Artikel 8:36a

[Red: Dit artikel is in werking getreden in verband met de invoering van digitaal procederen. Zie voor de procedures en gerechten waarvoor digitaal procederen geldt het Overzicht gefaseerde inwerkingtreding op www.rijksoverheid.nl/KEI.]

  1. Beroep wordt langs elektronische weg ingesteld
  2. Partijen en andere betrokken dienen ook de overige stukken langs elektronische weg in, tenzij de bestuursrechter anders bepaalt. Artikel 6:9 is van overeenkomstige toepassing.
  3. Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op het indienen van verzoeken en het doen van verzet.
  4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien een bestuursorgaan een bezwaarschrift doorzendt op grond van artikel 7:1a, vijfde of zesde lid.
  5. Indien niet is voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit het eerste tot en met derde lid of de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 8:36f, eerste lid, stelt de bestuursrechter de desbetreffende partij of andere betrokkene in de gelegenheid dit verzuim te herstellen binnen een door hem te bepalen termijn. Maakt de partijen of andere betrokkene van deze gelegenheid geen gebruik, dan kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard dan wel kan de bestuursrechter het stuk buiten beschouwing laten.
  6. In afwijking van het vijfde lid kan de bestuursrechter bepalen dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor stukkenwisseling op papier.
  7. De bestuursrechter betrekt na afloop van de termijn ingediende stukken als bedoeld in het tweede lid bij zijn beslissing indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

 

Dit artikel is met ingang van 12 juni 2017 ingevoerd bij wet van 13 juli 2016, Stb. 2016, 288 (wetsvoorstel 34 059)

[Eindtekst] Artikel 8:36a 

  1. Beroep wordt langs elektronische weg ingesteld.
  2. Partijen en andere betrokkenen dienen ook de overige stukken langs elektronische weg in, tenzij de bestuursrechter anders bepaalt. Artikel 6:9 is van overeenkomstige toepassing.
  3. Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op het indienen van verzoeken en het doen van verzet.
  4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien een bestuursorgaan een bezwaarschrift doorzendt op grond van artikel 7:1a, vijfde of zesde lid.
  5. Indien niet is voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit het eerste tot en met derde lid of de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 8:36f, eerste lid, stelt de bestuursrechter de desbetreffende partij of andere betrokkene in de gelegenheid dit verzuim te herstellen binnen een door hem te bepalen termijn. Maakt de partij of andere betrokkene van deze gelegenheid geen gebruik, dan kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard dan wel kan de bestuursrechter het stuk buiten beschouwing laten.
  6. In afwijking van het vijfde lid kan de bestuursrechter bepalen dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor stukkenwisseling op papier.
  7. De bestuursrechter betrekt na afloop van de termijn ingediende stukken als bedoeld in het tweede lid bij zijn beslissing indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

VO = VvW

Memorie van Toelichting

Zoals hierboven vermeld wordt digitaal procederen in beginsel de hoofdregel en procederen «op papier» de uitzondering (zie voor de uitzonderingen artikel 8:36b). In het bestuursrecht bestond reeds de bevoegdheid om digitaal te procederen. Deze bevoegdheid wordt thans omgezet in een verplichting. Het feit dat aan de keuzevrijheid in een groot aantal zaken in beginsel een einde komt, betekent dat de verplichting om digitaal te procederen uit de wet dient te volgen. De onderhavige bepaling strekt daartoe. Het eerste lid bepaalt dat beroepschriften digitaal dienen te worden ingediend. Het artikel is ook van toepassing op het hoger beroep (art. 8:108 Awb) en op beroep in cassatie (art. 29 AWR). Op grond van het tweede lid worden ook de overige stukken tijdens een procedure digitaal uitgewisseld in «Mijn Zaak» of via het automatische berichtenverkeer (system-to-system). De term stukken ziet op alle documenten die in het kader van een procedure langs elektronische weg worden uitgewisseld (zoals processtukken en andere op de zaak betrekking hebbende stukken) of verzonden (zoals uitstelverzoeken of de uitnodiging voor een zitting en het afschrift van de uitspraak). De informatie in deze documenten hoeft niet noodzakelijkerwijs ooit «in papieren vorm» te hebben bestaan. Instanties die niet (of niet volledig) werken met papieren dossiers, maar de op de zaak betrekking hebbende informatie digitaal opslaan, zullen ten behoeve van een beroepsprocedure die informatie overdragen, die in hun ogen relevant is voor de zaak. Deze ten behoeve van een beroepsprocedure in een document bijeengebrachte informatie wordt eveneens als een stuk beschouwd. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan schermprints die de verweerder in belastingzaken pleegt over te leggen en waarop digitaal vastgelegde informatie over de desbetreffende aangifte en belastingaanslag is bijeengebracht. Deze informatie kan en zal veelal een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming door het bestuursorgaan en heeft daardoor betrekking op de zaak. In bepaalde gevallen zullen ook zogeheten metadata relevant zijn en in het geding moeten worden gebracht (bijvoorbeeld over het tijdstip van invoeren van de gegevens of de vraag of andere data zijn overgeschreven).

Het derde lid bepaalt dat de verplichting tot digitale indiening ook geldt voor verzoeken, zoals verzoeken om voorlopige voorziening, herziening, versnelde behandeling, wraking, voeging, verwijzing en schadevergoeding op grond van titel 8.4, en het doen van verzet. Artikel 30c, eerste lid, Rv bevat een soortgelijke bepaling. Waar deze wet het mogelijk maakt om verzoeken mondeling ter zitting te doen, blijft dit uiteraard toegestaan.

Indien het bestuursorgaan instemt met het overslaan van de bezwaarprocedure, zendt het het bezwaarschrift (of een na de instemming ontvangen bezwaarschrift) eveneens langs elektronische weg door aan de bestuursrechter (vierde lid). De ontvangstdatum van het bezwaarschrift hoeft niet op het bezwaarschrift zelf te worden aangetekend, maar dient nog wel te worden gemeld (zie de toelichting bij onderdeel E).

Via een identificatie- en autorisatiesysteem zullen ook andere bij de zaak betrokkenen dan partijen, toegang moeten kunnen krijgen tot «Mijn Zaak» voor het indienen van stukken, zoals bijvoorbeeld een deskundigenbericht. De vormgeving daarvan wordt nog ontworpen door de gerechten en de Raad voor de rechtspraak respectievelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, en de Hoge Raad. Onderzocht wordt of hier gebruik gemaakt kan worden van het eigen identificatiemiddel van de andere betrokkene (thans Digid of e-Herkening) samen met een door de gerechten verstrekte code, waarmee de derde kan inloggen in «Mijn Zaak». Ook gemachtigden en advocaten krijgen naast partijen zelf via hun eigen identificatiemiddel toegang tot «Mijn Zaak» en/of een system-to-systemkoppeling.

De rechter kan zowel partijen, waaronder begrepen hun advocaten of gemachtigden, als derden een uitzondering toestaan op de verplichting om stukken digitaal in te dienen. Dit zal bijvoorbeeld aan de orde kunnen zijn vanwege toepasselijkheid van artikel 8:29 Awb. Ook kan worden gedacht aan stukken waarvan kennisneming de lichamelijke of geestelijke gezondheid van een partij of de persoonlijke levenssfeer van een ander (onevenredig) kan schaden. De bestuursrechter kan in dat geval bepalen dat de kennisneming voorbehouden is aan een bepaalde gemachtigde zoals bijvoorbeeld een advocaat of arts (artikel 8:32 Awb). In de meeste gevallen zullen deze stukken toch digitaal kunnen worden ingediend omdat het digitale systeem van de rechtspraak technisch zo wordt vormgegeven dat beperkte kennisname gewaarborgd is. Voorts zou dit aan de orde kunnen zijn bij technische storingen, waardoor «Mijn Zaak» tijdelijk niet bereikbaar is, het system-to-systemverkeer tijdelijk niet mogelijk is, of een partij geen toegelaten middel kan aanvragen (zoals Digid of E-herkenning). Om te voorkomen dat de toegang tot de rechter in het geding komt, moet het mogelijk zijn om in dergelijke gevallen tijdelijk te kunnen terugvallen op indiening van stukken langs papieren weg.

Ook voor derden, zoals deskundigen, kan de bestuursrechter zo nodig een uitzondering toestaan om stukken digitaal in te dienen, bijvoorbeeld omdat dit bezwaarlijk voor hen is. De verwachting is echter dat de meeste derden vandaag de dag ook de voorkeur zullen geven aan het indienen van stukken langs digitale weg.

Overigens dient de bestuursrechter de ontvangst van het langs elektronische weg ingediende stuk schriftelijk te bevestigen. Dit volgt voor beroepschriften rechtstreeks en voor overige stukken via het derde lid van dit artikel, uit artikel 6:14. Artikel 6:14 schrijft niet voor via welk spoor (post of elektronische weg) de ontvangstbevestiging moet worden verzonden. Van elektronisch ingediende stukken zal de ontvangst evenwel langs elektronische weg worden bevestigd. Vergeleken met de conventionele weg is de extra inspanning van het bevestigen langs elektronische weg buitengewoon gering. De ontvangstbevestiging kan immers volledig geautomatiseerd plaatsvinden. De ontvangstbevestiging betekent niet meer dan de enkele bevestiging van de ontvangst van het ingediende stuk. Zij houdt derhalve geen beoordeling in of het beroepschrift voldoet aan artikel 6:5 of dat het tijdig is ingediend.

In het algemeen deel van deze toelichting is ingegaan op de vraag wat het rechtsgevolg moet zijn indien een partij tot digitale indiening van stukken verplicht is, maar zij daaraan niet voldoet. Op grond van het bepaalde in het vijfde lid wordt deze partij in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen door de stukken die reeds op papier waren ingediend, alsnog digitaal in te dienen. De bestuursrechter stelt hem daarvoor een termijn. Om te voorkomen dat deze herstelmogelijkheid wordt aangegrepen om een langere termijn te krijgen, zal het alsnog digitaal ingediende stuk dezelfde inhoud moeten hebben als het op papier ingediende stuk. Laat de partij na het verzuim te herstellen, dan beschikt de rechter over de mogelijkheid het beroep niet-ontvankelijk te verklaren (indien het beroepschrift ten onrechte niet digitaal was ingediend) of het niet digitaal ingediende stuk buiten beschouwing te laten (indien het gaat om een ander stuk als bedoeld in het tweede lid). Daarnaast beschikt de rechter op grond van het zesde lid over de mogelijkheid te beslissen dat de partij mag voortgaan op de papieren weg. Aan deze mogelijkheid zal met name behoefte bestaan als tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat het op papier ingediende stuk eigenlijk digitaal had moeten worden ingediend. De omstandigheden van het geval zijn hier doorslaggevend. Het wordt aan de rechter overgelaten om te oordelen welke gevolgen moeten worden verbonden aan het ten onrechte kiezen van de niet-digitale route.

Het zevende lid vormt een aanvulling op artikel 6:11. Op grond van artikel 6:9, eerste lid, geldt dat beroepschriften tijdig zijn ingediend indien zij voor het einde van de termijn zijn ontvangen. Dit geldt zowel voor de verzending per post als bij digitaal procederen. In geval een bezwaar- of beroepschrift na afloop van de termijn is ingediend, blijft niet-ontvankelijkverklaring ervan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest, zo volgt uit artikel 6:11. De te late indiening kan te maken hebben met een technische verstoring van het digitale systeem, die niet in de risicosfeer van partijen ligt en waardoor het niet mogelijk is om het beroepschrift digitaal in te dienen. In een dergelijk geval biedt artikel 6:11 derhalve uitkomst. Het voorgestelde zevende lid vormt hierop een aanvulling, in die zin dat het geldt voor andere stukken dan het beroepschrift, die in de procedure eveneens digitaal moeten worden ingediend. Ook voor deze stukken geldt dat zij mogelijk niet tijdig kunnen worden ingediend als er sprake is van een technische verstoring van het digitale systeem. Zie hierover ook de toelichting in paragraaf 12 van het algemeen deel. Ook bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding bij technische verstoringen die niet in de risicosfeer liggen van partijen, zullen de omstandigheden van het geval doorslaggevend zijn. Het zevende lid heeft geen betrekking op de wijze waarop het stuk is ingediend; digitaal of op papier. Dat kan ook niet omdat denkbaar is dat het stuk bij een technische storing die kort voor het einde van de indieningstermijn optreedt en kort na het verstrijken daarvan alweer voorbij is, alsnog digitaal wordt ingediend. Denkbaar is echter ook dat de indiener in dat geval al heeft gekozen voor verzending per post. De rechter toetst in elk individueel geval of verschoonbaarheid kan worden aangenomen (zie ook paragraaf 12.1.14 van het algemeen deel van deze toelichting).

Memorie van toelichting – algemene toelichting

De bedrijfszekerheid van het systeem van gegevensverwerking moet goed worden gewaarborgd, nu het wetsvoorstel uitgaat van een verplichting om digitaal te procederen voor een groot aantal procespartijen en hun rechtsbijstandverleners. De gerechten zijn verantwoordelijk voor het waarborgen van een zo hoog mogelijk niveau van bedrijfszekerheid.

Een verstoring van de communicatie via elektronische weg kan nooit volledig worden uitgesloten. Het wetsvoorstel houdt er rekening mee dat die communicatie tijdelijk onmogelijk kan zijn. De verstoring kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van een systeemfout in het digitale portaal van de gerechten, of van een lokale, regionale of landelijke communicatiestoring. Het bestuursrecht kent al een bepaling voor verschoonbare termijnoverschrijding. Op grond van artikel 6:11 Awb geldt dat een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift toch ontvankelijk is indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Een eventuele termijnoverschrijding die als gevolg van een tijdelijke verstoring van het digitale systeem plaatsvindt, kan op grond van deze bepaling doorgaans niet aan een procespartij worden toegerekend. Omdat artikel 6:11 Awb niet van toepassing is op andere stukken die in het kader van een procedure worden ingediend, is in artikel 8:36a, vijfde lid, Awb bepaald dat de bestuursrechter na afloop van de termijn langs elektronische weg ingediende stukken bij zijn beslissing betrekt, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Het voorgaande betekent dat het digitale systeem van de rechtspraak het niet onmogelijk zal maken dat er na afloop van een termijn stukken worden ingediend.

(…)

Indien een partij tot digitale indiening van stukken verplicht is, maar zij daaraan niet voldoet, kan de rechter daaraan een rechtsgevolg verbinden dat rekening houdt met de omstandigheden van het geval. Aldus laat het voorstel toe dat de rechter in een specifiek geval beoordeelt of een partij alsnog moet voldoen aan de verplichting om digitaal te procederen, of dat dit gezien het stadium waarin de procedure zich bevindt onvoldoende zinvol is. Overeenkomstig de huidige jurisprudentie in het bestuursprocesrecht krijgt een partij primair een herstelmogelijkheid (artikelen 30c, achtste lid, Rv en 8:36a, vijfde lid, Awb). De desbetreffende partij kan in dat geval de stukken die reeds op papier zijn ingediend, alsnog digitaal indienen. Wanneer een partij geen gebruik maakt van deze herstelmogelijkheid, kan de rechter haar vervolgens niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, verzoek of beroep. De rechter kan ook beslissen dat de partij mag voortgaan op de papieren weg, bijvoorbeeld wanneer pas tijdens de zitting blijkt dat ten onrechte op papier wordt geprocedeerd. Het zou dan niet bijdragen aan de doelmatigheid en snelheid van de procedure als de mondelinge behandeling wordt aangehouden om de desbetreffende partij in de gelegenheid te stellen alle stukken alsnog digitaal in te dienen. Omdat de omstandigheden van het geval doorslaggevend zijn, wordt het aan de rechter overgelaten om te oordelen welke gevolgen er verbonden moeten worden aan het ten onrechte kiezen van de niet-digitale route. Worden andere stukken dan de procesinleiding ten onrechte op papier ingediend, dan biedt de rechter ook de mogelijkheid om die stukken alsnog digitaal in te dienen. Maakt de partij daarvan geen gebruik, dan kan de rechter het desbetreffende stuk buiten beschouwing laten. Vanzelfsprekend blijven stukken die niet digitaal ingediend kunnen worden (zoals zaken die inbreuk maken op een intellectueel-eigendomsrecht) buiten deze verplichting.

Share This