Artikel 8:77

1. De schriftelijke uitspraak vermeldt:
a. de namen van partijen en van hun vertegenwoordigers of gemachtigden,
b. de gronden van de beslissing,
c. de beslissing,
d. de naam van de rechter of de namen van de rechters die de zaak heeft onderscheidenlijk hebben behandeld,
e. de dag waarop de beslissing is uitgesproken, en
f. door wie, binnen welke termijn en bij welke bestuursrechter welk rechtsmiddel kan worden aangewend.
2. Indien de uitspraak strekt tot gegrondverklaring van het beroep, wordt in de uitspraak vermeld welke geschreven of ongeschreven rechtsregel of welk algemeen rechtsbeginsel geschonden wordt geoordeeld.
3. De uitspraak wordt ondertekend door de voorzitter en de griffier. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in de uitspraak vermeld.

 

Dit artikel is met ingang van 1 januari 1994 ingevoerd bij wet van 16 december 1993 Stb. 650 (wetsvoorstel 22 495)

[bron: PG Awb II, p. 500-503]

[Eindtekst] Artikel 8:77 [8.2.6.12]
1. De schriftelijke uitspraak vermeldt:
a. de namen van partijen en van hun vertegenwoordigers of gemach­tigden,
b. de gronden van de beslissing,
c. de beslissing,
d. de naam van de rechter of de namen van de rechters die de zaak heeft onderscheidenlijk hebben behandeld,
e. de dag waarop de beslissing is uitgesproken, en
f. door wie, binnen welke termijn en bij welke administratieve rechter welk rechtsmiddel kan worden aangewend.
2. Indien de uitspraak strekt tot gegrondverklaring van het beroep, wordt in de uitspraak vermeld welke geschreven of ongeschreven rechts­regel of welk algemeen rechtsbeginsel geschonden wordt geoordeeld.
3. De uitspraak wordt ondertekend door de voorzitter van de meervoudige kamer en de griffier. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in de uitspraak vermeld.

Tekst RvS = VvW, behoudens lid 1 dat in de Tekst RvS luidde:
1. De schriftelijke uitspraak vermeldt:
a. de namen van partijen en van hun vertegenwoordigers of gemach­tigden,
b. de gronden van de beslissing,
c. de beslissing,
d. de naam van de rechter of de rechters die de zaak heeft onderscheidenlijk hebben behandeld, en
e. de dag waarop de beslissing is uitgesproken.

Advies RvS

De Raad adviseert in de toelichting aan de hand van voorbeelden uiteen te zetten waarom aan de term «algemeen rechtsbeginsel» de voorkeur wordt gegeven boven de in een aantal proceswetten gehanteerde term «in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur».

Nader rapport

Het advies van de Raad van State om uiteen te zetten waarom aan de term algemeen rechtsbeginsel de voorkeur wordt gegeven boven de in een aantal proceswetten gehanteerde term in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur is gevolgd.

Voorstel van wet

1. De schriftelijke uitspraak vermeldt:
a. de namen van partijen en van hun vertegenwoordigers of gemach­tigden,
b. de gronden van de beslissing,
c. de beslissing,
d. de naam van de rechter of de namen van de rechters die de zaak heeft onderscheidenlijk hebben behandeld,
e. de dag waarop de beslissing is uitgesproken, en
f. door wie, binnen welke termijn en bij welke administratieve rechter welk rechtsmiddel kan worden aangewend.
2. Indien de uitspraak strekt tot gegrondverklaring van het beroep, wordt in de uitspraak vermeld welk algemeen verbindend voorschrift of algemeen rechtsbeginsel geschonden wordt geoordeeld.
3. De uitspraak wordt ondertekend door de voorzitter van de meervoudige kamer en de griffier. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in de uitspraak vermeld.

Memorie van toelichting

In dit artikel worden de elementen opgesomd die de uitspraak dient te bevatten. Zij spreken in het algemeen voor zichzelf. De formulering van onderdeel e van het eerste lid is ontleend aan artikel 3.5.5 van de Awb. In het tweede lid wordt voorgeschreven dat bij gegrondverklaring van het beroep in de uitspraak moet worden aangegeven welk algemeen verbindend voorschrift of welk algemeen rechtsbeginsel geschonden wordt geacht. Hiermee beogen wij de rechtszekerheid, alsmede de verdere rechtsontwikkeling te bevorderen. Dit voorschrift sluit aan bij het bepaalde in de bestaande proceswetten: artikel 63, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Arbo, artikel 58, tweede lid, van de Ambtenarenwet 1929 en artikel 8, tweede lid, van de Wet Arob. In afwijking van het in die wetten bepaalde achten wij het gewenst dat wordt voorgeschreven dat de uitspraak in het voorkomende geval ook aangeeft welk algemeen verbindend voorschrift is geschonden. Met de term algemeen rechtsbe­ginsel hebben wij willen aangeven dat de administratieve rechter niet alleen wegens strijd met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur kan vernietigen, maar tevens wanneer hij strijd constateert met een algemeen rechtsbeginsel dat ook buiten de sfeer van het bestuursrecht gelding heeft. Daardoor wordt tevens treffender tot uitdrukking gebracht dat de rechterlijke taak bestaat uit het toetsen van bestuursbeslissingen aan rechtsnormen. In aanmerking is genomen dat de verwevenheid van het bestuursrecht, het strafrecht, en het burgerlijk recht in de bestuurs­praktijk is toegenomen. In verband daarmee is het ongewenst het tweede lid van artikel 8.2.6.12 te beperken tot (algemeen verbindende voorschriften en) algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Deze overweging lag mede ten grondslag aan de wijziging in 1984 van artikel 58, eerste lid, onderdeel d, van de Ambtenarenwet 1929. Daarin is sedertdien als toetsingsgrond vastgelegd strijd met een algemeen rechtsbeginsel of een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
Tot de algemene rechtsbeginselen die niet direct of uitsluitend voor het bestuur zijn geschreven, maar in het bestuursrecht wel gelding behoren te hebben, rekenen wij het beginsel ne bis in idem, het beginsel dat een sanctie evenredig behoort te zijn aan de ernst van het feit en het beginsel dat hetgeen ten onrechte als betaling is ontvangen, dient te worden terugbetaald.

Voorlopig verslag II

De Wet Arob, de TWK, de Ambtenarenwet 1929 en de Wet Arbo kenden in tegenstelling tot de Beroepswet beroepsgronden, aldus de leden van de D66-fractie. In hoofdstuk 8 zijn deze beroepsgronden niet opgenomen. Wel is in artikel 8.2.6.12, tweede lid, bepaald dat in de uitspraak wordt vermeld welk algemeen verbindend voorschrift of algemeen rechtsbeginsel geschonden wordt geoordeeld. Onder algemene rechtsbeginselen worden mede de algemene beginselen van behoorlijk bestuur verstaan. Hoe denkt de regering over de opmerkingen van mr. M. J. Sluijs in het boek Nieuw bestuursprocesrecht?
Is met artikel 8.2.6.12, tweede lid, bedoeld een limitatieve opsomming van vernietigingsgronden te geven?
Wat is de opvatting van de regering over de mening van Duk dat er ook andere rechtsregels zijn (TAR 1992 blz. 206)?

Memorie van antwoord II

Mede naar aanleiding van hetgeen door de leden van de fractie van D66 is gereleveerd, maken wij graag van de gelegenheid gebruik om, explicieter dan in de memorie van toelichting is geschied, in te gaan op het niet opnemen van toetsingsgronden (soms ook beroepsgronden genoemd) in het nieuwe bestuursprocesrecht.
Aan het in de oudere bestuursprocesrechtelijke wetgeving wel opnemen van toetsingsgronden lagen twee overwegingen ten grondslag. In de eerste plaats de algemene overweging dat het kader waarbinnen de administratieve rechter de aan hem opgedragen toetsing van bestuurs­handelen vervult, kenbaar moet zijn, zowel voor de rechter als voor de betrokken partijen (bestuursorganen en burgers). In de tweede plaats de meer specifieke overweging, dat het toetsingskader dient te worden beperkt voor zover het gaat om de toetsing van bestuurshandelen dat op grond van een discretionaire bevoegdheid en dus binnen een zekere beleidsruimte tot stand is gekomen. Deze meer specifieke overweging heeft haar neerslag in het bijzonder gevonden in de zogenoemde c-grond: de rechter stelt niet zijn eigen uitkomst van de afweging van alle betrokken belangen in de plaats van die van het bestuursorgaan, maar hij toetst – als sluitstuk van de toetsing – slechts of de uitkomst van de bestuurlijke belangenafweging de grenzen van de redelijkheid niet overschrijdt. Aldus wordt verzekerd dat de rechter niet de aan het bestuur toegekende beleidsruimte usurpeert.
Tegelijkertijd heeft deze – in zekere zin negatieve – toetsingsgrond gewerkt als een positieve rechtsnorm voor het bestuur, in die zin dat daaruit is afgeleid dat het bestuur niet naar willekeur kan handelen bij de toepassing van een discretionaire bevoegdheid. Daarom wordt met betrekking tot de c-grond ook wel gesproken van het verbod van willekeur. Dit is overigens een verschijnsel dat zich in de ontwikkeling van ons bestuursrecht op meer plaatsen manifesteert: aan de verdeling van rechtsmacht en aan het bestuursprocesrecht ontleende, in beginsel tot de rechter gerichte, normen hebben een uitstraling gehad in de richting van meer materieelrechtelijke, tot het bestuur gerichte normen. Die ontwikkeling vindt ook haar neerslag in de Awb. De Awb is nadruk­kelijk mede opgezet als een catalogus van rechtsnormen waaraan de bestuursorganen zich hebben te houden. Het meest treffende voorbeeld daarvan vormen de in de eerste tranche gecodificeerde algemene begin­selen van behoorlijk bestuur.
Een onderdeel van die codificatie is artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Daarin is, in aansluiting op de in artikel 3:4, eerste lid, opgenomen verplichting tot belangenafweging, het zogenoemde evenredigheidsbe­ginsel neergelegd. In de memorie van toelichting bij de eerste tranche is uiteengezet dat het evenredigheidsbeginsel onder meer in zich bergt de positieve – immers tot de bestuursorganen gerichte – formulering van de in de c-grond besloten liggende norm: het bestuur dient evenredig, dient redelijk te handelen. Daarmee is deze ongeschreven norm tot geschreven norm, tot algemeen verbindend voorschrift geworden. Dat betekent, dat schending van die norm handelen in strijd met een algemeen verbindend voorschrift oplevert en een dergelijk bestuurshandelen dus voor vernie­tiging op basis van de zogenoemde a-grond in aanmerking komt. Dat betekent vervolgens, dat de c-grond overbodig is geworden en voor schrapping in aanmerking komt. ls er dan nog geen reden om de overige toetsingsgronden te handhaven? Voor de zogenoemde b-grond (het verbod van détournement de pouvoir) in elk geval niet. Deze norm is immers gecodificeerd in artikel 3:3 van de Awb. Maar ook voor de a-grond en de zogenoemde d-grond (de overige algemene beginselen van behoorlijk bestuur) is er geen reden tot handhaving. De taak van de rechter kan heel kort worden samengevat in het adagium: de rechter toetst aan het recht. Toegespitst op de bestuursrechtspraak: de admini­stratieve rechter toetst de rechtmatigheid van het bestreden bestuurs­handelen. Dat de rechter aan het geschreven recht (de a-grond) èn het ongeschreven recht (de d-grond) toetst, is wel evident. Dat geldt voor alle rechters, ongeacht of het gaat om civiele rechtspraak, strafrecht­spraak of bestuursrechtspraak. Er is daarom geen enkele reden om voor de bestuursrechtspraak dit algemene toetsingskader in de wet te explici­teren.
Op grond van het voorgaande zijn wij van opvatting dat aan toetsings­gronden in het nieuwe bestuursprocesrecht geen behoefte is.
Niettemin hebben wij in artikel 8.2.6.12, tweede lid, de verplichting neergelegd om, in geval van gegrondverklaring van het beroep, in de uitspraak te vermelden welke rechtsregel geschonden wordt geoordeeld. Dit voorschrift is een wettelijke concretisering van de algemene motive­ringsplicht van rechterlijke uitspraken. Juist vanwege de belangrijke rol die het ongeschreven recht, ook in deze fase van de codificatie van het bestuursrecht, in het bestuursrecht speelt, hebben wij ervoor gekozen, in het belang van de rechtszekerheid en de rechtsontwikkeling, thans deze verbijzondering van de algemene motiveringsplicht op te nemen.
Wij zijn het, in lijn met het voorgaande, eens met de stelling dat artikel 8.2.6.12, tweede lid, te beperkt is. Daarom wordt in de nota van wijziging deze bepaling verruimd, in die zin dat in de uitspraak dient te worden vermeld welke geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel welk algemeen rechts beginsel geschonden wordt geoordeeld.

Nota van wijziging

Artikel 8.2.6.12, tweede lid, komt te luiden:
2. Indien de uitspraak strekt tot gegrondverklaring van het beroep, wordt in de uitspraak vermeld welke geschreven of ongeschreven rechts­regel of welk algemeen rechtsbeginsel geschonden wordt geoordeeld.

Eindverslag

De leden van de D66-fractie vroegen of de door de regering gehanteerde formulering in dit artikel niet de suggestie wekt dat de algemene rechtsbeginselen, waaronder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, een aparte categorie vormen, nààst ongeschreven rechtsregels. Zij achtten de nieuwe formulering van artikel 8.2.6.12 een verbetering, maar zouden de voorkeur hebben voor een formulering waarin gesproken wordt over «welke geschreven of ongeschreven rechtsregel, waaronder de algemene rechtsbeginselen». Zij verzochtten de regering om een reactie.

Nota naar aanleiding van het eindverslag

Wij menen dat regels en beginselen inderdaad uit systematisch oogpunt van elkaar moeten worden onderscheiden, hoewel dat onderscheid vloeiend is en schending van een regel of van een beginsel tot hetzelfde resultaat leidt, namelijk vernietiging van het bestreden besluit.

Handelingen I

De heer Wagemakers (CDA, p. 590): Het is mij voorts opgevallen dat in het wetsvoorstel nergens expliciet tot uitdrukking is gebracht dat de administratieve kamers een rechtmatigheidstoetsing uitvoeren. Dat laat zich slechts zeer indirect afleiden uit het gestelde in artikel 8.2.6.12, lid 2, waar melding wordt gemaakt van rechtsbeginselen die in dat verband in de uitspraak genoemd moeten worden. Maar het had een zekere norminprentende waarde kunnen hebben, als dat in een apart artikel was verwoord.
Minister Hirsch Ballin (p. 595-596): De heer Wagemakers heeft de vraag opgeworpen of het wel een goede keus was om beroepsgronden achterwege te laten in de Algemene wet bestuursrecht. Ik wil op die vraag graag ingaan, omdat die een heel principiële kwestie raakt betreffende de verhouding tussen rechter en bestuur. Opneming van beroepsgronden is historisch te verklaren en wel uit de periode waarin het bestuur nog als een vreemde stond tegenover het recht, althans voor zover het de vorm aannam van toetsing van het bestuurshandelen aan het recht. Wij kennen allemaal de discussies rondom Loeff en Struycken, de diverse voorstellen inzake de inrichting van de administratieve rechtspraak die Nederland 100 jaar geleden hebben geteisterd en die hebben doorgewerkt in een aantal voorstellen die vervolgens geen wet zijn geworden. Op dat moment bestond nog het dominante inzicht dat het bestuurshandelen zich althans voor een deel buiten de skoop van de rechterlijke toetsing zou plaatsvinden. Er werd gesproken van discretionaire bevoegdheden als ware het bevoegdheidstoedelingen buiten de sfeer van het recht. Vervolgens is in de jaren dertig de jurisprudentie op gang gekomen. Ik noem de eerste toetsingen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, het rapport over de algemene bepalingen van het administratief recht van de Vereni­ging voor administratief recht en de jurisprudentie zowel ten aanzien van kroonberoepen als van het College van beroep voor het bedrijfsleven, de Centrale Raad van Beroep en de burgerlijke rechter. Dat alles is geleidelijk aan uitgekristalliseerd. Het is een confrontatie van bestuurs­beslissingen, ook die welke berusten op discretionaire bevoegdheden, met het recht, het geschreven en ongeschreven recht. De rechter ging daarmee niet op de stoel van het bestuur zitten, zoals duizenden malen met een inmiddels volstrekt versleten beeldspraak is gezegd, maar confronteerde wel elke bestuursbeslissing met de eisen van het recht. In die overgangsperiode bestond behoefte om de confrontatie met de eisen van het recht neer te zetten in de vorm van beroepsgron­den, strijd met het recht, met de wet en met de algemeen verbindende voorschriften, de A-grond. Daarnaast waren er de gronden die wij als B-, C- en D-gronden hebben leren kennen en die betrekking hebben op strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Naar huidig inzicht doet de rechter in bestuurs­rechtelijke zaken wat typisch het werk van de rechter is, namelijk het toetsen van beslissingen aan de eisen van het recht, geschreven en ongeschreven, net zoals de rechter in andere rollen geschreven en ongeschreven recht heeft te hanteren. De rechter confronteert bestuursbesluiten en in sommige opzichten handelingen met het recht, geschreven en ongeschreven.
Wij zijn nu gekomen in de situatie dat er geen behoefte meer bestaat aan die afbakening in beroepsgron­den. Dat was in vervlogen tijden namelijk een uiting van vrees voor rechters die zich bestuursorganen wanen. Bovendien zijn die beroeps­gronden ook niet meer geschikt om de taak van de rechter aan te geven, want de beginselen van behoorlijk bestuur hebben inmiddels met de Algemene wet bestuursrecht en met artikel 1 van de Grondwet gestalte gekregen in geschreven bepalingen en dus is ook de tegenstelling tussen de A-grond, de strijd met de algemeen verbindende voorschriften, en de andere gronden achterhaald. Dus was het enerzijds niet meer nodig en anderzijds ook niet meer goed mogelijk om in de vorm van beroepsgronden de taak van de rechter af te bakenen. Wat wel mogelijk en wenselijk is en blijft, is dat de rechter aangeeft op welke grond hij of zij tot de conclusie komt dat een besluit of handeling van een bestuursorgaan de toets aan het recht niet kan doorstaan. Vandaar de opdracht om een geschonden rechtsbeginsel uitdrukkelijk te noemen.
De heer Scheltema (p. 596): Mijnheer de voorzitter! De heer Wagemakers heeft een aantal meer technische vragen gesteld aan de hand van het nieuwe procesrecht. Hij vroeg ook of de vergelijking met de verzoekschriftprocedure in het civiele procesrecht voldoende was gemaakt, en verwees naar een artikel van de heer Knigge over dat onderwerp. Het is stellig waar dat de verzoekschrift­procedure in zekere zin meer gemeen heeft met de administratief­rechtelijke procedure zoals die in de Algemene wet bestuursrecht is neergelegd, dan met de dagvaardingsprocedure. Het is dus zeker zo dat er veel overeenkomsten zijn. Het zou ook heel goed zijn om in het vervolg nog meer te kijken of harmonisatie mogelijk zou zijn.
Ik kan eraan toevoegen dat bij de voorbereiding van de regeling ook een civilist betrokken is geweest, juist vanuit de gedachte dat geen nodeloze verschillen tussen deze procedure en de verzoekschrift­procedure zouden moeten bestaan. Er is dus al naar gekeken en het is zeker goed om door te gaan in de richting die wordt aangegeven.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd bij wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682 (Wet aanpassing bestuursprocesrecht; kamerstukken 32 450)

[Eindtekst] Artikel 8:77 wordt gewijzigd als volgt:
1. In het eerste lid, onderdeel f, wordt «administratieve rechter» vervangen door: bestuursrechter.
2. In het derde lid vervalt: van de meervoudige kamer.

VO = VvW

Voorstel van wet

In artikel 8:77, eerste lid, onderdeel f, wordt “administratieve rechter” vervangen door:
bestuursrechter.

Memorie van toelichting

Zie Memorie van toelichting bij artikel 8:72a.

Nota van wijziging

Artikel 8:77 wordt gewijzigd als volgt:
1. In het eerste lid, onderdeel f, wordt «administratieve rechter» vervangen door: bestuursrechter.
2. In het derde lid vervalt: van de meervoudige kamer.

 

 

Share This