Artikel 8:93

Artikel 310 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing op verzoeken om schadevergoeding op grond van deze titel. De verjaringstermijn vangt evenwel niet eerder aan dan de dag na die waarop:
a. de vernietiging van het schadeveroorzakende besluit onherroepelijk is geworden, of
b. het bestuursorgaan de onrechtmatigheid van het besluit heeft erkend.

 

Dit artikel is met ingang van 1 juli 2013 ingevoegd bij wet van 31 januari 2013, Stb. 2013, 50 (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten; kamerstukken 32 621)
Voorstel van wet

Artikel 310 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing op verzoeken om schadevergoeding op grond van deze titel. De verjaringstermijn vangt evenwel niet eerder aan dan de dag na die waarop:
a. de rechterlijke uitspraak waarbij het schadeveroorzakende besluit is vernietigd, onherroepelijk is geworden, of
b. het bestuursorgaan de onrechtmatigheid van het besluit heeft erkend.

Voorstel van wet 

Artikel 310 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing op verzoeken om schadevergoeding op grond van deze titel. De verjaringstermijn vangt evenwel niet eerder aan dan de dag na die waarop:
a. de vernietiging van het schadeveroorzakende besluit, onherroepelijk is geworden, of
b. het bestuursorgaan de onrechtmatigheid van het besluit heeft erkend.

Memorie van toelichting

In dit voorschrift is de verjaring geregeld. Voor verjaring van de vordering uit onrechtmatige daad geldt in het privaatrecht artikel 3:310 BW. Op grond van genoemd artikel vangt de verjaringstermijn aan op het moment dat de benadeelde zowel met het bestaan van de schade als met de persoon van de aansprakelijke bekend is geworden. In beginsel bedraagt de verjaringstermijn vijf jaren, maar de vordering verjaart in ieder geval twintig jaren na de gebeurtenis die de schade veroorzaakte. Op deze hoofdregels maakt het BW enkele uitzonderingen, zoals voor milieuschade.
Op grond van artikel 3:326 BW is artikel 3:310 buiten het vermogensrecht van overeenkomstige toepassing voor zover de aard van de betrokken rechtsverhouding zich daartegen niet verzet. In de bestuursrechtelijke jurisprudentie wordt doorgaans aansluiting gezocht bij deze civielrechtelijke regels (zie HR 28 oktober 1994, NJ 1995, 139, m.nt. MS, Talma Rustoord/Friesland). Dit is slechts anders als er een specifieke publiekrechtelijke verjaringsregeling van toepassing is. Gelet op het voorgaande, ligt het voor de hand om bij de keuze voor de termijn waarbinnen een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 moet worden ingediend, eveneens aansluiting te zoeken bij de civielrechtelijke verjaringsregels. Het onderwerp schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad roept evenwel enkele specifieke vragen op met betrekking tot het tijdstip waarop de verjaringstermijn aanvangt. Dit hangt onder meer samen met het feit dat het in het bestuursrecht mogelijk is dat iemand schade heeft geleden, terwijl nog niet duidelijk is of het besluit waardoor de schade werd veroorzaakt onrechtmatig was. Om die reden is in artikel 8:93 voor twee duidelijke situaties waarin dit aan de orde is, aangegeven wanneer de verjaringstermijn aanvangt. Indien er (administratief) beroep is ingesteld tegen het schadeveroorzakende besluit, vangt de verjaringstermijn aan op de dag nadat de vernietiging van het schadeveroorzakende besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Deze bepaling sluit aan bij de jurisprudentie over de aanvang van de verjaringstermijn (zie bijv. CRvB 1 augustus 2000, JB 2001/260, CBb 25 juli 2001, AB 2001, 288, m.nt. JHvdV, ABRS 3 juli 2002, AB 2002, 242, ABRvS 5 maart 2008, JB 2008, 96). Uiteraard geldt deze bepaling uitsluitend voor het geval dat het schadeverzoek wordt ingediend na afloop van de procedure tegen het schadeveroorzakende besluit. Het tijdstip waarop de verjaring aanvangt kan in ieder geval ook niet samenvallen met het moment waarop het schadeveroorzakende besluit werd genomen, indien het bestuursorgaan dat het schadeveroorzakende besluit nam, eerst na verloop van tijd de onrechtmatigheid van dat besluit erkent (zie bijv. HR 18 juni 1993, AB 1993, 504, m.nt. FHvdB, NJ 1993, 642, m.nt. MS). Wanneer er sprake is van erkenning van de onrechtmatigheid is niet in zijn algemeenheid te zeggen. Onder omstandigheden wordt erkenning van de onrechtmatigheid van het schadeveroorzakende besluit aangenomen als het bestuursorgaan dit besluit intrekt of herroept op de grond dat het onrechtmatig was (bijv. CBb 25 juli 2001, AB 2001, 288, m.nt. JHvdV, JB 2001/261, Landman/Minister van LNV).

Nota van wijziging

In artikel 8:93, onder a, vervalt de komma na «besluit».

Onderdelen 6 tot en met 9 (artikelen 8:88, 8:92, 8:93, 8:104, 8:105 en 8:108)
Dit zijn technische correcties.

Gewijzigd voorstel van wet

Artikel 8:93
Artikel 310 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing op verzoeken om schadevergoeding op grond van deze titel. De verjaringstermijn vangt evenwel niet eerder aan dan de dag na die waarop:
a. de vernietiging van het schadeveroorzakende besluit onherroepelijk is geworden, of
b. het bestuursorgaan de onrechtmatigheid van het besluit heeft erkend.

Voorlopig verslag I

3. Schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaden
3.1 Algemeen
De leden van de VVD-fractie stellen dat in de verjaringsregeling van artikel 8:93 Awb wordt verduidelijkt wanneer de verjaringstermijn aanvangt. Prof. dr. B.J. Schueler heeft daarover opgemerkt dat deze bepaling zou moeten worden aangevuld met de situatie waarin de onrechtmatigheid van een besluit volgt uit de herroeping of intrekking ervan of wanneer vernietiging in administratief beroep heeft plaatsge-vonden.[1] Volgens de huidige formulering zouden vorderingen uit onrechtmatige daad waarin de vernietiging op deze gronden plaats vindt, nooit verjaren. Is dit de bedoeling van de regering? Zijn de in artikel 8:93 Awb geformuleerde situaties limitatief bedoeld? Zo nee, dient de regeling van artikel 8:93 Awb dan niet met deze situaties te worden aangevuld? Ook hebben deze leden vernomen dat mr. C. N. J. Kortmann heeft voorgesteld om te bepalen dat de verjaringstermijn zou aanvangen op de dag na de bekendmaking van het schadeveroorzakende besluit, waarbij het instellen van bezwaar, beroep en hoger beroep als stuitingshandeling heeft te gelden en de verjaringstermijn dus niet loopt zolang er niet op het bezwaar, beroep of hoger beroep is beslist.4 Heeft een dergelijke regeling, zo vragen deze leden de regering, niet het voordeel dat meer helderheid ontstaat dan door de huidige, lacuneuze formulering in artikel 8:93 Awb?
[32 621, B, p. 8]

Memorie van antwoord I

3. Schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaden
3.1 Algemeen
De leden van de VVD-fractie vragen, onder verwijzing naar publicaties van Schueler en Kortmann,[2] of het juist is dat vorderingen uit onrechtmatige daad waarin de onrechtmatigheid van een besluit volgt uit de herroeping of intrekking van het besluit of uit de vernietiging van het besluit in administratief beroep, niet verjaren, of de in artikel 8:93 geformuleerde situaties limitatief zijn bedoeld en of een andere formulering van artikel 8:93 niet helderder zou zijn.

Vooropgesteld zij dat de genoemde publicaties betrekking hebben op het in 2007 openbaar gemaakte voorontwerp van dit wetsvoorstel. Naar aanleiding van de opmerkingen is de verjaringsregeling voordat het wetsvoorstel werd ingediend opnieuw bezien. Dit heeft ertoe geleid dat artikel 8:93 in het wetsvoorstel zoals dat uiteindelijk is ingediend, is gewijzigd ten opzichte van het voorontwerp. Ook de memorie van toelichting is aangevuld en verduidelijkt. Gevallen waarin de onrechtmatigheid van een besluit blijkt uit een vernietiging in administratief beroep vallen onder de tekst van het artikel (artikel 8:93, aanhef en onder a) aangezien zowel in beroep bij de bestuursrechter als in administratief beroep het oorspronkelijke besluit wordt vernietigd indien het (administratief) beroep gegrond is. In de memorie van toelichting is dit verduidelijkt. Voorts is in de memorie van toelichting aangegeven dat erkenning van de onrechtmatigheid van het schadeveroorzakende besluit onder omstandigheden wordt aangenomen als het bestuursorgaan dit besluit intrekt of herroept op de grond dat het onrechtmatig was.[3] Dit sluit overigens ook aan bij de betogen van Schueler en Kortmann. Artikel 8:93 verklaart artikel 3:310 BW van overeenkomstige toepassing. Dit houdt in dat de aldaar genoemde verjaringstermijnen van vijf en van twintig jaren ook van toepassing zijn op de verzoeken om schadevergoeding op grond van titel 8.4. Omdat het onderwerp schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad enkele specifieke vragen oproept met betrekking tot het begin van de verjaringstermijn, is hiervoor in artikel 8:93 een regeling getroffen. Het tekstvoorstel van Kortmann, inhoudende dat de verjaringstermijn zou aanvangen op de dag na de bekendmaking van het schadeveroorzakende besluit, waarbij het instellen van bezwaar, beroep en hoger beroep als stuitingshandeling heeft te gelden, is niet overgenomen. Het is een andere manier om hetzelfde effect te bereiken, maar de in artikel 8:93 gekozen formulering sluit beter aan bij de vaste jurisprudentie over de aanvang van de verjaringstermijn in bestuursrechtelijke zaken.
[32 621, C, p. 10]

 


[1] Zie B.J. Schueler, «De onrechtmatige overheidsdaad in het Voorontwerp Schadevergoeding, NTB 2007, blz. 292.
[2] B.J. Schueler, De onrechtmatige overheidsdaad in het Voorontwerp Schadevergoeding, NTB 2007, p. 292; C.N.J Kortmann, Het voorontwerp schadevergoeding wegens onrechtmatige besluiten: een probaat middel tegen procespijn?, O&A 2007/74.
[3] Bijv. CBb 25 juli 2001, LJN ZB8684, AB 2001, 288, JB 2001/261.

 

 

Share This