Artikel 8:55d

1. Indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt de bestuursrechter dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.
2. De bestuursrechter verbindt aan zijn uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. De artikelen 611c en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
3. In bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.

 

Dit artikel is met ingang van 1 oktober 2009 ingevoegd bij wet van 28 augustus 2009 Stb. 383 (wetsvoorstel 29 934)
Voorontwerp

(8:55b)
1. Indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.
2. In bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.

Memorie van toelichting

Eerste lid
Als gezegd gaat de voorgestelde procedure in beginsel slechts over de vraag, of de beslistermijn is overschreden. Dit komt tot uiting in de inhoud van de uitspraak. Indien het beroep gegrond is – dus indien de beslistermijn inderdaad is overschreden – moet de rechter ingevolge artikel 8:55b in beginsel bepalen dat het bestuur binnen twee weken alsnog een besluit bekendmaakt.
Dit geldt uiteraard niet, indien inmiddels een besluit is genomen en bekendgemaakt. In dat geval kan de rechter volstaan met een gegrondverklaring van het beroep, voorzover de indiener daarbij nog belang heeft (artikel 6:20, derde lid (nieuw). Dit belang is in ieder geval nog aanwezig als het bestuursorgaan betwist dat de beslistermijn is overschreden, dan wel op welk tijdstip dit het geval was, en zulks van belang is voor de verschuldigdheid van wettelijke rente of (andere) schadevergoeding. Of de belanghebbende schade lijdt indien te laat is beslist, is echter niet altijd eenvoudig vast te stellen. De voorgestelde procedure leent zich er niet voor om daarnaar uitgebreid onderzoek te doen. Dit heeft gevolgen voor de wijze waarop de rechter in de praktijk met deze situatie omgaat. Indien alsnog een rëel besluit is genomen, pleegt de rechter thans het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan belang, tenzij de indiener aangeeft dat dit belang er nog wel is. Nu beroepen wegens niet tijdig beslissen voortaan als regel buiten zitting zullen worden afgedaan, zal de indiener niet altijd meer voldoende gelegenheid hebben om een eventueel belang aannemelijk te maken. Daarom zal het in de toekomst waarschijnlijk praktischer zijn dat de rechter het beroep wegens niet tijdig beslissen ten gronde beoordeelt, tenzij blijkt dat de indiener daarbij geen belang meer heeft.
De onderhavige bepaling verdringt als “lex specialis” de hoofdregel van artikel 8:72, eerste lid, inhoudende dat de rechter bij een gegrond beroep het bestreden besluit moet vernietigen. Bij een beroep wegens niet tijdig beslissen is er immers geen besluit dat vernietigd kan worden.

Tweede lid
Het tweede lid bepaalt in de eerste plaats, dat de rechter in bijzondere gevallen een andere termijn kan stellen voor het alsnog nemen van een besluit. Dit kan een langere termijn zijn, bijvoorbeeld indien het een ongewoon complex besluit betreft. Maar het kan ook een kortere termijn zijn, bijvoorbeeld indien het bestuursorgaan de beslistermijn reeds in ruime mate heeft overschreden en de belanghebbende daardoor ernstig wordt benadeeld.
Het komt voor dat een bestuursorgaan voor het nemen van een besluit afhankelijk is van derden. Zo moet voor het nemen van een besluit soms een advies worden ingewonnen. Indien dit advies door toedoen van de adviseur niet tijdig wordt uitgebracht, kan het zijn dat het bestuursorgaan zijn verantwoordelijkheid voor het tijdig beslissen moet nemen door dan maar zonder advies te besluiten. Artikel 3:6, tweede lid, bepaalt dat in dat geval het enkele ontbreken van een advies niet aan het nemen van een besluit in de weg staat. Indien dus bijvoorbeeld een op grond van artikel 7:13 Awb ingestelde externe bezwaarschriftcommissie niet tijdig over een bezwaarschrift kan adviseren, zal het bestuursorgaan moeten afwegen of het ook zonder dat advies een voldoende zorgvuldig besluit kan nemen.
Maar dit laatste zal niet altijd mogelijk zijn. Als eenmaal is besloten voor bepaalde categorieën bezwaarschriften een adviescommissie in te stellen, kunnen bijvoorbeeld belangen van derden zich er tegen verzetten, dat de waarborg van een extern advies opzij wordt gezet op de enkele grond dat het advies te laat komt. Maar ook in twee-partijen-verhoudingen kan het voorkomen dat zonder advies geen zorgvuldig besluit kan worden genomen, bijvoorbeeld als het besluit steunt op een medisch oordeel. Dit geldt nog sterker, als het uitblijven van het advies niet aan de adviseur te wijten is, maar bijvoorbeeld aan het feit dat het bestuursorgaan te laat advies heeft gevraagd. Artikel 3:6, eerste lid, tweede volzin, bepaalt immers juist uit oogpunt van zorgvuldigheid dat het bestuursorgaan aan een adviseur niet een zodanig korte termijn mag stellen, dat de adviseur zijn taak niet meer naar behoren kan vervullen.
In dergelijke gevallen kan het voorkomen dat het gelet op de vereiste zorgvuldheid niet mogelijk is om binnen twee weken na de uitspraak van de rechter een  besluit te nemen, bijvoorbeeld omdat een voor de besluitvorming essentieel advies ontbreekt of omdat de bezwaarschriftcommissie pas na afloop van die termijn weer vergadert en de belangen van derden zich  tegen het passeren van deze commissie verzetten.
Zoals reeds in paragraaf 7 van het algemeen deel van deze toelichting werd opgemerkt, zijn dit slechts voorbeelden van een meer algemeen dilemma tussen snelheid en zorgvuldigheid waarvoor de rechter kan komen te staan. Ook als het ontstaan van dit dilemma aan het bestuursorgaan te wijten is, kan dit enkele feit als gezegd niet zonder meer rechtvaardigen dat de zorgvuldigheid wordt opgeofferd aan de snelheid. Daarom biedt artikel 8:55b, tweede lid, de rechter de ruimte om zonodig een langere termijn voor het nemen van een besluit te stellen, maar ook om zo nodig een andere voorziening te treffen. Bij dit laatste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het stellen van een termijn voor de eerstvolgende stap in de procedure.
Het stellen van een langere termijn of het treffen van een andere voorziening kan zelfs noodzakelijk zijn, als slechts op die manier de naleving van andere wettelijke voorschriften kan worden verzekerd. Daarbij kan men bijvoorbeeld denken aan het voorschrift van artikel 3:16, eerste lid, zoals dit zal luiden na inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2002, 54). Daaruit vloeit voort, dat bij besluiten waarbij de openbare voorbereidingsprocedure wordt toegepast, aan belanghebbenden gedurende zes weken de gelegenheid moet worden geboden om zienswijzen over het ontwerp-besluit naar voren te brengen. Indien het ontwerp-besluit zo laat ter inzage wordt gelegd, dat dit voorschrift slechts door overschrijding van de beslistermijn kan worden nageleefd, zal de rechter daar bij zijn uitspraak rekening mee moeten houden. Dit is in artikel 8:55b tot uitdrukking gebracht door te bepalen dat de rechter een andere termijn kan stellen of een andere voorziening kan treffen indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt.
Van een bijzonder geval kan voorts sprake zijn als een bestuursorgaan wordt geconfronteerd met een onverwachte piekbelasting waarmee het redelijkerwijs geen rekening kon houden, of met een crisissituatie – men denke bij wijze van voorbeeld weer aan de MKZ-crisis in 2001 – op grond waarvan het bestuursorgaan redelijkerwijs kon besluiten om capaciteit tijdelijk elders in te zetten. Een voorzienbare periodieke piekbelasting is echter geen bijzonder geval; daarmee behoort reeds bij het bepalen van de lengte van de wettelijke beslistermijn en bij de inrichting van de organisatie rekening te worden gehouden.

Voorstel van wet

[30 435, 8:55c]

1. Indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.
2. In bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.

Memorie van toelichting

[30 435, 8:55c]

Eerste lid
Als gezegd gaat de voorgestelde procedure in beginsel slechts over de vraag, of de beslistermijn is overschreden. Dit komt tot uiting in de inhoud van de uitspraak. Indien het beroep gegrond is – dus indien de beslistermijn inderdaad is overschreden – moet de rechter ingevolge artikel 8:55c in beginsel bepalen dat het bestuur binnen twee weken alsnog een besluit bekendmaakt.
Dit geldt uiteraard niet, indien inmiddels een besluit is genomen en bekendgemaakt. In dat geval kan de rechter volstaan met een gegrondverklaring van het beroep, voorzover de indiener daarbij nog belang heeft (artikel 6:20, zesde lid). Dit belang is in ieder geval nog aanwezig als het bestuursorgaan betwist dat de beslistermijn is overschreden, dan wel op welk tijdstip dit het geval was, en zulks van belang is voor de verschuldigdheid van wettelijke rente of (andere) schadevergoeding. Of de belanghebbende schade lijdt indien te laat is beslist, is echter niet altijd eenvoudig vast te stellen. De voorgestelde procedure leent zich er niet voor om daarnaar uitgebreid onderzoek te doen. Dit heeft gevolgen voor de wijze waarop de rechter in de praktijk met deze situatie omgaat. Indien alsnog een reëel besluit is genomen, pleegt de rechter thans het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan belang, tenzij de indiener aangeeft dat dit belang er nog wel is. Nu beroepen wegens niet tijdig beslissen voortaan als regel buiten zitting zullen worden afgedaan, zal de indiener niet altijd meer voldoende gelegenheid hebben om een eventueel belang aannemelijk te maken. Daarom zal het in de toekomst waarschijnlijk praktischer zijn dat de rechter het beroep wegens niet tijdig beslissen ten gronde beoordeelt, tenzij blijkt dat de indiener daarbij geen belang meer heeft.
Indien het beroep gegrond wordt verklaard en er nog geen besluit is genomen, past het vorderen van schadevergoeding (artikel 8:73, eerste lid, Awb) evenmin in deze procedure. In deze procedure kan alleen de vraag centraal staan naar schade die wordt geleden als gevolg van het niet tijdig beslissen. De vraag of schade wordt geleden (en zo ja, hoeveel) zal echter vaak zozeer samenhangen met de inhoud van het uiteindelijk te nemen besluit, dat het niet goed mogelijk is daarover in deze procedure een uitspraak te doen.
De onderhavige bepaling verdringt als «lex specialis» de hoofdregel van artikel 8:72, eerste lid, inhoudende dat de rechter bij een gegrond beroep het bestreden besluit moet vernietigen. Bij een beroep wegens niet tijdig beslissen is er immers geen besluit dat vernietigd kan worden.

Tweede lid
Het tweede lid bepaalt in de eerste plaats, dat de rechter in bijzondere gevallen een andere termijn kan stellen voor het alsnog nemen van een besluit. Dit kan een langere termijn zijn, bijvoorbeeld indien het een ongewoon complex besluit betreft. Maar het kan ook een kortere termijn zijn, bijvoorbeeld indien het bestuursorgaan de beslistermijn reeds in ruime mate heeft overschreden en de belanghebbende daardoor ernstig wordt benadeeld.
Het komt voor dat een bestuursorgaan voor het nemen van een besluit afhankelijk is van derden. Zo moet voor het nemen van een besluit soms een advies worden ingewonnen. Indien dit advies door toedoen van de adviseur niet tijdig wordt uitgebracht, kan het zijn dat het bestuursorgaan zijn verantwoordelijkheid voor het tijdig beslissen moet nemen door dan maar zonder advies te besluiten. Artikel 3:6, tweede lid, bepaalt dat in dat geval het enkele ontbreken van een advies niet aan het nemen van een besluit in de weg staat. Indien dus bijvoorbeeld een op grond van artikel 7:13 Awb ingestelde externe bezwaarschriftcommissie niet tijdig over een bezwaarschrift kan adviseren, zal het bestuursorgaan moeten afwegen of het ook zonder dat advies een voldoende zorgvuldig besluit kan nemen. Maar dit laatste zal niet altijd mogelijk zijn. Als eenmaal is besloten voor bepaalde categorieën bezwaarschriften een adviescommissie in te stellen, kunnen bijvoorbeeld belangen van derden zich er tegen verzetten, dat de waarborg van een extern advies opzij wordt gezet op de enkele grond dat het advies te laat komt. Maar ook in twee-partijen-verhoudingen kan het voorkomen dat zonder advies geen zorgvuldig besluit kan worden genomen, bijvoorbeeld als het besluit steunt op een medisch oordeel. Dit geldt nog sterker, als het uitblijven van het advies niet aan de adviseur te wijten is, maar bijvoorbeeld aan het feit dat het bestuursorgaan te laat advies heeft gevraagd. Artikel 3:6, eerste lid, tweede volzin, bepaalt immers juist uit oogpunt van zorgvuldigheid dat het bestuursorgaan aan een adviseur niet een zodanig korte termijn mag stellen, dat de adviseur zijn taak niet meer naar behoren kan vervullen.
In dergelijke gevallen kan het voorkomen dat het gelet op de vereiste zorgvuldigheid niet mogelijk is om binnen twee weken na de uitspraak van de rechter een besluit te nemen, bijvoorbeeld omdat een voor de besluitvorming essentieel advies ontbreekt of omdat de bezwaarschriftcommissie pas na afloop van die termijn weer vergadert en de belangen van derden zich tegen het passeren van deze commissie verzetten.
Zoals reeds in paragraaf 8 van het algemeen deel van deze toelichting werd opgemerkt, zijn dit slechts voorbeelden van een meer algemeen dilemma tussen snelheid en zorgvuldigheid waarvoor de rechter kan komen te staan. Ook als het ontstaan van dit dilemma aan het bestuursorgaan te wijten is, kan dit enkele feit als gezegd niet zonder meer rechtvaardigen dat de zorgvuldigheid wordt opgeofferd aan de snelheid.
Daarom biedt artikel 8:55c, tweede lid, de rechter de ruimte om zonodig een langere termijn voor het nemen van een besluit te stellen, maar ook om zo nodig een andere voorziening te treffen. Bij dit laatste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het stellen van een termijn voor de eerstvolgende stap in de procedure.
Het stellen van een langere termijn of het treffen van een andere voorziening kan zelfs noodzakelijk zijn, als slechts op die manier de naleving van andere wettelijke voorschriften kan worden verzekerd. Daarbij kan men bijvoorbeeld denken aan het voorschrift van artikel 3:16, eerste lid, zoals dit zal luiden na inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2002, 54). Daaruit vloeit voort, dat bij besluiten waarbij de openbare voorbereidingsprocedure wordt toegepast, aan belanghebbenden gedurende zes weken de gelegenheid moet worden geboden om zienswijzen over het ontwerp-besluit naar voren te brengen. Indien het ontwerp-besluit zo laat ter inzage wordt gelegd, dat dit voorschrift slechts door overschrijding van de beslistermijn kan worden nageleefd, zal de rechter daar bij zijn uitspraak rekening mee moeten houden. Dit is in artikel 8:55c tot uitdrukking gebracht door te bepalen dat de rechter een andere termijn kan stellen of een andere voorziening kan treffen indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt.
Van een bijzonder geval kan voorts sprake zijn als een bestuursorgaan wordt geconfronteerd met een onverwachte piekbelasting waarmee het redelijkerwijs geen rekening kon houden, of met een crisissituatie – men denke bij wijze van voorbeeld weer aan de MKZ-crisis in 2001– op grond waarvan het bestuursorgaan redelijkerwijs kon besluiten om capaciteit tijdelijk elders in te zetten. Een voorzienbare periodieke piekbelasting is echter geen bijzonder geval; daarmee behoort reeds bij het bepalen van de lengte van de wettelijke beslistermijn en bij de inrichting van de organisatie rekening te worden gehouden. Indien de aard van een beleidsterrein meebrengt dat zich noodsituaties, calamiteiten of onvoorzienbare piekbelastingen kunnen voordoen (zoals op het gebied van landbouw), kan overigens worden overwogen in de desbetreffende wettelijke regeling een afwijkende beslistermijn op te nemen voor die specifieke gevallen. Iets vergelijkbaars is gebeurd in artikel 43 van de Vreemdelingenwet 2000, dat de Minister van Justitie de bevoegdheid geeft om voor maximaal 1jaar een besluitmoratorium in te stellen.

Amendement nr. 16, VI, onderdeel g (29 934) (Fierens/Van Schijndel)

Na afdeling 8.2.4 wordt een nieuwe afdeling ingevoegd, luidende:
AFDELING 8.2.4A BEROEP BIJ NIET TIJDIG BESLISSEN
Artikel 8:55d
1. Indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.
2. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven.
3. In bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.

Toelichting
Zie toelichting op artikel 7.27a.

Stemming 27 juni 2006, p. 95-5844

De voorzitter: Door de aanneming van het gewijzigde amendement-Fierens/Van Schijndel (stuk nr. 16, VI) worden de onderdelen F en G ingevoegd.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd bij wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682 (Wet aanpassing bestuursprocesrecht; kamerstukken 32 450)

[Eindtekst] Artikel 8:55d wordt gewijzigd als volgt:
1. In het eerste, tweede en derde lid wordt «rechtbank» telkens vervangen door «bestuursrechter» en wordt «haar» vervangen door: zijn.
2. Aan het tweede lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: De artikelen 611a, vierde lid, 611b tot en met 611d en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

VO Dit artikel was niet in het consultatievoorstel opgenomen.

Voorstel van wet

Artikel 8:55d wordt gewijzigd als volgt:
1. In het eerste, tweede en derde lid wordt “rechtbank” telkens vervangen door “bestuursrechter” en wordt “haar” vervangen door: zijn.
2. Aan het tweede lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: De artikelen 611a, vierde lid, 611b tot en met 611d en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

Memorie van toelichting

Omdat de titels 8.1 tot en met 8.3 voortaan niet meer uitsluitend voor de rechtbank, maar ook voor de andere in eerste aanleg oordelende bestuursrechters gelden, is telkens “de rechtbank” vervangen door: de bestuursrechter. Dit maakt het noodzakelijk om in voorkomende gevallen ook ”zij” te vervangen door: hij.
In het tweede lid is verduidelijkt dat ook de in dit artikel bedoelde dwangsom kan worden tenuitvoergelegd overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Dit artikel is met ingang van 1 juli 2013 gewijzigd bij wet van 19 juni 2013, Stb. 2013, 226 (Veegwet aanpassing bestuursprocesrecht)

De tweede volzin van artikel 8:55c en van artikel 8:55d, tweede lid, komt te luiden: De artikelen 611c en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

 

 

 

 

Share This