Artikel 8:69

1. De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.
2. De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.
3. De bestuursrechter kan ambtshalve de feiten aanvullen.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 16 december 1993 Stb. 650 (wetsvoorstel 22 495)

[bron: PG Awb II, p. 463-464]

Tekst RvS

1. De rechtbank doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.
2. De rechtbank vult ambtshalve de rechtsgronden aan die niet door partijen zijn aangevoerd.

VvW = Eindtekst [8.2.6.4]

Memorie van toelichting

Over de omvang van het geschil waarover de rechter een oordeel moet geven, merken wij op dat deze in beginsel wordt bepaald door de omvang van het ingestelde beroep (vgl. in dit verband artikel 6.3.16, inhoudende dat het bestuursorgaan heroverweegt op de grondslag van het bezwaar). Gelet op de primaire functie van het bestuursrechtelijke geding, namelijk het bieden van rechtsbescherming, is er geen reden voor de rechter om buiten de vordering te treden. Daarnaast zou het uit het oogpunt van de rechtszekerheid van de bij het besluit betrokkenen bepaald ongelukkig zijn, als de rechter buiten de grenzen van het aan hem gepresenteerde geschil zou kunnen treden.
Uit het bovenstaande vloeit in de eerste plaats voort, dat die onder­delen van het besluit waartegen niet wordt opgekomen, door de rechter buiten beschouwing moeten worden gelaten. Wel past hier de kantte­kening, dat de rechter niet zonder meer zal kunnen afgaan op de in het beroepschrift geformuleerde grieven. Uit het ontbreken van bepaalde stellingen in het beroepschrift kan men immers niet zonder meer afleiden dat de appellant welbewust bepaalde gebreken niet aan de orde heeft willen stellen en derhalve in deze gebreken zou willen berusten. Het past goed bij de actieve rol die de rechter in de procedure heeft, dat deze de appellant in de gelegenheid stelt zich hieromtrent nader uit te laten.
In de tweede plaats mag het instellen van het beroep er niet toe leiden, dat de indiener van het beroepschrift in een slechtere positie komt. Een reformatio in peius in strikte zin is derhalve niet mogelijk. Indien het bestuursorgaan op grond van in de procedure gebleken nieuwe feiten en omstandigheden bevoegd en verplicht zou zijn het bestreden besluit ten nadele van appellant te wijzigen, is er echter onzes inziens geen bezwaar tegen, als de rechter in een dergelijk geval zelf in de zaak voorziet, ondanks het feit dat dit voor de appellant per saldo tot een verslechtering leidt.
Overeenkomstig artikel 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvor­dering is in het tweede lid bepaald dat de rechter ambtshalve de rechts­gronden aanvult.
Het derde lid bepaalt, dat de rechter ambtshalve de feiten mag aanvullen. De betekenis van dit laatste ligt vooral hierin, dat anders dan in het burgerlijk proces de rechter zich in beginsel niet hoeft neer te leggen bij de feiten zoals deze door partijen worden gepresenteerd. De rechter kan doorvragen. De bevoegdheid de feitelijke gronden aan te vullen gaat niet zover, dat de rechter feiten aan zijn uitspraak ten grondslag kan leggen waarover partijen zich in de procedure niet hebben kunnen uitlaten. De onderhavige bevoegdheid laat derhalve de regel van het eerste lid onverlet. Mocht eerst in raadkamer blijken van feiten die voor de uitspraak van substantiële betekenis zijn, dan is de aangewezen weg dat de rechtbank het onderzoek heropent en partijen in de gelegenheid stelt zich hieromtrent alsnog te uiten.

Voorlopig verslag II

Onder het huidige stelsel van rechtsbescherming kan het voorkomen dat een appellant door het instellen van beroep in een slechtere positie komt dan waarin hij voordien verkeerde, de zogenaamde reformatio in peius, zo spraken de leden behorende tot de PvdA-fractie. In de toelichting op artikel 8.2.6.4 wordt opgemerkt dat reformatio in peius in strikte zin niet meer mogelijk zal zijn. De leden behorende tot de PvdA-fractie wilden van de minister weten wat precies wordt bedoeld met «in strikte zin». De rechter is verplicht de rechtsgronden aan te vullen. In de praktijk zal dat betekenen dat hij zich niet kan onthouden van redeneringen die de juridische positie van appellant kunnen verzwakken. Ook al wordt een aangevochten besluit in peius niet vernietigd, kan de positie van appellant wel worden verzwakt door de juridische argumenten die in de overwegingen worden opgenomen. Overwegingen die het bestuursorgaan bij het nemen van een nieuw besluit in acht zal moeten nemen. De leden gaan er vanuit dat de rechter de bevoegdheid behoudt om bij voorbeeld uit te spreken dat het betrokken bestuursorgaan ten onrechte van [lees: een] privaatrechtelijke rechtshan­deling heeft aangemerkt als een voor beroep vatbaar besluit of dat het bestuursorgaan ten onrechte had aangenomen dat termijnoverschrijding verschoonbaar was.
N. Verheij is in Nieuw bestuursprocesrecht van mening dat de rechter binnen de grenzen van het geschil niet alleen de juistheid maar ook de volledigheid van de door het bestuur gestelde feiten te onderzoeken, aldus de leden van de D66-fractie.
Hoe staat de regering ten opzichte van de visie van N. Verheij terzake?

Memorie van antwoord II

De rechter is ingevolge artikel 8.2.6.4, eerste lid, onder meer verplicht om uitspraak te doen op de grondslag van het beroepschrift. Daaruit vloeit voort, dat de rechter niet buiten de vordering mag treden (verbod van ultra petita gaan) en dat door de uitspraak de appellant niet in een slechtere positie mag worden gebracht dan zonder het instellen van beroep mogelijk zou zijn geweest (verbod van reformatio in peius). Deze beide beginselen kunnen worden gezien als toepassingen van de gedachte dat niet de handhaving van het objectieve recht maar het bieden van rechtsbescherming het primaire oogmerk van het bestuurs­procesrecht is.
Ten aanzien van het verbod van reformatio in peius hebben wij in de toelichting, wellicht wat cryptisch, gesproken over een verbod van refor­matio in peius «in strikte zin». Deze aanduiding ziet op twee verschil­lende kwesties. Ten eerste hebben wij daarmee willen aangeven, dat geen sprake is van overtreding van het verbod van reformatio in peius als in een geschil waarin verschillende appellanten met tegengestelde belangen zijn betrokken, een appellant ten gunste van een of meer van de andere appellanten in een slechtere positie wordt gebracht. De figuur van reformatio in peius is conceptueel ook altijd gesitueerd in een enkel­voudige relatie bestuursorgaan-burger. Het voorbeeld bij uitstek (zie artikel 69, tweede lid, van de Beroepswet) zijn de «klassieke» sociale-zekerheidsgeschillen, waarbij slechts zeer zelden sprake is van derden-belanghebbenden. In een situatie waarin meer belanghebbenden zijn betrokken, past deze figuur echter niet. Ten tweede hebben wij willen aangeven, dat in het in de toelichting op artikel 8.2.6.4 gegeven voorbeeld (zie blz. 142) geen sprake is van overtreding van het verbod van reformatio in peius.
Wij wijzen erop, dat de verplichting van de rechter om ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen, niet op gespannen voet staat met het verbod van reformatio in peius. Immers, deze verplichting moet worden gelezen in samenhang met de verplichting om op de grondslag van het beroepschrift uitspraak te doen. Met andere woorden: het gaat om het aanvullen van de rechtsgronden van het beroep. Het bestuursorgaan heeft ook niet de bevoegdheid om een reconventionele vordering in te dienen. Dit neemt natuurlijk niet weg dat het bestuursorgaan onder omstandigheden bevoegd is een besluit te wijzigen ten nadele van de betrokkene, maar dat staat los van de beroepsprocedure.
De toepassing van de regels inzake bevoegdheid en ontvankelijkheid is van openbare orde en staat daarmee niet ter vrije beschikking van partijen. Zo zal de rechter – en dat komt in de praktijk met enige regelmaat voor – zich inderdaad niet conformeren aan bij voorbeeld een onjuiste uitleg van het besluitbegrip of een ten onrechte verschoonbaar geoordeelde termijnoverschrijding. Dat geldt ook in die – eveneens in de praktijk voorkomende gevallen – waarin partijen zijn overeengekomen geen beroep te doen op onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid.
Uit artikel 8.2.6.4, derde lid, vloeit voort dat de rechter wel bevoegd, maar niet verplicht is ambtshalve de feiten aan te vullen. Dat geldt zowel de door het bestuur als de door de burger gestelde feiten. Deze bepaling is, anders dan artikel 8.2.6.4, tweede lid, welbewust facultatief geredi­geerd. Zij biedt de rechter de mogelijkheid zijn attitude aan te passen aan de feitelijke verhouding tussen partijen in het concrete geval. Naarmate de «ongelijkheid» tussen partijen groter is, zal er voor de rechter meer aanleiding kunnen zijn om van de hier bedoelde bevoegdheid gebruik te maken. Een bepaling als de onderhavige past derhalve in de aan het nieuwe bestuursprocesrecht ten grondslag liggende conceptie van het bieden van een adequaat, waar nodig op maat te snijden, instrumentarium voor de rechter.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd bij wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682 (Wet aanpassing bestuursprocesrecht; kamerstukken 32 450)

[Einstekst] In artikel 8:69 wordt «rechtbank» telkens vervangen door: bestuursrechter.

VO = VvW

Voorstel van wet

In artikel 8:69 wordt “rechtbank” telkens vervangen door: bestuursrechter.

Memorie van toelichting

Zie Memorie van toelichting bij artikel 8:62.

 

Share This