiseerde admini­stratieve rechter wordt beperkt. Het is dan niet wenselijk dat de uitgesloten belanghebbenden zich wel tot de algemene administratieve rechter zouden kunnen wenden. Dat zou immers betekenen dat over hetzelfde besluit bij verschillende administratieve rechters zou kunnen worden geprocedeerd. Overigens laat het bovenstaande uiteraard onverlet dat de uitgesloten belanghebbende een actie kan instellen bij de burgerlijke rechter. Wij gaven hiervoor reeds aan, dit weinig gelukkig te achten. Dit onderstreept dat er buitengewoon goede redenen moeten zijn om bepaalde belanghebbenden van beroep uit te sluiten.
Ingevolge het tweede lid zal de belanghebbende die de mogelijkheid heeft van administratief beroep, eerst van deze mogelijkheid gebruik dienen te maken alvorens hij, of een andere belanghebbende, de rechtbank kan adiëren.
Op deze plaats is het goed, eraan te herinneren dat ook buiten de situatie van administratief beroep een besluit nimmer rauwelijks aan het oordeel van de administratieve rechter kan worden onderworpen. Artikel 6.3.1a bepaalt immers dat degene aan wie het recht is toegekend om tegen een besluit beroep in te stellen, daartegen eerst bezwaar moet maken.
Nu naast de algemeen verplichte bezwaarschriftprocedure tevens in de Awb het beroep op de rechtbank als algemeen bevoegde administratieve rechter wordt geregeld, zou het denkbaar zijn geweest, bij de regeling van de rechtsingang aan te knopen bij de bezwaarschriftprocedure. Dat is immers de administratiefrechtelijke voorziening die in de keten van de opeenvolgende administratiefrechtelijke procedures voorop staat. In dat geval zou de rechtsgang in chronologische zin worden beschreven. Dat zou het belang en het zelfstandige karakter van de bezwaarschriftprocedure als administratiefrechtelijke voorziening onderstrepen. Bij zo een opzet zou eerst worden geregeld welk besluit vatbaar is voor bezwaar en vervolgens worden bepaald dat tegen de beslissing op bezwaar beroep openstaat bij de rechtbank, tenzij in een bijzondere wet is bepaald dat tegen een beslissing op bezwaar beroep bij een andere administratieve rechter openstaat. Overigens zou ook bij een dergelijke regeling voor het antwoord op de vraag welke besluiten vatbaar zijn voor bezwaar, bepalend zijn geweest welke beslissingen op bezwaar vatbaar dienen te zijn voor beroep bij een administratieve rechter.
Hoewel voor de keuze voor het primaat van het bezwaar goede argumenten voorhanden zijn, geven wij er om twee redenen de voorkeur aan de huidige systematiek te handhaven en derhalve wat de vormgeving van de competentie betreft aan te haken bij het beroep. Daarmee wordt allereerst tot uitdrukking gebracht dat het bij de administratiefrechtelijke rechtsbescherming uiteindelijk gaat om de mogelijkheid voor een belanghebbende, een besluit van een bestuursorgaan ter beoordeling voor te leggen aan een onafhankelijke administratieve rechter. Ten tweede is een dergelijke regeling, mede vanwege het aantal modaliteiten in de verschillende rechtsgangen, op dit moment wetstechnisch eenvoudiger van aard.

Voorlopig verslag II

De leden van de CDA-fractie merkten op dat de passage op blz. 102 als zou artikel 6.3.1a Awb het nimmer mogelijk maken een besluit nauwelijks aan de administratieve rechter te onderwerpen weliswaar formeel juist is op dit moment maar dat dit na inwerkingtreding van wetsvoorstel 22 601 natuurlijk niet meer zo geldt.
Ingevolge artikel 8.1.1.5 aanhef en sub a, kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit inhoudende schorsing of vernietiging van een besluit van een ander bestuursorgaan, zo spraken de leden van de D66-fractie. Welke rechtsbescherming bestaat tegen besluit inhoudende schorsing of vernietiging van een besluit van een ander bestuursorgaan? Welke gronden zijn aan te wijzen om dergelijke besluiten uit te sluiten van bestuursrechtelijke rechtsbescherming?
In de memorie van toelichting bij deze bepaling stelt de regering voornemens te zijn om het spontane schorsings- en vernietigingsrecht op een andere leest te schoeien en te gelegener tijd te voorzien in de mogelijkheid van bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen schorsings- en vernietingsbesluiten. Het voorontwerp derde tranche voorziet in deze nieuwe regeling maar kent geen bepalingen inzake de rechtsbescherming of een verandering van artikel 8.1.1.5.
Op welk tijdstip en op welke wijze is de regering voornemens te voorzien in de mogelijkheid van bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen schorsings- en vernietigingsbesluiten?

Memorie van antwoord II

De opmerking van de leden van de CDA-fractie is juist. Hieraan dient wel te worden toegevoegd, dat het een karikatuur zou zijn te zeggen dat een besluit dat met toepassing van afdeling 3.4A tot stand is gekomen, «rauwelijks» aan de rechter kan worden voorgelegd. Immers ook in dat geval gaat het om een besluit dat pas aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd nadat binnen het bestuur op dat besluit een grondige bezinning heeft plaatsgevonden.

Tweede nota van wijziging

Artikel 8.1.1.4 wordt vernummerd tot artikel 8.1.1.6a.

Toelichting Tweede NvW
Om redenen van systematiek verdient het de voorkeur de oorspron­kelijk in artikel 8.1.1.4 opgenomen «voorrangsregeling» te plaatsen aan het eind van de bepalingen over de absolute competentie van de rechtbank. In de Wet op de Raad van State, de Beroepswet en de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie is deze vernummering verwerkt.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd bij wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682 (Wet aanpassing bestuursprocesrecht; kamerstukken 32 450)

[Eindtekst]
1. Het beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, tenzij een andere bestuursrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift.
2. Bij elk van de bestuursrechters, genoemd in hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, kan beroep worden ingesteld tegen een besluit waarover die rechter in hoger beroep oordeelt, indien hij toepassing heeft gegeven aan artikel 8:113, tweede lid.

Voorontwerp

1. Het beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, tenzij ingevolge het tweede tot en met het vijfde lid een andere bestuursrechter bevoegd is.
2. Bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan beroep worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 2 van bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.
3. Bij de Centrale Raad van Beroep kan beroep worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 3 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.
4. Bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven kan beroep worden ingesteld tegen:
a. een besluit als bedoeld in artikel 4 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, en
b. een besluit of andere publiekrechtelijke handeling van een bij of krachtens de Wet op de bedrijfsorganisatie [of de Wet op de Kamers van koophandel en fabrieken] ingesteld bestuurorgaan, met uitzondering van een besluit op grond van de Wet openbaarheid van bestuur.
5. Bij het gerechtshof kan beroep worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 5 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.
6. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit waartegen administratief beroep kan worden ingesteld of door de belanghebbende kon worden ingesteld.

Voorstel van wet

1. Het beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, tenzij een andere bestuursrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift.
2. Bij elk van de bestuursrechters, genoemd in hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, kan beroep worden ingesteld tegen een besluit waarover die rechter in hoger beroep oordeelt, indien hij toepassing heeft gegeven aan artikel 8:113, tweede lid.

Memorie van toelichting 

Algemeen
Dit artikel regelt de absolute bevoegdheid van de verschillende bestuursrechters in eerste aanleg. Met andere woorden: het regelt bij welke bestuursrechter beroep in eerste – en soms ook enige – aanleg kan worden ingesteld.

Eerste lid
Het eerste lid bevat de hoofdregel: het beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank (vergelijk het huidige artikel 8:1, eerste lid), tenzij de wet een andere bestuursrechter aanwijst (vergelijk het huidige art. 8:6, eerste lid). De wet die andere bestuursrechters aanwijst, is voortaan echter de Awb zelf, meer in het bijzonder de tweede bijlage bij de wet, de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. Zekerheidshalve is tevens rekening gehouden met de mogelijkheid dat in uitzonderingsgevallen de bevoegde bestuursrechter wordt aangewezen door een andere wettelijk voorschrift.

Tweede lid
Het tweede lid bevat een inhoudelijke verandering ten opzichte van de thans bestaande bevoegdheidsverdeling.
Ingevolge het tweede lid staat beroep open op de hogerberoepsrechter tegen een besluit dat is genomen naar aanleiding van een uitspraak van de hogerberoepsrechter die daartoe verplicht, indien de hogerberoepsrechter dit in zijn uitspraak bepaalt. Tegen zo’n besluit staat dus niet opnieuw in twee instanties beroep open; er is sprake van sprongberoep. Voor een algemene toelichting zij verwezen naar paragraaf III.10 van het algemeen deel van deze toelichting.
Gekozen is voor de door de Commissie-Ilsink[1] voorgestelde variant waarbij de hogerberoepsrechter beoordeelt of sprongberoep is aangewezen. Doorgaans zal dit het geval zijn, omdat een eventueel nieuw geschil over het nieuwe besluit meestal beperkter van omvang is dan het geschil over het eerste besluit. Met de Commissie-Ilsink is de regering echter van mening dat het kan voorkomen dat bij het nieuwe besluit nieuwe kwesties spelen die nog helemaal niet aan de orde zijn geweest in de eerste procedure. In zo’n geval kan een hernieuwde behandeling in twee instanties zijn aangewezen. Een facultatieve variant waarbij het oordeel aan de hogerberoepsrechter wordt overgelaten, heeft dan ook de voorkeur. Voor onduidelijkheid behoeft niet te worden gevreesd, omdat in voorkomende gevallen in de beslissing op het hoger beroep zal worden aangegeven waar men in beroep kan komen tegen het nieuwe besluit van het bestuursorgaan.
Een alternatief voor de facultatieve variant zou zijn de bepaling dat altijd sprake is van sprongberoep indien het bestuursorgaan als gevolg van een uitspraak van de hogerberoepsrechter een nieuw besluit neemt, met de mogelijkheid de behandeling van het beroep tegen dat besluit te verwijzen naar de rechtbank als daartoe aanleiding is. Een nadeel hiervan is dat dit een minder inzichtelijke regeling is dan de facultatieve variant, zonder dat daar voordelen ten opzichte van deze variant tegenover staan. Daarom is van dit alternatief afgezien.

Nota van wijziging

In artikel 8:6 wordt onder vernummering van het tweede lid tot derde lideen lid ingevoegd, luidende:
2. Het beroep tegen een besluit op een aanvraag als bedoeld in artikel 4:126 kan worden ingesteld bij de rechtbank, tenzij de schade is veroorzaakt door een besluit als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak of door een handeling ter uitvoering van een zodanig besluit. In dat geval kan het beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter die ingevolge het desbetreffende hoofdstuk bevoegd is.

Onderdeel 4 (artikel 8:6, tweede lid)
Deze bepaling vervangt het aanvankelijk voorgestelde artikel 4:132. Dat artikel regelde dat als (ingevolge artikel 8:7, vierde lid) tegen een schadeveroorzakend besluit beroep openstaat bij een gespecialiseerde rechtbank, die rechtbank dan ook het beroep behandelt tegen het besluit op een verzoek om compensatie van de schade veroorzaakt door eerstgenoemd besluit of door een feitelijke handeling ter uitvoering van eerstgenoemd besluit. De gedachte is dat de rechterlijke beoordeling van een besluit op een verzoek om nadeelcompensatie kennis vraagt van de regelgeving op grond waarvan het schadeveroorzakende besluit is genomen. Zie nader de memorie van toelichting, blz. 30 en 31. Het wetsvoorstel voorzag echter nog niet in een vergelijkbare bepaling voor het geval dat voor het beroep tegen het schadeveroorzakende besluit in eerste en enige aanleg een andere bestuursrechter dan de rechtbank bevoegd is ingevolge artikel 8:6, eerste lid, en hoofdstuk 2 van bijlage 2 bij de Awb (beroep in eerste aanleg bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven of bij een gerechtshof). Ook in die situaties ligt het voor de hand dat voor nadeelcompensatie dezelfde rechtsmacht geldt als voor het schadeveroorzakende besluit.
Het nieuwe tweede lid van artikel 8:6 regelt de rechtsmacht in beide situaties, dus 1. beroep bij een gespecialiseerde rechtbank (artikel 8:7, vierde lid, en hoofdstuk 3 van bijlage 2 Awb; artikel 4:132 oud), en 2. beroep in eerste aanleg bij een andere bestuursrechter dan de rechtbank (artikel 8:6, eerste lid, en hoofdstuk 2 van bijlage 2 Awb).
In dit verband wordt nog opgemerkt dat, indien ingevolge de artikelen 8:1 en 8:2a, tweede lid, van de Awb, beroep bij de bestuursrechter openstaat tegen een besluit op een verzoek om nadeelcompensatie voor schade veroorzaakt door een niet voor beroep vatbare handeling, het in de rede ligt dat de rechter voor het bepalen van zijn rechtsmacht zal aansluiten bij het in de jurisprudentie ontwikkelde leerstuk van het «bloc de compétence».[2]

 

 


[1] Toepassing en effecten van de Algemene wet bestuursrecht 2002-2006, Kamerstukken II 2006/07, 29 279, nr. 51.
[2] Zie bijvoorbeeld ABRS 20 juni 2007, 200 606 800, LJN BA7617, JB 2007, 148, en CRvB 29 april 2008, LJN BD1113, AB 2009, 151.

 

 

 

Share This