Artikel 8:83

1. Partijen worden zo spoedig mogelijk uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting te verschijnen. Binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn zendt het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem. De artikelen 8:45, vierde tot en met zesde lid, en 8:45a zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de voorzieningenrechter kan bepalen dat de in deze artikelen bedoelde zienswijzen mondeling ter zitting naar voren worden gebracht. Artikel 8:58 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat tot één dag voor de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend. De artikelen 8:59, 8:60, 8:60a, tweede lid, en 8:61 tot en met 8:65 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat getuigen en deskundigen kunnen worden meegebracht of opgeroepen zonder dat de in artikel 8:60, vierde lid, eerste volzin, bedoelde mededeling is gedaan.
2. Indien administratief beroep is ingesteld, wordt het beroepsorgaan eveneens uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Het beroepsorgaan wordt in de gelegenheid gesteld ter zitting een uiteenzetting over de zaak te geven.
3. Indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid.
4. Indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, kan de voorzieningenrechter ook in andere gevallen uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid.

 

Dit artikel is met ingang van 1januari 1994 ingevoerd bij wet van 16 december 1993 Stb 650 (wetsvoorstel 22 495)

[bron: PG Awb II, p. 509-511]

[Eindtekst] Artikel 8:83 [8.3.3]
1. Partijen worden zo spoedig mogelijk uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting te verschijnen. Binnen een door de president te bepalen termijn zendt het bestuurs­orgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem. Artikel 8:58 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat tot één dag voor de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend. De artikelen 8:59 tot en met 8:65 zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de president kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet‑ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, kan de president uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid.
3. Indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, kan de president ook in andere gevallen uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid.

Tekst RvS = VvW

Advies RvS

Het lijkt niet nodig in de procedure waarin een voorlopige voorziening wordt verzocht een termijn voor het indienen van nadere stukken voor te schrijven. De tweede zin van het eerste lid ware daarom te schrappen.

Nader rapport

Wij hebben gemeend, aan het advies van de Raad om de termijn voor het indienen van nadere stukken te schrappen, geen gevolg te moeten geven. Enerzijds biedt de wettelijke termijn partijen een richtsnoer voor het geval het nodig mocht zijn nadere stukken in te dienen. Een efficiënte procesvoering is daarmee gediend. Anderzijds blijft het mogelijk, zeker nu het hier gaat om zaken waarin sprake is van onverwijlde spoed, om daarna, ook tijdens de zitting, nog stukken over te leggen. Wij verwijzen mede naar de toelichting op artikel 8.2.5.3.

Voorstel van wet

1. Belanghebbenden worden zo spoedig mogelijk uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting te verschijnen. Artikel 8.2.5.3 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat tot één dag voor de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend. De artikelen 8.2.5.4 tot en met 8.2.5.11 zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de uitspraak strekt tot niet‑ontvankelijkverklaring van het verzoek omdat het griffierecht niet binnen de termijn is bijgeschreven of gestort, vindt het eerste lid geen toepassing.
3. Indien onverwijlde spoed dat vereist en belanghebbenden daardoor niet in hun belangen worden geschaad, kan de president uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid.

Memorie van toelichting

Het derde lid biedt de president de mogelijkheid om, indien onver­wijlde spoed daartoe noopt, zonder behandeling van de zaak ter zitting, uitspraak te doen. Het spreekt voor zich dat het hier moet gaan om bijzondere gevallen waarin afgeweken wordt van het beginsel van hoor en wederhoor ter zitting. Ook kan daarbij gedacht worden aan zaken waarin sprake is van kennelijke onbevoegdheid. Overigens verwijzen wij naar artikel 8.3.2, tweede lid, juncto artikel 8.2.1.1, tweede lid.

Voorlopig verslag II

Zie Voorlopig verslag II bij artikel 8:81.

Memorie van antwoord II

De door de leden van de PvdA-fractie gesignaleerde omissie in artikel 8.3.3., eerste lid, derde volzin, wordt in de nota van wijziging hersteld.

Nota van wijziging

De tekst van lid 1 van het VvW kwam als volgt te luiden:
In artikel 8.3.3, eerste lid, derde volzin, wordt «8.2.5.11 » vervangen door: 8.2.5.10.

Tweede nota van wijziging

Artikel 8.3.3 wordt als volgt gewijzigd:
In de eerste volzin van het eerste lid wordt «Belanghebbenden» vervangen door: Partijen.
In het eerste lid wordt na de eerste volzin een volzin ingevoegd, luidende:
Binnen een door de president te bepalen termijn zendt het bestuurs­orgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem.
Het tweede lid komt te luiden:
2. Indien de president kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet‑ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, kan de president uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid.
In het derde lid wordt «belanghebbenden» vervangen door: partijen, en wordt na «de president» ingevoegd: ook in andere gevallen.

Toelichting Tweede NvW
Zie Toelichting Tweede NvW bij artikel 8:81.

Het tweede lid is ingevoegd bij wet van 23 december 1993, Stb. 690 (Aanpassingswet Awb III) (wetsvoorstel 23 258).

[bron: PG Awb II, p. 509-511]

Nota van wijziging

In artikel 8.3.3 wordt, onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid, een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:
2. Indien administratief beroep is ingesteld, wordt het beroepsorgaan eveneens uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Het beroepsorgaan wordt in de gelegenheid gesteld ter zitting een uiteenzetting over de zaak te geven.

Toelichting NvW
Artikelen 8.3.3 en 8.3.80.
Gebleken is, dat artikel 8.3.3 tot onduidelijkheid aanleiding kan geven in het geval dat, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, administratief beroep is ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan. Die onduidelijkheid heeft betrekking op de vraag welk orgaan als ‘het bestuursorgaan, dat wil zeggen: het verwerend bestuursorgaan, moet worden beschouwd en, in verband daarmee, welke de processuele positie is van het andere betrokken bestuursorgaan. Richtinggevend voor de beantwoording van deze vragen is de, aan het gehele stelsel van rechtsbescherming ten grondslag liggende, waarneming dat een bestuursrechtelijk geschil betrekking heeft op een genomen besluit, dat wordt bestreden. In de situatie waarin een bestuursorgaan een primair besluit heeft genomen waartegen administratief beroep is ingesteld, heeft het geschil zolang in administratief beroep nog niet is beslist, betrekking op dat primaire besluit. Daaruit volgt, dat het primair beslissende orgaan als ‘het bestuursorgaan’, bedoeld in artikel 8.3.3., eerste lid, tweede volzin, moet worden aangemerkt. Het is dan ook dat bestuursorgaan dat de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de president moet zenden.
Niettemin kan het dienstig zijn dat ook de visie van het beroepsorgaan (dat is het bestuursorgaan dat in administratief beroep moet beslissen) in de voorlopigevoorzieningsprocedure een rol speelt, ook al is dat beroepsorgaan zolang het geen beslissing heeft genomen geen partij en kan het ook niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt.
Daarom voorziet het nieuwe tweede lid van artikel 8.3.3 voor deze situatie in een afzonderlijke processuele positie voor het beroepsorgaan.
Mede naar aanleiding hiervan heeft een herbezinning plaatsgevonden op de vraag wie de bevoegdheid moet hebben om om opheffing of wijziging van een getroffen voorlopige voorziening te vragen. Dat heeft ertoe geleid dat in het nieuwe tweede lid van artikel 8.3.8a nu voor de fase van bezwaar of administratief beroep uitdrukkelijk is bepaald, dat ook het bestuursorgaan of het beroepsorgaan die bevoegdheid hebben.
Zij worden immers niet bestreken door artikel 8.3.1, derde lid (nieuw). Tevens is in artikel 8.3.8.a, tweede lid, opgenomen dat een belanghebbende die door de getroffen voorziening rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen (vgl. artikel 6:3 van de Awb) – en die op grond van artikel 8.3.1, derde lid, niet bevoegd was een verzoek om voorlopige voorziening te doen — eveneens om opheffing of wijziging kan vragen. Deze aanvulling is nodig ten behoeve van die belanghebbenden bij het primaire besluit die geen reden hadden om bezwaar te maken of administratief beroep in te stellen, maar voor wie door de getroffen voorziening een nieuwe situatie is ontstaan. Mede naar aanleiding van het voorgaande merken wij in meer algemene zin nog het volgende op. Een bestuursorgaan dat een besluit neemt, is als zodanig geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij dat besluit. Artikel 1:2, tweede lid, heeft op die situatie geen betrekking. Bij de overgang van de fase van de primaire besluitvorming naar de fase van het administratief beroep vindt echter conversie plaats. Immers, indien in administratief beroep wordt beslist, wordt een nieuw besluit genomen door een ander bestuursorgaan, waarbij dan niet alleen de betrokken burger(s), maar — door de werking van artikel 1:2, tweede lid, van de Awb — ook het primair beslissende bestuursorgaan belanghebbende is. Deze conversie vindt niet plaats bij de overgang van de fase van de bestuurlijke voorprocedure (bezwaar of administratief beroep) naar de fase van beroep bij de administratieve rechter, en evenmin bij de overgang van de fase van beroep naar de fase van hoger beroep. In al die gevallen blijft immers het laatste bestuurlijke besluit voorwerp van geschil en is en blijft het bestuursorgaan dat dat besluit heeft genomen, het verwerend orgaan. Op grond van deze overweging hebben wij alsnog in artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State en artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet uitdrukkelijk opgenomen dat ook het bestuursorgaan hoger beroep kan instellen. De gedachte dat het verwerend orgaan zou worden bestreken door de in die bepalingen opgenomen term ‘belanghebbende’ is gelet op het voorgaande onjuist gebleken.

Dit artikel is met ingang van 17 mei 1995 gewijzigd bij wet van 26 april 1995 Stb. 250 (wetsvoorstel 23 780).

[bron: PG Awb III, p. 425-426]

[Eindtekst] Artikel 8:83
1. Partijen worden zo spoedig mogelijk uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting te verschijnen. Binnen een door de president te bepalen termijn zendt het bestuurs­orgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem. Artikel 8:58 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat tot één dag voor de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend. De artikelen 8:59 tot en met 8:65 zijn van overeenkomsti­ge toepassing, met dien verstande dat getuigen en deskundigen kunnen worden meegebracht of opgeroe­pen zonder dat de in artikel 8:60, vierde lid, eerste volzin, bedoelde mede­deling is gedaan.
2. Indien administratief beroep is ingesteld, wordt het beroepsorgaan eveneens uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Het beroeps­orgaan wordt in de gelegenheid gesteld ter zitting een uiteenzetting over de zaak te geven.
3. Indien de president kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet‑ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, kan de president uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid.
4. Indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, kan de president ook in andere gevallen uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid.

Nota van wijziging

In artikel 8:83, eerste lid, vierde volzin, wordt na «toepassing» ingevoegd: , met dien verstande dat getuigen en deskundigen kunnen worden meegebracht of opgeroe­pen zonder dat de in artikel 8:60, vierde lid, eerste volzin, bedoelde mededeling is gedaan.

Toelichting NvW
Ter toelichting op het nieuw voorgestelde onderdeel Ga wordt het volgende opgemerkt. Artikel 8:60, vierde lid, eerste volzin, Awb bepaalt dat partijen getui­gen en deskundigen kunnen meebrengen of oproepen, mits daarvan uiterlijk een week voor de zitting mededeling is gedaan aan de rechtbank en aan de andere partijen. Afwijking van dit voorschrift is niet toegestaan. In de praktijk is gebleken dat dit, in artikel 8:83, eerste lid, vierde volzin, in de voorlopige-voorzieningsprocedure van overeenkomstige toepassing verklaarde, voorschrift in bepaalde gevallen afbreuk kan doen aan het goed functioneren van die procedure. Daarom wordt nu voorgesteld deze beperking voor de voorlopige-voorzieningsprocedure te schrappen. Deze verruiming van de mogelijkheid voor partijen om getuigen en deskundigen mee te brengen of op te roepen laat uiteraard de in artikel 8:63, tweede lid, neergelegde rechterlijke bevoegdheid onverlet.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2002 gewijzigd bij wet van 6 december 2001 Stb. 584 (wetsvoorstel 27 878)

[Eindtekst]
In de artikelen 8:81, eerste lid, 8:82, tweede, derde en vierde lid, 8:83, eerste, derde en vierde lid, 8:84, eerste en tweede lid, 8:85, eerste lid, 8:86, eerste en tweede lid, en 8:87, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt «de president» telkens vervangen door: de voorzieningenrechter.

Dit artikel is met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd bij wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682 (Wet aanpassing bestuursprocesrecht; kamerstukken 32 450)

[Eindtekst] Het eerste lid van artikel 8:83 komt te luiden:
1. Partijen worden zo spoedig mogelijk uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting te verschijnen. Binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn zendt het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem. De artikelen 8:45, vierde tot en met zesde lid, en 8:45a zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de voorzieningenrechter kan bepalen dat de in deze artikelen bedoelde zienswijzen mondeling ter zitting naar voren worden gebracht. Artikel 8:58 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat tot één dag voor de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend. De artikelen 8:59, 8:60, 8:60a, tweede lid, en 8:61 tot en met 8:65 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat getuigen en deskundigen kunnen worden meegebracht of opgeroepen zonder dat de in artikel 8:60, vierde lid, eerste volzin, bedoelde mededeling is gedaan.

VO = VvW

Voorstel van wet

Het eerste lid van artikel 8:83 komt te luiden:
1. Partijen worden zo spoedig mogelijk uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting te verschijnen. Binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn zendt het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem. De artikelen 8:45, vierde tot en met zesde lid, en 8:45a zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de voorzieningenrechter kan bepalen dat de in deze artikelen bedoelde zienswijzen mondeling ter zitting naar voren worden gebracht. Artikel 8:58 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat tot één dag voor de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend. De artikelen 8:59, 8:60, 8:60a, tweede lid, en 8:61 tot en met 8:65 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat getuigen en deskundigen kunnen worden meegebracht of opgeroepen zonder dat de in artikel 8:60, vierde lid, eerste volzin, bedoelde mededeling is gedaan.

Memorie van toelichting

De bevoegdheden van de bestuursrechter, de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit en de Europese Commissie als bedoeld in de artikelen 8:45, vierde tot en met zesde lid, en 8:45a, en de plicht van de griffier als bedoeld in artikel 8:79, derde lid, kunnen strikt genomen ook worden uitgeoefend in het kader van een verzoek om een voorlopige voorziening. Overigens is het de vraag of de Europese Commissie en de raad van bestuur van de NMa veel van deze bevoegdheid gebruik zullen maken, gelet op de korte termijnen waarbinnen een dergelijk verzoek in de regel wordt behandeld. Met het oog op die korte termijnen kan de voorzieningenrechter bepalen dat de schriftelijke zienswijze op grond van de artikelen 8:45, zesde lid, of 8:45a, derde lid, mondeling ter zitting wordt gegeven indien de vereiste spoed daartoe noopt of indien dat hem anderszins geëigend voorkomt.
De bestuursrechter heeft op grond van artikel 8:45, vierde lid, een discretionaire bevoegdheid om partijen hun wensen kenbaar te laten maken omtrent de te vragen inlichtingen of het te vragen advies. De voorzieningenrechter kan daarvan dus ook afzien als de vereiste spoed daartoe noopt.

 

Share This