Artikel 8:10

1. De zaken die bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een enkelvoudige kamer.
2. Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer. De enkelvoudige kamer kan ook in andere gevallen een zaak naar een meervoudige kamer verwijzen.
3. Indien een zaak naar het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is voor verdere behandeling door één rechter, kan zij deze verwijzen naar een enkelvoudige kamer.
4. Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.

 

[bron: PG Awb II, p. 404-405]

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 16 december 1993 Stb. 650 (wetsvoorstel 22 495)

[Eindtekst] Artikel 8:10 [8.1.2.1]
1. De zaken die bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een enkelvoudige kamer.
2. Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer. De enkelvoudige kamer kan ook in andere gevallen een zaak naar een meervoudige kamer verwijzen.
3. Indien een zaak naar het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is voor verdere behandeling door één rechter, kan zij deze verwijzen naar een enkelvoudige kamer.
4. Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.

Tekst RvS = VvW

Advies RvS

Het eerste lid van dit artikel stelt voorop dat zaken die bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt in behandeling worden genomen door een enkelvoudige kamer. Is de zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt voor behandeling door één rechter, dan vindt volgens het tweede lid verwijzing naar een meervoudige kamer plaats. Ook het voorgestelde artikel 55c van de Wet op de rechterlijke organisatie kent dit uitgangspunt; bestuursrechtelijke zaken worden behandeld en beslist door een enkelvoudige kamer, behoudens in de wet genoemde uitzonderingen. De summiere toelichtingen op beide artikelen vermelden niet waarom deze voorrang van de enkelvoudige kamer in de wet moet worden vastgelegd en waarom niet aan de rechtbanken de keuze tussen meervoudige en enkelvoudige kamer kan worden overgelaten. Daar waar momenteel de mogelijkheid van berechting door een enkelvoudige kamer door de wetgever is erkend, zoals in de Wet op de Raad van State, is van problemen nimmer gebleken. In een stelsel van bestuursprocesrecht dat pretendeert globaal te zijn en veel aan de rechter over te laten, misstaat een dergelijk in de wet gedicteerd uitgangspunt. Veeleer ware aan de rechtbanken over te laten op welke wijze zij de komende geschillen behandelen. Wel verdient het aanbeveling, zoals hiervoor reeds is opgemerkt, dat zij over de inschakeling van meervoudige en enkelvoudige kamer en de daarbij toe te passen criteria overleg plegen en zo tot enige uniformiteit pogen te komen. De Raad komt daarom tot de conclusie dat de bedoelde bepalingen moeten vervallen.

Nader rapport

Wij nemen het voorstel van de Raad, dat zich overigens moeilijk laat rijmen met onderdeel 15 van het advies, niet over. Reeds in het Eindrapport van de Staatscommissie Herziening Rechterlijke Organisatie (deel 1) is gewezen op het belang van het vastleggen van het primaat van de unusrechtspraak in eerste aanleg, niet alleen in bestuursrechtelijke zaken, maar ook in civiele zaken.
Voor het burgerlijk procesrecht is daaraan al gevolg gegeven in artikel 49, tweede lid, van de Wet RO en de artikelen 288a en 429f, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Wij zien geen reden om van dat stelsel, dat in de praktijk tot tevredenheid functioneert, af te wijken. Wij zien evenmin reden, om in bestuursrechtelijke zaken een andere weg te kiezen.
Daarom wordt dit stelsel nu ook in bestuursrechtelijke zaken geïntroduceerd. Overigens is de verwijzing naar de huidige tekst van de Wet op de Raad van State minder relevant, nu in die wet juist het primaat van de meervoudige kamer is vastgelegd, waarbij de voorzitter van de desbetreffende afdeling de zaak naar een enkelvoudige kamer kan verwijzen.

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

In artikel 55c, tweede lid, van de Wet RO wordt het primaat voor de gewone behandeling van zaken in eerste aanleg gelegd bij de unus iudex. Dit primaat wordt vastgelegd in het eerste lid. Van de organisatie van de desbetreffende rechtbank hangt af op welke wijze de zaken over de onderscheiden enkelvoudige kamers worden verdeeld.
Het tweede lid voorziet in verwijzing van de enkelvoudige kamer naar een meervoudige kamer. Indien een zaak naar het oordeel van de unus iudex niet geschikt is voor behandeling door één rechter, volgt steeds verwijzing naar de meervoudige kamer. De tweede volzin voorziet in de mogelijkheid van verwijzing van zaken die behoren tot een categorie van zaken ten aanzien waarvan de rechtbank als beleid heeft vastgesteld dat deze in de regel door een meervoudige kamer worden behandeld.
Het derde lid voorziet in verwijzing door de meervoudige kamer naar een enkelvoudige kamer. Het kan in een enkel geval praktisch zijn om een zaak die in behandeling bij de meervoudige kamer is, te verwijzen naar de unus, als deze bij nader inzien of door nieuw opgekomen omstandigheden geschikt blijkt voor afdoening door één rechter.

Verslag mondeling overleg

Vragen en opmerkingen uit de commissies De heer Jurgens (PvdA) In art. 8.1.2.1 staat dat bij de administratleve kamer van de rechtbank de unus-rechtspraak als regel wordt ingevoerd. Is het wel zo verstandig om van meet af aan unus‑rechtspraak verplicht te stellen? Het is moeilijk om in deze sector ervaren rechters te vinden, terwijl de ‑ overigens zeer gekwalificeerde ‑ mensen die van de Raad van State naar de rechtbank zullen overgaan, de feitelijke rechterlijke functie nog niet zodanig beheersen dat zij de unus‑rechtspraak kunnen plegen. Is het niet goed om in art. 8.1.2.1. de mogelijkheid te bieden dat er in de eerste jaren sprake is van rechtspraak door een meervoudige kamer en pas na opgedane ervaring van unus‑rechtspraak?

Handelingen I (nr. 11, item 9)

De heer Scheltema: […]
Mevrouw Lokin heeft nog gevraagd waarom voor hetinstellen van de enkelvoudige kamer in hoger beroep geen criteria in de wet zijn opgenomen. Wanneer kan datwel en wanneer kan dat niet? We kennen dit al in een aantal gevallen. In de belastingrechtspraak en in vreemdelingenzaken kan het hoger beroep enkelvoudig worden afgedaan. Ook in al die gevallen staan daarover geen regels in de wet. Dat werkt naar ons idee niet verkeerd. Wij hebben daarover ook geen klacht ondernomen. Ook in verband met de conformiteit van het bestuursrecht bestaat het idee dat dit ook hier niet nodig is. Dat zal de rechterhet best kunnen beoordelen, ik denk beter dan de wetgever. […]

 

 

 

Share This