Artikel 8:21

1. Natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, worden in het geding vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht. De wettelijke vertegenwoordiger behoeft niet de machtiging van de kantonrechter, bedoeld in artikel 349 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
2. De in het eerste lid bedoelde personen kunnen zelf in het geding optreden, indien zij tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht.
3. Indien geen wettelijke vertegenwoordiger aanwezig is, of deze niet beschikbaar is en de zaak spoedeisend is, kan de bestuursrechter een voorlopige vertegenwoordiger benoemen. De benoeming vervalt zodra een wettelijke vertegenwoordiger aanwezig is of de wettelijke vertegenwoordiger weer beschikbaar is.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 16 december 1993 Stb. 650 (wetsvoorstel 22 495)

[bron: PG Awb II, p. 413-414]

Tekst RvS = VvW, behoudens lid 3 dat in de Tekst RvS luidde: Indien geen wettelijke vertegenwoordiger aanwezig is, of deze niet beschikbaar is en de zaak spoedeisend is, kan de rechtbank ambtshalve of op verzoek een voorlopige vertegenwoordiger benoemen. De benoeming vervalt zodra een wettelijke vertegenwoordiger aanwezig is of de wettelijke vertegen­woordiger weer beschikbaar is.

VvW = Eindtekst [8.1.5.1]

Memorie van toelichting

Het eerste lid regelt de processuele positie van partijen die naar burgerlijk recht onbekwaam zijn om in rechte te staan. Gekozen is voor een genuanceerd en gedifferentieerd stelsel, dat op onderdelen afwijkt van het burgerlijk procesrecht en van de regeling, neergelegd in de artikelen 44, eerste lid, van de Beroepswet, 27, eerste lid, van de Ambte­narenwet 1929 en 31, eerste lid, van de Wet Arbo.
Hoofdregel is, dat onbekwame natuurlijke personen niet zelf in het geding optreden, maar in het geding worden vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht. De regel uit het burgerlijk recht dat de vertegenwoordigers naar burgerlijk recht daarvoor toestemming van de kantonrechter nodig hebben, is voor het bestuursprocesrecht niet overgenomen.
In afwijking van de hoofdregel wordt in het tweede lid – anders dan in het burgerlijk procesrecht en in de hiervoor genoemde regelingen voorzien in de mogelijkheid dat handelingsonbekwamen (minderjarigen en onder curatele gestelden) en personen van wie goederen onder bewind zijn gesteld, zelf in het geding kunnen optreden, indien zij tot redelijke waardering van hun belangen terzake in staat kunnen worden geacht. Zulks is in lijn met de jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak, die – bij het ontbreken van een regeling ter zake in de Wet Arob en de Wet op de Raad van State – de vraag of een minderjarige zelfstandig als procespartij mag optreden, onder omstandigheden bevestigend beant­woordt. Aan dit stelsel ligt de gedachte ten grondslag dat, waar onbekwame natuurlijke personen geadresseerde van of anderszins belanghebbende bij een besluit kunnen zijn, zij zo enigszins mogelijk ook in persoon moeten kunnen optreden in een geding daarover.
Het derde lid bevat een bijzondere voorziening voor het geval geen wettelijke vertegenwoordiger aanwezig is (bij voorbeeld indien een feitelijk onbekwame persoon met spoed in een psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen) of deze niet beschikbaar is (bij voorbeeld wegens verblijf in het buitenland). Als de zaak spoedeisend is, kan de rechtbank ambts­halve of op verzoek een voorlopige vertegenwoordiger benoemen. Deze regeling is geïnspireerd op artikel 45 van de Beroepswet.
Het artikel bevat geen regeling over de vertegenwoordiging in het geding van rechtspersonen. Anders dan voor natuurlijke personen is dit niet nodig, omdat de (wettelijke en statutaire) vertegenwoordigingsregels voor rechtspersonen niet alleen in het burgerlijk recht van toepassing zijn.

Voorlopig verslag II

De leden van de CDA-fractie constateerden dat in het bestuursproces­recht géén verplichte procesvertegenwoordiging wordt ingevoerd. Houdt dit in dat natuurlijke personen zich ook door deskundigen (belastingadvi­seurs, vakbondsmedewerkers) op specifieke terreinen kunnen laten vertegenwoordigen.

Memorie van antwoord II

Artikel 8.1.5.4 bepaalt dat partijen zich kunnen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Dit betekent dat partijen zich ook door de door de leden van de CDA-fractie genoemde deskundigen kunnen laten vertegenwoordigen. Er worden derhalve geen bijzondere eisen aan de gemachtigde gesteld. Artikel 8.1.5.4 geeft een ondergrens, namelijk dat de rechtbank bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan kan weigeren (met uitzon­dering van advocaten en procureurs).

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd bij wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682 (Wet aanpassing bestuursprocesrecht; kamerstukken 32 450)

[Eindtekst] In de artikelen 8:18, tweede, derde en vierde lid, 8:20, tweede lid, 8:21, derde lid, 8:22, tweede lid, 8:24, tweede lid, en 8:25, eerste lid, wordt «rechtbank» telkens vervangen door: bestuursrechter.

Voorontwerp

In de artikelen 8:18, tweede, derde en vierde lid, 8:20, tweede lid, 8:21, derde lid, 8:22, tweede lid, 8:24, tweede lid, 8:25, eerste lid, 8:26, eerste en tweede lid, 8:27, eerste en tweede lid, en 8:28 wordt “rechtbank” telkens vervangen door: bestuursrechter.

Voorstel van wet

In de artikelen 8:18, tweede, derde en vierde lid, 8:20, tweede lid, 8:21, derde lid, 8:22, tweede lid, 8:24, tweede lid, en 8:25, eerste lid, wordt “rechtbank” telkens vervangen door: bestuursrechter.

Memorie van toelichting

Zie Memorie van toelichting bij artikel 8:14.

 

Share This