Artikel 8:66

1. Tenzij mondeling uitspraak wordt gedaan, doet de bestuursrechter binnen zes weken na de sluiting van het onderzoek schriftelijk uitspraak.
2. In bijzondere omstandigheden kan de bestuursrechter deze termijn met ten hoogste zes weken verlengen.
3. Van deze verlenging wordt aan partijen mededeling gedaan.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 16 december 1993 Stb. 650 (wetsvoorstel 22 495)

[bron: PG Awb II, p. 460-461]

Tekst RvS = VvW [8.2.6.1]

Advies RvS

De rechtbank doet volgens dit artikel binnen zes weken na de sluiting van het onderzoek uitspraak; deze termijn kan in bijzondere omstandigheden met ten hoogste zes weken worden verlengd.
Noch de tekst noch de toelichting spreken zich uit over het gevolg van overschrijding van deze termijn.
Overwogen zal moeten worden of, in navolging van artikel 47 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, als sanctie moet worden gesteld dat de partijen of één van hen een nieuwe openbare behandeling kunnen verlangen.

Nader rapport

De in dit artikel genoemde termijnen zijn termijnen van orde. Op de overschrijding daarvan is geen sanctie gesteld. De toelichting is in die zin aangevuld. Wij menen dat het geen aanbeveling verdient, als sanctie op overschrijding van de termijn te instellen dat de partijen of een van hen een nieuwe openbare behandeling kunnen verlangen. In de eerste plaats gaan wij ervan uit dat de rechter zich aan de door de wet gestelde termijnen zal houden en in de tweede plaats spreekt de sanctie ons uit een oogpunt van proceseconomie niet aan. Artikel 47 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden betrokken bij de herziening van het burgerlijk procesrecht in het kader van de tweede fase van de herziening van de rechterlijke organisatie.

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

In dit artikel wordt de termijn bepaald waarbinnen na de sluiting van het onderzoek uitspraak moet worden gedaan. De termijn bedraagt zes weken. Wij menen dat het in het algemeen in redelijkheid mogelijk moet zijn binnen deze termijn uitspraak te doen. Onder bijzondere omstandig­heden kan de rechtbank de termijn met een maximum van zes weken verlengen. Van deze verlenging moeten partijen uiteraard op de hoogte worden gesteld.
De in dit artikel genoemde termijnen zijn termijnen van orde. Op de overschrijding daarvan is geen sanctie gesteld.

Eindverslag

Is de termijn van 6 weken bij de diverse rechterlijke colleges gangbaar en wordt deze termijn over het algemeen gehaald, zo vroegen de leden van de CDA-fractie. Kan enige duiding worden gegeven van de betekenis van «bijzondere omstandigheden»? Is een verlenging met 6 weken niet wat al te lang, zo informeerden de leden van de CDA-fractie. Wat is het nut van het stellen van termijnen als deze geen gevolgen hebben?

Nota naar aanleiding van het eindverslag

Wij hebben bij het vaststellen van de termijnen gestreefd naar zo kort mogelijke, doch haalbare termijnen. Daarbij hebben wij ook gekeken naar de huidige regelingen. Sommige procesregelingen (zoals de Wet op de Raad van State) kennen in het geheel geen termijnen in dezen. Andere procesregelingen kennen termijnen van drie weken (de Ambtenarenwet 1929) of drie tot zes weken (de Beroepswet). Wij zijn van oordeel dat de termijn van zes weken in het algemeen voor alle soorten geschillen toereikend zal zijn om de uitspraak gereed te maken. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen die verlenging van de termijn noodza­kelijk maken. Daarbij moet vooral worden gedacht aan gecompliceerde en/of principiële zaken. De gekozen termijnen zijn naar ons oordeel niet te lang, hoewel een dergelijke keuze uiteraard altijd een wat arbitrair karakter draagt. Wij gaan er overigens vanuit dat indien een kortere verlenging dan zes weken voldoende is, de rechtbank daarmee ook zal volstaan.
Over het nut van het instellen van termijnen als deze merken wij onder verwijzing naar het nader rapport op, dat wij ervan uitgaan dat de rechter zich aan de door de wet gestelde termijnen zal houden en deze bepalingen derhalve aan de justitiabelen duidelijkheid verschaffen over de termijn waarbinnen de uitspraak kan worden verwacht.

Amendement nr. 18 (Biesheuvel)

In artikel 8.2.6.1, tweede lid, wordt «kan de rechtbank deze termijn met ten hoogste zes weken verlengen» vervangen door: kan de rechtbank deze termijn met ten hoogste drie weken verlengen.
Het amendement werd als volgt toegelicht. Een periode van 9 weken voor de rechtbank om tot een schriftelijke uitspraak te komen lijkt de indiener verantwoord. Hierdoor wordt voorkomen dat partijen 12 weken op een uitspraak moeten wachten en wordt de rechtbank tevens aangespoord de verlengingstermijn enigszins in te korten, zonder dat daardoor de zorgvuldigheid uit het oog behoeft te worden verloren.

UCV

De heer Biesheuvel (CDA, p. 2-3): Voorzitter! Amendement nr. 18, dat ik zelf heb ingediend, gaat over de schriftelijke uitspraak van een rechtbank, namelijk om deze van maximaal 12 weken terug te brengen tot 9 weken. lk denk dat de strekking daarvan op zichzelf ook duidelijk is.
De heer Korthals (VVD, p. 8): Het amendement van de heer Biesheuvel om de rechtbank de gelegenheid te geven om de periode van zes weken als verlenging van de uitspraak, terug te brengen tot drie weken komt bij mij weliswaar sympathiek over en is een mooi streven, maar ik denk dat het in de praktijk niet haalbaar is. Vroeger moest de rechter bij echtscheidingen binnen drie weken een comparitie houden, en daar hield hij zich ook nooit aan. lk vrees dat wij hiermee dingen in de wet vastleggen, waar men zich niet aan houdt, maar verder heeft dit amendement mijn sympathie.
Minister Hirsch Ballin (p. 17): Mevrouw de voorzitter! lk kom nu toe aan de amendementen. De bedoeling van het amendement van de heer Biesheuvel op stuk nr. 18 is ons op zichzelf niet onsympathiek, maar wij twijfelen eraan of het wel goed zal werken. Daarom zou ik toch de vraag willen opwerpen of wij er wel goed aan zouden doen, deze beperking van de verlengingsmogelijkheid dwingend aan de rechter op te leggen. Het zou in ieder geval heel vervelend zijn als de rechter in een situatie kwam waarin deze termijn met geen macht te handhaven was. Wij gaan ervan uit dat er niet lichtvaardig gebruik zal worden gemaakt van de verlengingsmogelijkheid, die tenslotte al een extra drempel vormt.
De heer Biesheuvel (CDA, p. 24): De minister heeft een reactie gegeven op mijn amendement op stuk nr. 18. Wat is mooier dan de door hem gegeven kwalificatie: dat is niet onsympathiek maar ik ontraad hem wel. Dat is werkelijk fantastisch! Dat is mij in die zeven jaar dat ik kamerlid ben, nog nooit overkomen.
De achtergrond is op zichzelf natuurlijk duidelijk. Als in de wet de mogelijkheid van zes plus zes weken bestaat, dan is de kans dat men de maximale mogelijkheid neemt aanwezig. Zo ken ik de situatie maar al te goed. De minister heeft twijfel geuit over dit aspect. Hij heeft gezegd dat niet lichtvaardig van de verlengingsmogelijkheid gebruik wordt gemaakt. Dat soort verdedigingen ken ik ook op andere terreinen. Het overtuigt mij nog niet. Ik wil met betrekking tot het amendement op stuk nr. 18 dus nog even expliciet naar de mogelijkheden kijken.
Minister Hirsch Ballin (p. 29): Ik kom op het amendement op stuk nr. 18. Over verscheidene amendementen heb ik in een wat afwegende zin gesproken. Dat lijkt mij niet verkeerd. De heer Biesheuvel vond mijn kwalificatie opmerkelijk: “sympathiek, maar toch ontraden”. Ik wil in dit geval wel verraden dat het ambtelijk advies over dit amendement was: “ontraden, maar niet zwaar aan tillen”.
De heer Biesheuvel (CDA, p. 29): Ik vind de kwalificatie “sympathiek” dan toch prettiger.
Minister Hirsch Ballin (p. 29): Het gaat om het dilemma : halen ze het of halen ze het niet?

Handelingen II

De voorzitter (p. 5875): Amend. nr. 18 Ik constateer, dat de aanwezige leden van de fracties van het CDA, de Centrumdemocraten, de SGP, het GPV, de RPF en Groen Links voor dit amendement hebben gestemd en die van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd bij wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682 (Wet aanpassing bestuursprocesrecht; kamerstukken 32 450)

[Eindtekst] In artikel 8:66 wordt «rechtbank» telkens vervangen door: bestuurs-rechter.

VO = VvW

Voorstel van wet

In artikel 8:66 wordt “rechtbank” telkens vervangen door: bestuursrechter.

Memorie van toelichting 

Zie Memorie van toelichting bij artikel 8:62.

 

 

Share This