Artikel 8:12

De bestuursrechter kan aan een rechter-commissaris opdragen het vooronderzoek of een gedeelte daarvan te verrichten.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 16 december 1993 Stb. 650 (wetsvoorstel 22 495)

[bron: PG Awb II, p. 405-406]

Tekst = VvW

Advies RvS

Volgens dit artikel kan de rechtbank aan een rechter-commissaris opdragen het vooronderzoek of een gedeelte daarvan te verrichten. De toelichting spreekt van het instrueren door een rechter-commissaris. Tekst en toelichting, in onderling verband gelezen, maken niet duidelijk hoe ver met de opdracht aan de rechter-commissaris mag worden gegaan en of is toegestaan de rechter-commissaris met alle in afdeling 8.2.2 opgenomen bevoegdheden te belasten. Zo al niet de tekst moet worden gewijzigd, ware in elk geval de toelichting te verduidelijken.

Nader rapport

De rechter-commissaris kan worden belast met alle in afdeling 8.2.2 opgenomen bevoegdheden. In het algemeen zal alleen een meervoudige kamer behoefte hebben aan instructie door een rechter-commissaris. Het is evenwel niet uitgesloten dat ook degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer een van de andere rechters een onderzoeksopdracht geeft. De toelichting is in dit opzicht verduidelijkt.

VvW = Eindtekst [8.1.2.3]

Memorie van toelichting

Deze bepaling maakt het mogelijk dat een van de leden van een rechterlijk college wordt belast met de instructie van een zaak.
In het algemeen zal alleen een meervoudige kamer behoefte hebben aan instructie door een rechter-commissaris. Het is evenwel niet uitgesloten, dat ook degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer een van de andere rechters een onderzoeksopdracht geeft.
Ook de huidige bestuursrechtelijke procesregelingen kennen deze figuur. Zo bepalen de artikelen 33 en 70 van de Wet op de Raad van State voor respectievelijk de procedure bij de Afdeling voor de geschillen van bestuur en die bij de Afdeling rechtspraak, dat een staatsraad als rapporteur in de zaak wordt aangewezen. Deze heeft ingevolge de artikelen 45 juncto 71 tot taak op de zitting verslag te doen «van de zaak en haar verloop». De Beroepswet bepaalt in artikel 104 dat het voorbe­reidend onderzoek kan worden opgedragen aan de voorzitter of de griffier, terwijl artikel 46a van de Wet Arbo in dit verband spreekt over het lid – commissaris. Ook de Ambtenarenwet 1929 kent een lid-commis­saris. Ingevolge artikel 39 mag deze echter niet deelnemen aan de behandeling van de zaak ter zitting.
In de voorgestelde bepaling is gekozen voor de benaming «rechter-­commissaris». Aldus wordt aangesloten bij de in het burgerlijk en het strafprocesrecht gebruikelijke terminologie.
Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek van Strafvordering bevatten een uitvoeriger regeling over de positie en taak van de rechter-commissaris. Dit hangt samen met het gegeven dat diens beslissingen veelal zelfstandig voor hoger beroep vatbaar zijn. In het bestuursprocesrecht ligt dit anders. Het uitgangspunt dat het bestuurs­rechtelijke proces als een geheel moet worden gezien, staat in de weg aan het openstellen van voorzieningen tegen in het voorbereidend onderzoek genomen beslissingen. In navolging van de hiervoor al genoemde bestuursrechtelijke procesregelingen bevat het onderhavige wetsvoorstel dan ook geen uitvoerige regeling van de figuur van de rechter-commissaris.
Ook de keuze om in afwijking van de artikelen 268 van het Wetboek van Strafvordering en 39 van de Ambtenarenwet 1929 de rechter-­commissaris niet uit te sluiten van de behandeling ter zitting, is ingegeven door het eigen karakter van het bestuursrechtelijke proces. Het uitsluiten van de rechter die het voorbereidend onderzoek heeft verricht, verdraagt zich immers niet goed met de in het bestuursproces­recht geldende vrije bewijsleer. Ook een efficiënte, vlotte procesvoering is gebaat met deelname van de rechter-commissaris aan het onderzoek ter zitting. Bij deze keuze heeft ten slotte een rol gespeeld dat de rechter die met het voorbereidend onderzoek is belast, de mogelijkheid heeft zich te verschonen, terwijl partijen op hun beurt ingevolge artikel 8.1.4.1 de mogelijkheid hebben om een rechter die de schijn van partijdigheid op zich heeft geladen, te wraken.

Voorlopig verslag II

Artikel 103 van de Beroepswet voorziet in een vooronderzoek door de griffier of de gerechtsauditeur, zo spraken de leden van de D66-fractie. In de memorie van toelichting bij artikel 8.1.2.3 wordt niet gemotiveerd waarom deze mogelijkheid dient te vervallen. Ook de Raad van State maakt opmerkingen hierover, hoewel deze beperkt zijn tot de bezich­tiging (zie artikel 8.2.2.9). Kan de regering motiveren waarom het nieuwe bestuursprocesrecht niet voorziet in het opdragen van (een deel van) het vooronderzoek aan de griffier respectievelijk de gerechtsauditeur?

Memorie van antwoord II

Het nieuwe bestuursprocesrecht voorziet niet in de mogelijkheid dat een griffier of een gerechtsauditeur in het kader van het vooronderzoek zelfstandig buiten de rechter onderzoekshandelingen verricht, zoals het horen van een partij of een getuige of het houden van een descente. Aan deze keuze ligt de overweging ten grondslag dat de rechter als dominus litis daadwerkelijk verantwoordelijk dient te zijn voor de procesvoering en met het oog op een goede oordeelsvorming het feitenonderzoek zelf dient te verrichten.

Eindverslag

De leden van de D66-fractie waren niet overtuigd door de argumenten van de regering om niet te voorzien in een vooronderzoek door de griffier of de gerechtsauditeur. Naar de mening van deze leden vindt het vooronderzoek door de griffier of de gerechtsauditeur onder de verantwoordelijkheid van de rechter plaats. Aan dit vooronderzoek worden hoge eisen gesteld, zodat het aan de rechter kan worden overgelaten of hij dit deel van het feitenonderzoek zelf of onder zijn verantwoordelijkheid door anderen laat verrichten. Deze leden verzochten de regering dan ook om alsnog hierin te voorzien.

Nota naar aanleiding van het eindverslag

Wij hebben deze bepaling onderworpen aan een heroverweging. Wij zijn van oordeel dat het thans in het wetsvoorstel neergelegde stelsel, waarin de rechter het feitenonderzoek zelf dient te verrichten, uitgangspunt moet blijven. Het is de rechter die de zaak instrueert en op basis van zijn bevindingen een beslissing neemt. Niettemin kan het uit een oogpunt van doelmatige en goede rechtspraak wenselijk zijn dat de mogelijkheid bestaat dat een door de rechter aangewezen gerechtsau­diteur of de griffier bepaalde onderzoeksactiviteiten verricht. Wij denken daarbij aan een onderzoek ter plaatse. Het is immers denkbaar dat een dergelijk onderzoek kan bijdragen aan een goede afdoening van de zaak, maar dat de rechter in het concrete geval daarvan moet afzien, omdat hij van oordeel is dat het geheel van zijn werkzaamheden het doen van zo een onderzoek niet toelaat. In het huidige voorstel betekent dat dat het onderzoek achterwege blijft. Bij nader inzien menen wij dat het verant­woord is dat de mogelijkheid wordt geopend dat een gerechtsauditeur of de griffier op aanwijzing van de rechter een dergelijk onderzoek ter plaatse instelt. Het proces-verbaal van zijn bevindingen kan alsdan onderdeel uitmaken van het procesdossier. In de tweede nota van wijziging zal daartoe een voorziening worden opgenomen. Wij voegen daaraan nog toe, dat het onze bedoeling is dat aan de hand van de resul­taten van de evaluatie van het bestuursprocesrecht zal worden bezien of het nodig en verantwoord is om te voorzien in de mogelijkheid dat ook andere onderzoeksactiviteiten aan een gerechtsauditeur of de griffier worden opgedragen.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd bij wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682 (Wet aanpassing bestuursprocesrecht; kamerstukken 32 450)

[Eindtekst] In artikel 8:12 wordt «De rechtbank» vervangen door: De bestuurs-rechter.

Voorontwerp

In artikel 8:12 wordt “De rechtbank” vervangen door: De bestuursrechter.

Voorstel van wet

In artikel 8:12 wordt “De rechtbank” vervangen door: De bestuursrechter.

Memorie van toelichting

Omdat artikel 8:12 voortaan niet langer uitsluitend voor de rechtbank, maar ook voor de andere in eerste aanleg oordelende bestuursrechters geldt, is “de rechtbank” vervangen door: de bestuursrechter. Zie ook paragraaf II.1 van het algemeen deel van deze toelichting.

 

Share This