Artikel 8:33

1. Ieder die door de bestuursrechter als getuige wordt opgeroepen, is verplicht aan de oproeping gevolg te geven en getuigenis af te leggen.
2. In de oproeping worden vermeld de plaats en het tijdstip waarop de getuige zal worden gehoord, de feiten waarop het horen betrekking zal hebben en de gevolgen die zijn verbonden aan het niet verschijnen.
3. De artikelen 165, tweede en derde lid, 172, 173, eerste lid, eerste volzin, tweede en derde lid, 174, eerste lid, 175, 176, eerste en derde lid, 177, eerste lid en 178 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing
4. De bestuursrechter kan bepalen dat getuigen niet zullen worden gehoord dan na het afleggen van de eed of de belofte. Zij leggen in dat geval de eed of de belofte af dat zij zullen zeggen de gehele waarheid en niets dan de waarheid.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 16 december 1993 Stb. 650 (wetsvoorstel 22 495)

[bron: PG Awb II, p. 420-421]

[Eindtekst] Artikel 8:33 [8.1.6.1]
1. Ieder die door de rechtbank als getuige wordt opgeroepen, is verplicht aan de oproeping gevolg te geven en getuigenis af te leggen.
2. In de oproeping worden vermeld de plaats en het tijdstip waarop de getuige zal worden gehoord, de feiten waarop het horen betrekking zal hebben en de gevolgen die zijn verbonden aan het niet verschijnen.
3. De artikelen 191, tweede en vierde lid, 198, 199, eerste lid, 200, eerste lid, 201, 202, eerste en derde lid, 203, eerste lid, en 204 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
4. De rechtbank kan bepalen dat getuigen niet zullen worden gehoord dan na het afleggen van de eed of de belofte. Zij leggen in dat geval de eed of de belofte af dat zij zullen zeggen de gehele waarheid en niets dan de waarheid.

Tekst RvS = VvW

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

De getuigen die door de rechtbank zijn opgeroepen, dienen op grond van het eerste lid aan die oproeping gevolg te geven en getuigenis af te leggen.
Een groot aantal artikelen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvor­dering inzake getuigen is in het derde lid van overeenkomstige toepassing verklaard. Dat betekent onder meer, dat de opgeroepen getuige die niet verschijnt, of de verschenen getuige die weigert de eed of belofte af te leggen, kan worden veroordeeld in de vergeefs aangewende kosten (artikel 204 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
In het vierde lid is voorzien in de mogelijkheid dat getuigen de eed of belofte afleggen. De rechtbank bepaalt of van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt.

Voorlopig verslag II

In dit artikel wordt verwezen naar het Wetboek van Burgerlijke Rechts­vordering, aldus de leden van de D66-fractie. Dit lijkt in strijd met punt 7 van de aanwijzingen voor de wetgevingstechniek. Dit punt adviseert zuinig te zijn met verwijzingen. Hoewel in de toekomst een verdere integratie van het bestuurs- en het burgerlijke procesrecht denkbaar zou kunnen zijn, lijkt het vooralsnog beter om dit soort procesrechtelijke bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht op te nemen. ls de regering bereid de bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechts­vordering waarnaar in dit artikel wordt verwezen in de wet op te nemen?
Deze opmerkingen wensten de aan het woord zijnde leden ook te maken bij artikel 8.1.6.2 en artikel 8.1.6.3.

Memorie van antwoord II

Artikelen 8.1.6.1, 8.1.6.2 en 8.1.6.3 Wij verwijzen naar hetgeen wij hiervoor bij artikel 8.1.5.2 hebben opgemerkt. Tegen de gevolgde werkwijze is in dezen te minder bezwaar, nu het – althans in eerste aanleg dezelfde rechterlijke colleges zijn die de desbetreffende bepalingen toepassen in zowel civiele als bestuursrechte­lijke procedures.

Handelingen I

De heer Wagemakers (CDA, p. 590): Ik heb nog wat vragen over een aantal artikelen die hierbij aan de orde zijn. Overigens zijn die ten dele ontleend aan het zojuist door mij genoemde artikel van de heer Knigge. Waarom is het nagelaten om de artikelen 283, lid 2, en 184 van “rechtsvordering” betreffende bewijskracht van authentieke akten van overeenkomstige toepassing te verklaren? Een soortgelijke vraag heb ik over de regeling van de partij­getuige. Het is bekend dat de partij-getuige is onderscheiden van de andere getuige. Daarvoor zijn uitvoerige regels gegeven bij het bewijsrecht. Ik herinner mij nog dat de vraag of dat zou moeten doorwerken naar het administratieve recht een aantal jaren geleden in dit huis aan de orde is geweest bij de behandeling van het bewijsrecht. Maar het onderhavige wetsvoorstel zwijgt erover.
Waarom is overigens in artikel 8.1.6.1, lid 4, neergelegd dat een rechtbank kan bepalen of een getuige onder ede gesteld wordt? Bij kort gedingen kent men het verschijnsel dat een president derden kan horen; dan worden die eventueel niet beëdigd. Maar dan zijn zij geen getuigen. Een getuige in de zin van de wet wordt beëdigd. Als in dat artikel over getuigen gesproken wordt, meen ik dat zij ook beëdigd moeten worden. Waarom is er op dat punt dan een discretionaire bevoegdheid?
De heer Scheltema (p. 596): Mijnheer de voorzitter! Er is een aantal technische vragen over het procesrecht gesteld. Die hadden betrekking op de manier van bewijsvoering. Ik noem bijvoorbeeld de bewijskracht van een authentieke akte en het beëdigen van getuigen. Waarom zijn daar geen strakkere regels voor gegeven? Dat hangt een beetje samen met het feit dat in het bestuursprocesrecht eigenlijk een betrekkelijk vrije bewijsleer van toepassing is. Ik wijs ook op de ervaringen in het bestuurs­procesrecht, waarbij het aan de rechter is om te beoordelen wat de bewijskracht van de verschillende aangevoerde bewijsmiddelen is. Het verdient derhalve de voorkeur om de regeling te houden zoals die al was, namelijk dat daar niet te veel formele regels voor worden gegeven. Dat heeft tot nu toe in het bestuurs­procesrecht heel goed gefunctio­neerd.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2002 gewijzigd bij wet van 6 december 2001 Stb. 581 (wetsvoorstel 27 824) (alleen eindtekst opgenomen)

[Eindtekst] Artikel 8:33, derde lid, komt te luiden:
3. De artikelen 165, tweede en derde lid, 172, 173, eerste lid, eerste volzin, tweede en derde lid, 174, eerste lid, 175, 176, eerste en derde lid, 177, eerste lid en 178 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd bij wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682 (Wet aanpassing bestuursprocesrecht; kamerstukken 32 450)

[Eindtekst] In de artikelen 8:32, eerste en tweede lid, 8:33, eerste en vierde lid, 8:35, eerste lid, 8:36, eerste lid, 8:37, eerste en tweede lid, 8:39, eerste lid, en 8:40 wordt «rechtbank» telkens vervangen door: bestuursrechter.

Voorontwerp

In de artikelen 8:31, 8:32, eerste en tweede lid, 8:33, eerste en vierde lid, 8:35, eerste lid, 8:36, eerste lid, 8:37, eerste en tweede lid, 8:39, eerste lid, en 8:40 wordt “rechtbank” vervangen door: bestuursrechter.

Voorstel van wet

In de artikelen 8:32, eerste en tweede lid, 8:33, eerste en vierde lid, 8:35, eerste lid, 8:36, eerste lid, 8:37, eerste en tweede lid, 8:39, eerste lid, en 8:40 wordt “rechtbank” telkens vervangen door: bestuursrechter.

Memorie van toelichting

Zie Memorie van antwoord bij artikel 8:14.

 

 

Share This