Artikel 8:13

1. De rechtbank kan een bij haar aanhangig gemaakte zaak ter verdere behandeling verwijzen naar de rechtbank waar een andere zaak aanhangig is gemaakt, indien naar haar oordeel behandeling van die zaken door één rechtbank gewenst is.
2. Een verzoek tot verwijzing kan worden gedaan tot de aanvang van het onderzoek ter zitting.
3. Indien de rechtbank waarnaar een zaak is verwezen, instemt met de verwijzing, worden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan haar ter beschikking gesteld.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien beroep in eerste aanleg kan worden ingesteld bij een gerechtshof.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 16 december 1993 Stb. 650 (wetsvoorstel 22 495)

[bron:PG Awb II, p. 407]

[Eindtekst] Artikel 8:13 [8.1.3.1]
1. De rechtbank kan een bij haar aanhangig gemaakte zaak ter verdere behandeling verwijzen naar de rechtbank waar een andere zaak aanhangig is gemaakt, indien naar haar oordeel behandeling van die zaken door één rechtbank gewenst is.
2. Een verzoek daartoe kan worden gedaan tot de aanvang van het onderzoek ter zitting.
3. Indien de rechtbank waarnaar een zaak is verwezen, instemt met de verwijzing, worden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan haar toegezonden.

Tekst RvS

De rechtbank kan een bij haar aanhangig gemaakte zaak ter verdere behandeling verwijzen naar de rechtbank waar een andere zaak aanhangig is gemaakt, indien naar haar oordeel behandeling van die zaken door één rechtbank gewenst is. Een verzoek daartoe kan worden gedaan tot de aanvang van het onderzoek ter zitting. Indien laatstgenoemde rechtbank instemt met de verwijzing van de zaak, worden de daarop betrekking hebbende stukken aan haar toegezonden.

Advies RvS

Het valt op dat voor de in dit artikel opgenomen verwijzing door de rechtbank naar een andere rechtbank niet een beroepsmogelijkheid is opgenomen, zoals in artikel 8.1.1.7 voorzien. Weliswaar is de instemming van de rechtbank waarnaar verwezen wordt voorgeschreven maar daardoor zijn geschillen niet uitgesloten. Zo kan het zijn dat een of meer van de partijen tegen de verwijzing bezwaren hebben. De Raad moge daarom aanraden het artikel aan te vullen.

Nader rapport

In zijn commentaar verwijst de Raad naar het oorspronkelijke artikel 8.1.1.7 (artikel 8.1.1.8 (nieuw)). Dit artikel geeft een regeling voor competentiegeschillen tussen de rechtbanken onderling. Het zijn de rechtbanken zelf die hun geschil voorleggen aan het appelcollege dat de rechtsgang bevoegd is. Het artikel voorziet niet uitdrukkelijk in een beroepsmogelijkheid. Artikel 8.1.3.1 ziet op een andere situatie. Het gaat daar om verwijzing om redenen van doelmatigheid van een zaak – al dan niet op verzoek van partijen – van het bevoegde college naar een college dat volgens de regels van de relatieve competentie op zichzelf niet bevoegd zou zijn tot kennisneming van die zaak. Het spreekt vanzelf dat hierbij met de belangen van de partijen wordt rekening gehouden. Indien een partij niet instemt met verwijzing, kan in die omstandigheid aanleiding worden gevonden van de verwijzing af te zien.

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

Deze bepaling voorziet in de mogelijkheid dat zaken die op enigerlei wijze met elkaar samenhangen en die bij verschillende rechtbanken zijn aangebracht, door één rechtbank worden behandeld. Het gaat hierbij om verwijzing om redenen van doelmatigheid van een zaak of met het oog op het verkrijgen van gelijkluidende beslissingen in eerste aanleg – al dan niet op verzoek van partijen – van het bevoegde college naar een college dat op zich niet bevoegd is tot kennisneming van die zaak. Het spreekt vanzelf dat hierbij met de belangen van de partijen wordt rekening gehouden. Indien een partij niet instemt met deze verwijzing, kan in die omstandigheid aanleiding worden gevonden van de verwijzing af te zien. Uitdrukkelijk is bepaald dat de rechtbank waarnaar zal worden verwezen, met de verwijzing zal moeten instemmen.
De mogelijkheid voor een partij om de rechtbank te verzoeken tot verwijzing over te gaan, is onder meer van belang voor bestuursorganen die worden geconfronteerd met van diverse appellanten afkomstige beroepschriften, gericht tegen gelijksoortige besluiten.

Voorlopig verslag II

Kan een rechtbank een verwijzing ook ambtshalve doen plaatsvinden of is altijd een verzoek van partijen nodig, zo vroegen de CDA-fractie­leden.

Memorie van antwoord II

De formulering «de rechtbank kan» betekent dat de bevoegdheid van de rechtbank om een zaak te verwijzen naar een andere rechtbank, zowel ambtshalve als op verzoek van een partij kan worden toegepast. Het tweede lid ziet op het geval dat een verzoek om verwijzing wordt gedaan. Een dergelijk verzoek kan tot de aanvang van de zitting worden gedaan.

Dit artikel is met ingang van 1 april 2002 gewijzigd bij wet van 24 januari 2002 Stb. 53 (wetsvoorstel 26 523)

[Eindtekst] Artikel 8:13 wordt gewijzigd als volgt:
1. Aan het eerste lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: Zij kan een bij haar aanhangig gemaakte zaak ter verdere behandeling verwijzen naar een andere rechtbank, indien naar haar oordeel door betrokkenheid van de rechtbank behandeling van die zaak door een andere rechtbank gewenst is.
2. In het tweede lid wordt «daartoe» vervangen door: tot verwijzing.

VvW=Eindtekst

Memorie van toelichting

De wijziging in dit artikel is ingegeven door een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad). Op 22 januari 1998 (nr. 96/6246 AW; TAR 1998, 60) heeft de Raad uitspraak gedaan in een zaak tussen de Kroon, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, en een voormalige gerechtsauditeur bij de rechtbank te Amsterdam. Het bestreden besluit in deze zaak was een koninklijk besluit waarmee aan gedaagde eervol ontslag werd verleend als gerechtsauditeur bij de rechtbank te Amsterdam. Tegen dit besluit was gedaagde in beroep gegaan bij de rechtbank te Amsterdam, die bevoegd was op basis van de geldende regeling voor relatieve competentie. De rechtbank te Amsterdam heeft deze zaak ter verdere behandeling verwezen naar de rechtbank te ’s-Gravenhage, die in deze zaak uitspraak heeft gedaan (vernietiging van het ontslagbesluit). De Kroon heeft vervolgens hoger beroep ingesteld bij de Raad, die – alvorens op de inhoud van de zaak in te gaan – constateerde dat voor de verwijzing van de zaak door de rechtbank te Amsterdam naar de rechtbank te ’s-Gravenhage geen rechtvaardiging kon worden gevonden in de wettelijke voorschriften inzake de relatieve competentie. Hieraan verbindt de Raad de conclusie dat de rechtbank te ’s-Gravenhage onbevoegdelijk heeft beslist. Gegeven de omstandigheden verklaart de Raad – met toepassing van artikel 28 van de Beroepswet – die onbevoegdheid evenwel voor gedekt en merkt hij de uitspraak aan als bevoegdelijk gedaan. De omstandigheden waar hier door de Raad op wordt gedoeld zien op de situatie dat gedaagde werkzaam is geweest bij de rechtbank te Amsterdam en vervolgens bij deze rechtbank in beroep moest gaan tegen een besluit waar de rechtbank – als dagelijkse «werkgever» – bij de totstandkoming van dat besluit betrokken was geweest.
Wij zijn van mening dat de situatie zoals deze zich heeft voorgedaan in bovengenoemde zaak in de toekomst moet worden voorkomen, o.m. ter voorkoming van situaties die strijdig zouden kunnen zijn met artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Wij achten het dan ook wenselijk artikel 8:13 aan te vullen met een extra verwijzingsmogelijkheid. Deze wens wordt gedeeld door het landelijk overleg van de voorzitters van de sectoren bestuursrecht. In dit onderdeel wordt artikel 8:13, eerste lid, dan ook aangevuld met de mogelijkheid voor een rechtbank om een zaak die bij haar aanhangig is gemaakt te verwijzen naar een andere rechtbank, indien door betrokkenheid van de rechtbank de zaak niet geschikt is voor behandeling door de rechtbank zelf. Deze mogelijkheid ziet bijvoorbeeld op arbeidsrechtelijke geschillen zoals in de zaak van 22 januari 1998. Andere voorbeelden uit de praktijk zijn een geschil over de aanvraag van een bouwvergunning voor een rechtbank bij de gemeente waarin de rechtbank is gelegen alsmede een geschil van een advocaat die regelmatig bij de bevoegde rechtbank pleit voor zijn cliënten en nu een privégeschil heeft. De redactionele wijziging in artikel 8:13, tweede lid, strekt ertoe buiten twijfel te stellen dat het aldaar bedoelde verzoek betrekking heeft op beide gevallen uit het eerste lid.

Verslag

De aanvulling van artikel 8:13 eerste lid spreekt de leden van de CDA-fractie aan, omdat zij erop is gericht om elke schijn van belangenverstrengeling te voorkomen. De integriteit van de rechterlijke macht dient te allen tijde buiten kijf te blijven. De in de memorie van toelichting gegeven voorbeelden wijzen precies uit waar het hier om gaat, namelijk elke schijn van «recht doen in eigen zaak» te vermijden, hoe subjectief deze schijn ook moge zijn. Bij de advocaten-/ rechter-plaatsvervangers heeft zich indertijd een soortgelijk probleem voorgedaan. Hoewel van concrete incidenten weliswaar niet is gebleken, kon de justitiabele wellicht een verkeerde indruk krijgen. Daarom wordt er ook op termijn naar gestreefd geen advocaten tot rechter-plaatsvervanger te benoemen in het «eigen» arrondissement.

Nota naar aanleiding van het verslag

Zie artikel 8:7

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd bij wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682 (Wet aanpassing bestuursprocesrecht; kamerstukken 32 450)

[Eindtekst] Aan artikel 8:13 wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien beroep in eerste aanleg kan worden ingesteld bij een gerechtshof.

VO = VvW

Memorie van toelichting

Ook in artikel 8:13 (verwijzing) is rekening gehouden met het geval dat beroep in eerste aanleg openstaat bij het gerechtshof.

Voorstel van wet

Aan artikel 8:13 wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien beroep in eerste aanleg kan worden ingesteld bij een gerechtshof.

Memorie van toelichting

Ook in artikel 8:13 (verwijzing) is rekening gehouden met het geval dat beroep in eerste aanleg openstaat bij een gerechtshof.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd bij wet van 12 juli 2012, Stb. 2012, 313 (Wet herziening gerechtelijke kaart; kamerstukken 32 891)

[Eindtekst] Artikel 8:13, eerste lid, tweede volzin, vervalt.

Voorstel van wet

De Algemene wet bestuursrecht, zoals deze komt te luiden indien het bij koninklijke boodschap van 24 juli 2010 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten met het oog op enige verbeteringen en vereenvoudigingen van het bestuursprocesrecht (Wet aanpassing bestuursprocesrecht) tot wet is verheven en artikel I, onderdeel CC, van die wet in werking is getreden, wordt gewijzigd als volgt:
D
Artikel 8:13, eerste lid, tweede volzin, vervalt.

Memorie van toelichting

De verwijzingsmogelijkheid voor zaken waarbij de rechtbank zelf betrokkenheid heeft, kan vervallen, omdat daarvoor een algemene voorziening wordt opgenomen in het nieuw voorgestelde artikel 46b Wet RO.

Dit artikel is met ingang van 12 juni 2017 gewijzigd bij wet van 13 juli 2016, Stb. 2016, 288 (wetsvoorstel 34 059)

[Eindtekst] In artikel 8:13, derde lid, wordt «toegezonden» vervangen door: ter beschikking gesteld.

VO = VvW

Memorie van Toelichting

Artikel 8:13 maakt het mogelijk dat een zaak door de rechtbank ambtshalve of op verzoek wordt verwezen naar een andere rechtbank indien dit naar haar oordeel gewenst is. Voorheen moesten de stukken na instemming met de verwijzing door de rechtbank waarnaar verwezen was, worden doorgestuurd door de verwijzende rechtbank. Doorzending is niet meer nodig indien gebruik wordt gemaakt van een digitaal systeem waarmee de stukken toegankelijk kunnen worden gemaakt voor de rechtbank waarnaar verwezen is. De zinsnede die het doorzenden regelde kan dan ook vervallen.

 

Share This