Artikel 8:55

1. Tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet doen bij de bestuursrechter.

2. De artikelen 6:4, derde lid, 6:5 tot en met 6:9, 6:11, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21 zijn van overeenkomstige toepassing.

3. Indien bij wet de werking van een uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist, wordt de werking van de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, op overeenkomstige wijze opgeschort.

4. Alvorens uitspraak te doen op het verzet, stelt de bestuursrechter de indiener van het verzetschrift die daarom heeft gevraagd, in de gelegenheid op een zitting te worden gehoord, tenzij hij van oordeel is dat het verzet gegrond is. In andere gevallen kan de bestuursrechter de indiener in de gelegenheid stellen op een zitting te worden gehoord.

5. De bestuursrechter kan ook de andere partijen in de gelegenheid stellen op de zitting, bedoeld in het vierde lid, te worden gehoord.

6. Indien de uitspraak waartegen verzet is gedaan, is gedaan door een meervoudige kamer, wordt uitspraak op het verzet gedaan door een meervoudige kamer. Van de kamer die uitspraak doet op het verzet maakt geen deel uit degene die zitting heeft gehad in de kamer die de uitspraak heeft gedaan waartegen verzet is gedaan.

7. De uitspraak strekt tot:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het verzet,
b. ongegrondverklaring van het verzet, of
c. gegrondverklaring van het verzet.

8. Indien de bestuursrechter het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart, blijft de uitspraak waartegen verzet was gedaan in stand.

9. Indien de bestuursrechter het verzet gegrond verklaart, vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

10. Indien de bestuursrechter het verzet gegrond verklaart, kan hij tevens uitspraak doen op het beroep, mits:

a. nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, en

b. de partijen in de gelegenheid zijn gesteld op een zitting te worden gehoord en daarbij zijn gewezen

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 16 december 1993 Stb. 650 (wetsvoorstel 22 495)

[bron: PG Awb II, p. 451-454]

[Eindtekst] Artikel 8:55 [8.2.4.2]
1. Tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, kan een belanghebbende verzet doen bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. De artikelen 6:4, derde lid, 6:5, 6:6 tot en met 6:9, 6:11, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21 zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Indien bij wet de werking van een uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist, wordt de werking van de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, op overeenkomstige wijze opgeschort.
3. Alvorens uitspraak te doen op het verzet, stelt de rechtbank de indiener van het verzetschrift die daarom heeft gevraagd, in de gelegenheid op een zitting te worden gehoord, tenzij zij van oordeel is dat het verzet gegrond is. Indien de indiener van het verzetschrift daarom niet heeft gevraagd, kan de rechtbank hem in de gelegenheid stellen op een zitting te worden gehoord.
4. Van de kamer die uitspraak doet op het verzet maakt geen deel uit degene die zitting heeft gehad in de kamer die de uitspraak heeft gedaan waartegen verzet is gedaan.
5. De uitspraak strekt tot:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het verzet,
b. ongegrondverklaring van het verzet, of
c. gegrondverklaring van het verzet.
6. Indien de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart, blijft de uitspraak waartegen verzet was gedaan in stand.
7. Indien de rechtbank het verzet gegrond verklaart, vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voort­gezet in de stand waarin het zich bevond.

Tekst RvS

1. Tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8.2.4.1, tweede lid, kan een belanghebbende binnen zes weken na de dag van verzending schriftelijk verzet doen bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
2. Alvorens uitspraak te doen op het verzet, stelt de rechtbank de indiener van het verzetschrift die daarom vroeg, in de gelegenheid op een zitting te worden gehoord, tenzij zij van oordeel is dat het verzet gegrond is.
3. Een meervoudige kamer doet uitspraak op het verzet. Van de meervoudige kamer maakt geen deel uit degene die de uitspraak heeft gedaan waartegen verzet is gedaan.
4. De uitspraak strekt tot:
a. niet-toegankelijkverklaring van het verzet, of
b. ongegrondverklaring van het verzet, of
c. gegrondverklaring van het verzet.
5. Indien de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart, blijft de uitspraak waartegen verzet was gedaan in stand.
6. Indien de rechtbank het verzet gegrond verklaart, vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Advies RvS

In afwijking van artikel 106, eerste lid, van de Wet op de Raad van State dat voor het verzet een termijn van veertien dagen stelt en motivering van het verzetschrift verlangt, schrijft het eerste lid van het onderhavige artikel een termijn van zes weken voor en wordt niet de eis van motivering gesteld. Op beide punten dient, als al niet tot wijziging van de tekst wordt besloten, in de toelichting die daarover zwijgt te, worden ingegaan. Tevens ware te motiveren waarom in het derde lid is voorgeschreven dat op het verzet uitspraak wordt gedaan door een meervoudige kamer; zo nodig ware de tekst te wijzigen. Ook op dat onderdeel is er verschil met artikel 106 dat een dergelijke beperking niet kent.

Nader rapport

Het verdient naar onze mening geen aanbeveling om de termijn voor het indienen van het verzetschrift, in afwijking van de in artikel 6.2.1 in het algemeen bepaalde termijn van zes weken voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift, te stellen op twee weken.
Met de Raad zijn wij bij nader inzien van mening, dat het verzetschrift gemotiveerd dient te zijn. De opmerkingen van de Raad hebben ons aanleiding gegeven om artikel 6.2.16 van de Awb te wijzigen in die zin, dat afdeling 6.2 ook van overeenkomstige toepassing is op het verzet.
Wij achten het een eis van zorgvuldige rechtspleging, dat op het verzet niet door een unus iudex, maar door een meervoudige kamer wordt beslist. Het vertrouwen van de rechtsgenoten in de rechtspraak en de aanvaardbaarheid van de beslissing op het verzet worden daardoor vergroot. Nog onlangs is een wijziging van deze strekking in de Beroepswet aangebracht. De memorie van toelichting is aangevuld.

Voorstel van wet

1. Tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8.2.4.1, tweede lid, kan een belanghebbende verzet doen bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
2. Alvorens uitspraak te doen op het verzet, stelt de rechtbank de indiener van het verzetschrift die daarom heeft gevraagd, in de gelegenheid op een zitting te worden gehoord, tenzij zij van oordeel is dat het verzet gegrond is.
3. Een meervoudige kamer doet uitspraak op het verzet. Van de meervoudige kamer maakt geen deel uit degene die zitting heeft gehad in de kamer die de uitspraak heeft gedaan waartegen verzet is gedaan.
4. De uitspraak strekt tot:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het verzet,
b. ongegrondverklaring van het verzet, of
c. gegrondverklaring van het verzet.
5. Indien de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart, blijft de uitspraak waartegen verzet was gedaan in stand.
6. Indien de rechtbank het verzet gegrond verklaart, vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voort­gezet in de stand waarin het zich bevond.

Memorie van toelichting

De termijn van zes weken voor het doen van verzet betekent ten opzichte van de bestaande regelingen die een termijn van veertien dagen kennen, een verlenging met vier weken. De reden voor de betrekkelijk korte termijn van veertien dagen is blijkens de toelichting op artikel 95 van de Beroepswet (Kamerstukken II, 1953-1954, 3349, nr. 3), waarnaar in de wetsgeschiedenis van de andere procesregelingen wordt verwezen, dat de op dat moment in de sociale-zekerheidswetgeving geldende beroepstermijn veertien dagen bedroeg. Kennelijk zag de wetgever geen reden om daarvan af te wijken waar het de termijn voor het doen van verzet betrof. Ook wij zien daarvoor geen reden, zodat in het onderhavige wetsvoorstel aansluiting is gezocht bij de in artikel 6.2.1 voorgestelde beroepstermijn. Zoals gezegd wordt in artikel 6.2.16 voorgesteld, afdeling 6.2 ook op het verzet van toepassing te doen zijn.
Op diens verzoek zal de rechtbank de indiener van het verzetschrift moeten horen. De vanzelfsprekende uitzondering daarop is de situatie dat de rechtbank van oordeel is dat het verzet gegrond is. De verplichting tot horen vloeit onder meer voort uit artikel 6 van het EVRM.
Wel zal in het verzetschrift daartoe een verzoek moeten worden gedaan. De reden daarvoor is, dat appellanten vaak verwachten dat de behan­deling van hun verzet tevens een behandeling van hun beroep ten gronde zal inhouden. Te denken valt aan een verzet gericht tegen een kennelijke niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding. Bij de beoor­deling daarvan staat dan niet de hoofdzaak ter discussie, maar de vraag of er sprake is van een termijnoverschrijding en, zo ja, of die overschrijding verschoonbaar is. Om te voorkomen dat de indiener teleurgesteld raakt in zijn verwachtingen over de behandeling van het verzet, lijkt het beter om het horen afhankelijk te maken van een uitdruk­kelijk verzoek daartoe. Alsdan mag ook eerder worden aangenomen dat de indiener van het verzet op de hoogte is van de beperkte functie van de verzetprocedure.
Indien het verzet ontvankelijk is, komt de gegrondheid daarvan aan de orde. Alsdan gaat het om beantwoording van de vraag of er inderdaad sprake is geweest van kennelijke onbevoegdheid van de rechtbank, van een kennelijk niet-ontvankelijk beroep of een kennelijk (on)gegrond beroep. Het verzet treft dus doel, indien de rechtbank weliswaar aannemelijk acht dat het beroep ongegrond is, maar niettemin het beroep niet kennelijk ongegrond acht.

Nota van wijziging

In artikel 8.2.4.2 wordt na vernummering van het tweede tot en met het zesde lid tot derde tot en met achtste lid een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:
2. Indien bij wet de werking van een uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist, wordt de werking van de uitspraak, bedoeld in artikel 8.2.4.1, tweede lid, op overeenkomstige wijze opgeschort.

Toelichting NvW
Bij nader inzien is het uit een oogpunt van systematiek niet fraai dat de in artikel 19 van de Beroepswet gegeven regeling inzake de opschorting van de uitspraak ten aanzien van een aantal aldaar genoemde besluiten zich mede uitstrekt tot het verzet. Artikel 19 maakt onderdeel uit van het hoofdstuk inzake het hoger beroep en dient derhalve wat zijn werking betreft daartoe beperkt te blijven. Niettemin dient hetgeen omtrent het hoger beroep is bepaald, eveneens te gelden voor het verzet. Wij achten het echter beter zulks -in algemene zin – in artikel 8.2.4.2 van de Awb te regelen.

Eidverslag

Waaruit blijkt dat de termijn tot het doen van verzet is gesteld op 6 weken (artikelsgewijze toelichting, bladzijde 137) zo vroegen de leden van de CDA-fractie. ls een verwijzing naar afdeling 6.2 niet aan te bevelen?

Nota naar aanleiding van het eindverslag

In het onderdeel G van artikel I van onderdeel 2 van het wetsvoorstel wordt in artikel 6:24 van de Awb naast het hoger beroep en het beroep in cassatie het verzet ingevoegd. Daardoor is onder andere artikel 6:7 ­dat de termijnbepaling bevat – van overeenkomstige toepassing. Bij nader inzien achten wij deze constructie echter minder juist. Aangezien het verzet evenals de voorlopige voorziening en de herziening een sequeel is van het primaire beroep, heeft het de voorkeur – in navolging van de artikelen 8.3.1, tweede lid, en 8.4.1 – in afdeling 8.2.4. die artikelen van hoofdstuk 6 die voor het verzet nodig zijn, uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing te verklaren en de wijziging van artikel 6:24 ongedaan te maken. Hierin wordt in de tweede nota van wijziging voorzien.

Tweede nota van wijziging

Artikel 8.2.4.2 wordt als volgt gewijzigd:
Aan het eerste lid wordt een volzin toegevoegd, luidende:
De artikelen 6:4, derde lid, 6:5, 6:6 tot en met 6:9, 6:11, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21 zijn van overeenkomstige toepassing.
Aan het derde lid wordt een volzin toegevoegd, luidende:
Indien de indiener van het verzetschrift daarom niet heeft gevraagd, kan de rechtbank hem in de gelegenheid stellen op een zitting te worden gehoord.
Het vierde lid komt te luiden:
4. Van de kamer die uitspraak doet op het verzet maakt geen deel uit degene die zitting heeft gehad in de kamer die de uitspraak heeft gedaan waartegen verzet is gedaan.

Toelichting Tweede NvW
De wijziging van artikel 8.2.4.2, derde lid, is een gevolg van een arrest van de Hoge Raad in een belastingzaak (HR 2 december 1992, nr. 28 630, fiscaal weekblad FED, nr. 35). In die zaak lag de vraag ter beant­woording voor of de bepaling van artikel 18b, eerste lid, laatste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken volgens welke bij het indienen van het verzetschrift kan worden verzocht dat de indiener van het verzetschrift zal worden gehoord eraan in de weg staat dat het gerechtshof, ook indien een dergelijk verzoek niet bij het verzetschrift is gedaan, geacht wordt te zijn gehouden gebruik te maken van de aan het hof in het tweede lid van dat artikel gegeven bevoegdheid om de partij in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. De Hoge Raad overwoog, dat voor gevallen waarin in de betrokken aanslag een verhoging is begrepen, doel en strekking van artikel 6 van het EVRM meebrengen dat daarin besloten moet worden geacht het – ingevolge artikel 14, derde lid, aanhef en onderdeel d, van het IVBP – aan een ieder toegekende recht om, bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Met verwijzing naar de uitspraak van het EHRM in de zaak-Colozza is de Hoge Raad van oordeel dat het recht van de belastingplichtige aan wie een verhoging is opgelegd, om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, niet ten volle is gewaarborgd, indien de bepaling van artikel 18b, eerste lid, laatste volzin, aldus moet worden uitgelegd dat deze een beperking inhoudt in die zin dat van de belastingplichtige geëist wordt dat hij bij het indienen van het verzetschrift het verzoek doet ter terechtzitting te worden gehoord, op straffe van verval van dit recht. Een verdragsconforme uitleg van artikel 18b leidt er derhalve toe, dat ingeval in de betrokken aanslag een verhoging is begrepen, het gerechtshof niet overgaat tot het doen van een uitspraak tot ongegrondverklaring van het verzet dan na de belanghebbende in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord. Wij zijn van oordeel dat dit arrest niet alleen conse­quenties moet hebben voor de regeling van het verzet in de Wet admini­stratieve rechtspraak belastingzaken, maar ook voor de regeling van het verzet in de Awb. Ook de rechtbank behandelt immers geschillen over administratieve sancties waarop artikel 6 van het EVRM van toepassing is. In die gevallen dient verzekerd te zijn dat de indiener van het verzetschrift die bij het indienen van het verzet niet gevraagd heeft om te worden gehoord, daartoe niettemin in de gelegenheid wordt gesteld. De voorgestelde wijziging voorziet in de mogelijkheid van een verdragscon­forme toepassing van de regeling van het verzet.
Bij nadere overweging geven wij er de voorkeur aan – daarmee alsnog gevolg gevend aan het advies van de Raad van State ter zake -, voor het verzet niet behandeling door een meervoudige kamer voor te schrijven. Dat heeft geleid tot een wijziging van artikel 8.2.4.2, vierde lid. Een en ander betekent dat de algemene regeling van artikel 8.1.2.1 van toepassing is, dat wil zeggen behandeling door een enkelvoudige kamer met de verplichting tot verwijzing naar een meervoudige kamer indien de zaak ongeschikt is voor behandeling door een enkelvoudige kamer. Daarbij gaan wij ervan uit, dat een uitspraak als bedoeld in artikel 8.2.4.1, tweede lid, altijd door een enkelvoudige kamer wordt gedaan. De reden voor de voorgestelde wijziging is, dat het – zoals blijkt uit de praktijk onder de Beroepswet en de Ambtenarenwet 1929 – ondoelmatig en in zekere zin ook ongerijmd is om voor zaken die vrijwel steeds (zeer) eenvoudig van aard zijn, behandeling door een meervoudige kamer voor te schrijven. Daarmee wordt onnodig een beroep gedaan op de schaarse zittingscapaciteit. In die gevallen waarin onverwacht de zaak toch niet van (zeer) eenvoudige aard blijkt te zijn, kan verwijzing naar een meervoudige kamer plaatsvinden. De praktijk onder bij voorbeeld de Wet op de Raad van State – die behandeling van het verzet door een enkel­voudige kamer mogelijk maakt – geeft geen aanleiding om de nu voorge­stelde keuze niet te maken. Wel blijft ook op grond van het gewijzigde vierde lid gelden, dat de rechter die zitting heeft gehad in de kamer die de uitspraak heeft gedaan waartegen verzet is gedaan, geen zitting kan hebben in de kamer die uitspraak doet op het verzet. Deze regel – die de huidige proceswetten niet kennen – beoogt veilig te stellen dat de behan­deling van het verzet inderdaad leidt tot een volledig nieuwe beoordeling van de vraag of sprake is van kennelijke onbevoegdheid, kennelijke niet-ontvankelijkheid, kennelijke ongegrondheid of kennelijke gegrondheid.

Dit artikel is met ingang van 17 mei 1995 gewijzigd bij wet van 26 april 1995 Stb. 250 (wetsvoorstel 23 780).

[bron: PG Awb III, p. 417]

[Eindtekst] Artikel 8:55
1. Tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet doen bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. De artikelen 6:4, derde lid, 6:5 tot en met 6:9, 6:11, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21 zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Indien bij wet de werking van een uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist, wordt de werking van de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, op overeenkomstige wijze opgeschort.
3. Alvorens uitspraak te doen op het verzet, stelt de rechtbank de indiener van het verzetschrift die daarom heeft gevraagd, in de gelegenheid op een zitting te worden gehoord, tenzij zij van oordeel is dat het verzet gegrond is. Indien de indiener van het verzetschrift daarom niet heeft gevraagd, kan de rechtbank hem in de gelegenheid stellen op een zitting te worden gehoord.
4. Indien de uitspraak waartegen verzet is gedaan, is gedaan door een meervoudige kamer, wordt uitspraak op verzet gedaan door een meervoudige kamer. Van de kamer die uitspraak doet op het verzet maakt geen deel uit degene die zitting heeft gehad in de kamer die de uitspraak heeft gedaan waartegen verzet is gedaan.
5. De uitspraak strekt tot:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het verzet,
b. ongegrondverklaring van het verzet, of
c. gegrondverklaring van het verzet.
6. Indien de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart, blijft de uitspraak waartegen verzet was gedaan in stand.
7. Indien de rechtbank het verzet gegrond verklaart, vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voort­gezet in de stand waarin het zich bevond.

Voorstel van wet

Artikel 8:55 wordt gewijzigd als volgt:
1. In het eerste lid wordt in de eerste volzin «kan een belangheb­bende» vervangen door «kunnen een belang­heb­bende en het be­stuursorgaan» en wordt in de derde volzin «6:5, 6:6 tot en met 6:9» vervangen door: 6:5 tot en met 6:9.
2. In het vierde lid wordt voor de bestaande tekst een volzin ingevoegd, luidende:
Indien de uitspraak waarte­gen verzet is gedaan, is gedaan door een meervou­dige kamer, wordt uitspraak op het verzet gedaan door een meervoudige kamer.

Memorie van toelichting

In de Aanpassingswet Awb III is in de artikelen 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State en 18, eerste lid, van de Beroepswet uitdruk­kelijk opgenomen dat ook het bestuursor­gaan hoger beroep kan instel­len (Ka­mer­stukken II 1993/94, 23 258, nr. 5, blz. 85). Artikel 8:55 dient op overeenkomstige wijze te worden aange­past.
Deze toevoeging stelt buiten twijfel dat in de – overi­gens zeer schaarse – gevallen waarin een uitspraak als be­doeld in artikel 8:54, tweede lid, Awb is gedaan door een meervoudige kamer, ook het verzet tegen die uit­spraak door een meervoudige kamer wordt behandeld.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2012 gewijzigd bij wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682 (Wet aanpassing bestuursprocesrecht; kamerstukken 32 450)

[Eindtekst]
1. Tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet doen bij de bestuurs-rechter.
2. De artikelen 6:4, derde lid, 6:5 tot en met 6:9, 6:11, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21 zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Indien bij wet de werking van een uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist, wordt de werking van de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, op overeen-komstige wijze opgeschort.
4. Alvorens uitspraak te doen op het verzet, stelt de bestuursrechter de indiener van het verzetschrift die daarom heeft gevraagd, in de gelegenheid op een zitting te worden gehoord, tenzij hij van oordeel is dat het verzet gegrond is. In andere gevallen kan de bestuursrechter de indiener in de gelegenheid stellen op een zitting te worden gehoord.
5. De bestuursrechter kan ook de andere partijen in de gelegenheid stellen op de zitting, bedoeld in het vierde lid, te worden gehoord.
6. Indien de uitspraak waartegen verzet is gedaan, is gedaan door een meervoudige kamer, wordt uitspraak op het verzet gedaan door een meervoudige kamer. Van de kamer die uitspraak doet op het verzet maakt geen deel uit degene die zitting heeft gehad in de kamer die de uitspraak heeft gedaan waartegen verzet is gedaan.
7. De uitspraak strekt tot:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het verzet,
b. ongegrondverklaring van het verzet, of
c. gegrondverklaring van het verzet.
8. Indien de bestuursrechter het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart, blijft de uitspraak waartegen verzet was gedaan in stand.
9. Indien de bestuursrechter het verzet gegrond verklaart, vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voort-gezet in de stand waarin het zich bevond.
10. Indien de bestuursrechter het verzet gegrond verklaart, kan hij tevens uitspraak doen op het beroep, mits:a. nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, enb. de partijen in de gelegenheid zijn gesteld op een zitting te worden gehoord en daarbij zijn gewezen op de bevoegdheid om tevens uitspraak te doen op het beroep.

Voorontwerp

Artikel 8:55 wordt gewijzigd als volgt:
1. In het eerste, derde, zesde en zevende lid wordt “rechtbank” telkens vervangen door: bestuursrechter.
2. In het derde lid, eerste volzin, wordt “zij” vervangen door: hij.

Advies RvS

15. Overige opmerkingen
d. Wijziging van artikel 8:55 Awb Ingevolge het voorgestelde artikel 8:55, tweede lid, wordt het verzet steeds mondeling behandeld, ook indien de rechter het gegrond acht, en worden, behalve degene die het verzet heeft gedaan, ook de andere partijen uitgenodigd ter zitting. Dit hangt samen met de bepaling in het voorgestelde tiende lid, dat de rechter onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak, indien het verzet gegrond is en nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
De Raad merkt op dat de verzetsprocedure er is om te onderzoeken of terecht tot vereenvoudigde behandeling is besloten. De verzetsrechter kan de zaak niet inhoudelijk beslissen; daarin ligt de rechtvaardiging voor afdoening buiten zitting. Is het verzet gegrond, dan vervalt de na vereenvoudigde behandeling gedane uitspraak en wordt de normale procedure hervat.
Het voorstel leidt ertoe dat in alle verzetszaken een behandeling ter zitting dient plaats te vinden, waarvoor alle partijen moeten worden uitgenodigd, ook wanneer het verzet bij voorbaat kansloos lijkt. Naar het oordeel van de Raad weegt het bezwaar daarvan niet op tegen het voordeel om, indien het verzet gegrond is, onmiddellijk uitspraak op het beroep te kunnen doen. Bovendien betrekt de verzetsrechter, anders dan de voorzieningenrechter, niet de rechtmatigheid van het besluit bij de beoordeling van het verzet. Het gebruik van de term “kortsluiting” in de artikelsgewijze toelichting ter aanduiding van de bevoegdheid, geregeld in het voorgestelde tiende lid, is dan ook niet juist.
De Raad adviseert het voorgestelde artikel 8:55, tweede en tiende lid, nader te bezien.

Nader rapport

15d. De voorgestelde bevoegdheid tot “kortsluiting” kan bijdragen aan een efficiënte rechtspleging als het verzet gegrond wordt verklaard. In zo’n situatie is immers goed denkbaar dat de verzetrechter de bodemzaak direct kan afdoen, mits hij beschikt over voldoende informatie én mits alle partijen hun belangen mondeling hebben kunnen toelichten ten overstaan van de rechter. Om die reden heeft de Commissie verbetervoorstellen van de Raad voor de rechtspraak de onderhavige wijziging ook voorgesteld.
Bij nader inzien stelt de Raad echter terecht, dat er ook gevallen zijn waarin een efficiënte rechtspleging juist zou kunnen worden belemmerd indien partijen bij de behandeling van het verzet aanwezig moeten zijn, bijvoorbeeld wanneer het verzet evident ongegrond is. Daarom is de verplichting tot het uitnodigen van andere partijen dan de indiener van het verzetschrift omgezet in een bevoegdheid daartoe.

Voorstel van wet

Artikel 8:55 komt te luiden:
1. Tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet doen bij de bestuursrechter.
2. De artikelen 6:4, derde lid, 6:5 tot en met 6:9, 6:11, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21 zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Indien bij wet de werking van een uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist, wordt de werking van de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, op overeenkomstige wijze opgeschort.
4. Alvorens uitspraak te doen op het verzet, stelt de bestuursrechter de indiener van het verzetschrift die daarom heeft gevraagd, in de gelegenheid op een zitting te worden gehoord, tenzij hij van oordeel is dat het verzet gegrond is. In andere gevallen kan de bestuursrechter de indiener in de gelegenheid stellen op een zitting te worden gehoord.
5. De bestuursrechter kan ook de andere partijen in de gelegenheid stellen op de zitting, bedoeld in het vierde lid, te worden gehoord.
6. Indien de uitspraak waartegen verzet is gedaan, is gedaan door een meervoudige kamer, wordt uitspraak op het verzet gedaan door een meervoudige kamer. Van de kamer die uitspraak doet op het verzet maakt geen deel uit degene die zitting heeft gehad in de kamer die de uitspraak heeft gedaan waartegen verzet is gedaan.
7. De uitspraak strekt tot:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het verzet,
b. ongegrondverklaring van het verzet, of
c. gegrondverklaring van het verzet.
8. Indien de bestuursrechter het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart, blijft de uitspraak waartegen verzet was gedaan in stand.
9. Indien de bestuursrechter het verzet gegrond verklaart, vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
10. Indien de bestuursrechter het verzet gegrond verklaart, kan hij tevens uitspraak doen op het beroep, mits:
a. nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, en
b. de partijen in de gelegenheid zijn gesteld op een zitting te worden gehoord en daarbij zijn gewezen op de bevoegdheid om tevens uitspraak te doen op het beroep.

Memorie van toelichting

8. Proceseconomie in hoger beroep en verzet (artikelen 8:10a, 8:55, 8:86 en 8:108)
8.3 “Kortsluiting” na verzet
Als de bestuursrechter een beroep buiten zitting afdoet omdat het kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, dan wel de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is (art. 8:54), staat daartegen verzet open (art. 8:55). De indiener van het verzetschrift wordt daarover gehoord, indien hij daarom heeft gevraagd (art. 8:55, derde lid). Indien het verzet gegrond is, vervalt de uitspraak waartegen verzet is gedaan en wordt de behandeling van het beroep voortgezet. Dit betekent in de praktijk dat dan vervolgens alsnog een zitting moet worden belegd.
De Commissie verbetervoorstellen bestuursrecht van de Raad voor de rechtspraak heeft erop gewezen dat het voorkomt, dat bij het horen van de indiener over zijn verzetschrift blijkt dat het verzet gegrond is – bijvoorbeeld omdat de overschrijding van de beroepstermijn bij nader inzien verschoonbaar is –, maar tevens volstrekt duidelijk wordt hoe de beslissing op het beroep zal moeten luiden. Het alsnog beleggen van een zitting heeft dan geen toegevoegde waarde, maar leidt wel tot vertraging. Onder omstandigheden zou het doelmatig zijn, als het horen over het verzet en de zitting zouden kunnen worden gecombineerd, uiteraard onder handhaving van uit een oogpunt van hoor en wederhoor noodzakelijke waarborgen. In het onderhavige wetsvoorstel is deze suggestie van de Commissie overgenomen; zie het nieuwe artikel 8:55.

GGG (artikel 8:55)
Artikel 8:55 is met het oog op de leesbaarheid opnieuw uitgeschreven, maar behoudens enige redactionele wijzigingen (waaronder de vervanging van “rechtbank” door “bestuursrechter”), zijn alleen het vijfde en het tiende lid nieuw. Deze nieuwe bepalingen maken het mogelijk dat, kort gezegd, het horen van de indiener van een verzetschrift geschiedt op een “gewone” zitting, waarop dan in voorkomende gevallen tevens het beroep in de hoofdzaak kan worden behandeld. Deze “kortsluiting” is mogelijk indien alle partijen zijn opgeroepen voor de zitting en daarbij zijn gewezen op de mogelijkheid dat ook de hoofdzaak ter sprake zal komen, en de rechter van oordeel is dat nader onderzoek niet nodig is.

Voorlopig verslag I

Horen bij verzet
De indiener van het verzetschrift moet zelf vragen om te worden gehoord, aldus artikel 8:55, lid 4. Als hij dat nalaat is er kennelijk geen recht van hoor en wederhoor. Lezen de leden van de CDA-fractie de genoemde bepaling goed, als zij erin lezen dat de bestuursrechter – ook na gedaan verzoek van de indiener van het verzetschrift om te worden gehoord – niet verplicht is om de indiener te horen, doch daartoe kán overgaan (tweede volzin)? Geldt deze «kán-bepaling» evenzeer voor het horen van de andere partij (zie lid 5)? Gaarne een reactie van de regering.
[32 450, B, p. 8]          

Conclusie van antwoord I

Horen bij verzet
De leden van de CDA-fractie vragen of artikel 8:55, vierde lid, Awb betekent dat de bestuursrechter niet verplicht is om degene die verzet doet te horen, ook niet als die persoon daarom gevraagd heeft. En geldt dat ook voor de andere partijen, bedoeld in het vijfde lid?

Degene die verzet doet (de opposant) hoeft alleen te worden gehoord als hij daarom vraagt. Maar in dat geval is het horen wel verplicht. Gelet op artikel 6 EVRM moet de opposant bovendien worden gehoord als het een geschil betreft over de oplegging van bestuurlijke sancties, in dat geval dus ook als hij geen verzoek heeft gedaan. Onder meer ten behoeve van die situatie dient de kan-bepaling van de tweede volzin van het huidige derde lid van artikel 8:55, dat inhoudelijk terugkeert als tweede volzin van het nieuwe vierde lid.
De hoorplicht geldt echter alleen als de rechter van oordeel is dat het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond is. Is het verzet namelijk gegrond, dan vervalt de uitspraak waartegen verzet is gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Dat betekent dat alsnog een gewone zitting wordt belegd.
Dit alles is nu ook al zo (zie het huidige derde en zevende lid). De enige (niet-redactionele) wijziging die in artikel 8:55 wordt voorgesteld, is dat de bestuursrechter de bevoegdheid krijgt om het horen over het verzet te combineren met een gewone zitting (behandeling ten gronde van de hoofdzaak). Daartoe dient de kan-bepaling in het voorgestelde vijfde lid, die ziet op het horen van de andere partijen. Deze «kortsluiting» is alleen mogelijk als de rechter van oordeel is dat nader onderzoek niet nodig is en alle partijen zijn opgeroepen voor de zitting en daarbij zijn gewezen op de mogelijkheid dat ook de hoofdzaak ter sprake zal komen (nieuw tiende lid).
[32 450, C, p. 15]

 

Share This