Artikel 8:75a

1. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
2. De bestuursrechter stelt de verzoeker zo nodig in de gelegenheid het verzoek schriftelijk toe te lichten en stelt het bestuursorgaan in de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Hij stelt hiervoor termijnen vast. Indien het verzoek mondeling wordt gedaan, kan de bestuursrechter bepalen dat het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer onmiddellijk mondeling geschieden.

3. Indien het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer mondeling zijn geschied, sluit de bestuursrechter het onderzoek. In de overige gevallen zijn de afdelingen 8.2.4 en 8.2.5 van overeenkomstige toepassing.

 

 

Dit artikel is met ingang van 17 mei 1995 ingevoegd bij wet van 26 april 1995 Stb. 250 (wetsvoorstel 23 780)

[bron: PG Awb III, p. 421-423]

[Eindtekst] Artikel 8:75a
1. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuurs­orgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroep­schrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonder­lijke uitspraak met toepas­sing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
2. De rechtbank stelt de verzoeker zo nodig in de gelegenheid het verzoek schriftelijk toe te lichten en stelt het bestuursorgaan in de gelegenheid een verweer­schrift in te dienen. Zij stelt hiervoor termijnen vast. Indien het verzoek mondeling wordt gedaan, kan de rechtbank bepalen dat het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer onmiddellijk mondeling geschie­den.
3. Indien het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer monde­ling zijn geschied, sluit de rechtbank het onderzoek. In de overige gevallen zijn de afdelingen 8.2.4 en 8.2.5 van overeen­komstige toepassing.

Voorstel van wet

1. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuurs­orgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroep­schrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursor­gaan op verzoek van de indiener bij afzonder­lijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
2. De rechtbank stelt de verzoeker zo nodig in de gelegenheid het verzoek schriftelijk toe te lichten en stelt het bestuursorgaan in de gelegenheid een verweer­schrift in te dienen. Zij stelt hiervoor termijnen vast. Indien het verzoek mondeling wordt gedaan, kan de rechtbank bepalen dat het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer onmiddellijk mondeling geschie­den.
3. Indien het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer monde­ling zijn geschied, sluit de rechtbank het onderzoek. In de overige gevallen worden partijen ten minste drie weken tevoren uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van de rechtbank te verschij­nen.

Memorie van toelichting

Zie MvT bij artikel 8:75. De eerste twee volzinnen van het eerste lid bevatten – met één redactionele aanpassing – de tekst van het huidige arti­kel 8:75, derde lid. Daaraan is toege­voegd een derde volzin, waarin wordt bepaald dat een verzoek om een afzonderlijke uitspraak niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het niet tegelijk met de intrek­king van het beroep wordt gedaan. Voor de goede orde wordt er nog op gewezen dat de bijzondere rechtsingang alleen kan worden gebruikt voor het verkrijgen van een uitspraak over de ver­oordeling van een bestuursorgaan in de kosten die de indiener van het beroepschrift heeft gemaakt, en dus niet over de veroorde­ling van een andere partij dan het bestuursorgaan of een veroorde­ling ten behoeve van een andere partij dan de indiener van het beroep­schrift.
Van de verzoeker wordt uiteraard geen griffierecht geheven. Artikel 8:41 is niet van toepassing. Deze bepaling ziet uitsluitend op beroepen.
Het tweede lid voorziet er in de eerste plaats in dat de verzoeker zo nodig in de gelegenheid wordt gesteld het ver­zoek toe te lichten. Daarvoor kan bijvoorbeeld aanleiding zijn als de rechtbank zich op grond van de bij het verzoek verschafte gegevens onvoldoende acht voorgelicht over de aard en de hoogte van de gemaakte kosten. Het lid stelt vervolgens veilig dat wordt voldaan aan de regel van hoor en weder­hoor.
Als het verzoek mondeling wordt gedaan kan de rechtbank bepa­len dat de – eventuele – toelich­ting daarop en het voeren van verweer daartegen onmiddellijk mondeling (dus tijdens het ho­ren in het vooronderzoek, onderscheidenlijk bij het onder­zoek ter zitting) geschie­den. In gecompli­ceerde gevallen kan het aangewezen zijn in geval van een mondeling verzoek toch te kiezen voor een schriftelijke voortzetting van de procedu­re. Het derde lid bepaalt hoe de procedure vervolgens ver­loopt. Indien het – eventuele – toelichten van het verzoek en het­ voeren van verweer daartegen mondeling zijn geschied, kan de rechtbank de zaak direct afdoen. Daarom wordt bepaald dat de rechtbank in dat geval het onderzoek sluit, waarna zij, overeenkomstig de relevante bepalingen van afdeling 8.2.6, uitspraak zal doen op het verzoek. In de overige gevallen – dat zijn dus die gevallen waarin partijen niet in elkaars aanwezigheid hun standpunten over het verzoek kenbaar hebben kunnen maken – worden partijen uitgeno­digd om op een zitting te verschijnen. Omdat in het algemeen de rechtbank echter na het – eventue­le – toelichten van het verzoek en het voeren van verweer daartegen voldoende informatie zal hebben om uitspraak op het verzoek te kunnen doen en het houden van een zitting dan inhoudelijk niets zal kunnen toevoegen, mag worden aangenomen dat de rechtbank partijen wijst op artikel 8:57, eerste volzin, waar­bij zij dan partijen zal vragen om toestemming voor het achterwe­ge blijven van een zitting. Indien partijen toestem­ming hebben gegeven voor het achterwe­ge blijven van de zit­ting onderscheidenlijk na slui­ting van het onderzoek ter zitting doet de rechtbank, overeenkomstig de relevante bepa­lingen van afdeling 8.2.6, uitspraak op het verzoek.
Voor de goede orde merken wij nog op dat afdeling 8.2.4 op een verzoek als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, niet van toepassing is, omdat deze afdeling uitsluitend ziet op beroepen.

Nota van wijziging

In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, wordt na «uit­spraak» ingevoegd: met toepas­sing van artikel 8:75.
In artikel 8:75a, derde lid, tweede volzin, wordt na «verschijnen» ingevoegd: , tenzij partijen toestemming hebben gegeven voor het achterwege blijven van het onderzoek ter zitting.

Toelichting NvW
De voorgestelde aanvulling van artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, stelt in de eerste plaats buiten twijfel dat in een procedure ex artikel 8:75a geen plaats is voor een veroordeling in de kosten van die procedure maar uitsluitend voor een veroordeling van de kosten in het inmiddels inge­trok­ken beroep. Dat geldt overigens ook al voor de huidige proce­dure ex artikel 8:75, derde lid, hetgeen blijkt uit de limita­tieve opsomming in de bijlage bij het Besluit proces­kosten bestuurs­recht van de proceshan­delingen die bij de vaststelling van de kostenveroordeling in aanmer­king worden genomen. In de tweede plaats stelt zij buiten twijfel dat ten aanzien van de veroorde­ling in de kosten van het inmiddels ingetrokken beroep de regeling van artikel 8:75 – uiteraard – van toepassing is.
Voor de goede orde wordt nog opgemerkt, dat deze proce­du­re uiteraard partijen niet belet om in onderlinge overeen­stem­ming in geval van intrek­king van het beroep een regeling omtrent de vergoeding van de proceskosten te treffen. Daarbij wordt, naar blijkt uit de praktijk, aansluiting gezocht bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De voorgestelde aanvulling van artikel 8:75a, derde lid, tweede volzin, maakt beter zichtbaar dat de onderhavige proce­dures in de praktijk veelal zullen eindigen zonder dat een zitting heeft plaatsgevonden.

Tweede nota van wijziging 

Artikel 8:75a, derde lid, tweede volzin, te luiden:
In de overige gevallen zijn de afdelingen 8.2.4 en 8.2.5 van overeen­komstige toepassing.

Toelichting Tweede NvW
Zoals in de memorie van toelichting is uiteengezet, voorziet het voorge­stelde artikel 8:75a van de Awb in een, op dit moment ontbre­kende, regeling van de procedure om te komen tot een uitspraak op een verzoek tot veroordeling in de proceskosten in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgeko­men.
Zeer onlangs, nadat de – eerste – nota van wijziging al was uitge­bracht, is van de zijde van de rechterlijke macht de wens geuit om de voorge­stelde procedure op één punt aan te vullen.
De redactie van artikel 8:75a, derde lid, tweede volzin, gaat ervan uit dat in de geval­len waarin het – eventuele – toelichten van het verzoek en het – eventuele – voeren van verweer door partijen niet mondeling en dus niet in elkaars aanwezigheid zijn geschie­d, partijen worden uitgeno­digd voor een zitting, zij het dat partijen in de praktijk veelal op de voet van artikel 8:57, eerste volzin, toestem­ming zullen geven voor het achterwe­ge blijven daarvan. Om redenen van doelmatig­heid zou het in die geval­len waarin de inhoud van de op het verzoek te geven uit­spraak evident is, ook mogelijk moeten zijn de zaak op initiatief van de recht­bank buiten zitting af te doen, alsdan van­zelf­sprekend met de mogelijk­heid van verzet tegen een dergelijke uitspraak.
Ik acht deze suggestie zinvol en, mede gelet op het feit dat artikel 8:75a, tweede lid, eerste volzin, verzekert dat het be­stuurs­orgaan in alle geval­len in de gelegenheid wordt gesteld verweer te voeren alvo­rens uitspraak wordt gedaan, ook aanvaardbaar. Wets­tech­nisch kan hier­aan eenvoudig vorm worden gegeven door afdeling 8.2.4 van over­eenkom­stige toepas­sing te verklaren op de geval­len waarin het – eventu­ele – toelichten van het verzoek en het – eventue­le – voeren van verweer door partijen niet mondeling zijn geschie­d. In verband daarmee wordt artikel 8:75a, derde lid, tweede volzin, nu aldus geformuleerd, dat de afdelingen 8.2.4 en 8.2.5 van overeen­komstige toepas­sing zijn.
De rechtbank kan derhalve in de gevallen waarop artikel 8:75a, derde lid, tweede volzin, ziet, nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun stand­punt te verwoorden, kiezen uit drie mogelijkheden: uit­spraak doen na zitting, uitspraak doen nadat partijen toestemming hebben gegeven voor het­ achterwe­ge blijven van een zitting en – in evidente gevallen – op eigen initiatief uitspraak doen buiten zit­ting.
In de Tariefcommissiewet en de Wet administratieve rechtspraak belas­tingzaken worden, binnen het stelsel van die wetten, overeen­komstige wijzigin­gen voorgesteld.

Verslag II

De leden van de D66-fractie vragen waarom de regering in het eerste lid van het onderhavige artikel de term «kosten» hanteert, zonder daarbij aan te geven welke kosten feitelijk worden bedoeld. In artikel 8:75 is bepaald dat het de kosten betreft die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze leden vragen de regering te overwegen of een verwijzing naar deze bepaling dan wel een aanpassing van de wettekst in deze zin wenselijk is.
Een vraag van de leden van de SGP-fractie heeft betrekking op artikel 8:75a, dat een uitvoerige regeling van de proceskostenveroordeling bij intrekking van het beroep bevat. Zij zien niet in waarom aldaar de mogelijkheid ontbreekt om overeenkomstig de regeling van 8:54 tot een uitspraak buiten zitting te komen, zonder partijen daarvoor eerst toestemming te vragen. Wijst de praktijk tot nu toe niet uit dat partijen slechts bij uitzondering van de proceskostenveroordeling een strijdpunt maken (als het materiële geschil uit de wereld is), laat staan dat zij behoefte hebben aan een mondelinge toelichting ter zitting? Is een verzetmogelijk­heid hier niet toereikend te achten?

Nota naar aanleiding van het verslag II

In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van D66 betreffende artikel 8:75a, eerste lid, merken wij op dat in de eerste nota van wijziging in deze bepaling na «uitspraak» is ingevoegd: met toepassing van artikel 8:75.
In antwoord op de vraag van de leden van de SGP-fractie betreffende artikel 8:75a merken wij op dat in de tweede nota van wijziging artikel 8:75a, derde lid, tweede volzin, is komen te luiden: In de overige gevallen zijn de afdelingen 8.2.4 en 8.2.5 van overeenkomstige toepassing.
Derhalve is de regeling van artikel 8:54 (evenals overigens die van artikel 8:55) van overeenkomstige toepassing. Een dienovereenkomstige voorziening is getroffen in de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken en de Tariefcommissie­wet. Een mondelinge behandeling van het verzoek om een proceskostenveroordeling zal inderdaad uitzondering zijn.

Dit artikel is met ingang van 1 april 2002 gewijzigd bij wet van 24 januari 2002 Stb. 53 (wetsvoorstel 26 523)

[Eindtekst] Artikel 8:75a wordt gewijzigd als volgt:
1. Het tweede lid komt te luiden:
2. Artikel 8:73a, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Het derde lid vervalt.

VvW = Eindtekst

Memorie van toelichting

Zie artikel 8:73 a

Wetgevingsoverleg

Zie algemeen

Handelingen II

Zie algemeen

Dit artikel is met ingang van 1 juli 2013 gewijzigd bij wet van 31 januari 2013, Stb. 2013, 50 (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten; kamerstukken 32 621)
Voorontwerp

Artikel 8:75a wordt gewijzigd als volgt:
1. Het tweede lid komt te luiden:
2. De rechtbank stelt de verzoeker zo nodig in de gelegenheid het verzoek schriftelijk toe te lichten en stelt het bestuursorgaan in de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Zij stelt hiervoor termijnen vast. Indien het verzoek mondeling wordt gedaan, kan de rechtbank bepalen dat het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer onmiddellijk mondeling geschieden.
2. Aan het artikel wordt een nieuw derde lid toegevoegd, luidende:
3. Indien het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer mondeling zijn geschied, sluit de rechtbank het onderzoek. In de overige gevallen zijn de afdelingen 8.2.4 en 8.2.5 van overeenkomstige toepassing.

Voorstel van wet

Artikel 8:75a wordt gewijzigd als volgt:
1. Het tweede lid komt te luiden:
2. De rechtbank stelt de verzoeker zo nodig in de gelegenheid het verzoek schriftelijk toe te lichten en stelt het bestuursorgaan in de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Zij stelt hiervoor termijnen vast. Indien het verzoek mondeling wordt gedaan, kan de rechtbank bepalen dat het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer onmiddellijk mondeling geschieden.
2. Aan het artikel wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Indien het toelichten van het verzoek en het voeren van verweer mondeling zijn geschied, sluit de rechtbank het onderzoek. In de overige gevallen zijn de afdelingen 8.2.4 en 8.2.5 van overeenkomstige toepassing.

Memorie van toelichting

De verzoekschriftprocedure van titel 8.4 ontneemt de behoefte aan een afzonderlijke bevoegdheid als voorzien in artikel 8:73 om in de beroepsprocedure tegen het schadeveroorzakende besluit een verzoek om schadevergoeding te doen. Artikel 8:91, eerste lid, bepaalt dat het verzoek ook kan worden gedaan hangende beroep of hoger beroep tegen het schadeveroorzakende besluit. Soortgelijke opmerkingen kunnen worden gemaakt ten aanzien van de procedure op grond van artikel 8:73a. De schadeprocedures van de artikelen 8:73 en 8:73a vervallen dan ook.

Nota van wijziging

In onderdeel E (artikel 8:75a) wordt «rechtbank» telkens vervangen door «bestuursrechter» en wordt «Zij» vervangen door: Hij.

Onderdeel 5 (artikel 8:75a)
Na inwerkingtreding van de wijzigingen voorgesteld in wetsvoorstel 32 450 gelden veel van de bepalingen in hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht niet meer uitsluitend voor het beroep bij de rechtbank, maar ook voor de andere in eerste aanleg of (zie artikel 8:108, eerste lid, Awb) in hoger beroep oordelende bestuursrechters. Op die plaatsen vervangt wetsvoorstel 32 450 «rechtbank» daarom door «bestuursrechter». De wijziging van artikel 8:75a was hier nog op niet aangepast.

 

 

 

Share This